- NL Nederlands
Besluit van de Europese Ombudsman ter afsluiting van het onderzoek inzake klacht 325/2010/OV tegen Eurojust
Lēmums
Lieta 325/2010/OV - Uzsākta {0} Pirmdiena | 15 marts 2010 - Lēmums par {0} Trešdiena | 25 maijs 2011 - Iesaistītā iestāde Eiropas Savienības Aģentūra tiesu iestāžu sadarbībai krimināllietās ( Izteikts aizrādījums )
De achtergrond van de klacht
1. Met ingang van 1 oktober 2006 is klager gaan werken voor het Europees agentschap voor justitiële samenwerking (Eurojust) op basis van een contract als tijdelijke functionaris voor drie jaar. Klager was werkzaam in de Afdeling personeelszaken (HRU), eerst als assistent (AST 1) en later als ondersteunend assistent (AST 1).
2. Op 21 oktober 2008, twee jaar na zijn indiensttreding, meldde klager zich ziek. Volgens klager was zijn ziekte het gevolg van psychologische intimidatie en pesterijen op het werk, waarbij op een bepaald moment ook zijn supervisor, het waarnemend hoofd van de HRU betrokken was. Klager overlegde aan Eurojust een medisch attest van zijn huisarts, d.d. 21 oktober 2008, waarin stond dat hij 100% arbeidsongeschikt was van 21-24 oktober 2008. Op 27 oktober, 10 en 28 november en 17 december 2008, alsook op 7 januari en 14 februari 2009, gaf zijn arts verdere medische attesten af waarin bevestigd werd dat hij 100% arbeidsongeschikt was en tot 28 februari 2009 niet zijn werk kon hervatten.
3. In een medisch attest d.d. 11 november 2008 deelde de arts belast met bedrijfsgeneeskundige zaken (van de firma Achmea Vitale) Eurojust (en klager[1]) mee dat hij vanwege zijn medische toestand niet zijn werk kon hervatten, dat zijn ziekte verband hield met werkgerelateerde en persoonlijke problemen, en dat er ook sprake was van een hiërarchisch conflict. De bedrijfsgeneeskundige arts adviseerde bemiddeling tussen klager en de HRU om een oplossing te vinden. In een medisch attest d.d.13 november 2008 herhaalde de bedrijfsarts de bevindingen van zijn voorgaande verklaring en verzocht Eurojust expliciet "to arrange mediation as soon as possible".
4. Op 17 november 2008 vond een telefoongesprek plaats tussen de heer V., de toenmalige waarnemende directeur Administratie (AAD) van Eurojust, en de bedrijfsarts.
5. Op 1 december 2008 vond er een gesprek plaats tussen klager en de AAD, waarbij ook een vertegenwoordiger van het personeelscomité aanwezig was. Tijdens dat gesprek deelde de AAD klager mee dat hij zou onderzoeken of overplaatsing naar een andere post binnen Eurojust een betere optie zou zijn dan re-integratie in de HRU. Hij verklaarde ook dat hij spoedig weer contact met hem zou opnemen.
6. In een medisch attest d.d. 15 februari 2009 aan de bedrijfsarts stelde de huisarts van klager voor dat hij op 1 maart 2009 zijn werk op deeltijdbasis (50%) kon hervatten. In een medisch attest d.d.3 maart 2009 deelde de bedrijfsarts aan Eurojust mee dat er sprake was van gedeeltelijk herstel van de klachten van klager en dat hij op 16 maart 2009 het werk op basis van 50% kon hervatten, indien bepaalde voorwaarden waren vervuld. Deze hielden onder meer in (i) dat hij op een 'voor hem veilige werkplek' moest werken, d.w.z. buiten het directe contact met zijn oude collega's, en na het maken van afspraken over de wijze waarop hij zijn werk aangeleverd zou krijgen en aan wie hij zou moeten rapporteren, (ii) dat het conflict en de werkgerelateerde factoren, waarvoor al eerder bemiddeling was aanbevolen, moesten worden aangepakt en opgelost, en (iii) dat hij een andere supervisor zou krijgen en een andere werkplek.
7. Op 8 maart 2009 stuurde de supervisor van klager een e-mail naar de AAD met een voorstel om klager over te plaatsen naar de Afdeling algemene diensten (GSU), aanvankelijk op deeltijdbasis van 50%.
8. In een medisch attest d.d.13 maart 2009 herhaalde de bedrijfsarts dat klager vanaf 16 maart 2009 zijn werk op deeltijdbasis kon hervatten. Hij adviseerde nogmaals om de werkgerelateerde problemen via bemiddeling op te lossen.
9. Op 13 maart 2009 vond een gesprek plaats tussen klager, de AAD, een vertegenwoordiger van de HRU, en twee vertegenwoordigers van het personeelscomité. Tijdens dat gesprek werd een eventuele overplaatsing van klager naar de GSU besproken, alsook de op handen zijnde beoordelingsprocedure. Toen de AAD klager meedeelde dat zijn supervisor zijn evaluatierapport zou opstellen, wees klager op zijn conflict met deze persoon en zei dat hij niet met zijn supervisor te maken wilde hebben in het kader van zijn beoordeling. Gezien de reacties van klager concludeerde de AAD dat hervatting van zijn vroegere taken van assistent voor verhuizingen (die beroepsmatige interactie met de HRU met zich mee zouden brengen) wellicht niet de beste oplossing was. Daarom noemde hij als andere optie een functie bij de Pers & PR dienst om de persbeambte te assisteren bij de verwerking van vertalingen. Hierover werd echter geen afspraak gemaakt.
10. In een medisch attest d.d. 18 maart 2009 verklaarde de arts van klager dat hij 100 % arbeidsongeschikt was tot 25 april 2009.
11. Op 23 maart 2009 ging de beoordelingsprocedure voor 2009 van start.
12. In een nieuw medisch attest d.d. 29 maart 2009, dat naar de bedrijfsarts was gestuurd, verklaarde de huisarts van klager dat aan geen van bovengenoemde randvoorwaarden was voldaan en dat het raadzaam was om met de bemiddeling te starten.
13. In een medische verklaring d.d. 31 maart 2009 deelde de bedrijfsarts Eurojust mee dat klager zijn werk niet kon hervatten en dat hij met ziekteverlof was vanwege werkgerelateerde en persoonlijke problemen. Voorts wees hij erop dat er sprake was van "an impasse in solving work relating problems [van klager], therefore she [was] incapable of resuming her work", en dat hij bleef bij zijn advies om de werkgerelateerde problemen via bemiddeling op te lossen.
14. In een e-mail van 1 april 2009 aan de AAD en de supervisor van klager adviseerde de personeelswelzijnswerker van Eurojust de login account van klager weer over te zetten naar het HRU-systeem. Hierbij merkte hij tevens op dat het voorstel om klager over te plaatsen naar de GSU geen succes was geweest, en wees erop dat zijn account al naar de GSU overgezet scheen te zijn.
15. Op 4 april 2009 stuurde klager een e-mail naar de AAD, met een kopie naar het personeelscomité en de personeelswelzijnswerker, waarin hij verklaarde niet voldaan te zijn over het gesprek van 13 maart 2009. Hij wees erop dat hij zich in toenemende mate geïntimideerd voelde door de acties en de passieve houding van de leiding van Eurojust, in het bijzonder van de AAD en zijn supervisor. Als gevolg hiervan ging het slechter met zijn gezondheid. Hij verklaarde dat het verzoek om een zelfevaluatie te schrijven in het kader van de beoordelingsprocedure 2009 nog meer stress voor hem betekende. Klager meende ook dat Eurojust het advies van de bedrijfsarts manipuleerde. Hij verklaarde dat het gesprek van 13 maart 2009 eenzijdig beëindigd was door de AAD. Klager stelde voor dat Eurojust voor eind april 2009 een schriftelijk advies/re-integratieplan zou opstellen, en dat hij anders juridische stappen zou overwegen. Tot slot schreef hij dat hij, om zijn goede wil te tonen, de week erna zijn zelfevaluatie zou sturen.
16. Op 22 april 2009 stuurde Eurojust een e-mail naar de bedrijfsarts om te vragen of bemiddeling in dat stadium raadzaam was en of de persoonlijke problemen van klager hierin een obstakel zouden kunnen zijn. Op 23 april 2009 antwoordde de bedrijfsarts dat bemiddeling ook op dat moment een goede manier was om gezamenlijk uit de huidige situatie te komen en oplossingen te bereiken, en dat zijn advies niet veranderd was. Hij verklaarde voorts dat Achmea Vitale beschikte over gekwalificeerde mediators. In een e-mail aan Eurojust van dezelfde dag verklaarde klager dat zijn problemen alleen maar werkgerelateerd waren, dwz. verband hielden met het conflict en de intimidatie waaraan hij blootgesteld was.
17. Op 29 april 2009 gaf de arts van klager een attest af waarin stond dat hij tot 9 mei 2009 100% arbeidsongeschikt was.
18. Op 1 mei 2009 werd de heer J. Administratief directeur (AD) van Eurojust en werd de heer V., die tot dan toe de AAD was, waarnemend hoofd van de HRU, en werd daarmee de nieuwe hiërarchische meerdere van klager.
19. Op 8 mei 2009 stuurde de heer V., in zijn nieuwe hoedanigheid van waarnemend hoofd van de HRU, een brief aan klager waarin hij verwees naar de twee re-integratievoorstellen die tijdens het gesprek van 13 maart 2009 aan de orde waren gekomen. Volgens de heer V. waren de opties a) een functie in de persdienst, en b) een functie in de GSU, die ook assistentie bij verhuizingen inhield. Hij wees erop dat klager geen van beide voorstellen had aanvaard. Daarom liet de heer V. klager weten dat er zo spoedig mogelijk een bemiddeling zou worden gestart tussen klager en zijn vroegere supervisor om te pogen de situatie op te lossen. Voorts meldde hij dat er maatregelen waren getroffen om deze bemiddeling door een persoon van buitenaf te laten uitvoeren.
20. Op 12 mei 2009 hadden klager en de heer V. een gesprek hierover.
21. Op 13 mei 2009 nam klager contact op met de personeelswelzijnswerker om hem ervan op de hoogte te stellen dat zijn sollicitatie naar de functie van HR-assistent niet succesvol was geweest en dat hij daarom een aanvullende toelage wilde eisen op grond van artikel 7 van het Statuut van ambtenaren, omdat hij deze taken meer dan vier maanden had uitgevoerd.
