Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
Huidige taal:
- NL Nederlands
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1036/99/VK tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 1036/99/(VK)MM - Geopend op Donderdag | 14 oktober 1999 - Besluit over Woensdag | 17 januari 2001
Straatsburg, 17 januari 2001
Geachte X,
Op 23 augustus en 27 september 1999 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de behandeling van uw medisch dossier door de Commissie.
Op 14 oktober 1999 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft haar advies op 7 januari 2000 toegezonden en ik heb u het advies toegezonden met de uitnodiging om desgewenst opmerkingen te maken. Op 29 februari 2000 heb ik uw opmerkingen ontvangen. Op 22 september 2000 hebben uw advocaten nadere inlichtingen verstrekt.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Volgens de klager waren de relevante feiten als volgt:
Klager is een voormalig ambtenaar van de Commissie die zeven en een half jaar in het Berlaymontgebouw van de Commissie heeft gewerkt. Op 5 november 1996 verzocht klager om erkenning van zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte op grond van artikel 73 van het Statuut. Hij beweerde dat zijn problemen voortkwamen uit een overmatige blootstelling aan asbest in het Berlaymont-gebouw. Na een onderzoek en op basis van het medisch rapport van de arts van de instelling werd het verzoek van klager bij brief van 25 juni 1998 door het tot aanstelling bevoegde gezag afgewezen.
Op 6 juli 1998 verzocht klager om de instelling van een medische commissie overeenkomstig artikel 21 van de Regeling betreffende de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna "de Regeling" genoemd) om de oorsprong van zijn gezondheidsproblemen te onderzoeken. Volgens artikel 23, lid 1, van de regeling bestaat een medische commissie uit drie artsen, waarvan er twee door de instelling respectievelijk de klager worden gekozen, alsmede een derde arts die in onderlinge overeenstemming wordt gekozen. In geval van onenigheid over de persoon van de derde arts, wordt een arts geselecteerd door de president van het Hof van Justitie.
De Commissie heeft Dr. D. gekozen als de arts die de instelling in de medische commissie vertegenwoordigt. Bij brief van 14 december 1998 diende klager een klacht in bij de Commissie (R/697/98) op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin hij vraagtekens plaatste bij de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van Dr. D. als arts die de Commissie vertegenwoordigde in de medische commissie. Op 31 mei 1999 heeft de Commissie een besluit genomen over deze klacht. Wat de aanwijzing van dr. D. betreft, verwees de Commissie naar artikel 19 van de regeling volgens welke besluiten tot erkenning van het beroepskarakter van een ziekte door het tot aanstelling bevoegde gezag worden genomen volgens de procedure van artikel 21:
- op basis van de bevindingen van de door de instellingen aangewezen arts(en); en
- op verzoek van de ambtenaar, na raadpleging van de in artikel 23 bedoelde medische commissie.
De Commissie verwees voorts naar de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens welke de regeling tot doel heeft de ambtenaren tweemaal te laten onderzoeken, eerst door een arts die het vertrouwen van de instelling geniet en, in geval van onenigheid, door een medische commissie waarbij beide partijen een arts aanwijzen die hun vertrouwen geniet. Voorts heeft het Hof verklaard dat de belangen van de ambtenaar worden gevrijwaard door de aanwezigheid in de medische commissie van een vertrouwenspersoon en door de benoeming van het derde lid in de commissie in onderlinge overeenstemming tussen de twee door de partijen benoemde leden of, bij gebreke van overeenstemming, door de president van het Hof van Justitie (1).
Wat de bevoegdheid van Dr. D. betreft, heeft de Commissie verklaard dat de arts een zeer lange ervaring heeft als arts van de instelling, met name met betrekking tot beroepsziekten en de communautaire wetgeving op dit gebied. De Commissie wees ook op de mogelijkheid voor de gekozen arts om advies in te winnen bij een specialist op het specifieke medische gebied, een mogelijkheid waarvan de door de Commissie gekozen arts gebruik had gemaakt.
Op 5 mei 1999 diende klager bij de Commissie een tweede klacht (R/205/99) in waarin hij om schadevergoeding verzocht omdat de administratie hem niet had ingelicht over de gevaren van asbest in het Berlaymontgebouw, hoewel de Commissie van deze gevaren op de hoogte was. Bij brief van 12 augustus 1999 beantwoordde de Commissie de tweede klacht van klager. Wat de vordering tot schadevergoeding betreft, verwees de Commissie naar twee arresten van respectievelijk het Europees Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg (2). Volgens deze arresten kan de Gemeenschap in het kader van een door een ambtenaar ingestelde schadevordering slechts aansprakelijk worden gesteld indien aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van een onrechtmatige gedraging van de instellingen, van daadwerkelijke schade en van een causaal verband tussen de handeling en de gestelde schade. De Commissie was van mening dat zij in overeenstemming met haar regels had gehandeld en dat klager geen materiële of morele vordering tot schadevergoeding had ingesteld.
