FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1273/2004/GG tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 29 juni 2005

Geachte heer C.,

Op 29 april 2004 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over de wijze waarop de Europese Commissie een klacht had behandeld die bij haar was ingediend in verband met de vermeende schending van Verordening (EG) nr. 685/95 door Spanje en de behandeling door de Commissie van vragen over de inwerkingtreding van sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003.

Op 14 mei 2004 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft op 2 augustus 2004 advies uitgebracht. Ik heb het u op 11 augustus 2004 doen toekomen met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 20 september 2004 hebt toegezonden.

Op 15 december 2004 heb ik de Commissie schriftelijk om nadere informatie over uw zaak verzocht. De Commissie heeft haar antwoord op 9 maart 2005 toegezonden. Ik heb het op 10 maart 2005 aan u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 12 april 2005 hebt toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Achtergrond

De onderhavige klacht betreft de mate waarin de visserij vóór 1 augustus 2004 was toegestaan in de wateren rond de Azoren, een groep eilanden in de Atlantische Oceaan die tot Portugal behoren. De betrokken zones tot 200 zeemijl vanaf de basislijn van de Azoren (de "wateren van de Azoren") zijn ingedeeld volgens de nomenclatuur van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en van het Comité voor de visserij in het centraaloostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf). De wateren van de Azoren bevinden zich in ICES-gebied X en in CECAF-gebied 34.2.0.

Wetgevingskader

Bij verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 261, blz. 1) zijn bepaalde voorschriften vastgesteld voor het toezicht op de instandhoudings- en beheersmaatregelen in de visserijsector.

Sedert de toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen in 1986 waren bepaalde overgangsbepalingen van toepassing op de visserij. Artikel 353 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (de "Toetredingsakte") bepaalde dat de overgangsregeling tot en met 31 december 2002 van kracht bleef.

Een aangepaste overgangsregeling is vastgesteld in de vorm van verordening (EG) nr. 1275/94 van de Raad van 30 mei 1994 tot aanpassing van de regeling van de hoofdstukken over visserij van de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (PB 1994, L 140, blz. 1). Bij deze verordening werd het institutionele kader vastgesteld voor de aanneming van verdere maatregelen door de Raad. Op basis hiervan heeft de Raad de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 vastgesteld.

Deze twee in 1995 vastgestelde verordeningen regelden de toegang tot de wateren onder Portugese jurisdictie, met inbegrip van de wateren van de Azoren. Zij stelden onder meer een beperkingsregeling voor de visserij-inspanning vast die de toegang van buitenlandse vaartuigen tot de wateren van de Azoren uitdrukkelijk uitsloot.

Volgens artikel 8 van verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 71, blz. 5) moesten de lidstaten vóór 1 januari 1996 de in bijlage III bij deze verordening bedoelde maatregelen nemen (hierna: „communautaire criteria voor de evaluatie van de visserijinspanning”).

Bijlage III bepaalde:

“2. Visserij met de drijvende beug en met de sleeplijn op tonijn

De visserijactiviteiten van vaartuigen die de vlag van Spanje voeren in de continentale wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal in ICES-gebieden IX en Cecaf en de visserijactiviteiten van vaartuigen die de vlag van Portugal voeren in de continentale wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Spanje in de ICES-gebieden VIII en IX en Cecaf worden toegestaan overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen.

3. Visserij op tonijn

De toegang van Spaanse vaartuigen tot insulaire wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal in ICES-zone X en Cecaf en die van Portugese vaartuigen tot insulaire wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Spanje in Cecaf is uitgesloten, behalve, in voorkomend geval, in het geval van vaartuigen die visserijactiviteiten verrichten waarbij traditioneel vistuig wordt gebruikt in het kader van een gezamenlijke overeenkomst tussen deze twee lidstaten."

In bijlage I bij verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van 15 juni 1995 tot vaststelling van een regeling voor het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (PB L 199, blz. 1) is de maximale jaarlijkse visserijinspanning per lidstaat en per visserijtak vastgesteld. In de wateren van de Azoren werd de visserij-inspanning volledig toegewezen aan Portugal voor demersale en diepzeesoorten met vast vistuig. Bovendien kent de bijlage een nulquotum toe voor de visserij met gesleept vistuig in de wateren van de Azoren en verbiedt zij derhalve het gebruik van gesleept vistuig in de wateren van de Azoren.

