Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit over de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) heeft gereageerd op de bezorgdheid over de samenstelling van een panel voor sollicitatiegesprekken in een selectieprocedure voor EU-personeel op het gebied van belastingen (zaak 1169/2020/KT)
Besluiten
Zaak 1169/2020/KT - Geopend op Vrijdag | 24 juli 2020 - Besluit over Donderdag | 23 juni 2022 - Betrokken instelling Europees Bureau voor personeelsselectie ( Geen wanbeheer vastgesteld ) - Land Finland
De zaak betrof de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) een kandidaat beoordeelde tijdens een sollicitatiegesprek in het kader van een procedure voor de aanwerving van EU-ambtenaren op het gebied van belastingen. Klager was van mening dat zijn lage score in het interview te wijten was aan het feit dat in het interviewpanel geen belastingdeskundige was opgenomen. Hij was ontevreden over de manier waarop EPSO zijn zorgen heeft aangepakt.
Tijdens het onderzoek heeft EPSO voldoende duidelijkheid verschaft over de deskundigheid van de jury. De Ombudsman vond geen aanwijzingen voor een kennelijke fout in de wijze waarop EPSO het interview had uitgevoerd. De Ombudsman sloot het onderzoek derhalve af met de bevinding dat er geen sprake was van wanbeheer.
De klacht
1. Klager nam deel aan een selectieprocedure voor de aanwerving van EU-ambtenaren, georganiseerd door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO)[1]. De selectieprocedure werd georganiseerd om deskundigen op het gebied van belastingen aan te werven.
2. Nadat klager in de eerdere fasen van de selectieprocedure voldoende scores had behaald (computertests en “talent screener”), werd hij uitgenodigd voor zijn laatste fase, het assessment. De tests in het assessment omvatten onder meer een gesprek over het vakgebied, dat tot doel had de deskundigheid van de kandidaten op het gebied van belastingen te beoordelen.
3. Na afloop van het assessment deelde EPSO klager mee dat het hem niet op de shortlist van geslaagde kandidaten had geplaatst omdat hij niet behoorde tot de kandidaten met de hoogste totaalscore in het assessment (ten minste 116,5/180 punten, terwijl klager 106,5/180 punten had behaald)[2].
4. Klager verzocht EPSO zijn besluit te herzien. Hij was van mening dat de reden waarom hij niet tot de succesvolle kandidaten behoorde, zijn score (63/100) in het veldgerelateerde interview was, die hij als ongerechtvaardigd laag beschouwde. Hij betoogde dat de vragen die hij tijdens dat gesprek had ontvangen hem de sterke indruk hadden gegeven dat zijn gesprekspartners geen deskundigen op dit gebied waren. Bovendien voerde hij aan dat de gespreksvoerders met hun vragen niet alle noodzakelijke thematische gebieden hadden behandeld. Zijn profiel en zijn uitgebreide beroepservaring, zoals die van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie (TAXUD) van de Europese Commissie, kwamen volgens hem volledig overeen met de vakgerelateerde competenties.
5. Na de evaluatie deelde EPSO klager mee dat de jury had geconcludeerd dat zijn scores overeenstemden met zijn prestaties. EPSO voegde daaraan toe dat er geen fouten waren gemaakt in het scoreproces, dat de aan klager verstrekte resultaten correct waren en dat de jury de procedureregels van de selectieprocedure volledig had nageleefd. EPSO merkte ook op dat de jury over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt met betrekking tot de gedetailleerde inhoud van de examens en de beoordeling ervan, en dat de mededeling van de behaalde punten voor elke competentie een toereikende en toereikende rechtvaardiging vormt voor het besluit van de jury. EPSO bevestigde zijn besluit om klager niet op de shortlist van geslaagde kandidaten te plaatsen.
