FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 547/2000/IP tegen het Europees Parlement


Straatsburg, 30 april 2002

Geachte mevrouw C.,

Op 12 april 2000 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen het Europees Parlement over uw benoeming door het Parlement na uw succes bij vergelijkend onderzoek EUR/C/23.

Op 25 mei 2000 heb ik de klacht doorgestuurd naar het Parlement met het verzoek om vóór eind september 2000 opmerkingen te maken. Op 29 september 2000 verzocht het Parlement om verlenging van de termijn. De Europese Ombudsman aanvaardde het verzoek van het Parlement en stelde 31 oktober 2001 als nieuwe termijn vast. Het Parlement heeft zijn advies op 16 november 2000 uitgebracht en ik heb het u op 27 november 2000 doen toekomen. Op 21 december 2000 heeft u mij uw opmerkingen over het advies van het Parlement toegezonden.

Op 18 mei 2001 heb ik een ontwerpaanbeveling tot het Parlement gericht.

Op 10 oktober 2002 heb ik de instelling een brief gestuurd waarin ik erop wees dat het Parlement nog steeds geen uitvoerig gemotiveerd advies over de ontwerpaanbeveling had uitgebracht, ondanks het feit dat de termijn eind september 2001 was verstreken. Daarom heb ik het Parlement verzocht zo spoedig mogelijk te antwoorden.

Op 5 november 2001 heeft het Parlement zijn omstandig advies uitgebracht.

Op 23 januari 2002 heb ik nog een brief doorgestuurd naar de Voorzitter van het Parlement, de heer Pat COX. Een kopie van deze brief is ook toegezonden aan mevrouw Raquel de VICENTE, politiek adviseur.

Op 5 april 2002 heb ik het antwoord van de Voorzitter ontvangen. Een kopie van de brief is u op 9 april 2002 toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Het KLACHT

De klagers namen deel aan vergelijkend onderzoek EUR/C/23 dat gezamenlijk werd georganiseerd door het Europees Parlement en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Nadat zij was geslaagd voor het vergelijkend onderzoek, werd haar naam opgenomen op de reservelijst van geslaagde kandidaten.

Op 1 november 1996 werd klager door het Parlement aangeworven in rang C5, salaristrap 3 van zijn loopbaan.

In haar klacht bij de Ombudsman beweerde klager te zijn gediscrimineerd ten opzichte van andere kandidaten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek hadden deelgenomen en die waren aangeworven in rang C4, salaristrap 3.

Het onderzoek

De klacht is voor commentaar naar het Parlement gestuurd.

Advies van het Parlement

In zijn advies over de klacht wees het Parlement erop dat klager op 25 september 1998 tegen het besluit van de instelling beroep had ingesteld door een klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut in te dienen. De klacht werd afgewezen omdat deze niet binnen de gestelde termijn was ingediend.

De instelling heeft beklemtoond dat volgens vaste rechtspraak van de gemeenschapsrechter alleen de aanwezigheid van nieuwe wezenlijke elementen de indiening van een klacht op grond van artikel 90, lid 2, kan rechtvaardigen voor het heronderzoek van een eerder besluit inzake aanwerving waartegen niet binnen de gestelde termijn beroep is ingesteld. Indien een arrest van het Hof tot nietigverklaring van een administratieve handeling echter een nieuw element zou kunnen vormen, is dit alleen van toepassing op de personen die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling worden geraakt. De jurisprudentie van Monaco (2), waarop klager zich beroept, kan derhalve niet van toepassing zijn, aangezien zij niet aan dezelfde algemene vergelijkende onderzoeken heeft deelgenomen als de heer Monaco.

Bovendien heeft de instelling verklaard dat het tot aanstelling bevoegde gezag, overeenkomstig het beleid dat het Parlement na de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen in mei 1995 op het gebied van aanwervingen heeft gevolgd, slechts in uitzonderlijke gevallen een ambtenaar in een hogere rang dan de beginrang van zijn categorie kan benoemen en gekwalificeerde kandidaten kan aantrekken wanneer uiterst complexe taken moeten worden uitgevoerd.