In de artikelen 1 en 2 van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB 2002, L 358, blz. 59) is bepaald dat het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Unie betrekking heeft op de "instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen" en dat het "zorgt voor een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen die zorgt voor duurzame economische, ecologische en sociale omstandigheden". Om deze doelstellingen te verwezenlijken, verleent artikel 4 van de verordening de Raad de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen met betrekking tot de toegang tot wateren en hulpbronnen. Deze maatregelen kunnen gericht zijn op individuele soorten of groepen en kunnen maatregelen omvatten "tot vaststelling van streefdoelen", "beperking van vangsten", "beperking van de visserij-inspanning", "technische maatregelen" en specifieke maatregelen om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en niet-doelsoorten te verminderen.

Verordening (EG) nr. 2371/2002 bevat bepalingen (artikelen 7 en 8) die de Commissie en de lidstaten de bevoegdheid verlenen om noodmaatregelen vast te stellen in geval van ernstige bedreiging van het mariene ecosysteem of de visbestanden.

Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125, blz. 1) voorziet in minimummaaswijdten voor sleepnetten en is met name van toepassing op de wateren van de Azoren.

Bij verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 261, blz. 1) is een regeling voor het gebruik van het zogenoemde "volgsysteem voor vissersvaartuigen" ingevoerd, die vaartuigen verplicht een functionerend systeem aan boord te hebben waarmee vaartuigen kunnen worden opgespoord en geïdentificeerd.

Verordening (EG) nr. 1954/2003

Bij verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, tot wijziging van verordening (EG) nr. 2847/93 en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (PB 2003, L 289, blz. 1) is de oude regeling voor de toegang tot de wateren van de Azoren, zoals vastgesteld in de verordeningen 685/95 en 2027/95, ingetrokken.

Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 moeten de lidstaten de visserijinspanningsniveaus van vaartuigen met een lengte van 15 meter of meer in elk van de ICES- en CECAF-zones beoordelen en toewijzen. Artikel 4 van de verordening bevat bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lengte van minder dan 15 meter.

Krachtens de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 moeten de lidstaten een lijst opstellen van vissersvaartuigen die hun vlag voeren en die gemachtigd zijn hun visserijactiviteiten in de betrokken visserijtakken uit te oefenen, en moeten zij de nodige maatregelen nemen om de visserijinspanning te reguleren door toezicht te houden op de activiteiten van hun vloot.

Artikel 11 voorziet in de vaststelling van een verordening (“de artikel 11-verordening”) tot vaststelling van de maximale jaarlijkse visserijinspanning voor elke lidstaat en voor elke visserijtak als omschreven in artikel 3 van de verordening. De Commissie moest uiterlijk op 29 februari 2004 een voorstel voor een dergelijke verordening bij de Raad indienen. Indien de Raad op 31 mei 2004 geen besluit had genomen, moest de Commissie de verordening zelf uiterlijk op 31 juli 2004 vaststellen.

Volgens artikel 13 van de verordening waren artikel 19 bis, lid 3, artikel 19 ter, artikel 19 quater, artikel 19 quinquies en artikel 19 sexies, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 niet langer van toepassing op (onder meer) de wateren van de Azoren.

Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 bepaalde dat de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 moesten worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 11 van die verordening of, indien dat eerder was, met ingang van 1 augustus 2004.

Artikel 16 bepaalde dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 in werking zou treden op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Aangezien Verordening (EG) nr. 1954/2003 in het PB van 7 november 2003 is bekendgemaakt, is zij op 14 november 2003 in werking getreden.

Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1954/2003 bepaalt: “In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden mogen de betrokken lidstaten de visserij beperken tot vaartuigen die zijn geregistreerd in de havens van deze eilanden, met uitzondering van vaartuigen van de Gemeenschap die traditioneel in die wateren vissen, voor zover deze de traditioneel uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. (…)”.

De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde kwesties

De onderhavige zaak betreft de vraag wanneer verordening nr. 1954/2003 in werking is getreden, dat wil zeggen vanaf welke datum zij de verordeningen nrs. 685/95 en 2027/95 heeft ingetrokken. Het Koninkrijk Spanje ging ervan uit dat de relevante datum 14 november 2003 was. De klager voerde aan dat, zoals bepaald in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003, de desbetreffende verordeningen pas zouden worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de artikel 11-verordening of, indien dat eerder is, met ingang van 1 augustus 2004. Het standpunt dat de Commissie in deze zaak heeft ingenomen en de informatie die zij in dit verband heeft verstrekt, hebben tot de onderhavige klacht geleid.