6. Klager schreef vervolgens opnieuw een brief aan EPSO, waarin hij zijn score in het veldgerelateerde interview in twijfel trok. Hij voerde aan dat de selectieprocedure weliswaar tot doel had kandidaten te selecteren die voor DG TAXUD zouden werken, maar dat het panel dat hem had geïnterviewd (hierna: „interviewpanel”) geen enkele deskundige van dat DG omvatte. Hij werd veeleer geïnterviewd door personeelsleden van de Juridische Dienst van de Commissie en het directoraat-generaal Concurrentie (DG COMP), die niet over de nodige kennis van de taken van het relevante profiel beschikten. Klager vroeg EPSO of een personeelslid van DG TAXUD de kans had om zijn score in het veldgerelateerde interview te herzien. Hij wilde ook gedetailleerde feedback krijgen over zijn prestaties, zoals wat voor soort expertise hij miste in vergelijking met andere kandidaten.
7. EPSO antwoordde dat, zodra de jury op een verzoek om een nieuw onderzoek heeft gereageerd, de procedure is afgesloten en dat eventuele verdere correspondentie over dit onderwerp niet in aanmerking is genomen.
8. Klager verzocht EPSO vervolgens ten minste te antwoorden op zijn vraag of personeelsleden van DG TAXUD behoorden tot degenen die zijn cijfers voor de vakgerelateerde competenties hadden beoordeeld.
9. In de daaropvolgende correspondentie verklaarde EPSO dat de juryleden gekwalificeerd waren om de prestaties van klager te beoordelen. Het voegde daaraan toe dat, met name wat de beoordeling van de vakgerelateerde competenties betreft, volgens de rechtspraak van de Unie “de samenstelling van de examencommissie die deze competenties beoordeelt, als regelmatig [wordt] beschouwd en [...] een objectieve beoordeling door de jury van de professionele kwaliteiten van de kandidaten bij de uitvoering van de mondelinge examens [kan] waarborgen” indien daarin ten minste één lid zitting heeft dat deskundig is op het gebied van het vergelijkend onderzoek”.
10. Klager vroeg vervolgens waarom, indien het panel ten minste één belastingdeskundige zou moeten omvatten, zijn interviewers in plaats daarvan deskundigen op het gebied van het mededingingsrecht en leden van een juridische dienst waren.
11. Nadat klager geen bevredigend antwoord op zijn vragen had ontvangen, wendde hij zich in juli 2020 tot de Ombudsman.
Het onderzoek
12. De Ombudsman heeft een onderzoek ingesteld naar de klacht.
13. Als eerste stap verzocht de Ombudsman EPSO te reageren op de bewering van klager over de afwezigheid van een deskundige in het interviewpanel. De Ombudsman verzocht EPSO ook om aan klager uit te leggen of zijn scores voor de vakgerelateerde competenties waren beoordeeld door deskundigen op het gebied van belastingen.
14. EPSO antwoordde dat de jury die betrokken was bij de beoordeling van de vakgerelateerde competenties van klager, zowel tijdens het gesprek als in het kader van zijn verzoek om herziening, deskundigen op het gebied van de selectieprocedure omvatte. EPSO voegde daaraan toe dat de instelling die verantwoordelijk is voor de benoeming van de juryleden de vereiste deskundigheid moet definiëren en moet beslissen wat een deskundige op een bepaald gebied is. Het is de taak van EPSO ervoor te zorgen dat deskundigen altijd worden betrokken bij alle tests waarbij deskundigheid wordt beoordeeld.
15. De Ombudsman vroeg klager om opmerkingen over het antwoord van EPSO. In zijn opmerkingen beweerde klager dat EPSO nog steeds geen concreet antwoord op zijn vragen had gegeven. Volgens hem werd in het algemene antwoord van EPSO niet toegelicht of een belastingdeskundige of vertegenwoordiger van DG TAXUD betrokken was geweest bij de beoordeling van zijn prestaties. Hij herhaalde dat zijn gesprek werd gevoerd door personeelsleden van de Juridische Dienst van de Commissie en DG COMP. Als zodanig beschikte het interviewpanel niet over de nodige deskundigheid op het gebied van belastingen en was het dus niet in staat om zijn prestaties naar behoren te beoordelen. Als gevolg daarvan werd hij ongelijk behandeld in vergelijking met andere kandidaten die door deskundigen waren geïnterviewd. Klager herhaalde zijn vraag of een personeelslid van DG TAXUD de kans had om zijn cijfers te herzien en vroeg opnieuw om gedetailleerde feedback over zijn prestaties.