22. Per e-mail van 15 mei 2009 vroeg de heer V. klager of hij instemde met de bemiddeling door een externe mediator. Klager antwoordde dezelfde dag dat hij akkoord ging. Hij herhaalde zijn verzoek om overplaatsing naar een andere dienst.
23. Op 15 mei 2009 gaf de huisarts van klager een medisch attest af waarin werd verklaard dat hij van 10 mei tot 30 juni 2009 voor 50% arbeidsongeschikt was, en dat hij, indien zich geen verwikkelingen voordeden, zijn normale werkzaamheden op 1 juli 2009 kon hervatten. Op 18 mei 2009 stuurde de bedrijfsarts een medisch attest naar Eurojust waarin hij verklaarde dat klager met ingang van 12 mei 2009 zijn werkzaamheden op parttimebasis kon hervatten indien voldaan was aan de randvoorwaarden. Hij adviseerde opnieuw bemiddeling.
24. In tussentijd liep de beoordelingsprocedure (Career Development Report (CDR)) van klager door, in overeenstemming met zijn uitdrukkelijke verzoek. Vanwege het conflict tussen klager en zijn voormalige supervisor was besloten dat het nieuwe waarnemend hoofd van de HRU zijn beoordelaar zou zijn en de nieuwe AD het rapport mede zou ondertekenen om elke interactie tussen klager en zijn vroegere supervisor te vermijden. Het evaluatierapport van klager werd door beide ambtenaren ondertekend op 29 mei 2009.
25. Op 2 juni 2009 weigerde klager zijn evaluatierapport te accepteren en te tekenen. Hij meende dat (1) de richtsnoeren van de beoordelingsprocedure niet waren gevolgd, en (2) de inhoud van de evaluatie door de beoordelaar, die gebaseerd was op informatie van de voormalige supervisor van klager, onjuist was. Klager verzocht daarom om herziening van zijn evaluatierapport.
26. Op 8 juni 2009 had klager een gesprek met de AD en vertegenwoordigers van het personeelscomité over zijn opmerkingen over het evaluatierapport. Tijdens dat gesprek verklaarde klager, in antwoord op een vraag van de AD of er een persoonlijk conflict bestond tussen hem en zijn voormalige supervisor, dat deze laatste zich schaamteloos had misdragen bij de uitvoering van zijn leidinggevende taken. Klager verklaarde ook dat hij om medische redenen onmogelijk met of in de buurt van zijn vroegere supervisor kon werken. Klager bevestigde dat hij bereid was deel te nemen aan een bemiddelingsprocedure.
27. In een medisch attest d.d. 22 juni 2009 verklaarde de bedrijfsarts dat klager vanaf 22 juni 2009 voor 50% kon gaan werken.
28. Naar aanleiding van de weigering door klager van zijn evaluatierapport besloot de AD op 25 juni 2009 de paritaire instantie (Joint Instance) – het betreffende orgaan voor beroep – in te schakelen. Op 2 juli 2009 bracht de paritaire instantie advies uit, waarin geconcludeerd werd dat (1) het evaluatierapport van klager niet eerlijk en objectief was opgesteld omdat (a) uit de verstrekte documenten bleek dat er sprake was van een ernstig conflict tussen klager en zijn voormalige supervisor, (b) het evaluatierapport, ofschoon ondertekend door de beoordelaar van klager, voornamelijk was gebaseerd op informatie afkomstig van de voormalige supervisor van klager, en (2) de gevolgde procedure niet in overeenstemming was met artikel 7, lid 13 van het Eurojust besluit inzake de uitvoeringsbepalingen voor de jaarlijkse beoordeling (Decision of 24 April 2009 on General Implementing Provisions on the Yearly Performance Appraisal). Volgens deze bepalingen wordt de termijn voor de beoordeling bij gerechtvaardigde afwezigheid, zoals in het geval van klager, opgeschort.
29. Op 7 juli 2009 vond bemiddeling plaats met een externe mediator, die met beide partijen afzonderlijk een gesprek had. Gezien het feit dat geen van beide partijen verdere bemiddeling wenste of nodig vond, werd in het bemiddelingsverslag verklaard dat verdere bemiddeling geen zin leek te hebben. Het rapport bevatte verklaringen van klager dat hij gepest was door verschillende vroegere collega's en dat zijn voormalige supervisor niets had gedaan om hier een einde aan te maken.
30. Per brief d.d. 14 juli 2009 stelde de AD klager ervan in kennis dat op grond van het advies van de paritaire instantie zijn evaluatierapport geannuleerd zou worden en niet in zijn personeelsdossier zou worden opgenomen.
31. Op 17 juli 2009 stuurde klager een e-mail aan de AD waarin hij vroeg om financiële steun voor de juridische kosten die hij had gemaakt. De AD antwoordde dezelfde dag en stelde hem voor telefonisch een afspraak te maken. Klager antwoordde per kerende e-mail op dezelfde dag dat hij liever informatie per e-mail zou ontvangen, maar dat hij niet bereikbaar was tot 27 juli 2009.
32. Per brief d.d. 17 juli 2009 herinnerde de AD klager eraan dat zijn tijdelijk contract, zoals bepaald in artikel 5 van zijn contract, zou verlopen op 30 september 2009 en niet verlengd zou worden.
33. Op 6 augustus 2009 was klager betrokken bij een auto-ongeluk in Den Haag. Als gevolg hiervan gaf zijn huisarts opnieuw een medisch attest d.d. 21 augustus 2009 af waarin verklaard werd dat hij 100% arbeidsongeschikt was tot 30 september 2009.
34. Op 21 augustus 2009 diende klager via zijn advocaat een klacht in bij Eurojust, op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut[2], die twee beweringen en twee verzoeken bevatte.
35. De klacht van klager was in de eerste plaats gericht tegen het besluit van 14 juli 2009 volgens welk zijn evaluatierapport was geannuleerd en niet opgenomen in zijn personeelsdossier. Volgens klager had zijn evaluatierapport naar aanleiding van het advies van de paritaire instantie herzien moeten worden en had deze herziene versie in zijn personeelsdossier moeten worden opgenomen. Naar zijn mening was het niet mogelijk zijn evaluatierapport gewoon maar nietig te verklaren.
36. Ten tweede was zijn klacht gericht tegen wat hij had opgevat als het 'besluit' van 17 juli 2009 om zijn contract niet te verlengen. Volgens klager was dit 'besluit' niet in overeenstemming met artikel 4 van zijn tijdelijk contract, dat bepaalde dat er een opzeggingstermijn van 3 maanden gold. Bovendien meende hij dat het besluit niet in overeenstemming was met het besluit van Eurojust van 19 december 2005 over "the General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regard to the Renewal of Contracts"[3]. Volgens klager had er een evaluatie van zijn prestaties uitgevoerd moeten worden, maar was dit niet gebeurd.
37. Ten derde verzocht klager om een formeel onderzoek naar de psychologische intimidatie waaraan hij was blootgesteld. Hij wilde dat dit onderzoek werd ingesteld op grond van Besluit van de Commissie C(2006) 1624/3 van 26 April 2006 on the European Commission policy on protecting the dignity of the person and preventing psychological harassment and sexual harassment[4]. Klager wees erop dat volgens dit besluit – dat ook door Eurojust moet worden toegepast – slachtoffers van psychologische intimidatie om bijstand kunnen verzoeken. Hij had een aantal verzoeken hiertoe ingediend, maar Eurojust had hier niet op gereageerd. Hij gaf aan dat hij bijstand wilde ontvangen krachtens artikel 24 van het Statuut, en dat uit de verslagen van de artsen duidelijk bleek dat hij het slachtoffer was van psychologische intimidatie. Klager verzocht ook om vergoeding van zijn rechtskosten op basis van artikel 24 van het Statuut en bovengenoemd besluit van 24 april 2006.
38. Ten vierde verzocht klager om een besluit van Eurojust, op grond van artikel 73 van het Statuut, waarin erkend werd dat hij een beroepsziekte had waarvoor Eurojust aansprakelijk was. Op grond daarvan wenste hij vergoeding van de door hem geleden schade. Volgens klager was er een duidelijk causaal verband tussen zijn beroepswerkzaamheden en zijn ziekte, en was dit ook bevestigd in de medische verslagen. Klager verklaarde dat Eurojust traag had gereageerd op voorstellen voor re-integratie en bemiddeling van de bedrijfsarts, en dat Eurojust daarom ook aansprakelijk was voor het voortbestaan van zijn ziekte. Voorts verklaarde hij dat Eurojust verzuimd had te reageren op zijn voorstel inzake overplaatsing naar een andere afdeling. Tot slot gaf hij aan dat Eurojust nog steeds zijn werkgever was en dus verplicht was om hem te re-integreren.
39. Klager had een aantal bijlagen bij zijn klacht gevoegd, waaronder twee medische attesten d.d. 15 februari en 30 juli 2009, respectievelijk van zijn huisarts en van een psychotherapeut. Hij verzocht Eurojust binnen 4 weken op zijn klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, te reageren.
40. Op 30 september 2009 verliep het contract van klager.
41. Op 21 oktober 2009 diende klager een klacht in bij de Europese Ombudsman (klacht 2663/2009/KRK). Volgens klager werd de administratie van Eurojust onder meer gekenmerkt door psychologische intimidatie, discriminatie, administratieve onregelmatigheden, machtsmisbruik, onnodige vertraging in procedures en verzuim om te antwoorden door de leiding van Eurojust.
42. Op 16 november 2009 is klager gaan werken bij in het Directoraat-generaal Uitbreiding van de Europese Commissie.
43. Per brief d.d. 18 november 2009 stelde de Ombudsman klager ervan in kennis dat zijn klacht niet ontvankelijk was omdat de termijn voor beantwoording door Eurojust van zijn klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2 nog niet verstreken was toen hij zijn klacht indiende bij de Ombudsman.
44. Op 4 december 2009 antwoordde Eurojust op de klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2. Het antwoord van de AD op de vier door klager aan de orde gestelde punten kan als volgt worden samengevat:
45. Wat betreft het eerste punt, de annulering van het evaluatierapport van klager, herhaalde de AD de conclusies van de paritaire instantie dat (i) het rapport niet eerlijk en objectief was opgesteld, (ii) de gevolgde procedure niet in overeenstemming was met de regels en (iii) er sprake was van een ernstig conflict tussen klager en zijn voormalige supervisor. Derhalve was het noodzakelijk het evaluatieverslag in te trekken, hetgeen hij had gedaan in zijn besluit van 14 juli 2009. De AD verklaarde dat annulering van het rapport noodzakelijk was om de inhoud van het evaluatierapport te kunnen herzien, door een nieuwe beoordelingsprocedure te starten. Gezien de conflictsituatie tussen klager en zijn voormalige supervisor was het feitelijk onmogelijk voor hem een nieuwe evaluatie uit te voeren die aanvaardbaar zou zijn voor klager.