Beroep in rechte tegen Verordening (EG) nr. 1954/2003

In zaak C-36/04 heeft het Koninkrijk Spanje het Hof verzocht de artikelen 3, 4 en 6 van verordening nr. 1954/2003 nietig te verklaren. Deze zaak is aanhangig bij het Hof (1).

De autonome regio de Azoren heeft het Gerecht van eerste aanleg verzocht om nietigverklaring van de artikelen 3, 5, lid 1, 11, 13, sub b, en 15 en van de bijlage bij verordening nr. 1954/2003, voor zover deze de wateren van de Azoren ongunstig beïnvloeden (zaak T-37/04)(2). Deze zaak is aanhangig bij het Gerecht van eerste aanleg (3).

In zijn klacht bij de Ombudsman benadrukte klager dat geen van deze zaken betrekking had op de twee kwesties die centraal stonden in zijn onderhavige klacht.

De relevante feiten

In januari 2004 werden Spaanse vissersvaartuigen aangetroffen in de zone tussen 100 en 200 mijl voor de Azoren.

Het Spaanse ministerie van Landbouw, Visserij en Levensmiddelen heeft er in een faxbericht van 12 januari 2004 aan (niet-besloten) ontvangers op gewezen dat in 2004 in de wateren van de Azoren mag worden gevist op zwaardvis en aanverwante soorten, met uitzondering van de wateren tot 100 zeemijl vanaf de Azoren.

Op 21 januari 2004 heeft Spanje bij de Raad een document ingediend met als titel "Toepassing van Verordening (EG) nr. 1954/2003". In dit document stelden de Spaanse autoriteiten zich op het standpunt dat, afgezien van de bepalingen inzake het beheer van de visserij-inspanning die nog moesten worden uitgevoerd, Verordening (EG) nr. 1954/2003 reeds van toepassing was. Voorts verklaarden zij dat Spanje het van cruciaal belang acht de Juridische Dienst van de Raad over dit punt om advies te vragen en verzochten zij om de kwestie op 29 januari 2004 op de agenda van de Groep intern en extern visserijbeleid te plaatsen.

Op 3 februari 2004 publiceerde de Commissie haar voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bescherming van diepzeekoraalriffen tegen de gevolgen van trawlvisserij in bepaalde gebieden van de Atlantische Oceaan (COM(2004) 58 def.). De toelichting bij dit voorstel bevat de volgende passage:

“Bovendien bevat de communautaire visserijzone rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden verschillende bekende of potentiële diepzeehabitats die tot dusver door de speciale toegangsregeling van Verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van trawlvisserij zijn uitgesloten. Aangezien deze regeling in 2004 niet meer van toepassing zal zijn, is het nu belangrijk dat de continuïteit van de bescherming van deze gebieden in het kader van de communautaire wetgeving wordt gewaarborgd.”

Deze tekst wordt herhaald in overweging 5 van het verordeningsvoorstel, waar een voetnoot wordt toegevoegd om de verwijzing naar Verordening (EG) nr. 2027/95 in het Publicatieblad te vermelden. Deze verwijzing wordt aangevuld met de zin “Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).”.

Eveneens op 3 februari 2004 publiceerde de Commissie een persbericht (IP/04/153) om haar voorstel aan het publiek bekend te maken. Dit persbericht bevatte de volgende verklaring:

“De bodemtrawlvisserij is momenteel in de betrokken gebieden verboden op grond van de regels voor de toegang tot de zogenaamde “westelijke wateren”, die zijn vastgesteld tijdens het proces van integratie van Portugal en Spanje in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Aangezien deze regels dit jaar aflopen, zijn er beperkingen nodig om deze habitats te blijven beschermen.”

Op 6 februari 2004 heeft een lid van de juridische dienst van de Commissie een “nota voor het dossier” opgesteld betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003. De auteur merkte op dat deze artikelen een systeem hadden opgezet dat verschilde van het systeem dat onder de vorige wetgeving van toepassing was en dat artikel 16 bepaalde dat de verordening op de zevende dag na de bekendmaking ervan in werking zou treden. In deze omstandigheden concludeerde de opsteller van de nota dat de regel “lex posterior derogat legi priori” van toepassing was en dat de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 dus op 14 november 2003 in werking waren getreden.