16. Vervolgens inspecteerde het onderzoeksteam van de Ombudsman het dossier van EPSO dat relevant was voor de zaak. Na de inspectie stuurde het onderzoeksteam van de Ombudsman follow-upvragen naar EPSO. Het inspectieverslag, met de gedetailleerde toelichtingen van EPSO in antwoord op de vervolgvragen, is als bijlage bij dit besluit gevoegd.
Beoordeling door de Ombudsman
Over de samenstelling en deskundigheid van de jury
Inleidende opmerkingen
17. De regels betreffende de samenstelling van een jury van een algemeen vergelijkend onderzoek zijn vastgelegd in het Statuut van de ambtenaren van de EU [3]. De juryleden moeten worden gekozen uit personeelsleden met een functiegroep en rang die ten minste gelijk zijn aan die van het te vervullen ambt.
18. Een jury moet zodanig zijn samengesteld dat een objectieve beoordeling van de prestaties van de kandidaten wordt gewaarborgd en dat ambtenaren met de hoogste bekwaamheidsnormen worden aangeworven.[4] De specifieke eisen waaraan de leden van de jury moeten voldoen, variëren naargelang van de specifieke omstandigheden van elke selectieprocedure [5].
19. Wat deskundigheid betreft, zijn er geen specifieke bepalingen in het Statuut van de ambtenaren van de EU die het vereiste deskundigheidsniveau van de leden van een jury aangeven. Volgens de EU-jurisprudentie moet echter ten minste één jurylid een deskundige op het gebied van de selectieprocedure zijn [6].
20. Klager lijkt te betogen dat een lid van de jury voor DG TAXUD moest werken om als deskundige op het gebied van de selectieprocedure in kwestie te worden beschouwd.
21. Volgens de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek [7] organiseerde EPSO echter de selectieprocedure “[... om twee reservelijsten op te stellen waaruit de Europese Commissie, voornamelijk het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie (DG TAXUD), nieuwe ambtenaren kan aanwerven [...]”[8].
22. Bovendien wordt in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarin de taken van de beleidsmedewerker op het gebied van belastingen worden beschreven, nader bepaald: "Als beleidsmedewerker in een eenheid van het directoraat indirecte of directe belastingen van DG TAXUD of in een van de eenheden fiscale staatssteun van het directoraat-generaal Concurrentie (DG COMP) wordt van u verwacht dat u [...][9] . DG TAXUD is dus niet de exclusieve toekomstige werkgever van de geslaagde kandidaten, die wellicht worden uitgenodigd om voor DG COMP te werken.
Bevindingen
23. De inzage in het dossier van EPSO en de toelichtingen die EPSO heeft verstrekt in antwoord op de vervolgvragen van het onderzoeksteam van de Ombudsman (zie het inspectieverslag in de bijlage bij dit besluit) wijzen niet op een onregelmatigheid in de samenstelling van een van de twee panels, namelijk het interviewpanel en het panel dat het verzoek om een nieuw onderzoek van klager heeft behandeld (“beoordelingspanel”).
24. Elke jury omvatte met name een deskundige op het gebied van de selectieprocedure. Wat het gesprekspanel betreft, werkte een van de twee leden voor DG COMP, directoraat Staatssteun, eenheid Praktijken voor belastingplanning. Wat het toetsingspanel betreft, werkte een van de twee leden voor DG COMP, directoraat Staatssteun, eenheid Fiscale steun.
25. In het licht van de verduidelijkingen die EPSO in de loop van het onderzoek heeft verstrekt, is de Ombudsman van mening dat de bezorgdheid van klager over de samenstelling van de jury nu adequaat is weggenomen.
