Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
Huidige taal:
- NL Nederlands
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 41/97/(VK)OV tegen de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 41/97/(VK)OV - Geopend op Woensdag | 12 maart 1997 - Besluit over Maandag | 11 januari 1999
Straatsburg, 11 januari 1999
Geachte heer N.,
Op 19 december 1996 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over de eenzijdige intrekking van uw contract door het Centrum voor industriële ontwikkeling (CDI).
Op 12 maart 1997 heb ik de klacht doorgestuurd naar de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en naar de voorzitter van de Europese Commissie. Zowel de Raad als de Commissie hebben hun adviezen op 30 mei 1997 toegezonden en ik heb u verzocht desgewenst opmerkingen te maken. Op 20 juni 1997 heb ik uw opmerkingen ontvangen. Op 6 oktober 1997, 22 april en 4 december 1998 heeft u mij nadere inlichtingen verstrekt over de behandeling van uw klacht door CDI.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Volgens de klager waren de relevante feiten als volgt:
Klager werkte voor het Centrum voor de ontwikkeling van de industrie, een gezamenlijke instelling van de ACS-landen (Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) en de EG, opgericht in het kader van de Overeenkomst van Lomé en gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds. Hij werd aangesteld als senior consultant tijdens de Lomé III-Conventie (1985-1990) met een vijfjarig contract. Op 30 juni 1987 werd zijn contract echter zonder opzegtermijn en zonder financiële compensatie eenzijdig door de directeur van CDI ingetrokken.
Na zijn ontslag startte klager op 5 januari 1988 een arbitrageprocedure met CDI. Op 5 april 1990 heeft het scheidsgerecht bij verstek CDI veroordeeld tot betaling van ongeveer 6 miljoen BF schadevergoeding, rente en arbitragekosten. Deze beschikking is uitvoerbaar verklaard bij beschikking van het Gerecht van eerste aanleg te Brussel van 17 april 1990. CDI heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld en verzocht om nietigverklaring van het arbitragebesluit, waarbij zij zich onder meer heeft beroepen op haar immuniteit van rechtsmacht. Bij arrest van 13 maart 1992 wees het Gerecht de hogere voorziening echter af, onder verwijzing naar het feit dat CDI, door de arbitrageprocedure te aanvaarden, afstand had gedaan van haar immuniteit van rechtsmacht.
Aangezien CDI weigerde uitvoering te geven aan het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van Brussel waarin het arbitragebesluit werd bevestigd, schreef klager in december 1996 aan de Ombudsman dat CDI nog steeds geen schadevergoeding had betaald, noch zijn aandeel in de arbitragekosten. In zijn klacht bij de Ombudsman vestigde klager de aandacht op het feit dat het CDI is opgericht in het kader van de Overeenkomst van Lomé, waarbij de overeenkomstsluitende partijen enerzijds de Europese Gemeenschappen en anderzijds de ACS-staten zijn, dat het CDI een gezamenlijke ACS-EG-instelling is die wordt gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds, en dat DG VIII van de Commissie het directoraat-generaal is dat verantwoordelijk is voor aangelegenheden die verband houden met de Overeenkomst van Lomé.
Het onderzoek
In
hun opmerkingen hebben de Raad en de Commissie verklaard dat het CIO, hoewel het bij de Overeenkomst van Lomé is opgericht, noch een communautaire instelling, noch een communautair orgaan is dat onder hun verantwoordelijkheid valt. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat zij niet over het dossier van de klacht beschikte en dat zij niet wist dat zij ooit in beslag was genomen. Beide instellingen merkten op dat de bepalingen die momenteel van toepassing zijn op het CIO de artikelen 87 tot en met 97 van de Vierde Overeenkomst van Lomé zijn, die worden aangevuld met verscheidene besluiten van de ACS-EG-Raad van Ministers en het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs.
Krachtens deze bepalingen hebben de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie een vertegenwoordiger gezonden die slechts de status van waarnemer heeft in de raad van bestuur van het CIO, die bestaat uit zes onafhankelijke, hooggekwalificeerde personen die op basis van pariteit tussen de ACS en de Gemeenschap worden benoemd en die aanzienlijke ervaring hebben in de particuliere of openbare industriële of banksector of in de planning en bevordering van industriële ontwikkeling. Dit betekent dat de Raad en de Commissie niet vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur van het CDI. Het recht dat van toepassing is op het CIO en zijn raad van bestuur vloeit voort uit de Overeenkomst van Lomé die ten uitvoer is gelegd bij de ACS-EG-besluiten. Meer in het bijzonder is het het Gemengd ACS-EG-Comité voor industriële samenwerking dat toezicht houdt op het CIO (artikel 92) en verslag uitbrengt aan het Gemengd ACS-EG-Comité van ambassadeurs (artikel 87) dat het statuut, het financieel en personeelsstatuut en het reglement van orde van het CIO vaststelt (artikel 93).
Om deze redenen concludeerden zowel de Raad als de Commissie dat zij geen directe leidinggevende verantwoordelijkheid hadden voor het CIO en dat de klacht derhalve buiten hun bevoegdheden viel. Hoewel de vertegenwoordiger van de Commissie in de raad van bestuur van het CDI geen stemrecht noch het recht heeft om onderwerpen op de agenda van de vergaderingen van de raad van bestuur te plaatsen, heeft de Commissie in haar opmerkingen aan de Ombudsman verklaard dat zij de directeur van het CDI op de hoogte zou brengen van het verzoek van de Ombudsman en zou aanbevelen dat het tijdens de volgende vergadering van de raad van bestuur zou worden besproken.