In een persbericht van 9 februari 2004 kwam het Spaanse ministerie van Landbouw, Visserij en Levensmiddelen tot de conclusie dat de zone tussen 100 en 200 zeemijl van de Azoren op 14 november 2003 was geliberaliseerd.

Op 9 februari 2004 heeft de minister van Landbouw en Visserij van de autonome regio de Azoren bij de Commissie een klacht tegen Spanje ingediend, waarin hij erop wees dat Spaanse vissersvaartuigen waren begonnen met de visserij in de wateren van de Azoren. De regionale secretaris is van mening dat deze activiteit in strijd is met de verordeningen 685/95 en 2027/95 en een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormt voor de levende aquatische hulpbronnen in de wateren van de Azoren. Daarom heeft hij de Commissie verzocht (1) dringende preventieve maatregelen te nemen op grond van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en (2) een inbreukprocedure tegen Spanje in te leiden op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag.

Op 13 februari 2004 verscheen in de Spaanse pers een bericht dat de Juridische dienst van de Commissie had bevestigd dat Spaanse vaartuigen toestemming hadden gekregen om te vissen in de wateren tussen 100 en 200 zeemijl voor de kust van de Azoren. In het verslag wordt verwezen naar het Spaanse ministerie van Landbouw, Visserij en Levensmiddelen als bron.

Op 16 februari 2004 verscheen een nieuw rapport in de Spaanse pers. In dit verslag werden veel van de punten uit het verslag van 13 februari overgenomen, maar werd ook het volgende vermeld:

“Dit werd ook bevestigd door de Juridische Dienst van de Commissie, die verklaarde dat wanneer hetzelfde aspect wordt beheerst door twee bepalingen, de meest recente van toepassing is (d.w.z. de verordening van 2003) en dat Spanje, aangezien artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 volledig van kracht is, bijgevolg vergunningen kan verlenen om te vissen in de wateren rond de Azoren en Madeira tussen 100 en 200 mijl.”

In een brief van 18 februari 2004 aan de heer Fischler, het met visserij belaste lid van de Commissie, verzocht klager de Commissie om opheldering. Hij heeft de Commissie specifiek verzocht te bevestigen dat zij (gezien de artikelen 5 en/of 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003) niet het recht had om verordeningen van de Raad geheel of gedeeltelijk in te trekken, dat de artikelen 5 en 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 volledig van kracht waren totdat de rechterlijke instanties anders hadden verklaard, en dat de verordeningen 685/95 en 2027/95 van kracht bleven tot de inwerkingtreding van een nieuwe verordening of uiterlijk tot 1 augustus 2004.

Tijdens een vergadering van de Groep intern en extern visserijbeleid van de Raad op 19 februari 2004 heeft de Commissie bevestigd dat de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 in werking waren getreden. In de door de vertegenwoordiger van de Commissie verspreide "sprekingsnota" zijn de opmerkingen uit de "nota voor het dossier" van 6 februari 2004 overgenomen.

In een brief van 5 maart 2004 aan klager heeft de heer Fischler dezelfde standpunten naar voren gebracht. De heer Fischler benadrukt dat er dus geen noodmaatregelen nodig zijn.

Tijdens mondelinge vragen in het Europees Parlement op 9 maart 2004 herhaalde de heer Fischler dit standpunt. Hij voerde aan dat er geen noodmaatregelen konden worden genomen met betrekking tot de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen buiten de 100-mijlszone, omdat deze vaartuigen voldeden aan de geldende regels. De heer Fischler verzekerde klager dat de Juridische Dienst van de Commissie was geraadpleegd en dat hij dit standpunt deelde.

In zijn antwoord van 11 maart 2004 op een schriftelijke vraag van de heer José Ribeiro e Castro, lid van het Europees Parlement, bevestigt de heer Fischler dit standpunt.

Op 12 maart 2004 heeft Fischler geantwoord op de brief van klager van 18 februari 2004. In deze brief wees de heer Fischler erop dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 sinds 14 november 2003 van kracht is en dat dit betekent "dat de bijzondere voorwaarden voor de visserij in de wateren rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden vanaf die datum van toepassing zijn." De heer Fischler benadrukte ook dat in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 duidelijk is bepaald dat de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 "worden ingetrokken met ingang van hetzij de datum van inwerkingtreding van de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 genoemde verordening, hetzij 1 augustus 2004, indien deze datum eerder valt."