Over de evaluatie van de prestaties van de klager in het veldgerelateerde interview
26. Bij de beoordeling van kandidaten zijn de jury’s gebonden aan de selectiecriteria voor de selectieprocedure in kwestie. Tegelijkertijd beschikken de jury’s volgens de rechtspraak van de Unie over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de kwalificaties en beroepservaring van een kandidaat aan de hand van deze criteria.[10] De beoordelingsmarge is nog ruimer wanneer het gaat om mondelinge toetsen.[11] Bovendien beschikken de jury’s over een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot de specifieke kenmerken en de gedetailleerde inhoud van de toetsen.[12]
27. In het licht van het bovenstaande is de rol van de Ombudsman dus beperkt tot het vaststellen of er sprake was van een kennelijke fout van de jury [13].
28. De persoonlijke overtuiging van een kandidaat over zijn prestaties kan niet afdoen aan de beoordeling van de jury en vormt op zich geen bewijs van een kennelijke fout van de jury.[14] Evenzo vormt het feit dat een kandidaat met uitgebreide relevante beroepservaring een lagere score heeft behaald in het vakgerelateerde gesprek (in vergelijking met zijn scores in andere delen van de selectieprocedure) op zich geen bewijs van een kennelijke fout, aangezien elke fase van een selectieprocedure afzonderlijk wordt beoordeeld. In dit geval was de beroepservaring van klager in een eerder stadium van de selectieprocedure geëvalueerd (de talentscreener), waarna klager werd uitgenodigd voor het assessment.
29. De inspectie van het dossier van EPSO (zie het inspectieverslag in de bijlage bij dit besluit) wijst niet op een kennelijke fout in de wijze waarop de jury het veldgerelateerde gesprek heeft gevoerd en de prestaties van klager heeft beoordeeld.
30. De gestelde vragen waren met name in overeenstemming met de aankondiging van vergelijkend onderzoek en hadden betrekking op alle drie de beoordeelde vakgerelateerde competenties. Er is ook geen fout gemaakt in de wijze waarop de jury de score van klager per competentie en zijn eindscore heeft berekend volgens het vooraf vastgestelde scoreschema.
Op het verzoek van de klager om gedetailleerde feedback
31. Gelet op de hierboven genoemde ruime beoordelingsbevoegdheid is een jury van een vergelijkend onderzoek niet verplicht om na een mondeling examen gedetailleerde feedback te geven, zodat zij de kandidaat kan uitleggen welke antwoorden onbevredigend waren of waarom zij deze onbevredigend achtte.[15] De scores die zijn behaald bij de verschillende toetsen in het kader van een personeelsselectieprocedure vormen een toereikende motivering van het besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek met betrekking tot een bepaalde kandidaat.[16]
32. Bovendien is het werk van de jury geheim om de jury te beschermen tegen externe druk en haar aldus in staat te stellen haar werk onafhankelijk en objectief te verrichten.[17] Dit sluit de openbaarmaking uit van details over de vergelijkende beoordelingen van kandidaten door de jury’s.[18]
33. In dit geval verstrekte EPSO de klager het minimumscore voor het veldgerelateerde interview (50/100), zijn totale score voor het veldgerelateerde interview (63/100) en de “kwalificatie” die hij had ontvangen voor elk van de drie specifieke competenties die tijdens het veldgerelateerde interview waren beoordeeld (“sterk”, “sterk” en “bevredigend”). Dit wordt beschouwd als adequate feedback.
Conclusies
Op basis van het onderzoek sluit de Ombudsman deze zaak af met de volgende conclusie [19]:
In het licht van de verduidelijkingen die het Europees Bureau voor personeelsselectie tijdens het onderzoek heeft verstrekt, heeft het voldoende tegemoetgekomen aan de bezorgdheid van klager over de samenstelling van de jury.
Er was geen sprake van wanbeheer bij de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie het gesprek over het vakgebied van klager heeft gevoerd, zijn prestaties daarin heeft beoordeeld en zijn verzoek om feedback heeft behandeld.