Opmerkingen van klager

In haar opmerkingen over het standpunt van het Parlement handhaafde klager in wezen haar oorspronkelijke klacht.

DE ONTWERP AANBEVELING

Bij besluit van 18 mei 2001 heeft de Ombudsman overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman (3) een ontwerpaanbeveling tot het Parlement gericht. De basis van de ontwerpaanbeveling was de volgende:

1. De aanwervingsprocedure van het Europees Parlement

1.1 Klager is geslaagd voor vergelijkend onderzoek EUR/C/23, dat gezamenlijk werd georganiseerd door het Europees Parlement en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In haar klacht bij de Ombudsman beweerde zij te zijn gediscrimineerd ten opzichte van andere kandidaten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek hadden deelgenomen en die waren aangeworven in rang C 4, salaristrap 3.

1.2 In zijn advies benadrukte het Parlement dat klager beroep heeft aangetekend tegen het besluit van de instelling door een klacht in te dienen op grond van artikel 90 van het Statuut. Het Parlement verwierp het echter, omdat het niet binnen de gestelde termijn was ingediend.

1.3 Alleen de aanwezigheid van nieuwe wezenlijke elementen kan de indiening rechtvaardigen van een klacht op grond van artikel 90, lid 2, voor het heronderzoek van een eerder besluit inzake aanwerving waartegen niet binnen de gestelde termijn beroep is aangetekend. Indien een arrest van het Hof tot nietigverklaring van een administratieve handeling echter een nieuw element zou kunnen vormen, is dit alleen van toepassing op de personen die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling worden geraakt. Het Parlement wees erop dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in de zaak Monaco, waarop klager zich beroept, niet van toepassing was op haar zaak, aangezien zij niet rechtstreeks werd geraakt door de nietig verklaarde handeling.

1.4 De Ombudsman merkte op dat het in deze zaak vooral ging om de vraag of klager bij zijn aanwerving door het Europees Parlement was gediscrimineerd en of er sprake was van wanbeheer door het Parlement.

1.5 Het beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling is een van de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht. Volgens vaste rechtspraak van de gemeenschapsrechter mogen vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (4).

1.6 In zijn arrest in zaak T-92/96 (Monaco-zaak) oordeelde het Gerecht van eerste aanleg dat kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek in beginsel geacht moeten worden zich in een vergelijkbare situatie te bevinden. Bovendien heeft het Hof verklaard dat een instelling het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie schendt wanneer zij op een ambtenaar die voor een vergelijkend onderzoek is aangeworven, de bepalingen van de nieuwe interne richtlijnen toepast die voorzien in een striktere toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, terwijl andere ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen voor hetzelfde vergelijkend onderzoek door de instelling zijn aangeworven, volgens de eerdere interne richtlijnen zijn ingedeeld.

Het Hof was van oordeel dat de enige verwijzing naar nieuwe regels die inmiddels door het Parlement waren vastgesteld, geen toereikende rechtvaardiging vormde voor de aanwerving van kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek met verschillende contractuele voorwaarden.

1.7 De Ombudsman achtte het belangrijk eraan te herinneren dat het vergelijkend onderzoek waaraan klager had deelgenomen, gezamenlijk werd georganiseerd door het Parlement en het Hof van Justitie.

Na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in bovengenoemde zaak heeft het Hof van Justitie echter op eigen initiatief de ambtenaren geherkwalificeerd die na de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen werden aangeworven onder minder gunstige voorwaarden dan die welke golden voor kandidaten die op grond van de vorige interne richtlijnen waren aangeworven.

1.8 De Ombudsman was van mening dat, ook al was het Monaco-arrest niet van toepassing op klager als nieuw element, het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid had om de aanwervingsvoorwaarden van klager te wijzigen, zoals het Hof van Justitie heeft gedaan.

1.9 Op basis van deze overwegingen concludeerde de Ombudsman dat het besluit van het Parlement om klager aan te werven die de nieuwe interne richtlijnen op haar toepaste, toen andere kandidaten die op dezelfde reservelijst waren aangeworven, werden ingedeeld volgens de vorige interne richtlijnen, resulteerde in een discriminerende behandeling van klager. Het feit dat de instelling niet heeft gehandeld in het licht van het door het Gerecht in zaak T-92/96 geformuleerde beginsel en haar weigering om haar beschikking te heroverwegen, vormde dus een geval van wanbeheer.

Gezien het standpunt van het Parlement leek het niet mogelijk een minnelijke schikking te treffen. De Ombudsman achtte het derhalve passend de volgende ontwerpaanbeveling te doen, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van zijn Statuut.

De ontwerpaanbeveling luidt als volgt:

Het Parlement dient het voorbeeld van het Hof van Justitie te volgen en klagers met ingang van de datum van hun aanstelling als ambtenaar opnieuw in te delen in rang C 4, salaristrap 3.

De Ombudsman deelde het Europees Parlement mee dat hij overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut uiterlijk op 30 september 2001 een omstandig advies moest toezenden en dat het omstandig advies kon bestaan uit de aanvaarding van de aanbeveling van de Ombudsman en een beschrijving van de wijze waarop deze was uitgevoerd.

Omstandig advies van het Parlement

Het uitvoerig gemotiveerde advies van het Parlement, dat de Ombudsman op 7 november 2001 heeft ontvangen, luidt als volgt:

De instelling kan uw ontwerpaanbeveling om de volgende redenen niet aanvaarden.

In de eerste plaats blijft deze instelling van mening dat de grieven op grond van niet-ontvankelijkheid moeten worden afgewezen. De klachten werden ingediend lang na het besluit waarover werd geklaagd. Zelfs indien zou worden erkend dat het besluit in de zaak Monaco een nieuw feit was 8 bis dat deze instelling met betrekking tot de onderhavige zaak niet heeft erkend, op grond dat zij dit alleen kon doen voor personen die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling werden geraakt, zou het zo blijven dat de klachten buiten de in artikel 90 van het Statuut gestelde termijn werden ingediend. Dit aspect van de zaak - dat wil zeggen de ontvankelijkheid van de klacht - lijkt volledig te worden genegeerd in uw ontwerpaanbeveling (...).

In de tweede plaats is het duidelijk dat besluiten over het tot aanstelling bevoegde gezag van een instelling niet bindend zijn voor het tot aanstelling bevoegde gezag van een ander gezag. Het Hof van Justitie en het Parlement zijn twee afzonderlijke instellingen van de Europese Unie. Desalniettemin verklaarde u in uw ontwerpaanbeveling dat "(...) zelfs als het Monaco-arrest niet als nieuw element op de klager van toepassing is, het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid heeft om de aanwervingsvoorwaarden van de klager te wijzigen door het voorbeeld van het Hof van Justitie te volgen. Het feit dat het Hof van Justitie bepaalde klagers op geen enkele wijze heeft geherkwalificeerd, brengt voor het tot aanstelling bevoegde gezag van het Europees Parlement een verplichting mee om hetzelfde te doen. De ruime beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag is herhaaldelijk erkend in talrijke gevallen (...) waarin het recht van een communautaire instelling om in dit verband interne regels voor de indeling in rang vast te stellen, werd erkend.

Om deze redenen kan de instelling de bovengenoemde ontwerpaanbeveling niet aanvaarden.

Aanvullende brief van de Ombudsman van 23 januari 2002

Na zorgvuldig onderzoek van de uitvoerig gemotiveerde mening van het Parlement achtte de Ombudsman het noodzakelijk zijn standpunt hierover kenbaar te maken en zich te concentreren op enkele punten die aan de basis lagen van zijn ontwerpaanbeveling. Op 23 januari 2002 heeft hij derhalve een nieuwe brief gericht aan de Voorzitter van het Parlement, de heer Pat COX.