Op 16 maart 2004 zond het Spaanse ministerie van Landbouw, Visserij en Levensmiddelen een faxbericht naar het directoraat-generaal Visserij van de Commissie, waarin het de Commissie meedeelde dat een Spaans vaartuig dat in de zone tussen 100 en 200 zeemijl voor de kust van de Azoren had gevist, door de autoriteiten van de Azoren was aangehouden.

Deze fax is dezelfde dag nog door de Commissie aan de Portugese autoriteiten toegezonden met het verzoek om advies. Op 17 maart 2004 heeft de Commissie de Portugese autoriteiten een kopie van de tijdens de vergadering van 19 februari 2004 verspreide "spraaknota" doen toekomen.

In een brief van 17 maart 2004 verzocht klager de heer Fischler te bevestigen dat de beperkingen van de Verordeningen 685/95 en 2027/95 van toepassing bleven in de wateren van de Azoren, totdat zij werden ingetrokken.

Op 25 maart 2004 heeft de minister van Landbouw en Visserij van de autonome regio Azoren het antwoord van de autonome regio Azoren op de brieven van de Commissie van 16 en 17 maart 2004 ingediend.

In zijn antwoord van 13 april 2004 op de brief van klager van 17 maart 2004 wees de heer Fischler erop dat de verordeningen 685/95 en 2027/95 nog steeds van kracht waren en nog niet waren ingetrokken. Hij voerde echter aan dat de nieuwe regeling voor de zone tussen 100 en 200 zeemijl sinds 14 november 2003 van kracht was en voorrang had op de verordeningen van 1995.

De klacht bij de Ombudsman

In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer bij de behandeling van een klacht die bij haar was ingediend in verband met de vermeende schending van Verordening (EG) nr. 685/95 door de Spaanse autoriteiten, samen met de behandeling van vragen over de inwerkingtreding van sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003.

Volgens de klager bestond dit wanbeheer uit:

  • onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de datum van intrekking van beheersmaatregelen, in strijd met de duidelijke bewoordingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003;
  • vertrouwen op een informele nota die is opgesteld door een lid van de Juridische Dienst van de Commissie, en deze opstellen alsof het een formeel advies van de Juridische Dienst betreft;
  • inconsistentie, in strijd met artikel 10 van de Europese code van goed administratief gedrag;
  • machtsmisbruik dat leidt tot niet-naleving van artikel 211 van het EG-Verdrag;
  • gebrek aan onpartijdigheid, in strijd met artikel 8 van de Europese code van goed administratief gedrag; en
  • in strijd met artikel 20 van de Europese code van goed administratief gedrag de betrokkene niet in kennis te stellen van het standpunt van de Commissie en dit standpunt openbaar te maken aan derden.

Tot staving van zijn beweringen voerde klager de volgende overwegingen aan:

1. Onjuiste rechtsopvatting

De vorige regeling voorzag in wederzijdse toegangsbeperkingen tussen Spaanse en Portugese vaartuigen voor bepaalde soorten visserij (Verordening (EG) nr. 685/95) en in een maximale visserijinspanningsregeling voor demersale en diepzeesoorten, zij het een regeling die de visserij op deze soorten beperkte tot vaartuigen van de betrokken lidstaat (Verordening (EG) nr. 2027/95). Deze bepalingen waren niet in strijd met de toegangsbeperking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003, maar vulden deze aan, wat leidde tot: (1) een toegangsbeperking tot 100 zeemijl voor alle soorten; (2) een beperking van de toegang tussen 100 en 200 zeemijl voor tonijn en tonijnachtigen en voor de visserij met de drijvende beug en de sleeplijn (Verordening (EG) nr. 685/95), en (3) een maximale jaarlijkse visserijinspanning (Verordening (EG) nr. 2027/95), waardoor de visserij op demersale en diepzeesoorten door vaartuigen uit andere lidstaten dan Portugal werd verhinderd.

De in Verordening (EG) nr. 2027/95 vastgestelde regeling ter beperking van de visserijinspanning kon niet in strijd zijn met artikel 5, aangezien artikel 11 voorzag in een soortgelijke verordening inzake het beheer van de visserijinspanning voor demersale soorten. De Commissie had een voorstel voor een dergelijke verordening goedgekeurd (COM(2004) 166 def.).

