Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 966/2001/GG tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 966/2001/GG - Geopend op Woensdag | 04 juli 2001 - Besluit over Maandag | 04 maart 2002
Geachte heer S.,
Op 28 juni 2001 heeft u een klacht ingediend over vergelijkend onderzoek COM/A/98/10 en in het bijzonder over de voorselectietoets b) daarvan.
Op 4 juli 2001 heb ik de klacht voor commentaar doorgestuurd naar de Commissie. De Commissie heeft op 17 oktober 2001 advies uitgebracht over uw klacht.
Op 23 oktober 2001 heb ik de Commissie schriftelijk om nadere informatie over uw klacht verzocht. Ik heb u dezelfde dag hiervan in kennis gesteld en u een afschrift van het advies van de Commissie doen toekomen. De Commissie heeft op 7 december 2001 geantwoord op mijn verzoek om nadere inlichtingen.
Op 12 december 2001 heb ik u het antwoord van de Commissie doen toekomen met de uitnodiging om desgewenst opmerkingen te maken. Op 14 januari 2002 heeft u mij om nadere informatie over het antwoord van de Commissie verzocht. Ik heb geantwoord bij brief van 15 januari 2002. Op 23 januari 2002 heeft u mij uw opmerkingen over het standpunt van de Commissie en het antwoord van de Commissie op mijn verzoek om inlichtingen toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klager nam deel aan het door de Commissie georganiseerde vergelijkend onderzoek COM/A/98/10 ("Administratie van steun aan derde landen"). Hij behaalde het vereiste aantal punten (ten minste 50 % van het totaal aantal punten) in drie van de vier voorselectietests. De Commissie deelde hem echter mee dat hij had gefaald bij de resterende test (voorselectietest b), waarbij hij slechts 9,77 punten van de 30 behaalde (d.w.z. minder dan 30 %).
Op 11 mei 1999 verzocht klager de Commissie het resultaat van die test handmatig te controleren. Aangezien de Commissie niet onmiddellijk antwoordde, wendde klager zich tot de Ombudsman (klacht 532/99/(PD)/GG), die vervolgens contact opnam met de Commissie. Op 21 juni 1999 antwoordde de Commissie op de brief van klager van 11 mei 1999 en deelde zij klager mee dat de hem meegedeelde resultaten overeenstemden met de punten die hij bij de onderzoeken had behaald. Aangezien de klacht alleen betrekking had op het uitblijven van een antwoord op de brief van 11 mei 1999 en de Commissie daarop had geantwoord, deelde de Ombudsman klager vervolgens mee dat hij van mening was dat zijn klacht door de Commissie was afgehandeld.
In juni 2001 wendde klager zich opnieuw tot de Ombudsman. Volgens klager zijn de feiten die aan zijn onderhavige klacht ten grondslag liggen, de volgende:
Bij gebreke van een antwoord op zijn brief van 11 mei 1999 belde klager op 21 juni 1999 een heer Van Biesen bij de Commissie die ermee instemde de zaak te onderzoeken. De volgende dag deelde de heer Van Biesen klager mee dat hij nog geen nieuws had, maar dat klager (die toen in Macedonië werkte) telefonisch zou worden gecontacteerd. Kort daarna werd klager gebeld door een dame die zei dat zij voor directoraat-generaal (DG) IX werkte en die klager vertelde dat hij zou mogen deelnemen aan de volgende fase van het vergelijkend onderzoek.
Nadat klager de brief van de Commissie van 21 juni 1999 had ontvangen waarin hem werd meegedeeld dat hij niet aan de volgende fase van het vergelijkend onderzoek zou mogen deelnemen, heeft hij DG IX op 29 juni en 5 juli 1999 opnieuw gebeld. Bij de tweede gelegenheid kreeg hij te horen dat niemand hem namens de heer Van Biesen had gebeld. Klager werd er voorts van in kennis gesteld dat zijn examen opnieuw was gecontroleerd en dat dit heronderzoek had bevestigd dat hij niet aan het schriftelijke gedeelte van het examen kon deelnemen.
Op 6 juli 1999 heeft klager de Commissie schriftelijk verzocht om een kopie van de door hem ingevulde relevante voorselectietest en van de bijbehorende sleutel van de antwoorden. In haar antwoord van 9 juli 1999 was de Commissie van mening dat om redenen van vertrouwelijkheid geen verdere informatie kon worden verstrekt.
In zijn klacht bij de Ombudsman herhaalde klager zijn standpunt dat zijn voorselectietoets b) onjuist was beoordeeld. De klager was van mening dat het geschil alleen kon worden opgehelderd door de bekendmaking van deze toets en van de juiste antwoorden. Hij merkte op dat hij niet zozeer geïnteresseerd was in het vergelijkend onderzoek als zodanig, maar in het beginsel van transparantie in het werk van de Commissie en in de eerlijkheid van de selectieprocedures. Volgens hem mag de vertrouwelijkheid van de werkzaamheden van de jury de gevraagde openbaarmaking niet in de weg staan. In dit verband verwees klager naar een in 2001 gepubliceerde aankondiging van een vergelijkend onderzoek waarin de Commissie had opgemerkt dat de deelnemers op verzoek een kopie van hun examen en van de juiste antwoorden zouden ontvangen. Klager eiste derhalve dat hem ofwel een kopie van zijn toets en van de juiste antwoorden zou worden toegezonden, ofwel dat de Ombudsman een onafhankelijke controle van de desbetreffende toets zou uitvoeren.
Het onderzoek
De klacht is voor advies naar de Commissie gestuurd. De Ombudsman verzocht de Commissie een kopie van de toets van klager en van de lijst van juiste antwoorden bij haar advies te verstrekken.
Advies van de CommissieIn haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:
De in 2001 gepubliceerde aankondiging van een vergelijkend onderzoek waarnaar klager had verwezen, bevatte bepalingen betreffende de openbaarmaking van tests die verschilden van die welke in eerdere aankondigingen waren opgenomen. Deze bepalingen vormden een nieuwe aanpak op basis van een politieke toezegging die voorzitter Prodi in december 1999 aan de Ombudsman had gedaan met betrekking tot vergelijkende onderzoeken die vanaf 1 juli 2000 werden gepubliceerd. Klager kon zich derhalve niet op deze regels beroepen, aangezien het vergelijkend onderzoek waaraan hij had deelgenomen in 1998 was gepubliceerd.
De Commissie diende een kopie in van de door klager ingevulde voorselectietoets b) en van de tabel met de juiste antwoorden, waarbij zij benadrukte dat deze documenten vertrouwelijke informatie van de Ombudsman betroffen. Voorts merkte zij op dat de vragen 25, 26 en 35 van dit examen door de jury’s van de selecties COM/A/8/9/10/11 en 12 nietig waren verklaard, aangezien de jury’s deze vragen dubbelzinnig hadden geacht. De nietigverklaring van deze vragen was het voorwerp geweest van een arrest van het Gerecht van eerste aanleg (1). Het Hof heeft geoordeeld dat de nietigverklaring van deze vragen niet onrechtmatig was.
Nadere inlichtingenVerzoek om nadere inlichtingen
Na onderzoek van het standpunt van de Commissie was de Ombudsman van oordeel dat hij nadere informatie nodig had om de klacht te behandelen. Uit de door de Commissie overgelegde documenten bleek dat klager 18 van de 37 vragen (die geen betrekking hadden op de drie vragen die waren geschrapt) correct had beantwoord. In de veronderstelling dat elk antwoord 30/37 punten waard was, was het niet duidelijk hoe de Commissie tot het resultaat van 9,77 punten was gekomen. De Ombudsman verzocht de Commissie derhalve de cijfers opnieuw te controleren om het juiste resultaat vast te stellen.
Antwoord van de CommissieIn haar antwoord legde de Commissie uit dat klager slechts 17 vragen correct had beantwoord, terwijl 15 vragen onjuist waren beantwoord. Het verschil met de telling van de Ombudsman was te wijten aan het feit dat de optische lezer een meervoudig antwoord op vraag 22 had ontdekt, als gevolg van het feit dat het kruis dat was geplaatst om vraag 23 te beantwoorden, zich had uitgebreid tot een van de vakken voor de vorige vraag. Dit was in strijd met de instructies die aan de kandidaten waren gegeven, volgens welke kruisjes in de desbetreffende vakken moesten worden geplaatst en niet tot andere vakken mochten worden uitgebreid. De Commissie legde ook uit dat elk verkeerd antwoord had geleid tot een aftrek van 0,33 punten. Op basis van deze gegevens had de Commissie 9,77 punten berekend (17 maal 30/37 punten min 15 maal 1/3 van 30/37).
De Commissie heeft een kopie van het formulier met de berekeningen voor alle vier de voorselectietoetsen en een kopie van de instructies die aan de kandidaten waren gegeven, overgelegd.
Verzoek om inlichtingen van klagerNadat klager het antwoord van de Commissie had ontvangen, stuurde hij de Ombudsman een lijst met de antwoorden die hij meende tijdens de test te hebben gegeven. Klager was van mening dat hij 21 juiste en 11 verkeerde antwoorden had gegeven. Hij verzocht de Ombudsman derhalve na te gaan of zijn lijst overeenkwam met de antwoorden die hij daadwerkelijk tijdens de toets had gegeven en hem op de hoogte te stellen van eventuele discrepanties tussen zijn lijst en de door de Commissie verstrekte kopie van zijn toets en, zo ja, wat de juiste antwoorden zouden zijn geweest. In zijn antwoord wees de Ombudsman erop dat hij klager had verzocht tot en met 31 januari 2002 opmerkingen in te dienen over het standpunt van de Commissie en haar antwoord op het verzoek om inlichtingen. De Ombudsman merkte op dat uit de genoemde documenten en de toelichtingen van de Commissie bleek dat de berekening van de punten van klager door de Commissie correct leek te zijn.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen benadrukte klager dat hij zich baseerde op het transparantiebeginsel en op de noodzaak van eerlijkheid bij vergelijkende onderzoeken, en niet op de bepalingen die de Commissie had vastgesteld met betrekking tot een in 2001 gepubliceerd vergelijkend onderzoek. Klager bleef bij zijn standpunt dat hij 21 juiste en 11 verkeerde antwoorden had gegeven. Hij voegde er echter aan toe dat hij ervan overtuigd was dat de Ombudsman het resultaat van de test correct had beoordeeld. Volgens hem was de meest waarschijnlijke verklaring voor de discrepantie dat er meer dubbelzinnige vragen waren gesteld dan de drie vragen die nietig waren verklaard. Klager merkte echter op dat alle mogelijkheden waarover hij beschikte om deze discrepantie op te helderen, waren uitgeput. Hij spreekt de hoop uit dat het voor kandidaten in de toekomst gemakkelijker zal zijn om uitputtende verduidelijkingen te krijgen over de resultaten van vergelijkende onderzoeken. Klager sloot af met een dankbetuiging aan de Ombudsman voor zijn hulp.
BESLUIT
1 Gebrek aan transparantie en oneerlijke concurrentie1.1 Klager nam deel aan het door de Commissie georganiseerde vergelijkend onderzoek COM/A/98/10. Vervolgens werd hem meegedeeld dat hij bij een van de vier voorselectietoetsen (voorselectietoets b) niet het vereiste aantal punten had behaald. Volgens de Commissie had de klager slechts 9,77 van de 30 punten behaald in plaats van de vereiste 50 %. Klager is van mening dat zijn toets onjuist is beoordeeld en dat hij zich zorgen maakt over het beginsel van transparantie in het werk van de Commissie en de eerlijkheid van de selectieprocedures. Klager eist derhalve dat hem ofwel een kopie van zijn toets en van de juiste antwoorden wordt toegezonden, ofwel dat de Ombudsman een onafhankelijke controle van de desbetreffende toets uitvoert.
1.2 De Commissie is van mening dat zij het aantal door klager behaalde punten correct heeft berekend. Zij diende een kopie in van de door klager ingevulde voorselectietoets b) en van de tabel met correcte antwoorden voor de vertrouwelijke informatie van de Ombudsman.
1.3 De Ombudsman herinnert eraan dat hij de kwestie van de toegang van kandidaten tot hun examenstukken heeft onderzocht in het kader van zijn onderzoek op eigen initiatief naar de aanwervingsprocedures van de Commissie (1004/97/(PD)/GG), waarvoor in oktober 1999 een speciaal verslag aan het Europees Parlement is voorgelegd. Op 7 december 1999 deelde de voorzitter van de Europese Commissie de Ombudsman mee dat er regelingen zouden worden getroffen om kandidaten vanaf 1 juli 2000 op verzoek toegang te geven tot hun eigen gemarkeerde examenstukken voor toekomstige vergelijkende onderzoeken. De Ombudsman verwelkomde deze toezegging en sloot zijn onderzoek af nadat het Europees Parlement ook zijn aanbeveling had onderschreven om dergelijke toegang te verlenen (2). Opgemerkt zij dat deze klacht betrekking heeft op een vergelijkend onderzoek dat in 1998 is gepubliceerd, d.w.z. vóór bovengenoemde datum. De Ombudsman is derhalve van mening dat het niet nodig is dat hij verder onderzoek doet naar de bewering van klager dat de Commissie hem toegang moet verlenen tot zijn onderzoeksdocument.
1.4 In haar advies en in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Ombudsman heeft de Commissie meer gedetailleerde informatie verstrekt over de wijze waarop zij de toets van klager heeft beoordeeld. Volgens de Commissie waren drie van de veertig vragen door de jury geëlimineerd omdat zij dubbelzinnig waren gebleken. Van de overige vragen had klager er 17 correct en 15 onjuist beantwoord.
1.5 De Ombudsman heeft het hem voorgelegde bewijsmateriaal zorgvuldig onderzocht, overeenkomstig het verzoek van klager om een onafhankelijke controle uit te voeren. Hij concludeert dat uit het hem voorgelegde bewijsmateriaal blijkt dat de Commissie de punten van klager correct heeft berekend.
1.6 In deze omstandigheden lijkt er geen sprake te zijn van wanbeheer door de Commissie.
2 ConclusieUit het onderzoek van de Europese Ombudsman naar deze klacht blijkt dat er geen sprake is van wanbeheer door de Europese Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
Jacob SÖDERMAN
(1) Zaak T-189/99, Gerochristos/Commissie, [2001] SCR-I-A-11, II-53.
(2) Jaarverslag 2000 van de Europese Ombudsman, blz. 206.