46. Wat betreft het tweede punt, zijn brief van 17 juli 2009, wees de AD erop dat dit geen besluit was tot beëindiging van het contract van klager, maar alleen maar een herinnering dat zijn contract zou aflopen op de datum die in zijn contract vermeld stond. Hij verklaarde dat dit standaardgebruik was in het belang van goed bestuur.
47. De AD legde tevens uit dat artikel 5 van het contract van klager met Eurojust bepaalde dat "the contract shall have effect from 1 October 2006 and shall run until 30 September 2009. This contract may be renewed ..." (het contract zal ingaan op 1 oktober 2006 en lopen tot 30 september 2009. Het contract kan worden verlengd…). De AD verklaarde dat volgens de jurisprudentie een personeelslid met een arbeidscontract van bepaalde duur hieraan geen recht kan ontlenen op verlenging. Verlenging is slechts een mogelijkheid, en hangt af van het belang van de dienst. Bij beoordeling van het belang van de dienst heeft de werkgever een ruime beoordelingsmarge.
48. De AD legde uit dat de HRU een kleine dienst was en dat het daarom onmogelijk was klager binnen deze dienst een nieuwe functie toe te wijzen op een wijze die zou waarborgen dat hij volledig buiten een potentiële conflictsituatie zou blijven. Voorts gaf hij aan dat klager het voorstel van Eurojust van 13 maart 2009 inzake overplaatsing naar een andere afdeling, namelijk de Pers & PR dienst, had geweigerd. Daarom was hij van mening dat verlenging van het contract van klager niet in het belang van de dienst was.
49. De AD verklaarde voorts dat hij het verzoek van klager om een formeel onderzoek naar psychologische intimidatie zeer serieus opnam. Met het oog op de bijstand waartoe de instellingen krachtens artikel 24 van het Statuut verplicht zijn, was hij vastbesloten alle nodige maatregelen te nemen om het gewenste onderzoek uit te voeren.
50. Daarnaast verklaarde hij dat klager met zijn verzoek om een onderzoek uiteindelijk beoogde een compensatie te eisen op grond van een beroepsziekte, uit hoofde van artikel 73 van het Statuut. Gezien dit feit voegde hij bij zijn antwoord een formulier waarmee klager het 'Office for the Administration and Payment of individual entitlements ' (het 'PMO') van de Europese Commissie kon verzoeken een formeel onderzoek uit te voeren naar de psychologische intimidatie. Hij wees erop dat overeenkomstig de dienstovereenkomst van Eurojust en de Commissie van oktober 2006 de betreffende bevoegdheden waren gedelegeerd aan de PMO.
51. Afgezien van deze verklaringen gaf de AD geen commentaar op het vierde verzoek van klager. Met betrekking tot de re-integratie van klager verklaarde hij dat klager vanaf 6 augustus 2009 tot het einde van zijn contract (30 september 2009) volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van het auto-ongeluk. Daardoor was het onmogelijk hem te re-integreren.
52. De AD verklaarde tot slot dat hij samen met zijn diensten alles in het werk zou stellen om een aanvaardbare oplossing te vinden. Hij zei dat hij niet bevoegd was om klager in een andere instelling te re-integreren, daar zijn bevoegdheid als tot Aanstelling Bevoegd Gezag beperkt was tot Eurojust. Niettemin verzekerde hij dat hij, als de uitkomst van het formeel onderzoek zou bevestigen dat klager inderdaad slachtoffer was van psychologische intimidatie, er persoonlijk voor zou zorgen dat de nodige maatregelen genomen zouden worden.
53. Op 5 januari 2010 diende klager onderhavige klacht in bij de Ombudsman. De klacht werd geregistreerd onder de referentie 325/2010/OV.
54. Naar aanleiding van het verzoek van klager aan de PMO voor erkenning van een beroepsziekte die in verband zou staan met intimidatie van 24 februari 2010, verzocht de PMO Eurojust om een uitgebreid verslag van de situatie.
Het voorwerp van het onderzoek
55. In zijn brief van 15 maart 2010, waarin de Ombudsman Eurojust om zijn standpunt over de klacht verzocht, wees hij erop dat klager in zijn oorspronkelijke klacht van 21 oktober 2009 en in zijn nieuwe klacht van 5 januari 2010 een groot aantal beweringen en vorderingen had voorgelegd. Hij had echter besloten alleen de volgende beweringen in zijn onderzoek op te nemen:
(1) Er was sprake van onnodige vertraging ten aanzien van het verzoek van klager om re-integratie;
(2) Het besluit van Eurojust van 14 juli 2009 om het evaluatierapport van klager te annuleren en geen herzien evaluatierapport op te stellen dat in het personeelsdossier van klager zou worden opgenomen was onjuist;
(3) De brief van 17 juli 2009, waarin klager werd meegedeeld dat zijn contract niet verlengd zou worden was niet in overeenstemming met (i) artikel 4 van het contract, dat voorzag in een periode van drie maanden, en (ii) het "Eurojust Decision of 19 December 2005 on the General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regards to the Renewal of Contracts."
56. De Ombudsman deelde klager en Eurojust mee dat de overige beweringen en vorderingen niet ontvankelijk waren of dat er onvoldoende gronden waren om deze in het onderzoek op te nemen. De overige beweringen betroffen: wanbeheer en bestuurlijke onregelmatigheden; onnodige vertraging bij de evaluatieprocedure; verzuim om te antwoorden; psychologische intimidatie, intimidatie en pesterijen[5]; discriminatie; machtsmisbruik; verzuim inzake adequate behandeling van het recht van klager op een werkloosheidsuitkering en voortgezette dekking door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering; en verzuim om adequaat te reageren, in het besluit van de Administratief directeur van 4 december 2009, inzake de punten die in de klacht van 21 augustus 2009 aan de orde waren gesteld. De Ombudsman heeft evenmin de vorderingen in zijn onderzoek opgenomen volgens welke Eurojust (i) een formeel onderzoek moet instellen naar psychologische intimidatie van klager, op grond van het besluit van 26 april 2006 van de Europese Commissie inzake de bescherming van de waardigheid van de persoon en voorkoming van psychologische en seksuele intimidatie, (ii) bijstand moet verlenen krachtens artikel 24 van het Statuut, (iii) klager de kosten moet vergoeden van de juridische bijstand die hij moest verkrijgen; en (iv) moet erkennen, op grond van artikel 73 van het Statuut, dat hij een beroepsziekte heeft waarvoor Eurojust aansprakelijk is en hem de geleden schade moet vergoeden. De redenen waarom deze beweringen en vorderingen niet zijn opgenomen in het onderzoek zijn uiteengezet in de brief van de Ombudsman aan klager van 15 maart 2010.
Het onderzoek
57. De klacht werd naar Eurojust gestuurd met het verzoek zijn standpunt kenbaar te maken. Eurojust stuurde zijn standpunt op 24 juni 2010. Hierin verklaarde Eurojust dat er een administratief onderzoek hangende was bij de PMO, en dat klager op 5 juli 2010 een afspraak had met de arts van de PMO. Derhalve verzocht Eurojust de Ombudsman, ten einde niet op de bevindingen van het onderzoek vooruit te lopen, zijn standpunt pas na genoemde afspraak aan klager toe te zenden. Op 12 juli 2010 stuurde de Ombudsman het standpunt van Eurojust aan klager, die op 31 augustus 2010 zijn opmerkingen stuurde.
De analyse en conclusies van de Ombudsman
A. Inleidende opmerkingen
58. De Ombudsman merkt op dat klager in zijn reactie op het standpunt van Eurojust een aantal opmerkingen maakt die buiten het bestek van het onderhavige onderzoek vallen, zoals vermeld in de brieven van de Ombudsman van 15 maart 2010 aan Eurojust en klager.
59. Zo verwees klager bijvoorbeeld naar de brief van 8 mei 2009 van het nieuwe waarnemend hoofd van de HRU. Hij verklaarde dat hij herhaaldelijk erop gewezen had dat deze brief onjuist was omdat hierin werd gezegd dat er twee re-integratievoorstellen waren gedaan. Hij had gevraagd de brief te corrigeren maar in weerwil van gedane toezeggingen had het waarnemend hoofd van de HRU nooit een poging gedaan om te brief te rectificeren. De Ombudsman merkt op dat dit een nieuwe bewering is die buiten het bestek van dit onderzoek valt. Hij merkt echter ook op dat hij de bewering inzake de vermeende vertraging bij de re-integratie van klager zal onderzoeken, en in die context ook concrete voorstellen die Eurojust had gedaan nader zal bekijken. Derhalve is hij van mening dat de nieuwe bewering van klager en zijn vordering dat de brief gerectificeerd moet worden niet in het onderhavige onderzoek hoeft te worden opgenomen. Evenmin lijkt het nodig op dit specifieke punt in te gaan om een conclusie te trekken over de belangrijkste bewering aangaande de vermeende vertraging bij in de behandeling van het verzoek om re-integratie.
60. Klager verklaarde daarnaast dat de AD van Eurojust verschillende malen had gezegd dat een onderzoek naar psychologische intimidatie alleen door de PMO kon worden uitgevoerd op basis van artikel 73 van het Statuut, en dat hij zelf dit onderzoek niet kon organiseren aangezien de desbetreffende bevoegdheid aan de Commissie was gedelegeerd. Klager wees erop dat, in een e-mail aan zijn advocaat, de PMO had gezegd dat de dienst niet verantwoordelijk was voor een dergelijk onderzoek. De verantwoordelijkheid lag bij de AD van Eurojust. Klager verklaarde dat hij zowel (i) een klacht had ingediend bij de AD van Eurojust over intimidatie (op grond van artikel 90, lid 2 van het Statuut) als (ii) een verzoek aan de PMO had gericht over erkenning van een beroepsziekte op grond van artikel 73 van het Statuut. Klager voerde aan dat de AD had verzuimd naar aanleiding van zijn verzoek om een onderzoek naar psychologische intimidatie te organiseren. De Ombudsman herinnert eraan dat hij in zijn brief van 16 maart 2010 klager al had meegedeeld dat er onvoldoende gronden waren voor een onderzoek naar deze zaken[6].
B. Vermeende onnodige vertraging met betrekking tot het verzoek om re-integratie
Argumenten die de Ombudsman zijn voorgelegd
61. In zijn klacht beschrijft klager eerst de achtergrond van zijn klacht. Hij voert aan dat hij toen hij begon te werken bij Eurojust zeer succesvol was in de uitvoering van zijn taken en lof kreeg van zijn collega's. Zijn succes werd hem echter niet in dank afgenomen door sommige collega's, die hem begonnen te hinderen en dwars te zitten, onder meer door hem geen informatie door te geven, zijn kennis in twijfel te trekken in het bijzijn van andere collega's en hem uit te sluiten van HRU-vergaderingen, waardoor hem het werk onmogelijk werd gemaakt. Deze collega's werden gesteund door het toenmalige waarnemend hoofd van de HRU, die tevens de supervisor van klager was. In plaats van mee te werken aan het vinden van een oplossing negeerde deze laatste volledig de klachten over wat er gaande was, en koos de zijde van de collega's die hem pestten. De supervisor van klager verweet hem ook dat hij zich isoleerde, terwijl het in feite de supervisor van klager was die toeliet dat informatie niet tijdig werd doorgegeven aan klager. De supervisor organiseerde teamvergaderingen op momenten dat klager niet aanwezig kon zijn. De functies van klager, zowel die van secretaresse als van ondersteunend assistent, werden opgevuld door andere personen, die zijn taken overnamen. Klager verklaarde dat de leiding van Eurojust hem verder isoleerde door hem (i) geen toegang te geven tot HR-verslagen en andere documenten en (ii) door hem geen antwoord te geven op belangrijke vragen en hem een kantoor aan te bieden (vanaf begin 2009).
62. De situatie escaleerde verder tijdens een vergadering in september 2008, toen de supervisor van klager hem dreigde met "verdere maatregelen". Naar aanleiding van deze psychologische intimidatie en pesterijen werd klager in oktober 2008 ziek, hetgeen leidde tot zijn volledige arbeidsongeschiktheid. Klager nam onmiddellijk contact op met de bedrijfsarts, die Eurojust adviseerde bemiddeling te organiseren. Eurojust volgde dit advies achter niet op. Ondanks herhaalde aanbevelingen van de huisarts van klager om hem te herintegreren verzuimde Eurojust dit te doen. Klager verzocht zelf ook om re-integratie of om overplaatsing naar een andere afdeling, maar Eurojust reageerde niet op deze verzoeken. Klager voegde hieraan toe dat Eurojust wel een oplossing had gevonden voor de re-integratie van twee collega's die minder presteerden dan hij. Hij verklaarde dat hij veel materiële en morele schade had ondervonden en nog steeds ondervond van het wanbeheer van Eurojust. Samengevat beweerde klager dat er sprake was van onnodige vertraging ten aanzien van zijn verzoek om re-integratie. Hij verklaarde dat hij graag zag dat de Ombudsman tot een minnelijke schikking zou komen of een ontwerpaanbeveling zou doen.
63. In zijn standpunt gaf Eurojust eerst een uitvoerig chronologisch overzicht van de gebeurtenissen, en verklaarde dat hieruit bleek dat er geen sprake was van onnodige vertraging door Eurojust. Behalve de feiten die worden genoemd in het deel "De achtergrond van de klacht", die niet zijn betwist door klager, noemde Eurojust de volgende gebeurtenissen:
- In het telefoongesprek van 17 november 2008 tussen de AAD van Eurojust en de bedrijfsarts beval deze laatste aan te wachten met de start van de bemiddeling vanwege de niet-werkgerelateerde gezondheidstoestand van klager.
- Tijdens het gesprek van 1 december 2008 tussen klager, zijn supervisor en de AAD, liet de laatste klager weten dat hij de optie van re-integratie en de optie van overplaatsing naar een andere eenheid nader zou bekijken.
- Bij de tweede poging tot re-integratie van klager, namelijk in het kader van het gesprek van 13 maart 2009, is klager overplaatsing naar de Pers & PR dienst aangeboden. Helaas raakte klager steeds meer geagiteerd en heeft toen plotseling de gespreksruimte verlaten. Hierdoor kwam er een abrupt einde aan het gesprek voordat er een oplossing kon worden bereikt.
- In zijn e-mail van 8 mei 2009 liet het sinds kort benoemde waarnemend hoofd van de HRU klager weten dat er bemiddeling zou worden georganiseerd. Hij stelde twee mogelijkheden voor re-integratie voor, namelijk een functie bij de Pers & PR dienst, om te assisteren bij de verwerking van vertalingen, en een functie bij de GSU, om te assisteren bij verhuistaken.
- Uit de reactie van klager tijdens het gesprek met de AD op 8 juni 2009 bleek duidelijk dat hij alle voorgaande pogingen van de administratie om een oplossing te vinden had genegeerd.
- Na het gesprek van 8 juni 2009 besloot de AD klager over te plaatsen naar de Pers & PR dienst, waar hij geen interactie meer zou hebben met zijn vroegere supervisor. Na overleg met klager werd de interne overplaatsingsprocedure gestart.
64. Met betrekking tot de inhoud van de bewering van klager wees Eurojust erop dat in maart 2009 zowel de bedrijfsarts als de huisarts van klager zijn re-integratie aanbevolen onder drie voorwaarden, waarvan de belangrijkste was dat er een veilige werkomgeving moest worden gecreëerd voor klager. Eurojust verwees naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, volgens welke bij een overplaatsing normaliter niet de instemming van het betreffende personeelslid nodig is. Niettemin had Eurojust onder de specifieke omstandigheden het beter gevonden om elke mogelijkheid voor een overplaatsing met instemming van klager, volgens zijn wensen, te onderzoeken. Vanuit deze gedachte had Eurojust zich zeer ingespannen om een veilige werkomgeving voor klager te creëren en hem verschillende opties voor overplaatsing naar een andere afdeling voorgesteld. Klager had echter al deze voorstellen afgewezen.
65. Twee andere objectieve problemen hadden vertraging gebracht in het re-integratieproces. Ten eerste was een aantal van de medische attesten niet eenduidig. Het medisch attest van 3 maart 2009 van de bedrijfsarts beval de re-integratie van klager aan vanaf 16 maart 2009, onder bepaalde voorwaarden. Op 17 maart 2009 verklaarde de bedrijfsarts echter dat klager arbeidsongeschikt was. Vervolgens stuurde klager op 18 maart 2009 een medisch attest van zijn huisarts, waarin deze verklaarde dat hij 100% arbeidsongeschikt was. Het attest van zijn huisarts van 29 maart 2009 herhaalde het advies van de bedrijfsarts van 3 maart 2009, en verklaarde dat klager 100% arbeidsongeschikt was tot 9 mei 2009. De daaropvolgende medische attesten verklaarden dat klager voor 50 % kon werken, mits eerder genoemde voorwaarden waren vervuld.
66. Het tweede obstakel was dat klager op 6 augustus 2009 betrokken was bij een auto-ongeluk, ten gevolge waarvan hij opnieuw 100% arbeidsongeschikt was tot de afloop van zijn contract.
67. Met betrekking tot de voorwaarde van een veilige werkomgeving wees Eurojust erop dat de bemiddelingspogingen waren gestart toen de gezondheidstoestand van klager dit toestond en er een oplossing voor zijn overplaatsing bereikt leek te zijn. Dit stemde overeen met het advies van de bedrijfsarts. Op dat moment bleek bemiddeling echter irrelevant omdat geen van beide partijen dit nog wilde of nodig vond.
68. Eurojust concludeerde dat er weliswaar vertragingen waren opgetreden in de re-integratieprocedure, maar dat deze veroorzaakt waren door een aantal omstandigheden en objectieve obstakels tijdens de voortdurende pogingen van Eurojust om een oplossing te vinden in het belang van klager. Eurojust verklaarde niet verantwoordelijk te zijn voor deze vertragingen.
69. In zijn opmerkingen verklaarde klager dat de chronologie van de feiten die Eurojust had voorgelegd onvolledig was en een vertekend beeld van de gebeurtenissen gaf. Naar zijn mening had Eurojust geen probleem om onjuiste informatie voor te leggen over de situatie.
70. Klager verklaarde dat het klopte dat hij zich ziek had gemeld op 21 oktober 2008 en sindsdien niet meer aan het werk is gegaan. Zijn arbeidsongeschiktheid en afwezigheid hielden echter uitsluitend verband met de situatie in de HRU, de voortdurende pesterijen tegen hem en de negatieve houding van zijn vroegere supervisor. Eurojust had geen enkele poging gedaan de onhoudbare en ongezonde werksfeer aan te pakken door een andere supervisor voor te stellen met wie klager wel kon werken, ondanks het duidelijke advies van de bedrijfsarts en de huisarts van klager. Eurojust had ook niet snel gereageerd op het advies van de bedrijfsarts van 11 en 13 november 2008 om bemiddeling te beginnen. Daarom was het onjuist van Eurojust om te beweren dat de bedrijfsarts in een telefoongesprek van 17 november 2008 had voorgesteld de bemiddeling uit te stellen vanwege de niet aan werk gerelateerde gezondheidstoestand van klager. In het medisch attest van de huisarts van klager van 21 oktober 2008 stond juist dat klager, indien er zich geen verdere verwikkelingen voordeden, vanaf 25 oktober 2008 weer zijn normale werkzaamheden kon oppakken. Klager verklaarde dat daarom de bewering van Eurojust dat er pas in maart 2009 medisch advies tot re-integratie was gegeven niet klopte, omdat dit advies reeds in oktober/november 2008 was gegeven. Het medisch attest van de bedrijfsarts d.d. 3 maart 2009 verklaarde dat klager vanaf 16 maart 2009 weer op parttime basis kon gaan werken. Dit werd herhaald in het medisch attest van de huisarts van klager d.d. 29 maart 2009.
71. Klager voerde aan dat er tijdens het gesprek van 1 december 2008 geen concrete voorstellen waren gedaan.
72. Klager voerde voorts aan dat de verklaring van Eurojust dat er verschillende voorstellen voor re-integratie waren gedaan een flagrante leugen was. Er was slechts een voorstel gedaan, namelijk in het gesprek van 13 maart 2009. Dit voorstel was echter niet realistisch omdat klager nog steeds in contact zou blijven met zijn voormalige supervisor, en dit strookte niet met de randvoorwaarden die de artsen hadden vermeld. In tegenstelling tot wat Eurojust beweerde was er tijdens dat gesprek geen concreet voorstel gedaan voor overplaatsing naar de Pers & PR dienst. Klager voerde aan dat Eurojust in feite geen enkel voorstel had gedaan dat strookte met de randvoorwaarden die beide artsen hadden gesteld. In het attest van 29 maart 2009 verklaarde de huisarts van klager dat geen van de randvoorwaarden voor re-integratie was gerealiseerd. Klager stelde ook dat de opmerking van Eurojust dat hij geagiteerd was geraakt en de ruimte verlaten had niet klopte. Volgens hem was het de AAD die het gesprek had beëindigd. Na dit gesprek concludeerden zowel de bedrijfsarts als de huisarts van klager dat het onder deze omstandigheden niet verstandig was voor klager om zijn werkzaamheden te hervatten. Ze verklaarden hem dan ook opnieuw 100% arbeidsongeschikt, zoals vermeld in het medisch attest van de huisarts van klager d.d. 29 april 2009.
73. Klager wees erop dat de beoordelingsprocedure 2008 door zijn vroegere supervisor in gang was gezet, in weerwil van aanbevelingen van de bedrijfsarts om contact met hem te vermijden en ondanks het bezwaar dat klager in het gesprek van 13 maart 2009 had gemaakt.
74. Klager wees er voorts op dat in tegenstelling tot wat Eurojust in zijn standpunt beweerde, het nieuwe waarnemend hoofd van de HRU in zijn brief d.d. 8 mei 2009 geen voorstel voor twee re-integratieopties had gedaan, maar slechts verwees naar eerder gedane voorstellen. Eerder was er echter maar één voorstel gedaan, dat geen rekening hield met de door de artsen gestelde randvoorwaarden.
75. Klager benadrukte dat de verklaring van Eurojust dat tijdens het gesprek van 8 juni 2009 duidelijk werd dat hij alle pogingen van de administratie om een oplossing te vinden negeerde, volledig onjuist was.
76. Klager verwees naar de verklaring van Eurojust dat de AD na het gesprek van 8 juni 2009 had besloten hem over te plaatsen naar de Pers & PR dienst. Hiermee zou elke interactie met zijn voormalige supervisor vermeden worden. Eurojust verklaarde voorts dat na overleg met hem de interne overplaatsingsprocedure in gang werd gezet. Klager voerde aan dat deze verklaringen flagrante leugens waren. Volgens hem heeft Eurojust nooit voorgesteld hem naar die dienst over te plaatsen, en nooit hierover met hem overlegd.
77. Klager stelde dat Eurojust in feite heeft gewacht tot juli 2009 om de bemiddeling te starten. Tijdens de bemiddelingsgesprekken van 7 juli 2009 wilde echter geen van beide partijen nog meewerken, vanwege de escalatie van het conflict sinds oktober 2008 tussen beide partijen als gevolg van het verzuim van Eurojust om iets te doen, de onjuiste gegevens in het evaluatierapport en de leugens in verband met een aantal re-integratiepogingen.
78. Klager stelde voorts dat het niet klopte dat zijn medische attesten tegenstrijdig waren. Hij benadrukte dat hij opnieuw 100% arbeidsongeschikt was verklaard omdat er geen vooruitgang was in zijn re-integratie en ook door de negatieve resultaten van het gesprek van 13 maart 2009, die voor hem extra stress veroorzaakten.
Beoordeling van de Ombudsman
79. Klager beweerde dat er onnodige vertraging was ten aanzien van zijn verzoek om re-integratie. Letterlijk opgevat zou dat betekenen dat de Ombudsman alleen maar hoeft te onderzoeken hoe Eurojust heeft gereageerd op het verzoek van klager zelf. De meeste suggesties voor de re-integratie van klager binnen Eurojust zijn niet door klager zelf gedaan, maar door zijn huisarts en de bedrijfsarts. De Ombudsman is echter van mening dat een dergelijke beperkte interpretatie van de onderhavige bewering niet op zijn plaats is. De bewering zou eerder moeten worden geïnterpreteerd als betreffende de behandeling door Eurojust van de kwestie van re-integratie van klager in zijn dienst. Ook uit de verklaringen van Eurojust blijkt dat de bewering in deze zin is begrepen. Het is eveneens duidelijk dat Eurojust niet betwist dat het verplicht was klager te proberen te re-integreren in zijn diensten zodra hij weer voldoende hersteld was om zijn werkzaamheden te hervatten.
80. Evenmin wordt betwist dat klager na zijn ziekmelding op 21 oktober 2009 nooit meer zijn werk bij Eurojust heeft hervat. Eurojust gaf toe dat er inderdaad vertragingen waren bij de re-integratie van klager in zijn diensten, maar voerde aan dat het niet verantwoordelijk was voor die vertragingen. Naar zijn opvatting waren deze te wijten aan een aantal omstandigheden en objectieve obstakels buiten zijn controle. De Ombudsman merkt op dat Eurojust specifiek vernoemde (i) wat het beschouwde als een afwijzing door klager van zijn voorstellen tot re-integratie, (ii) de tegenstrijdige medische attesten en (iii) het auto-ongeluk van klager van 6 augustus 2009, dat opnieuw tot een volledige arbeidsongeschiktheid van klager leidde. De Ombudsman moet derhalve onderzoeken of de argumenten van Eurojust hout snijden of dat Eurojust verantwoordelijk is voor de opgetreden vertragingen.
81. Zoals al gezegd, was Eurojust verplicht te proberen klager te re-integreren in zijn diensten zodra hij voldoende hersteld was om zijn werk te hervatten. De Ombudsman merkt op dat de re-integratie van klager echter onmogelijk werd na 6 augustus 2009, toen hij een auto-ongeluk had gehad en vervolgens 100% arbeidsongeschikt was verklaard tot het einde van zijn contract. De Ombudsman is van mening dat dit ongeval en de daaropvolgende volledige arbeidsongeschiktheid inderdaad een obstakel waren voor zijn re-integratie, waar Eurojust niets aan kon doen. De Ombudsman is derhalve van mening dat hij alleen maar de re-integratiepogingen van Eurojust tot 6 augustus 2009 hoeft te onderzoeken. Voorts is hij van mening dat de bemiddeling en de re-integratie van klager weliswaar twee verschillende zaken waren maar dat de pogingen van Eurojust met betrekking tot beide aspecten niet los van elkaar gezien kunnen worden en daarom in het onderzoek moeten worden betrokken. Dit geldt des te meer omdat een van de randvoorwaarden (volgens de bedrijfsarts) voor de hervatting van zijn werk door klager was dat er een oplossing gevonden moest worden voor het conflict, waarvoor bemiddeling werd geadviseerd.
De periode tot 1 maart 2009
82. Klager en Eurojust zijn het oneens over het moment waarop voor de eerste maal medisch advies voor re-integratie werd gegeven. Volgens Eurojust was dit in maart 2009, terwijl klager aanvoert dat dergelijk advies reeds in oktober/november 2008 was gegeven. Uit de documenten in het dossier blijkt dat hij in een medisch attest d.d. 21 oktober 2008 100% arbeidsongeschikt werd verklaard voor de periode van 21 tot 24 oktober 2008. Hoewel in dit attest werd verklaard dat klager, indien zich geen verwikkelingen voordeden, vanaf 25 oktober zijn normale werkzaamheden kon hervatten, blijkt dat de huisarts van klager in daaropvolgende attesten van 27 oktober, 10 en 28 november en 17 december 2008 bevestigde dat hij 100% arbeidsongeschikt was tot 28 februari 2009. De huisarts van klager was van mening dat hij, indien zich geen verwikkelingen voordeden, zijn normale werkzaamheden vanaf 1 maart 2009 kon hervatten. In medische attesten/brieven d.d. 11 en 13 november 2008 deelde de bedrijfsarts Eurojust mee dat klager nog niet in staat was zijn werk te hervatten. In deze attesten noemde hij het conflict tussen klager en zijn supervisor en adviseerde Eurojust bemiddeling te organiseren.
83. Gezien bovenstaande gegevens concludeert de Ombudsman dat klager niet in staat was zijn werk te hervatten voor 1 maart 2009. Zelfs als er sprake was van onnodige vertraging van de zijde van Eurojust kon dit dus voor die datum geen nadelige effecten hebben gehad op klager.
84. In elk geval neemt de Ombudsman nota van het feit dat Eurojust gedurende de bewuste periode niet passief is gebleven. In het bijzonder blijkt uit de documenten die de Ombudsman zijn voorgelegd dat Eurojust op 1 december 2008 een bijeenkomst tussen de AAD en klager, in bijzijn van een vertegenwoordiger van het personeelscomité en een HR-ambtenaar heeft georganiseerd. Uit de notulen van die bijeenkomst blijkt dat klager zijn problemen heeft uitgelegd aan de AAD, met name zijn problemen met zijn supervisor. In antwoord op een vraag van de AAD verklaarde hij verder dat hij het uitstekend vond om op een andere afdeling te werken, zolang de werkomgeving minder stress voor hem zou creëren dan in de HRU. De AAD concludeerde dat hij de situatie zou overdenken en bekijken of de optie van een overplaatsing naar een andere afdeling beter zou zijn dan de optie van re-integratie in de HRU. Uit de informatie die de Ombudsman tot zijn beschikking heeft, valt op te maken dat Eurojust vervolgens voorbereidingen heeft getroffen voor de overplaatsing van klager naar een andere afdeling.
De periode van 1 tot 17 maart 2009
85. Met betrekking tot de periode vanaf 1 maart 2009 merkt de Ombudsman op dat op 8 maart 2009 de supervisor van klager een e-mail naar de AAD heeft gestuurd waarin werd voorgesteld klager (in het belang van de dienst) over te plaatsen naar de GSU op basis van 50% parttime. In dit voorstel werd 16 maart 2009 genoemd als startdatum (en dus de datum van zijn re-integratie), namelijk dezelfde datum die was voorgesteld door de bedrijfsarts in zijn medisch attest d.d. 2 maart 2009. In het voorstel werden ook een aantal praktische zaken genoemd die in het kader van de overplaatsing moesten worden geregeld.
86. Vijf dagen later, op 13 maart 2009, organiseerde Eurojust een tweede bijeenkomst tussen klager en de AAD, waarin de eventuele overplaatsing van klager naar de GSU en de praktische regelingen voor deze overplaatsing werden besproken, waaronder met name de werkoverdracht en het feit dat de secretaresse van de HRU de contactpersoon van klager zou zijn. De Ombudsman begrijpt dat het voorstel behelsde dat klager zijn vroegere taken zou blijven uitvoeren, maar op een andere afdeling. Klager vond dit voorstel niet aanvaardbaar omdat hij meende dat hij nog steeds in contact zou blijven staan met zijn vroegere collega's. Volgens de notulen van de bijeenkomst werd ook de optie van een overplaatsing naar de Pers & PR dienst geopperd. Eurojust betoogde dat een voorstel hiertoe in de bijeenkomst is gedaan. Klager betwist dit.
87. Ongeacht of er wel of niet een alternatief voorstel werd gedaan, uit bovenstaande blijkt dat Eurojust probeerde een oplossing te vinden voor de re-integratie van klager. Daarom lijkt er in de periode tussen 1 en 17 maart 2009 geen onnodige vertraging te zijn geweest.
De periode van 18 maart tot 9 mei 2009
88. Na de bijeenkomst van 13 maart 2009 werd klager van 18 maart tot 25 april 2009, en vervolgens opnieuw van 26 april tot 9 mei 2009 weer 100% arbeidsongeschikt verklaard. Dus zelfs als sprake was van onnodige vertraging van de zijde van Eurojust in de periode van 18 maart tot 9 mei 2009, dan kon dit geen nadelige gevolgen voor klager hebben.
89. In elk geval lijkt Eurojust in deze periode niet stil gezeten te hebben. In een attest van 31 maart 2009 concludeerde de bedrijfsarts, na beide versies gehoord te hebben dat "there isn't a suitable solution for the problem at hand where [klager] and Eurojust agree with". De bedrijfsarts voegde hier aan toe dat zijn advies inzake bemiddeling nog steeds gold. Op 22 april 2009 nam Eurojust contact op met de bedrijfsarts om bevestiging te krijgen dat bemiddeling raadzaam was. Na ontvangst van een bevestigend antwoord deelde het nieuwe waarnemend hoofd van de HRU klager op 8 mei 2009 mee dat er maatregelen waren getroffen om bemiddeling door een buitenstaander te organiseren. Hij wees erop dat re-integratie alleen raadzaam was als klager zijn conflict met zijn vroegere supervisor via bemiddeling had opgelost.
De periode van 10 mei tot 13 juli 2009
90. Met betrekking tot de periode van 10 mei tot 13 juli 2009 zij erop gewezen dat Eurojust een derde bijeenkomst met klager organiseerde, waar klager werd meegedeeld dat Eurojust het nuttig achtte om tot bemiddeling over te gaan. In een e-mail van 15 mei 2009 bevestigde het waarnemend hoofd van de HRU het bemiddelingsvoorstel en verzocht klager hiermee in te stemmen, hetgeen hij diezelfde dag nog deed. De bemiddeling vond plaats op 7 juli 2009. Op 14 juli 2009 bleek echter uit het bemiddelingsrapport dat de bemiddeling mislukt was en dat geen van beide partijen deze voort wenste te zetten.
91. De Ombudsman merkt op dat in een attest van 18 maart 2009 de huisarts van klager verklaarde dat hij tot 25 april 2009 100% arbeidsongeschikt was. In een later attest d.d. 29 april 2009 bevestigde de huisarts van klager dat hij tot 9 mei 2009 100% arbeidsongeschikt was. Onder deze omstandigheden meent de Ombudsman dat Eurojust niet zeker wist wanneer klager in staat was zijn werk te hervatten. Hij meent echter ook dat Eurojust klaar moest zijn om klager zo snel mogelijk te re-integreren als zijn ziekteverlof voorbij was. Dit was met name belangrijk gezien het feit dat het contract van klager spoedig zou aflopen. Er zij op gewezen dat klager op 15 mei 2009 uitdrukkelijk verzocht om overplaatsing naar een andere afdeling. De huisarts van klager en de bedrijfsarts benadrukten dat Eurojust niet alleen een geschikte post voor klager moest vinden maar ook het conflict tussen klager en zijn vroegere supervisor moest hebben opgelost via bemiddeling voordat er sprake kon zijn van een overplaatsing. Aangezien Eurojust zelf duidelijk in zijn brief van 8 mei 2009 had gezegd dat klager pas kon terugkeren op het werk als het conflict met zijn voormalige supervisor via bemiddeling was opgelost, is het duidelijk dat Eurojust de bemiddeling zo snel mogelijk had moeten organiseren. Maar klaarblijkelijk werd de bemiddeling pas na twee manden uitgevoerd. Eurojust heeft geen enkele reden aangevoerd waarom dit zo lang moest duren. Klager suggereert dat de vertraging te wijten was aan organisatorische problemen binnen Eurojust in verband met de noodzakelijke financiële voorziening. Maar aangezien bemiddeling al in november 2008 was voorgesteld, kan dit soort problemen geen geldige reden vormen voor genoemde vertraging.
92. Eurojust betoogde dat sommige medische attesten tegenstrijdig waren, en dat dit tot gevolg had dat de procedure zo lang duurde. Deze reden kan echter niet worden aangevoerd voor de periode tussen 10 mei en begin juli 2009, daar er geen tegenstrijdige attesten zijn afgegeven in die periode.
De periode van 13 juli tot 5 augustus 2009
93. Het rapport van de bemiddelaar van 13 juli 2009 maakte duidelijk dat de bemiddeling mislukt was en dat de partijen deze niet wensten voort te zetten. Eurojust had dus een besluit moeten nemen over de re-integratie van klager, oftewel door hem naar een andere afdeling over te plaatsen, oftewel door hem mee te delen dat het een re-integratie als onmogelijk beschouwde. In zijn standpunt verklaarde Eurojust dat de AD na de bijeenkomst van 8 juni 2009 het besluit had genomen om klager over te plaatsen naar de Pers & PR dienst, en dat de interne overplaatsingsprocedure in gang werd gezet. Deze verklaring werd betwist door klager en Eurojust heeft geen enkel bewijs overlegd waaruit blijkt dat er inderdaad een overplaatsing in gang was gezet. De Ombudsman is echter van mening dat dit punt niet nader onderzocht hoeft te worden. In feite bevond Eurojust zich in een moeilijke positie toen bekend werd dat de bemiddeling, die de bedrijfsarts een voorwaarde beschouwde voor de re-integratie van klager, was mislukt. Gezien de objectieve moeilijkheden waarmee Eurojust werd geconfronteerd is de Ombudsman van mening dat Eurojust niet verweten kan worden dat het schuldig is aan onnodige vertraging vanwege het feit dat het niet in staat was de problemen op te lossen in de korte periode van 13 juli tot 5 augustus 2009. Daarom is er geen reden om te concluderen dat er verdere onnodige vertraging was van de zijde van Eurojust.
Conclusie met betrekking tot de eerste bewering
94. Op grond van het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat er in de periode van 10 mei tot 7 juli 2009 inderdaad sprake was van onnodige vertraging van de zijde van Eurojust met betrekkin tot de re-integratie van klager. De Ombudsman zal derhalve hierna een kritische opmerking maken.
C. Vermeende onjuiste annulering van het evaluatierapport
Argumenten die zijn voorgelegd aan de Ombudsman
95. Klager beweerde dat het besluit van Eurojust van 14 juli 2009 om zijn evaluatierapport te annuleren en geen herzien rapport op te stellen dat in zijn personeelsdossier zou worden opgenomen onjuist was. Volgens klager heeft hij duidelijk om een herziening van het evaluatierapport gevraagd en niet om een annulering.
96. In antwoord op deze bewering citeerde Eurojust uit het antwoord in het besluit van de AD van 4 december 2009 op de klacht van klager uit hoofde van artikel 90, lid 2. In dit besluit stond vermeld dat naar aanleiding van de weigering van klager om het evaluatierapport te accepteren en zijn verzoek om herziening op grond van procedurele fouten en onnauwkeurigheden in de inhoud, de AD van Eurojust de paritaire instantie bijeengeroepen had. Op grond van de conclusies van deze instantie dat (i) het evaluatierapport niet eerlijk en objectief was opgesteld, (ii) de gevolgde procedure niet in overeenstemming was met de regels, en (iii) er sprake was van een ernstig conflict tussen klager en zijn voormalige supervisor, was het evaluatierapport ingetrokken. Dit was gebeurd bij besluit van de AD van 14 juli 2009, hetgeen een voorwaarde was om de prestaties van klager via een nieuwe evaluatieprocedure te kunnen beoordelen. Gezien de conflictsituatie tussen klager en zijn vroegere supervisor was het praktisch onmogelijk voor de AD om een nieuwe beoordeling uit te voeren die niet afgewezen zou worden door klager.
97. Eurojust verwees ook naar artikel 2, lid 6 van het besluit van Eurojust van 24 april 2009 over de "General Implementing Provisions on the Yearly Performance Appraisal"[7], volgens hetwelk "a career development report does not have to be drafted for staff members who left Eurojust in the same year or who are going to leave in following year, unless they expressly request one"[8] (onderstreping van Eurojust). Eurojust stelde dat deze bepaling illustreert dat Eurojust rekening wil houden met de legitieme belangen van een persoon zelfs als hij/zij de dienst verlaten heeft. In het geval van klager was het voor Eurojust feitelijk onmogelijk een nieuw evaluatierapport op te stellen dat hij zou accepteren. De reden hiervan was dat (a) de heer X, die toezag op het werk van klager, niet langer bij Eurojust werkte, en (b) klager voortdurend had geweigerd mee te werken aan een beoordelingsprocedure waarbij zijn voormalige supervisor betrokken was.
98. In zijn opmerkingen stelde klager dat zijn evaluatierapport was opgesteld door zijn vroegere supervisor en ondertekend door de AAD. Hij voerde aan dat hij om een herziening had verzocht omdat het rapport onjuiste informatie bevatte. Klager wees er tevens op dat Eurojust in zijn standpunt erkende dat hij recht had op een evaluatierapport als hij daar om verzocht, en dat hij dat in het onderhavige geval had gedaan. Hij meende dat de verklaring van Eurojust dat het in zijn geval volledig onmogelijk was een nieuw rapport op te stellen onaanvaardbaar was. Klager wees er in dit verband op dat hij ondanks de moeilijke situatie had samengewerkt met zijn vroegere supervisor door een zelfevaluatie te schrijven. De bewering van Eurojust dat hij voortdurend weigerde mee te werken was dan ook onjuist. Bovendien konden de problemen die Eurojust noemde volgens hem worden opgelost. Eurojust was verplicht de nodige maatregelen te nemen om een nieuw evaluatierapport op te stellen, en had niet aan zijn verplichtingen voldaan.
Beoordeling van de Ombudsman
99. De Ombudsman merkt op dat de procedure voor het opstellen van een evaluatierapport is omschreven in het besluit van of 24 april 2009 over de "General Implementing Provisions on the Yearly Performance Appraisal" van Eurojust, dat op 25 april 2009 van kracht is geworden. Met dit besluit werd het voorgaande voorlopige besluit van 11 februari 2009 ingetrokken, dat was aangenomen in afwachting van het akkoord van de Commissie over het ontwerp dat het Besluit van 24 april 2009 werd. Beide besluiten bevatten dezelfde bepalingen en leggen vast in artikel 11 dat de bepalingen van toepassing zijn op evaluatierapporten die vanaf 1 februari 2009 worden opgesteld. Derhalve zijn zij ook van toepassing op de situatie van klager.
100. Artikel 7, lid 11, van het besluit van 24 april 2009 bepaalt dat "[t]he staff member's reasoned refusal to accept the career development report shall automatically mean referral of the matter to the Joint Instance referred to in Article 8." Artikel 8, lid 4, bepaalt dat de "Joint Instance shall, when appealed to under Article 7(11), deliver an opinion within ten working days from its establishment." Artikel 8, lid 6 bepaalt dat "the opinion of the Joint Instance shall be transmitted to the staff member, Reporting Officer, Countersigning Officer and appeal assessor..." Artikel 8, lid 7, bepaalt dat na toezending de "appeal assessor shall confirm or amend the career development report within five working days ..."[9]. Artikel 8, lid 8, bepaalt dat het "career development report shall then be declared final and communicated to the staff member concerned, the Reporting Officer, the Countersigning Officer and the Joint Instance." Artikel 7, lid 14, bepaalt voorts dat "the staff member shall be notified ... that the decision rendering the report final has been adopted, pursuant to this Article or Article 8(9)[10]." De Ombudsman merkt echter ook op dat artikel 10, lid 1, (Overgangsmaatregelen) van het besluit bepaalt dat "for the first annual appraisal exercise taking place before 31 December 2009, ... no Appeal Assessor shall be included in the process"[11]. Derhalve was in dit geval artikel 8, lid 7 niet van toepassing.
101. De Ombudsman merkt op dat het besluit van 24 april 2009 geen bepaling kent met betrekking tot de annulering van een evaluatierapport nadat de paritaire instantie haar advies heeft uitgebracht. De hierboven beschreven normale procedure bepaalt dat binnen vijf dagen nadat het advies van de paritaire instantie is doorgezonden, de beoordelaar in beroep het evaluatierapport bevestigt of wijzigt, waarna het rapport definitief wordt verklaard en in het personeelsdossier opgenomen. Zelfs als deze procedure, volgens de gecombineerde lezing van artikel 8, leden 6 – 8, en artikel 10, lid 1, in het onderhavige geval niet van toepassing is, is het duidelijk dat dezelfde stap – dat wil zeggen, bevestiging of wijziging – toegepast had moeten worden op het evaluatierapport van klager. Daaruit volgt dat Eurojust niet de bevoegdheid had om het rapport dan maar te annuleren – Eurojust kon het alleen maar wijzigen. In gevallen waarin Eurojust meent dat een evaluatierapport waartegen het betrokken personeelslid bezwaar heeft gemaakt niet in overeenstemming met de geldende regels kan worden opgesteld, moet Eurojust de beoordelingsprocedure opnieuw beginnen in het stadium vóór het stadium waarin de betreffende fouten zijn opgetreden.
102. Eurojust voerde verschillende argumenten aan ter motivering van zijn besluit om het evaluatierapport van klager te annuleren in plaats van een nieuwe beoordeling uit te voeren. Ten eerste verwees Eurojust naar artikel 2, lid 6, van het besluit van 24 april 2009, volgens welk voor personeelsleden die het betreffende jaar Eurojust hebben verlaten of het daaropvolgende jaar gaan verlaten geen evaluatierapport hoeft te worden opgesteld, tenzij zij uitdrukkelijk hierom verzoeken. Gegeven het feit dat klager om een evaluatierapport heeft verzocht, is dit argument niet overtuigend.
103. Eurojust betoogde daarnaast dat het feitelijk onmogelijk was een nieuwe beoordeling uit te voeren vanwege het conflict tussen klager en zijn voormalige supervisor, en omdat de heer X. niet langer bij Eurojust werkte. Deze argumenten zijn evenmin overtuigend. In de eerste plaats kan een conflictsituatie tussen een personeelslid en zijn of haar meerdere de beoordelingsprocedure weliswaar bemoeilijken maar heeft Eurojust niet vastgesteld dat hervatting van de evaluatieprocedure in het onderhavige geval onmogelijk was. Hierbij zij erop gewezen dat juist vanwege die conflictsituatie, en om elke interactie tussen klager en zijn voormalige supervisor te vermijden, het nieuwe waarnemend hoofd van de HRU optrad als de beoordelaar van klager, en de nieuwe AD als de medeondertekende ambtenaar.
104. Op grond van bovenstaande bevindingen concludeert de Ombudsman dat het besluit van Eurojust van 14 juli 2009 om het evaluatierapport van klager te annuleren zonder hervatting van de procedure onjuist was. Dit is een geval van wanbeheer.
105. De Ombudsman merkt op dat klager niet langer werkzaam is bij Eurojust,waar hij is weggegaan na afloop van zijn contract. Voorts merkt hij op dat hij niet heeft geëist dat een nieuw evaluatierapport zou worden opgesteld. Gezien de tijd die sindsdien verstreken is, zou dat in elk geval nu nog veel moeilijker zijn, dat wil zeggen meer dan anderhalf jaar na het vertrek van klager bij Eurojust. De Ombudsman is derhalve van mening dat het geen zin heeft om de mogelijkheid van een minnelijke schikking op dit punt te onderzoeken. In plaats daarvan zal hij hierna een kritische opmerking maken.
D. Vermeende onregelmatigheid van de brief waarmee klager ervan in kennis werd gesteld dat zijn contract niet zou worden verlengd
Argumenten die zijn voorgelegd aan de Ombudsman
106. Klager beweert dat de brief d.d. 17 juli 2009, waarmee hij ervan in kennis werd gesteld dat zijn contract niet zou worden verlengd, niet in overeenstemming was met (i) artikel 4 van zijn contract, dat voorzag in een opzeggingstermijn van drie maanden, en (ii) het "Eurojust Decision of 19 December 2005 on the General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regards to the Renewal of Contracts."
107. In zijn standpunt citeerde Eurojust artikel 4 van het contract van klager, dat als volgt luidt: "For the purposes of Article 47(b)(ii) of the Conditions of Employment of Other Servants [the 'CEOS'], the period of notice shall be of 3 months. Where the contract has been renewed, the period of notice shall be one month for each year of service, up to a maximum of six months."[12] Voort citeerde Eurojust artikel 47, sub b) (ii) van de CEOS, dat bepaalt dat bij een contract voor een bepaalde tijd de dienst van tijdelijk personeel eindigt "na afloop van de opzeggingstermijn die in de overeenkomst is vastgesteld en op grond waarvan de functionaris of de instelling de mogelijkheid heeft de overeenkomst op te zeggen voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken." (onderstreping van Eurojust). In het onderhavige geval liep de dienst van klager bij Eurojust af op 30 september 2009. Per brief d.d. 17 juli 2009 herinnerde de AD van Eurojust volgens standaardgebruik en in het belang van goed bestuur klager eraan dat zijn contract zou aflopen op de in zijn contract vastgelegde datum. Het verstrijken van zijn contract was derhalve geen beëindiging van zijn contract en de opzeggingstermijn van artikel 4 was dan ook niet van toepassing.
108. Eurojust wees erop dat zijn besluit van 19 december 2005 over "the General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regard to the Renewal of Contracts"[13] in het onderhavige geval niet van toepassing was. Artikel 5 van dit besluit bepaalt dat "the renewal of contract appraisal exercise shall begin as soon as possible after the entry into force of this decision".[14] Volgens artikel 8, "[t]hese provisions shall apply to the appraisals to be conducted for staff members whose contracts end during the year 2006 and during the first half of 2007 according to the list attached to this decision". Bij administratief besluit AD 2008-37 van 30 juni 2008, stelde de AAD het Decision on the Extension of the Provisional Application of General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regard to the Renewal of Contracts vast[15]. Artikel 2 van dit laatste besluit wijzigt het besluit van 19 december 2005 als volgt: "Article 8 shall be replaced as follows: these provisions shall apply to the appraisals for the renewal of the contract to be conducted for agents whose contracts end in 2008".
109. Eurojust betoogde dat voor uitvoering van artikel 43 van het Statuut voor personeelsleden (naar analogie van toepassing op tijdelijke functionarissen van Eurojust op grond van artikel 15, lid 2, van de CEOS) op 11 februari 2009 het Besluit inzake algemene uitvoeringsbepalingen voor de jaarlijkse functioneringsbeoordeling door Eurojust voorlopig werd aanvaard. Op 24 april 2009 werd het besluit, na instemming van de Commissie definitief verklaard en werd het besluit van 11 februari 2009 ingetrokken.
110. Toen het omvattend besluit over de jaarlijkse functioneringsbeoordeling eenmaal was vastgesteld kwam het besluit van Eurojust over de beoordelingsprocedure met het oog op verlenging van overeenkomsten te vervallen. Zoals bepaald in artikel 11 van het besluit van 24 april 2009, "these provisions shall apply to the career development reports to be drawn up from 1st February 2009 onwards"[16]. Eurojust concludeerde dat zijn besluit van 24 april 2009 over de "General Implementing Provisions on the Yearly Performance Appraisal" van toepassing was op alle beoordelingsprocedures die sinds 2009 werden uitgevoerd. Hieronder viel ook de beoordeling van klager.
111. In zijn opmerkingen stelde klager dat hij wat betreft deze bewering de opvatting van de Ombudsman zou accepteren. Hij was echter van mening dat de werkgever, indien het contract niet zou worden verlengd, de werknemer tenminste drie maanden van tevoren hiervan in kennis moest stellen. Dit was in zijn geval niet gebeurd.
Beoordeling van de Ombudsman
112. De Ombudsman merkt op dat de bewering van klager twee aspecten raakt. Meer specifiek beweert klager dat de brief d.d. 17 juli 2009 niet in overeenstemming was met (i) artikel 4 van zijn contract, en met (ii) het besluit van Eurojust van 19 december 2005 over "the General Provisions for Implementing an Appraisal Exercise with regards to the Renewal of Contracts".
113. Wat betreft het eerste aspect van de bewering, bepaalde artikel 4 van het contract van klager met Eurojust, getekend op 10 oktober 2006, dat het contract zou lopen van 1 oktober 2006 tot 30 september 2009, en kon worden verlengd. Aangezien Eurojust besloot het contract niet te verlengen betekent dit dat het contract afliep op 30 september 2009. Het contract bevat geen bepaling volgens welke klager drie maanden van tevoren in kennis gesteld van of herinnerd had moeten worden aan de naderende afloop van zijn contract. De Ombudsman merkt op dat artikel 4 van het contract, dat volgens klager in dit geval niet was nagekomen, niet de afloop van het contract betreft, waarvoor geen opzeggingstermijn bestaat, maar een situatie waarin het contract wordt beëindigd door Eurojust (of het personeelslid) vóór het verstrijken van de normale geldigheidsduur. Alleen in die situatie moet een opzeggingstermijn van drie maanden in acht worden genomen. De Ombudsman concludeert derhalve dat de brief van Eurojust d.d. 17 juli 2009 waarmee klager eraan werd herinnerd dat zijn contract zou aflopen en niet zou worden verlengd, geen inbreuk is op artikel 4 of een andere bepaling van het contract van klager. Integendeel, Eurojust lijkt, door klager op 17 juli 2009 eraan te herinneren dat zijn contract op 30 september 2009 zou aflopen, juist met een oog voor dienstverlening en op hulpvaardige wijze te hebben gehandeld. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
114. Ten tweede, wat betreft de vermeende inbreuk op het besluit van 19 december 2005, merkt de Ombudsman op dat artikel 8 van dit besluit bepaalt dat de bepalingen "shall apply to the appraisals to be conducted for staff members whose contracts end during the year 2006 and during the first half of 2007 according to the list attached to this decision"[17]. De Ombudsman merkt voorts op dat besluit AD 2008-37 van 30 juni 2008 de toepassing van genoemd besluit verlengde tot contracten die in 2008 afliepen (tot de inwerkingtreding van een nieuw besluit over de beoordelingsprocedure met het oog op verlenging van overeenkomsten. Bovengenoemd besluit was echter niet langer van toepassing in 2009, toen het contract van klager afliep. De bewering van klager dat de brief d.d. 17 juli 2009 van Eurojust niet in overeenstemming was met dat besluit is daarom niet gegrond. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
E. Conclusies
Op grond van zijn onderzoek naar beweringen 1 en 2 van deze klacht sluit de Ombudsman dit af met de volgende kritische opmerkingen:
Wat betreft de periode tussen 10 mei en 7 juli 2009, heeft Eurojust niet zo snel gehandeld als het kon en had moeten doen in verband met de re-integratie van klager. Er was daarom onnodige vertraging door Eurojust. Dit vormt een geval van wanbeheer.
Het besluit van Eurojust van 14 juli 2009 om het evaluatierapport (CDR) van klager te annuleren zonder de procedure te hervatten was incorrect. Dit vormt een geval van wanbeheer.
Er was geen wanbeheer door Eurojust met betrekking tot de derde bewering van klager.
Klager en Eurojust zullen in kennis gesteld worden van dit besluit.
P. Nikiforos Diamandouros
Gedaan te Straatsburg op 25 mei 2011
[1] De bedrijfsarts heeft alle medische attesten naar Eurojust gestuurd en een kopie van alle attesten naar klager.
[2] Volgens artikel 30 van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB 2002 L 63, blz. 1, het "Eurojust Besluit"), is het personeel van Eurojust onderworpen aan de verordeningen en regels van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (de geconsolideerde versie van het Eurojust Besluit is te vinden op http://www.eurojust.europa.eu/official_documents/eju_dec.htm).
[3] Algemene bepalingen voor de uitvoering van de beoordelingsprocedure met het oog op de verlenging van overeenkomsten.
[4] De tekst van het besluit is beschikbaar op het intranet van de Commissie: http://myintracomm.ec.testa.eu/hr_admin/en/equal_opportunities/harassment/Documents/comm_native_c_2006_1624_3_en_acte.pdf (Noot vertaler: het beleid van de Europese Commissie inzake de bescherming van de waardigheid van de persoon en de preventie van psychologische en seksuele intimidatie)
[5] Met betrekking tot deze bewering en de daarmee samenhangende vordering dat Eurojust een formeel onderzoek moet instellen naar de psychologische intimidatie van klager, alsook met betrekking tot de vordering dat Eurojust moet erkennen dat klager een beroepsziekte heeft waarvoor Eurojust aansprakelijk is, heeft de Ombudsman klager uitgelegd dat de psychologische intimidatie en de pesterijen die hij noemde leken te vallen onder de vermeende intimidatie. Hij wees erop dat een ambtenaar in dergelijke gevallen de mogelijkheid heeft om bijstand te verzoeken krachtens artikel 24 van het Statuut, en de administratie te vragen de zaak te onderzoeken. Een dergelijk verzoek, dat een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut vormt, is inderdaad door klager gedaan in het kader van zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2. Als het antwoord van Eurojust opgevat was als een weigering om dit onderzoek uit te voeren had klager een klacht op grond van artikel 90, lid 2, tegen dit besluit moeten indienen. Aangezien hij dit niet gedaan heeft waren de interne middelen die hij had niet uitgeput. De Ombudsman verklaarde echter dat gelet moest worden op het feit dat de AD van Eurojust in zijn brief d.d. 4 december 2009 stelde dat hij vastbesloten was "to take all the necessary measures to conduct the requested investigation". De AD zei dat de bevoegdheid om dergelijke onderzoeken uit te voeren gedelegeerd was aan de PMO. Eurojust had de zaak naar de PMO kunnen verwijzen. De AD van Eurojust merkte in zijn besluit van 4 december 2009 echter ook op dat het uiteindelijke doel van klager was een basis te verschaffen voor een eis om schadevergoeding krachtens artikel 73 van het Statuut. Met het oog hierop stuurde de AD een formulier voor dat doel mee en verzocht klager dit formulier naar de PMO te sturen, tevens met het oog op het instellen van een formeel onderzoek naar psychologische intimidatie. De Ombudsman liet klager weten dat dit niet onredelijk leek. Voorst merkt hij op dat de AD van Eurojust in zijn brief van 4 december 2009 verklaarde dat indien klager problemen met de PMO zou ondervinden zijn diensten alles zouden doen om hem bij te staan. Onder deze omstandigheden concludeerde de Ombudsman dat er onvoldoende gronden waren voor een onderzoek naar deze bewering en de daarmee samenhangende vordering.
[6] Voor de nadere redenen, zie voetnoot 5 hierboven.
[7] Uitvoeringsbepalingen voor de jaarlijkse evaluatieprocedure.
[8] Voor personeelsleden die het betreffende jaar Eurojust hebben verlaten of het daaropvolgende jaar gaan verlaten hoeft geen evaluatierapport te worden opgesteld, tenzij zij uitdrukkelijk hierom verzoeken.
[9] Art. 7, lid 11: Bij een gemotiveerde weigering door het personeelslid van het evaluatierapport wordt de zaak automatisch doorverwezen naar de in artikel 8 genoemde paritaire instantie.
Art. 8. lid 4: Wanneer een zaak wordt voorgelegd aan de paritaire instantie, brengt deze binnen tien werkdagen een advies uit.
Art. 8, lid 6: Het advies van de paritaire instantie wordt gezonden aan het staflid, de beoordelaar, de medeondertekende ambtenaar en de beoordelaar in beroep…
Art. 8, lid 7: De beoordelaar in beroep bevestigt of wijzigt het evaluatierapport binnen vijf werkdagen…
Art. 8, lid 8: Het evaluatierapport wordt dan definitief verklaard en meegedeeld aan het betrokken personeelslid, de beoordelaar, de medeondertekende ambtenaar en de paritaire instantie.
Art. 7, lid 14: Het personeelslid wordt ervan in kennis gesteld …dat het besluit waarmee het rapport definitief is verklaard is genomen overeenkomstig artikel 8, lid 9.
[10] De Ombudsman merkt op dat er in het voorlopige besluit van 11 februari 2009 een tikfout stond in het tweede lid van artikel 8, dat foutief genummerd was als lid "3" , waarna de daarop volgende leden abusievelijk waren genummerd als lid 4, 5, etc. in plaats van 2, 3, etc., zodat er in totaal negen leden waren in plaats van acht. Deze tikfout was gecorrigeerd in het definitieve besluit van 24 april 2009, maar de verkeerde verwijzing in artikel 7, lid 14, naar "Article 8(9)" was over het hoofd gezien.
[11] Art. 10, lid 1: voor de eerste jaarlijkse beoordelingsronde vóór 31 december 2009… kent de procedure geen beoordelaar in beroep.
[12] Art. 4: Voor de toepassing van artikel 47, sub b), (ii) van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ['CEOS'] is de opzeggingstermijn drie maanden. Indien het contract wordt verlengd bedraagt de opzeggingstermijn een maand voor elk dienstjaar, tot maximaal zes maanden.
[13] Algemene bepalingen voor de uitvoering van de beoordelingsprocedure met het oog op de verlenging van overeenkomsten.
[14] Art. 5: de beoordelingsprocedure voor de verlenging van de overeenkomst begint zo snel mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 8: …zijn deze bepalingen van toepassing op de beoordelingen van personeelsleden wier overeenkomst eindigt in 2006 en de eerste helft van 2007, volgens de bij dit besluit gevoegde lijst.
[15] Besluit ter verlenging van de voorlopige toepassing van de Algemene bepalingen voor de uitvoering van de beoordelingsprocedure met het oog op de verlenging van overeenkomsten.
Art. 2: Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: deze bepalingen zijn van toepassing op de beoordelingsprocedures voor de verlenging van de overeenkomsten voor functionarissen wier overeenkomst afloopt in 2008.
[16] Deze bepalingen zijn van toepassing op de evaluatierapporten die vanaf 1 februari 2009 worden opgesteld.
[17] De lijst bevatte de namen van 14 personeelsleden wier contract afliep in 2006 en 2007. Uiteraard stond de naam van klager niet op de lijst.