Opmerkingen van klager In zijn opmerkingen merkte klager eerst op dat de Overeenkomst van Lomé, op grond waarvan het CDI is opgericht, de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de Commissie is, dat het beheer van het CDI altijd met uitdrukkelijke toestemming van de Commissie is aangesteld en dat de begroting van het CDI een subsidie uit het Europees Ontwikkelingsfonds is, en dat de bevoegdheid van de Europese Ombudsman met betrekking tot deze klacht derhalve niet in twijfel kon worden getrokken. Klager verklaarde voorts dat zijn klacht rechtstreeks moest worden ingediend bij de voorzitter van de raad van bestuur van CDI, met een vaste termijn voor een besluit.
Op 6 oktober 1997 zond klager de Ombudsman een kopie van een brief aan de voorzitter van de raad van bestuur van het CDI, waarin hij het CDI verzocht onmiddellijk actie te ondernemen om zijn klacht te beslechten. In een andere brief van dezelfde datum deelde klager de Ombudsman mee dat de nota van de Europese Commissie de voorzitter van de raad van bestuur van het CDI nooit heeft bereikt. Op 22 april 1998 verzocht klager de Ombudsman de klacht rechtstreeks naar de voorzitter van de raad van bestuur van het CDI te sturen, aangezien de Commissie zijn klacht niet aan het CDI had overgedragen. Naar aanleiding van dit verzoek zond de Ombudsman op 25 mei 1998 het dossier van de klacht aan de voorzitter van de raad van bestuur. Op 2 oktober 1998 zond de Ombudsman een brief om op de hoogte te worden gebracht van de uitkomst van de klacht. Van CDI is geen antwoord ontvangen. Bij brief van 4 december 1998 zond klager de Ombudsman een afschrift van de brief aan de voorzitter van de raad van bestuur van het CDI, waarin hij kritiek uitte op het voortdurende wanbeheer van het CDI, dat nog steeds geen uitvoering had gegeven aan het bij het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van Brussel ten uitvoer gelegde arbitragebesluit.
BESLUIT
- De klacht tegen CDI
artikel 138 sexies van het EG-Verdrag machtigt de Europese Ombudsman om onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen en organen. Aangezien het CDI geen communautaire instelling of communautair orgaan is in de zin van artikel 138 sexies van het EG-Verdrag, is de Ombudsman derhalve niet bevoegd om de klacht te behandelen voor zover deze tegen de raad van bestuur van het CDI is gericht. In zijn brief van 27 november 1996 deelde de Ombudsman klager reeds mee dat hij de op 26 augustus 1996 tegen CDI ingediende klacht niet kon behandelen. - De klacht tegen de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie
Voor zover de klacht tegen de Raad en de Commissie is gericht, merkt de Ombudsman op dat de verantwoordelijkheden die zij in het kader van de Overeenkomst van Lomé hebben, hen niet rechtstreeks verantwoordelijk maken voor de besluiten van de raad van bestuur van het CDI. Noch de Raad, noch de Commissie hebben stemrecht in de raad van bestuur van het CDI. Artikel 92, lid 1, van de Vierde Overeenkomst van Lomé bepaalt dat de Commissie en de Raad de status van waarnemer hebben bij de werkzaamheden van de raad van bestuur. Het feit dat de raad van bestuur van het CDI het arbitragebesluit niet heeft uitgevoerd, kan derhalve niet worden beschouwd als een geval van wanbeheer door de Raad of de Commissie. - Conclusie Op
basis van het onderzoek van de Europese Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie. De Ombudsman heeft daarom besloten de zaak te sluiten.
VERDERE OPMERKINGEN
Wat de Commissie betreft, merkt de Ombudsman op dat de Overeenkomst van Lomé als instrument onder zijn directe verantwoordelijkheid valt. Meer in het bijzonder merkt de Ombudsman op dat directoraat-generaal VIII van de Commissie het directoraat is dat verantwoordelijk is voor ontwikkeling en voor samenwerking met de ACS-staten in het kader van de Overeenkomst van Lomé, dat de begroting van de Overeenkomst wordt gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds en dat de Commissie een vertegenwoordiger heeft in het Comité van Ambassadeurs dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering van de Overeenkomst. Daarom lijkt de Europese Commissie een grote invloed uit te oefenen op de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Lomé. Wat het CDI betreft, merkt de Ombudsman op dat het een gezamenlijke ACS-EG-instelling is die wordt gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds. Op basis van bovenstaande overwegingen maakt de Ombudsman de volgende opmerkingen aan de Commissie.
In een samenleving als de Europese Unie, die wordt beheerst door de rechtsstaat, moeten rechterlijke uitspraken en beschikkingen naar behoren ten uitvoer worden gelegd. Bij de oprichting van organen zoals het CIO in het kader van verdragen moet de Commissie ervoor zorgen dat de aldus opgerichte organen zich houden aan de rechtsstaat en de beginselen van goed bestuurlijk gedrag.
In de huidige situatie blijkt dat er in DG VIII van de Commissie een eenheid bestaat die verantwoordelijk is voor de betrekkingen met het CIO. De Commissie beloofde in haar opmerkingen aan de Ombudsman dat zij zou aanbevelen de klacht te bespreken tijdens de volgende vergadering van de raad van bestuur van het CDI. Uit de door klager verstrekte informatie bleek echter dat dit niet het geval was.
Daarom acht de Ombudsman het passend dat de Commissie de nodige stappen onderneemt om de aandacht van het Comité voor industriële samenwerking, dat toezicht houdt op de werking van de raad van bestuur van het CDI, te vestigen op de vermeende niet-naleving door het CDI van het arbitragebesluit zoals ten uitvoer gelegd bij beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van Brussel van 17 april 1990. De Commissie moet ook overwegen de aandacht van de directeur van het CIO op deze kwestie te vestigen.
De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en de voorzitter van de Europese Commissie zullen ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet
Jacob Söderman