Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 1378 resultaten weergeven

Besluit inzake de weigering van de Europese Investeringsbank (EIB) om het publiek toegang te verlenen tot documenten in verband met de follow-up van onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (zaak 627/2025/SF)

Maandag | 03 augustus 2026

De zaak betrof de weigering van de Europese Investeringsbank (EIB) om het publiek volledige toegang te verlenen tot documenten in verband met onderzoeken en aanbevelingen van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). De EIB heeft vastgesteld dat tal van documenten binnen het toepassingsgebied van het verzoek van de klager vallen, waaronder de eindverslagen en aanbevelingen van OLAF, alsook de eigen tuchtbesluiten van de EIB. Hoewel de EIB gedeeltelijke toegang heeft verleend tot tien van de 13 geïdentificeerde eindverslagen van OLAF, heeft zij de toegang tot de overige documenten in hun geheel geweigerd. Wat de tuchtrechtelijke besluiten van de EIB betreft, heeft de EIB een samenvatting verstrekt van de genomen tuchtrechtelijke follow-upmaatregelen. Daarbij heeft de EIB zich in haar transparantieregels gebaseerd op uitzonderingen op de toegang van het publiek, met het argument dat volledige openbaarmaking de bescherming van persoonsgegevens, het doel van onderzoeken en haar besluitvormingsproces zou ondermijnen.

De Ombudsman opende een onderzoek en haar onderzoeksteam inspecteerde de litigieuze documenten in het verzoek van klager om toegang van het publiek. Uit de inspectie bleek dat een aanzienlijk deel van de informatie in die documenten persoonsgegevens vormde die, indien zij openbaar werden gemaakt, de individuele personeelsleden van de EIB die door OLAF werden onderzocht, identificeerbaar konden maken. Gezien de delicate afweging die nodig is om te bepalen of openbaarmaking zou kunnen leiden tot de identificatie van personen en gezien het feit dat de EIB de klager een overzicht had verstrekt van de genomen follow-upmaatregelen en de opgelegde sancties, was de Ombudsman van mening dat de weigering van de EIB om volledige publieke toegang te verlenen over het algemeen redelijk was. Daarom sloot zij de zaak af en stelde zij vast dat er geen sprake was van wanbeheer. Hoewel een aanzienlijk deel van de informatie in de ingehouden documenten duidelijk persoonsgegevens vormt, merkte de Ombudsman op dat een deel van de informatie, ook al was het beperkt, administratief van aard was en geen persoonsgegevens vormde. Zij deed dus een suggestie voor verbetering dat de EIB zou overwegen of ten minste bepaalde delen van haar tuchtbesluiten die louter administratieve informatie bevatten, openbaar konden worden gemaakt zonder het risico te lopen dat persoonsgegevens openbaar zouden worden gemaakt.

Besluit over de wijze waarop de Europese Centrale Bank (ECB) bepaalde procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders heeft behandeld (zaak 637/2024/PB)

Woensdag | 22 juli 2026

De zaak betrof de behandeling door de Europese Centrale Bank (ECB) van procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders die klager [1] in 2022 had ingediend. Het klokkenluidersrapport had betrekking op een vermeende familierelatie tussen een personeelslid en de persoon die was ingehuurd.

De klager ondervond gedrag van de vermeende overtreders dat volgens hem neerkwam op ongepast gedrag (met inbegrip van intimidatie). De klager verzocht om een daarmee verband houdend administratief onderzoek.

De ECB besloot het klokkenluidersverslag samen met de kwestie van het vermeende ongepaste gedrag te beoordelen. Zij deelde de klager ook mee dat het overgelegde bewijsmateriaal de opening van een administratief onderzoek niet rechtvaardigde. Klager betwistte beide punten door middel van een administratieve klacht, die de ECB niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een individueel belang (de gezamenlijke behandeling van de twee kwesties) of wegens het ontbreken van een voor beroep vatbaar besluit (het niet openen van een administratief onderzoek).

Klager wendde zich tot de Ombudsman en betwistte het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de ECB. In de loop van het onderzoek van de Ombudsman heeft klager de Ombudsman ook verzocht de behandeling van meldingen van klokkenluiders en klachten bij de ECB nader te onderzoeken.

De Ombudsman stelde vast dat de door de ECB opgegeven redenen om de administratieve klacht van klager niet-ontvankelijk te verklaren, niet overtuigend waren.

De Ombudsman merkte ook op dat zich tijdens haar onderzoek belangrijke ontwikkelingen in de zaak hadden voorgedaan en dat daarmee verband houdende interne onderzoeken op hoog niveau nog steeds aan de gang waren. Bovendien was de ECB bezig met de afronding van een evaluatie op eigen initiatief van haar rapportage-, onderzoeks- en tuchtkader. In deze omstandigheden concludeerde de Ombudsman dat op dat moment geen verder onderzoek gerechtvaardigd was, en sloot hij het onderzoek af.

 

[1] Om redenen van anonimiteit, onder meer met betrekking tot het geslacht van de klager, wordt in de tekst naar de klager verwezen als “zij”/“hun”/“zij”.

 

Besluit over de wijze waarop de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) geschillen behandelt tussen een contractant en een subcontractant die rechtstreeks met de EDEO samenwerkt (zaak 1230/2025/EIS)

Woensdag | 15 juli 2026

De zaak betrof de wijze waarop de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) omging met een onderaannemer die expertise en diensten in de IT-sector leverde. Volgens klager werd zij niet volledig betaald voor de werkzaamheden die zij had verricht. Nadat de onderhandelingen van klager met de hoofdcontractant vruchteloos waren gebleven, wendde klager zich tot de Ombudsman en maakte hij bezwaar tegen de wijze waarop de EDEO het geschil in kwestie had behandeld.

De Ombudsman herinnerde eraan dat het ontbreken van een rechtstreekse contractuele relatie tussen een EU-instelling en een onderaannemer de eerstgenoemde instelling, handelend in haar hoedanigheid van overheidsinstantie, niet ontslaat van haar verplichting om het grondrecht van de onderaannemer op behoorlijk bestuur te eerbiedigen. Deze verplichting omvat onder meer de plicht van de EU-instelling om toezicht te houden op het gedrag van haar contractant en, indien nodig, erop aan te dringen dat de contractant zijn verplichtingen jegens de subcontractant nakomt. In de onderhavige zaak merkte de Ombudsman op dat de EDEO ervoor had gezorgd dat zijn eisen inzake prestaties en documentatie zorgvuldig door de hoofdcontractant aan de subcontractant werden meegedeeld en dat de EDEO betalingen had verricht voor de gevalideerde uitgevoerde werkzaamheden. In het algemeen heeft de EDEO zich meermaals ingespannen om een oplossing te vinden voor de verschillende kwesties in verband met onderaanneming.

De Ombudsman sloot het onderzoek dus af met de conclusie dat er geen sprake was van wanbeheer door de EDEO.