In zijn brief herinnerde de Ombudsman eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat de hoogste autoriteit is op het gebied van de betekenis en de uitlegging van het Gemeenschapsrecht, consequent heeft verklaard dat het algemene gelijkheidsbeginsel een van de fundamentele beginselen van het recht van het ambtenarenapparaat van de Gemeenschap is. Het Hof heeft erkend dat bij de communautaire aanwerving het gelijkheidsbeginsel in acht moet worden genomen. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek in beginsel moeten worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden. Volgens het Hof schendt een instelling het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie wanneer zij op een ambtenaar die voor een vergelijkend onderzoek is aangeworven, de bepalingen van de nieuwe interne richtlijnen toepast die voorzien in een striktere toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, terwijl andere ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen voor hetzelfde vergelijkend onderzoek door de instelling zijn aangeworven, volgens de eerdere interne richtlijnen zijn ingedeeld. Het Hof was van oordeel dat de enige verwijzing naar nieuwe regels die inmiddels door het Parlement waren vastgesteld, geen toereikende rechtvaardiging vormde voor de aanwerving van kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek met verschillende contractuele voorwaarden.

De Ombudsman wees erop dat het erop leek dat dit was gebeurd met klager in de onderhavige zaak.

De Ombudsman was echter van mening dat het Parlement nog steeds de mogelijkheid had om dit geval van schijnbare discriminatie te verhelpen en maatregelen te nemen om een onrechtvaardigheid recht te zetten. Hij verzoekt de instelling derhalve haar standpunt te heroverwegen in het licht van het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie en gevolg te geven aan de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman.

Aanvullend antwoord van het Parlement

Op 5 april 2002 ontving de Ombudsman het aanvullende antwoord van het Parlement. Het Parlement benadrukte dat zijn secretariaat de zaken waarop de ontwerpaanbeveling betrekking heeft, in detail had heroverwogen en had besloten, ondanks enig voorbehoud van juridische en administratieve aard, aan het verzoek van de Ombudsman te voldoen.

Het Parlement heeft zich ertoe verbonden de situatie van klager te herzien op basis van de regels die vóór de in 1995 ingevoerde wijzigingen van kracht waren.

Op 9 april 2002 werd een kopie van het antwoord van het Parlement aan klager toegezonden. Tijdens een telefoongesprek met de dienst van de Ombudsman op 8 april 2002 werd klager op de hoogte gebracht van de inhoud van bovengenoemde brief en sprak zij haar tevredenheid uit over de uitkomst van het onderzoek.

BESLUIT

Op 18 mei 2001 richtte de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling tot het Europees Parlement:

"Het Parlement moet het voorbeeld van het Hof van Justitie volgen en klagers herindelen in rang C 4, salaristrap 3, met ingang van de datum van hun aanstelling als ambtenaar".

Op 5 april 2002 deelde het Parlement de Ombudsman mee dat het ermee instemde gevolg te geven aan de ontwerpaanbeveling en legde het uit dat de situatie van klager zou worden herzien.

De Ombudsman is van mening dat het Parlement zijn ontwerpaanbeveling heeft aanvaard en besluit derhalve de zaak te sluiten.

De Voorzitter van het Europees Parlement zal van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

Jacob SÖDERMAN


(1) Gezamenlijke behandeling met klacht 545/2000/IP

(2) Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 9 juli 1997, Roberto Monaco/Europees Parlement. Zaak T-92/96. Jurisprudentie 1997, blz. IA-0195; II-0573

(3) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 betreffende het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB 1994, L 113, blz. 15).

(4) Zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563, punt 25, en zaak C-15/95, EARL de Kerlast, Jurispr. 1997, blz. I-1961, punt 35 - Zaak C-150/94, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr. 1998, blz. I-7235, punt 97.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!