Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 318 resultaten weergeven

Aanbeveling over de naleving door de Europese Commissie van de regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen die zij urgent achtte (983/2025/MAS – de zaak “Omnibus”, 2031/2024/VB – de zaak “migratie” en 1379/2024/MIK – de zaak “GLB”)

Dinsdag | 25 november 2025

De drie zaken hebben betrekking op de wijze waarop de Europese Commissie haar regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten heeft toegepast bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (983/2025/MAS), de bestrijding van migrantensmokkel (2031/2024/VB) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1379/2024/MIK). De Commissie achtte deze voorstellen dringend en heeft daarom in haar regels voorziene stappen, zoals effectbeoordelingen en openbare raadplegingen, achterwege gelaten. De klagers, die maatschappelijke organisaties zijn, waren van mening dat deze omissies in strijd waren met de regels voor betere regelgeving van de Commissie. In twee gevallen voerden de klagers ook aan dat de Commissie de verenigbaarheid van de wetgevingsvoorstellen met de klimaatdoelstellingen van de EU niet heeft gecontroleerd, zoals vereist door de Europese klimaatwet. In één geval was klager verder bezorgd over het feit dat de Commissie haar reglement van orde inzake overleg tussen de diensten had geschonden.   

De Ombudsman opende een onderzoek naar de drie zaken. Zij ontving het schriftelijke antwoord van de Commissie in alle drie de zaken, inspecteerde de relevante dossiers van de Commissie en haar onderzoeksteams ontmoetten vertegenwoordigers van de Commissie in het kader van twee onderzoeken.

De Commissie antwoordde dat de regels voor betere regelgeving geen bindend recht zijn, maar een reeks beleidsinstrumenten voor het verzamelen van relevante informatie die op evenredige wijze moet worden toegepast. Zij voerde ook aan dat zij al het relevante bewijsmateriaal had verzameld voordat zij de wetgevingsvoorstellen in kwestie goedkeurde, belanghebbenden had geraadpleegd en de klimaatconsistentiebeoordelingen en de interdepartementale raadpleging had uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke regels.

Op basis van haar onderzoeken constateerde de Ombudsman een aantal procedurele tekortkomingen in de wijze waarop de Commissie de wetgevingsvoorstellen heeft voorbereid, die samen neerkomen op wanbeheer.

De Ombudsman constateerde met name dat de Commissie een ruime interpretatie van “urgentie” heeft gegeven en de “urgentie” van de wetgevingsvoorstellen jegens het publiek niet voldoende heeft gerechtvaardigd en de afwijkingen van de toepasselijke regels voor betere regelgeving niet heeft gedocumenteerd. De Ombudsman constateerde ook dat de Commissie geen procedure heeft ingevoerd die, zoals vereist door de Verdragen en de jurisprudentie, zou zorgen voor een transparante, empirisch onderbouwde en inclusieve voorbereiding van “dringende” wetgevingsvoorstellen. De Ombudsman constateerde voorts dat de Commissie, door geen behoorlijke registers bij te houden van verplichte controles van de consistentie van haar voorstellen met de klimaatdoelstellingen van de EU, heeft nagelaten verantwoording af te leggen.

Om deze tekortkomingen aan te pakken, deed de Ombudsman twee aanbevelingen. De Ombudsman heeft de Commissie aanbevolen te zorgen voor een voorspelbare, consistente en niet-willekeurige toepassing van haar regels voor betere regelgeving, door “dringende” situaties te definiëren die een afwijking van de in de regels vastgestelde vereisten rechtvaardigen. Voorts moet de Commissie, wanneer afwijkingen worden toegestaan, een procedure vaststellen om ervoor te zorgen dat de dringende voorbereiding van wetgevingsvoorstellen nog steeds in overeenstemming is met de beginselen van een transparant, empirisch onderbouwd en inclusief wetgevingsproces. Om de Commissie bij deze taak bij te staan, heeft de Ombudsman vier suggesties gedaan, waaronder het verduidelijken van de regels voor de raadpleging van belanghebbenden voor dringende voorstellen en ervoor zorgen dat het bewijsmateriaal ter ondersteuning van haar voorstellen tijdig wordt gepubliceerd om een openbaar debat mogelijk te maken voordat wetgeving wordt aangenomen.