Klager en EPSO zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
Tina Nilsson
Hoofd van de eenheid Case-handling
Straatsburg, 23/06/2022
[1] EPSO/AD/363/18 - Administrateurs (AD 7) - Veld 2: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:C2018/368A/01&from=EN
[2] Volgens de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek "stelt de jury een reservelijst op voor elk vakgebied - totdat het aantal gezochte geslaagde kandidaten is bereikt - van de in aanmerking komende kandidaten die na het assessment alle vereiste minimumscores en de hoogste totaalscores hebben behaald".
[3] Artikel 3 van bijlage III bij Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, beschikbaar op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:01962R0031-20220101&from=EN.
[4] Overeenkomstig artikel 27 van het Statuut van de ambtenaren van de EU. Zie arrest van het Gerecht van 27 juni 1991, Valverde Mordt/Hof van Justitie, T-156/89, punt 105: https://curia.europa.eu/juris/showPdf.jsf?text=&docid=102896&pageIndex=0&doclang=EN&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=23065979.
[5] Arrest van het Gerecht van 17 december 1997, Karagiozopoulou/Commissie, T-166/95, punt 34: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/FR/TXT/PDF/?uri=CELEX:61995TJ0166&from=FR
[6] Arrest van het Gerecht van 22 juni 1990, Marcopoulos/Hof van Justitie, T-32/89 en T/39/89, punt 37: https://curia.europa.eu/juris/showPdf.jsf?text=&docid=102822&pageIndex=0&doclang=EN&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=23067009; Arrest Valverde Mordt/Hof van Justitie, reeds aangehaald, punt 106.
[7] De „aankondiging van vergelijkend onderzoek” bevat de criteria en regels die van toepassing zijn op de selectieprocedure.
[8] Zie bladzijde 1 van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek (nadruk toegevoegd).
[9] Zie blz. 3 van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek (onder 2, “Belastingen”) (cursivering van mij).
[10] Arrest van het Gerecht van 11 februari 1999, Mertens/Commissie, T-244/97, punt 44: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/HR/TXT/?uri=CELEX:61997TJ0244; arrest van het Gerecht van 11 mei 2005, De Stefano/Commissie, T-25/03, punt 34: http://curia.europa.eu/juris/celex.jsf?celex=62003TJ0025&lang1=en&type=TXT&ancre=.
[11] Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 25 mei 2011, Meierhofer/Commissie, F-74/07 RENV, punt 63: https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=135362&pageIndex=0&doclang=en&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=612105
[12] Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 februari 2004, Konstantopoulou/Hof van Justitie, T-19/03, punt 48: https://curia.europa.eu/juris/showPdf.jsf?text=&docid=48932&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=3490404
[13] Zie Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 14/2010/ANA tegen de
Europees Bureau voor personeelsselectie, paragraaf 14:
https://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/en/10427/html.bookmark#_ftnref5); en arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 mei 2005, Gibault/Commissie, T-294/03, punt 41: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/ALL/?uri=CELEX:62003TJ0294.
[14] Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 juli 1993, Camara Alloisio e.a./Commissie, gevoegde zaken T-17/90, T-28/91 en T-17/92, punt 90: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/GA/TXT/?uri=CELEX:61990TJ0017; arrest van het Gerecht van 23 januari 2003, Angioli/Commissie, T-53/00, punt 94: http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=47998&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=5568.
[15] Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 11 december 2012, Mata Blanco/Commissie, F-65/10, punt 109: https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=131681&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=12853032.
[16] Arrest Mata Blanco/Commissie, reeds aangehaald, punt 107.
[17] Artikel 6 van bijlage III bij het Statuut.
[18] Arrest Mata Blanco/Commissie, reeds aangehaald, punt 106.
[19] Deze klacht is behandeld in het kader van gedelegeerde behandeling van zaken, overeenkomstig het besluit van de Europese Ombudsman tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen.