FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie in klacht 289/2005/(WP)GG

(Gemaakt overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman (1))

Het KLACHT

Klager bood sportweddenschappen aan in Nedersaksen (Duitsland). In zijn klacht bij de Ombudsman, die in januari 2005 door zijn advocaat werd ingediend, meldde klager dat de Duitse autoriteiten hem hadden bevolen te stoppen met het aanbieden van sportweddenschappen, waardoor hij gedwongen werd zijn bedrijf te sluiten. Volgens klager was het gedrag van de Duitse autoriteiten in strijd met het EU-recht in het algemeen en met de vrijheid van dienstverrichting in het bijzonder.

Volgens klager diende zijn advocaat op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Berlijn een inbreukprocedure in tegen Duitsland en de Duitse autoriteiten. Nog steeds volgens klager werd hem vervolgens in antwoord op een onderzoek meegedeeld dat de klacht noch was behandeld, noch naar Brussel was gestuurd. De advocaat van klager zond de klacht vervolgens rechtstreeks naar de Commissie, waar deze werd geregistreerd onder nummer 2004/4463.

Bij brief van 30 november 2004 heeft de advocaat van klager de Commissie gevraagd naar de stand van het onderzoek. Volgens klager bleef deze brief onbeantwoord.

In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager in wezen dat de Commissie zijn inbreukklacht niet naar behoren had behandeld. Hij voerde aan dat een snelle reactie van de Commissie dringend noodzakelijk was omdat hij schade leed doordat hij zijn bedrijf niet kon uitoefenen.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

In haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:

Ten tijde van het uitbrengen van het advies (juni 2005) had de Commissie zeven klachten tegen Duitsland ontvangen met betrekking tot gokdiensten (2003/4350, 2003/5288, 2004/4054, 2004/4463, 2004/4899, 2004/4685 en 2005/4017). Deze klachten hadden betrekking op nationale beperkingen op de organisatie van gokdiensten, commerciële communicatie met betrekking tot gokdiensten en vestiging.

De eerste klacht van een aanbieder van sportweddenschappen was in april 2003 geregistreerd. De Commissie had geen besluit genomen om een inbreukprocedure in te leiden, aangezien een uitspraak van het Europees Hof van Justitie in een verwante zaak met betrekking tot Italië van cruciaal belang werd geacht voor de beoordeling van deze beperking. Het arrest van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambili e.a.) had de Commissie richtsnoeren verstrekt voor de beoordeling van dergelijke klachten.

In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie had de Commissie de rechtvaardiging en evenredigheid van een aantal nationale verboden op sportweddenschappen beoordeeld. Op 30 maart 2004 was Denemarken een aanmaningsbrief gestuurd in een zaak betreffende diensten op het gebied van sportweddenschappen.

Tijdens haar vergaderingen van 13 oktober en 14 december 2004 had de Commissie echter besloten besluiten tot inleiding van een inbreukprocedure uit te stellen in zaken die betrekking hadden op beperkingen die vergelijkbaar waren met die welke klager in zijn inbreukprocedure had opgeworpen in zaken betreffende Duitsland (2003/4350), Italië (2003/4616) en Nederland (2002/5443). Deze klachten waren nu in afwachting van nader onderzoek.

De klacht van klager over de inbreuk was op 26 april 2004 ontvangen. Bij brief van 27 mei 2004 had de Commissie de advocaat van klager meegedeeld dat de klacht was geregistreerd.

In een fax van 30 november 2004 had klager verzocht om een kopie van de correspondentie van de Commissie met de Duitse autoriteiten. Tot dusver had de Commissie nog geen contact gehad met de Duitse autoriteiten over sportweddenschappen in het algemeen of over een specifiek geval.

De Commissie onderzocht nog steeds actief specifieke aspecten van de inbreukklacht van klager. Op 30 mei 2005 had zij de advocaat van klager een brief gestuurd waarin zij de stand van zaken had toegelicht en klager had verzocht een kopie van de vergunning van zijn bookmaker over te leggen.

Met betrekking tot het argument van klager dat de Commissie snel moet handelen, moet worden opgemerkt dat de Commissie niet bevoegd was om tussenbeide te komen en acties stop te zetten of om een door een lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek te voorkomen.

In haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5) had de Commissie aangegeven dat zij in de regel had voorgesteld klachten te onderzoeken met het oog op een besluit tot aanmaning of tot afsluiting van de zaak binnen een termijn van ten hoogste één jaar vanaf de datum van registratie van de klacht. De Commissie overwoog niettemin de mogelijkheid dat deze regel niet in acht kon worden genomen. Dit zou met name het geval zijn wanneer de Commissie werd geconfronteerd met zaken die een moeilijke beoordeling impliceerden van de rechtvaardiging en evenredigheid, op basis van overwegingen van openbare orde, van de betrokken nationale maatregel. Dit was in casu het geval. In dergelijke omstandigheden had de Commissie zich ertoe verbonden "de klager schriftelijk in kennis te stellen". Dit was in casu gebeurd bij brief van 30 mei 2005.

De Commissie heeft een kopie van haar brief van 30 mei 2005 overgelegd. In deze brief verwijst de Commissie naar de inbreukklacht van klager, die op 5 april 2004 is ingediend, en naar verdere brieven van klager of zijn advocaat van 15 juni 2004, 30 november 2004 en 18 april 2005. De Commissie verklaarde dat zij de klacht van klager en andere klachten over sportweddenschappen in Duitsland "intensief" behandelde. Wat het tijdschema betreft, wordt in de brief gesteld dat "als gevolg van de bijzondere procedurele termijnen voor onderzoeken door de Commissie met betrekking tot inbreuken op het Verdrag, het standpunt van de Commissie waarschijnlijk niet in de nabije toekomst kan worden verwacht."

Opmerkingen van klagers

In zijn opmerkingen voerde klager aan dat het standpunt van de Commissie met betrekking tot de data onjuist en onvolledig was, aangezien hij zijn klacht reeds op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn had ingediend. Volgens klager was deze klacht niet behandeld noch doorgegeven. Pas bij het telefoneren van de vertegenwoordiging had de advocaat van klager ontdekt dat de klacht zich nog steeds in Berlijn bevond. Klager was van mening dat daardoor kostbare tijd verloren was gegaan. Klager voerde voorts aan dat hij niet kon zien hoe de Commissie voorstelde verder te gaan en wanneer zij Duitsland uiteindelijk om haar advies zou vragen.

Klager diende kopieën in van twee brieven die op 5 april 2004 en 4 juli 2005 aan de Commissie waren gericht. In zijn brief aan de Commissie van 5 april 2004 verwijst de advocaat van klager naar het feit dat hij de klacht reeds op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn had ingediend.

BESLUIT

1 Inleidende opmerking

1.1 Klager bood sportweddenschappen aan in Nedersaksen (Duitsland). In zijn klacht bij de Ombudsman, die in januari 2005 door zijn advocaat werd ingediend, meldde klager dat de Duitse autoriteiten hem hadden bevolen te stoppen met het aanbieden van sportweddenschappen, waardoor hij gedwongen werd zijn bedrijf te sluiten. Volgens klager was het gedrag van de Duitse autoriteiten in strijd met het EU-recht in het algemeen en met de vrijheid van dienstverrichting in het bijzonder. De onderhavige zaak betreft de behandeling van de inbreukklacht die klager in 2004 bij de Europese Commissie heeft ingediend en die door deze laatste is geregistreerd onder referentienummer 2004/4463.

1.2 In zijn klacht bij de Ombudsman voerde klager aan dat zijn advocaat zijn inbreukklacht reeds op 20 februari 2005 naar de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn had gestuurd. Volgens klager werd hem vervolgens in antwoord op een onderzoek meegedeeld dat de klacht niet was behandeld en evenmin naar Brussel was verzonden. Klager diende daarop zijn klacht bij brief van 5 april 2004 rechtstreeks bij de Commissie in.

1.3 Naar haar mening heeft de Commissie geen gevolg gegeven aan het argument van klager dat zijn inbreukklacht reeds op 20 februari 2004 was ingediend, maar in eerste instantie niet was behandeld.

1.4 De Ombudsman merkt op dat het vermeende verzuim van de Commissie om de brief die klager beweert te hebben gericht aan de vertegenwoordiging van de Commissie naar behoren te behandelen, duidelijk wordt vermeld in de klacht die klager in januari 2005 bij hem heeft ingediend. Het kan nuttig zijn eraan te herinneren dat deze klacht bestaat uit één enkele bladzijde en een aantal bijlagen. In deze omstandigheden begrijpt de Ombudsman niet waarom de Commissie deze kwestie niet in haar advies heeft behandeld. Om deze kwestie op te helderen, zou dus nader onderzoek moeten worden verricht. Een dergelijk verder onderzoek zou onvermijdelijk leiden tot verdere vertraging in een zaak die volgens klager dringend is. Gezien zijn conclusies met betrekking tot de andere aspecten van de zaak (zie punt 2 hieronder) is de Ombudsman derhalve van mening dat de beste manier om verder te gaan erin bestaat bovengenoemde kwestie uit te sluiten van het toepassingsgebied van dit onderzoek, zodat de Ombudsman de kern van de zaak zo snel mogelijk kan behandelen. Klager blijft echter vrij om de genoemde kwestie opnieuw in een afzonderlijke klacht aan hem voor te leggen.

1.5 Het onderhavige onderzoek zal derhalve geen betrekking hebben op het argument van klager dat de Commissie zijn brief van 20 februari 2004 niet naar behoren heeft behandeld.

2 Vermeend verzuim om klacht wegens inbreuk te behandelen

2.1 Klager beweerde dat de Commissie zijn inbreukklacht 2004/4463 niet naar behoren had behandeld. Hij benadrukte dat hij in een brief van 30 november 2004 de stand van zaken had onderzocht zonder een antwoord te ontvangen.

2.2 In haar advies wees de Commissie erop dat zij ten tijde van het uitbrengen van het advies (juni 2005) zeven klachten tegen Duitsland had ontvangen met betrekking tot gokdiensten (2003/4350, 2003/5288, 2004/4054, 2004/4463, 2004/4899, 2004/4685 en 2005/4017). De Commissie legde uit dat zij de eerste klacht in april 2003 had geregistreerd en dat zij geen besluit had genomen om een inbreukprocedure in te leiden, aangezien een uitspraak van het Europees Hof van Justitie in een verwante zaak met betrekking tot Italië van cruciaal belang werd geacht voor de beoordeling van deze beperking. Volgens de Commissie bevatte het arrest van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambili e.a.) richtsnoeren voor de beoordeling van dergelijke klachten.

De Commissie voegde daaraan toe dat zij in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie de rechtvaardiging en de evenredigheid van een aantal nationale verboden op sportweddenschappen had beoordeeld en dat Denemarken op 30 maart 2004 een aanmaningsbrief had ontvangen in een zaak betreffende sportweddenschappen.

Tijdens haar vergaderingen van 13 oktober en 14 december 2004 had de Commissie echter besloten besluiten tot inleiding van een inbreukprocedure uit te stellen in zaken die betrekking hadden op beperkingen die vergelijkbaar waren met die welke klager in zijn inbreukprocedure had opgeworpen in zaken betreffende Duitsland (2003/4350), Italië (2003/4616) en Nederland (2002/5443). Deze klachten werden nu nader onderzocht.

De Commissie legde uit dat klager in een fax van 30 november 2004 om een kopie van zijn correspondentie met de Duitse autoriteiten had gevraagd. Zij heeft beklemtoond dat zij tot dusverre geen enkel contact met de Duitse autoriteiten heeft gehad met betrekking tot sportweddenschappen in het algemeen of met betrekking tot een specifiek geval.

Volgens de Commissie onderzocht zij nog steeds actief specifieke aspecten van de inbreukklacht van klager. Op 30 mei 2005 had zij de advocaat van klager een brief gestuurd waarin zij de stand van zaken had toegelicht en klager had verzocht een kopie van de vergunning van zijn bookmaker over te leggen.

De Commissie merkte op dat zij in haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5) had aangegeven dat zij in de regel voorstelde klachten te onderzoeken met het oog op een besluit om binnen een termijn van ten hoogste één jaar na de datum van registratie van de klacht een ingebrekestelling uit te vaardigen of de zaak te sluiten. Volgens de Commissie sluit dit echter niet uit dat haar onderzoek langer kan duren. De Commissie voerde aan dat dit met name het geval zou zijn wanneer zij werd geconfronteerd met zaken die een moeilijke beoordeling impliceerden van de rechtvaardiging en evenredigheid, op basis van overwegingen van openbare orde, van de betrokken nationale maatregel. Volgens de Commissie was dit in casu het geval. De Commissie merkte op dat zij zich ertoe had verbonden "de klager schriftelijk in kennis te stellen" in dergelijke omstandigheden. Volgens de Commissie was dit in casu gebeurd bij brief van 30 mei 2005.

2.3 Het is een goede administratieve praktijk om brieven van burgers binnen een redelijke termijn te beantwoorden. In het onderhavige geval heeft de Commissie op 30 mei 2005, dus zes maanden na verzending, geantwoord op de brief van klager van 30 november 2004. De Ombudsman is van mening dat er geen verklaring of excuses zijn aangeboden voor deze aanzienlijke vertraging. Het feit dat de Commissie de brief van klager van 30 november 2004 niet binnen een redelijke termijn heeft beantwoord, vormt dus wanbeheer.

2.4 De Ombudsman merkt op dat de Commissie zich er in haar "Mededeling" van 2002 toe heeft verbonden klachten te onderzoeken met het oog op een besluit tot aanmaning of tot afsluiting van de zaak binnen een jaar na de datum van registratie van de klacht. Uit de formulering van de mededeling ("in de regel") blijkt duidelijk dat dit niet uitsluit dat een onderzoek langer dan een jaar kan duren wanneer er gegronde redenen zijn, met name wanneer een klacht moeilijke of complexe kwesties aan de orde stelt. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is in de "mededeling" van 2002 bepaald dat de klager in dergelijke gevallen schriftelijk in kennis moet worden gesteld.

De Ombudsman is echter van mening dat, om zinvol te zijn, de informatie die in dergelijke gevallen aan een klager moet worden verstrekt ten minste de redenen moet toelichten waarom de behandeling van de klacht meer dan een jaar in beslag zal nemen.

In haar brief van 30 mei 2005 aan klager heeft de Commissie echter eenvoudigweg verklaard dat "als gevolg van de bijzondere procedurele termijnen voor onderzoeken door de Commissie met betrekking tot inbreuken op het Verdrag, het waarschijnlijk niet te verwachten is dat de Commissie in de nabije toekomst een standpunt zal innemen."

Volgens de Ombudsman is deze "toelichting" kennelijk ontoereikend, aangezien zij niet verwijst naar bijzondere omstandigheden die zouden rechtvaardigen dat het onderzoek van de Commissie langer duurde dan de periode van één jaar die volgens de "Mededeling" van 2002 "in de regel" in acht moet worden genomen. Het feit dat de Commissie niet afdoende heeft gemotiveerd waarom zij haar onderzoek naar de inbreukklacht van klager niet binnen een jaar na de registratie ervan heeft kunnen afronden, vormt dus wanbeheer.

2.5 Wat de behandeling van de inbreukklacht als zodanig betreft, is het een goede administratieve praktijk om dergelijke klachten zorgvuldig en zonder onnodige vertraging te onderzoeken. De Ombudsman merkt op dat de Commissie naar haar mening beweerde specifieke aspecten van de inbreukklacht van klager nog steeds actief te onderzoeken. Hij merkt voorts op dat de Commissie in haar brief aan klager van 30 mei 2005 heeft verklaard dat zij de klacht van klager en andere klachten over diensten op het gebied van sportweddenschappen in Duitsland "intensief" behandelde.

Volgens de Ombudsman lijken deze beweringen echter niet te worden gestaafd door de informatie die aan de Ombudsman is verstrekt.

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie heeft benadrukt dat het arrest van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambili e.a.) haar richtsnoeren had verstrekt voor de beoordeling van klachten zoals die welke klager haar had voorgelegd. Dit vonnis is echter al meer dan 11⁄2 jaar geleden gewezen. Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie beweerde dat de klacht van de klager over de inbreuk haar confronteerde met een zaak die een moeilijke beoordeling impliceerde van de rechtvaardiging en evenredigheid, op basis van overwegingen van openbare orde, van de nationale maatregel in kwestie. De Ombudsman merkt echter op dat de Commissie zelf in haar advies heeft erkend dat zij tot dusver nog geen contacten had gehad met de Duitse autoriteiten met betrekking tot diensten op het gebied van sportweddenschappen in het algemeen of met betrekking tot een specifiek geval. Het is moeilijk in te zien hoe de Commissie de rechtvaardiging en evenredigheid van de relevante bepalingen van Duits recht zou kunnen beoordelen zonder op zijn minst de Duitse autoriteiten om informatie en uitleg te vragen over de "overwegingen van openbare orde" waarop deze bepalingen waren gebaseerd.

2.6 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de Commissie de inbreukklacht van klager niet naar behoren heeft behandeld.

3 Conclusie

Gezien het bovenstaande doet de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling aan de Commissie, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Ombudsman:

De ontwerpaanbeveling

De Commissie moet de inbreukklacht van de klager zorgvuldig en zonder onnodige vertraging behandelen.

De Commissie en de klager zullen van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het statuut van de Ombudsman zendt de Commissie uiterlijk op 31 oktober 2005 een omstandig advies toe. Het omstandig advies zou kunnen bestaan uit de aanvaarding van het besluit van de Ombudsman en een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de ontwerpaanbeveling uit te voeren.

Straatsburg, 27 juli 2005

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn taken (PB L 113, blz. 15).

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!