Aangezien geen overeenstemming kon worden bereikt over de derde arts, heeft de Commissie bij brief van 16 juni 1999 de president van het Hof van Justitie verzocht een arts voor de medische commissie aan te wijzen. Op 27 juli 1999 stelde het Hof klager in kennis van zijn keuze voor de derde arts.
Bij brief van 18 augustus 1999 diende klager bij de Commissie een klacht in over de duur van de procedure van drie jaar en over de keuze van de derde arts door het Hof van Justitie, die naar verluidt niet over de nodige onafhankelijkheid beschikte om zijn taken uit te voeren, aangezien hij banden had met de asbestlobby.
Klager diende vervolgens een klacht in bij de Ombudsman.
Klager klaagt met name over
de tijd die de Commissie nodig had om zijn zaak te behandelen;
De keuze van de derde arts.
Het onderzoek
In
haar advies beschrijft de Commissie de verschillende stappen die de betrokken partijen hebben ondernomen.
Wat de eerste bewering van klager betreft, heeft de Commissie verklaard dat er zich geen onregelmatigheid heeft voorgedaan in de procedure die de Commissie overeenkomstig de regels heeft gevolgd om een mogelijke beroepsziekte van klager vast te stellen. Volgens de Commissie was de duur van de procedure deels te wijten aan de kritische houding van klager ten aanzien van de samenstelling van de medische commissie.
Met betrekking tot de tweede grief verklaarde de Commissie, dat nadat de president van het Hof een derde arts had voorgedragen, de medische commissie met haar werkzaamheden was begonnen. De autoriteit van dit comité kon noch door de Commissie noch door klager in twijfel worden getrokken. Aangezien de conclusies van dit comité nog niet beschikbaar waren, kon de Commissie geen opmerkingen maken over de mogelijke oorzaak van de gezondheidsproblemen van klager.
Opmerkingen van klager In
zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht.
Met betrekking tot de eerste bewering voerde klager aan dat de Commissie 20 maanden nodig had om een besluit te nemen over zijn verzoek om zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte te erkennen. Voorts verklaarde klager dat er een tijdspanne van 16 maanden was tussen zijn verzoek om een medische commissie op te richten en de eerste vergadering van de commissie. Klager verklaarde dat de vertraging niet te wijten was aan het feit dat hij van arts was veranderd, maar veeleer aan de houding van de arts van de Commissie, die systematisch alle door de artsen van klager voorgestelde artsen voor de positie van derde arts in de medische commissie weigerde. Klager verklaarde verder dat hij nog steeds wachtte op een conclusie van de medische commissie.
Klager heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de tweede bewering.
Voorts verklaarde hij dat de Commissie niet heeft gereageerd op een ander aspect van zijn klacht dat verband hield met het antwoord van de Commissie op de tweede klacht van klager (R/205/99). In haar antwoord zou de Commissie voorbij zijn gegaan aan de medische resultaten van de Katholieke Universiteit Leuven volgens welke pleurapleisters in verband met de blootstelling aan asbest werden aangetroffen in de zaak van klager en die de basis vormden voor de klacht van klager bij de Commissie.
Nadere informatie van klager
Op 2 oktober 2000 ontving de Ombudsman nadere informatie over de zaak. De advocaten van klager stuurden een kopie van een klacht die overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de Commissie was ingediend naar aanleiding van het negatieve besluit van de medische commissie met betrekking tot het verzoek van klager om zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte te laten erkennen.
In deze klacht verzoeken de advocaten de Commissie het besluit van de medische commissie nietig te verklaren omdat
- de conclusies van de medische commissie ten onrechte waren gemotiveerd;
de medische commissie heeft geen rekening gehouden met belangrijke medische informatie;
de medische commissie heeft haar mandaat niet ten volle benut;
De medische commissie is op onregelmatige wijze samengesteld.
BESLUIT
Inleidende
opmerkingen Tijdens het onderzoek van deze klacht ontving de Ombudsman nadere informatie over de zaak van de advocaten van klager die betrekking had op het resultaat van de medische commissie. Aangezien deze beschuldigingen nu door de Commissie worden behandeld overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut, verwijst de Ombudsman naar artikel 2, lid 8, van zijn statuut en is hij van mening dat deze kwestie niet in dit besluit kan worden behandeld.
Bovendien verklaarde klager in zijn opmerkingen dat de Commissie voorbijging aan de medische resultaten van de Katholieke Universiteit Leuven, volgens welke pleurale plaques in verband met de blootstelling aan asbest werden aangetroffen in het geval van klager en dat dit de basis was van de klacht van klager bij de Commissie. Aangezien deze kwestie verband houdt met de gegrondheid van de klacht bij de Commissie, zal zij zeker in die procedure aan de orde worden gesteld. De Ombudsman is derhalve van mening dat deze bewering uitsluitend ter informatie onder zijn aandacht is gebracht.
1 Duur van de procedure
1.1 Klager beklaagt zich over de tijd die de Commissie nodig had om zijn verzoek om erkenning van zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte te behandelen.
1.2 De Commissie verklaarde dat een mogelijke lange duur van de procedure deels te wijten was aan de kritische houding van klager ten aanzien van de aanwijzing van artsen voor de medische commissie.
1.3 Volgens de beginselen van goed administratief gedrag moeten de diensten van de Commissie ervoor zorgen dat binnen een redelijke termijn een besluit wordt genomen. Dit is vooral belangrijk als het gaat om de gezondheidstoestand van een persoon. Volgens de aan de Ombudsman verstrekte informatie was er een vertraging van bijna 20 maanden voor de Commissie om conclusies te trekken over het verzoek van klager om zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte te erkennen en 16 maanden voor de Commissie om een medische commissie op te richten nadat hij daarom had verzocht. Er was dus een aanzienlijke vertraging. Het feit dat klager vraagtekens heeft geplaatst bij de keuze van de arts van de Commissie om hem in de medische commissie te vertegenwoordigen, kan niet worden beschouwd als een voldoende verklaring voor deze vertraging. Derhalve moet worden aangenomen dat de Commissie de beweringen van klager niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld, hetgeen een geval van wanbeheer vormt.
2 De keuze van de derde arts
2.1 Klager klaagde over de keuze van de derde arts door de president van het Hof van Justitie, aangezien de gekozen arts niet over de nodige onafhankelijkheid beschikte om zijn taken uit te voeren omdat hij banden had met de asbestlobby.
2.2 De Commissie had de president van het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 23 van het Reglement verzocht een arts voor de medische commissie aan te wijzen, aangezien de partijen het niet eens konden worden over de keuze van de derde arts. De Commissie benadrukte dat de autoriteit van dit comité noch door de Commissie noch door klager in twijfel kon worden getrokken.
2.3 Op basis van de aan de Ombudsman verstrekte informatie lijken er onvoldoende gronden te zijn om de kwestie van de benoeming van de derde arts in de medische commissie te onderzoeken. Verder onderzoek naar dit deel van de aantijgingen is derhalve niet gerechtvaardigd.
3 Conclusie Op
basis van het onderzoek van de Europese Ombudsman naar deze klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt met betrekking tot de eerste bewering:
- Volgens de beginselen van goed administratief gedrag moeten de diensten van de Commissie ervoor zorgen dat binnen een redelijke termijn een besluit wordt genomen. Dit is vooral belangrijk als het gaat om de gezondheidstoestand van een persoon. Volgens de aan de Ombudsman verstrekte informatie was er een vertraging van bijna 20 maanden voor de Commissie om conclusies te trekken over het verzoek van klager om zijn gezondheidsproblemen als beroepsziekte te erkennen en 16 maanden voor de Commissie om een medische commissie op te richten nadat hij daarom had verzocht. Er was dus een aanzienlijke vertraging. Het feit dat klager vraagtekens heeft geplaatst bij de keuze van de arts van de Commissie om hem in de medische commissie te vertegenwoordigen, kan niet worden beschouwd als een voldoende verklaring voor deze vertraging. Derhalve moet worden aangenomen dat de Commissie de beweringen van klager niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld, hetgeen een geval van wanbeheer vormt.
Aangezien dit aspect van de zaak betrekking heeft op procedures met betrekking tot specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend om een minnelijke schikking van de zaak na te streven. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet
Jacob SÖDERMAN
(1) Biedermann tegen Rekenkamer, arrest van 19 januari 1988, 2/87, punt 10.
(2) Commissie tegen Brazzelli Lualdi e.a., arrest van 1 juni 1994, C-136/92 P, I-1981, punt 42. Ojha tegen Commissie, arrest van 6 juli 1995, T-36/93, blz. II-497, punt 130.