Besluit over het besluit van de Europese Commissie om niet langer samen te werken met een uitzendkracht in haar kinderopvangdiensten (zaak 1244/2024/KW)

Woensdag | 19 november 2025

De zaak betrof het besluit van de Europese Commissie om niet langer samen te werken met een uitzendkracht in haar kinderopvangdiensten. Klager werd ingehuurd via een externe contractant op basis van wekelijkse contracten. Volgens de instructies van de Commissie deelde de contractant klager mee dat de Commissie niet langer om haar diensten zou verzoeken. Klager wendde zich tot de Ombudsman met het argument dat de Commissie haar geen gegronde redenen voor haar besluit had gegeven.

De Ombudsman heeft zich consequent op het standpunt gesteld dat wanneer de instellingen van de Unie om de beëindiging van het contract van een persoon met een externe contractant verzoeken, zij billijke en objectieve redenen moeten opgeven om de beëindiging te rechtvaardigen, de betrokken persoon daarvan in kennis moeten stellen en ervoor moeten zorgen dat zij de mogelijkheid krijgen om vóór de beëindiging opmerkingen in te dienen. Het precaire karakter van de situatie van een uitzendkracht impliceert dat de Commissie verplicht is eerlijk en transparant te zijn, zelfs wanneer er geen contractuele relatie bestaat. In dit geval heeft de Commissie er niet voor gezorgd dat klager werd gehoord en in de gelegenheid werd gesteld opmerkingen te maken over de door de Commissie opgegeven redenen voordat zij besloot de diensten van klager niet langer aan te vragen. Hoewel dit betreurenswaardig is, merkt de Ombudsman op dat klager in de week voorafgaand aan het besluit van de Commissie op de hoogte moet zijn gebracht van een aantal kwesties. Wegens het gebrek aan registratie is de Ombudsman echter niet in staat om na te gaan of het personeel van de Commissie de kwesties met klager heeft besproken. Niettemin is de Ombudsman ingenomen met het feit dat de Commissie heeft erkend dat zij haar redenering in deze zaak verder had kunnen toelichten aan klager.

Op basis hiervan is de Ombudsman van oordeel dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd is en sluit hij de zaak af.  

Besluit over de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) verzoeken om herziening van de resultaten in twee selectieprocedures EPSO/AST/151/22 en EPSO/AD/398/22 heeft behandeld (zaak 1455/2024/VS)

Vrijdag | 07 november 2025

De zaak betrof de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) verzoeken om herziening heeft behandeld van een kandidaat die in twee selectieprocedures niet was geslaagd. Klager voerde onder meer aan dat EPSO zijn zorgen onvoldoende had aangepakt en vroeg zich af of EPSO zijn prestaties adequaat had beoordeeld.

Nadat de Ombudsman het onderzoek had geopend, verstrekte EPSO aanvullende antwoorden aan klager. De Ombudsman constateerde dat er inconsistenties waren tussen deze antwoorden en de antwoorden die hij aanvankelijk ontving, en dat het niet duidelijk was of EPSO zijn oorspronkelijke besluiten daadwerkelijk heeft herzien. In de loop van het onderzoek heeft EPSO nadere toelichtingen verstrekt om dit uit te leggen.

De Ombudsman sloot de zaak af met de bevinding dat geen verder onderzoek gerechtvaardigd was, aangezien EPSO uiteindelijk redelijke uitleg gaf over de wijze waarop het de verzoeken om herziening van klager behandelde. Het onderzoek bracht echter problemen aan het licht met de standaardantwoorden van EPSO op verzoeken om herziening. Om deze problemen aan te pakken, deed de Ombudsman EPSO een suggestie voor verbetering en verzocht hij EPSO ervoor te zorgen dat kandidaten die een verzoek tot herziening hebben ingediend, in de toekomst een duidelijk, nauwkeurig en volledig antwoord krijgen waarin zij worden geïnformeerd over de vraag of een herziening heeft plaatsgevonden en over de redenen voor het besluit van EPSO.