Indien de wetgever de verordeningen 685/95 en 2027/95 met ingang van 14 november 2003 had willen intrekken, zou verordening 1954/2003 dat hebben gezegd. Er zij ook op gewezen dat de intrekking van wetgevingshandelingen een uitzonderlijke maatregel was en daarom uitdrukkelijk moest worden gedaan.

In zijn antwoord op schriftelijke vraag P-0026/03 (4) betreffende de onzekerheid over de geldigheid van Verordening (EG) nr. 685/95 en Verordening (EG) nr. 2027/95 heeft de heer Fischler het volgende verklaard:

"Totdat de in de verordeningen vastgestelde regels door de communautaire wetgever worden gewijzigd of ingetrokken, blijven zij van toepassing, onder voorbehoud van een beslissing van het Hof van Justitie over de overeenstemming van die regels met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht."

Zoals uit het op 3 februari 2004 gepubliceerde bovengenoemde document bleek, had de Commissie zelf tot die dag aangenomen dat de vorige regeling op de Azoren nog steeds van kracht was.

2. Vertrouwen op informele nota

De "spraaknota" en de "nota voor het dossier" waren geen formeel advies van de Juridische Dienst van de Commissie. Ze waren echter tegengehouden en vertrouwden erop alsof ze dat waren.

3. Inconsistentie

(Met betrekking tot deze kwestie verwees klager naar de punten die hij onder 1 hierboven had gemaakt.)

4. Machtsmisbruik

De Commissie had bewust getracht geen antwoord te geven op de vraag wanneer de vroegere regeling niet langer van toepassing was totdat de kwestie niet langer relevant was (d.w.z. na 1 augustus 2004). Zij heeft haar antwoorden op brieven en parlementaire vragen bewust gemanipuleerd om zo dubbelzinnig mogelijk te zijn.

5. Ontbreken van onpartijdigheid

De Commissie had een voorkeursbehandeling toegekend aan de Spaanse autoriteiten wier klacht was overgenomen op de dag waarop zij was ingediend (terwijl de Azoren pas een ontvangstbevestiging over hun klacht hadden ontvangen nadat zij de Commissie een herinnering hadden gestuurd).

6. Niet-mededeling van de beschikking aan de Azoren

In haar brief van 9 februari 2004 had de regionale regering van de Azoren de Commissie verzocht preventieve maatregelen te nemen op grond van artikel 26, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Tot op heden hadden de Azoren geen antwoord ontvangen op hun brief van 9 februari 2004. In de mondelinge vragen van het Europees Parlement van 9 maart 2004 had de heer Fischler de klager echter verteld dat "de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen in de wateren van de Azoren buiten de zone van 100 zeemijl ... geen noodmaatregelen rechtvaardigt." Artikel 20 van de Europese code van goed administratief gedrag bepaalde dat besluiten schriftelijk aan de betrokken personen moeten worden meegedeeld (lid 1) en niet aan derden mogen worden meegedeeld "totdat de betrokken persoon of personen in kennis zijn gesteld". Dit was in casu niet het geval.

Spoedeisendheid

Klager was van mening dat de kwestie dringend aandacht nodig had, aangezien zij op 1 augustus 2004 niet langer relevant zou zijn. Volgens hem was het dan ook absoluut noodzakelijk dat deze "zo spoedig mogelijk naar behoren" zou worden behandeld.

Klager verzocht de Ombudsman derhalve stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de klacht met voorrang werd behandeld, overeenkomstig artikel 10.2 van de uitvoeringsbepalingen van de Ombudsman.

Vertrouwelijkheidsaspecten

Klager verzocht zijn klacht vertrouwelijk te houden en zijn identiteit niet bekend te maken. De klacht werd derhalve vertrouwelijk behandeld (16).

Het onderzoek

De aanpak van de Ombudsman

De klacht, die de Ombudsman op 4 mei 2004 had ontvangen, werd op 14 mei 2004 voor advies aan de Commissie toegezonden.

De Ombudsman merkte op dat klager leek aan te voeren dat de interpretatie van de Commissie van de relevante wetgeving zou kunnen leiden tot een mogelijke tijdelijke kloof met betrekking tot de bescherming van visbestanden tussen de datum waarop, volgens de Commissie, de Verordeningen 685/95 en 2027/95 daadwerkelijk werden vervangen door Verordening (EG) nr. 1954/2003 (14 november 2003) en de datum waarop de op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 vast te stellen verordening in werking zou treden (die tot 1 augustus 2004 zou kunnen duren). Vanuit dit perspectief bekeken, leek tijd inderdaad van de essentie te zijn.

In deze omstandigheden besloot de Ombudsman in te gaan op het verzoek van klager om zijn klacht als dringend en prioritair te behandelen. De Ombudsman verzocht de Commissie derhalve haar advies zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 15 juli 2004 in te dienen.

Advies van de Commissie

De Commissie heeft het Franse origineel van haar advies op 28 juli 2004 aan de Ombudsman voorgelegd. De vertaling in het Engels (de taal van de klacht) is op 2 augustus 2004 aan de Ombudsman toegezonden.

In haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:

Wat de vermeende onjuiste rechtsopvatting betreft, heeft de Commissie zich over de inwerkingtreding van een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003 (artikelen 5 en 13) en de gevolgen daarvan uitgesproken in een nota die op 19 februari 2004 aan de delegaties van de lidstaten in de Groep intern/extern visserijbeleid van de Raad is toegezonden. In de zesde en de zevende alinea van deze nota wordt uiteengezet hoe de Commissie de betrokken artikelen uitlegt. Ook moet worden verwezen naar de "Nota voor het dossier" van 6 februari 2004.

Wat het vermeende beroep op een informele nota betreft, vertegenwoordigde de betrokken nota het officiële standpunt van de Juridische dienst. Het is bij de Commissie ingediend volgens interne procedures van de Commissie die worden gebruikt om adviezen van de Juridische Dienst in te winnen en die betrekking hebben op de vraag hoe deze adviezen worden gebruikt. De opmerkingen van klager in dit verband waren derhalve irrelevant.

Er was geen bewijs voor enige inconsistentie met betrekking tot het standpunt van de Commissie. De Commissie had haar standpunt uiteengezet in de nota van 19 februari 2004. De verklaringen die de Commissie vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003 heeft afgelegd (met name het antwoord op schriftelijke vraag P-0026/2003) weerspiegelen de juridische situatie die bestond vóór de vaststelling van de verordening.

Wat het vermeende machtsmisbruik betreft, had de Commissie in haar "spraaknota" een duidelijk standpunt ingenomen over de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003. Alle standpunten die zij bij het beantwoorden van brieven en parlementaire vragen had ingenomen, waren op deze beoordeling gebaseerd.

Wat het vermeende gebrek aan onpartijdigheid betreft, werd de Commissie in de door de Spaanse autoriteiten verstrekte informatie over het in de buurt van de Azoren geïnspecteerde vaartuig (beschuldiging van illegale visserij, aanhouding van het vaartuig in de haven, verplichting om de volgende dag voor de bevoegde rechter te verschijnen) voorgesteld de situatie zo spoedig mogelijk te verduidelijken. Daar waren twee hoofdredenen voor: ten eerste vormde de aanhouding van een vaartuig een situatie die niet buitensporig lang kon worden verlengd, en ten tweede was de Commissie ten tijde van de gebeurtenissen (maart 2004) reeds in staat om een geconsolideerde aanpak te volgen met betrekking tot de toepassing van verordening nr. 1954/2003.

De situatie was echter zeer verschillend wat de klacht van de regionale regering van de Azoren betreft. Het secretariaat-generaal van de Commissie had de ontvangst bij brief van 17 februari 2004 bevestigd. Het werd betreurd dat deze brief de geadresseerde pas op 15 maart 2004 bereikte. Dit punt valt echter buiten de controle van de Commissie. De regering had de Commissie verzocht preventieve maatregelen te nemen in de zin van artikel 26, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en een inbreukprocedure tegen Spanje in te leiden op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag. De klacht werd momenteel onderzocht in overeenstemming met de toepasselijke procedureregels en op grond van de onderzoeksbevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend.

Met betrekking tot het vermeende verzuim om de Azoren van haar standpunt in kennis te stellen, kan op dit moment niet worden gesteld dat de Commissie niet voornemens was maatregelen te nemen. Aangezien de klacht momenteel wordt onderzocht, betekende de opmerking dat noodmaatregelen niet gerechtvaardigd waren niet dat andere mogelijke communautaire maatregelen niet konden worden onderzocht. Er was een briefwisseling over technische kwesties geweest met de Spaanse en de Portugese autoriteiten, aangezien de Commissie nog niet over alle feiten beschikte. De laatste termijn voor het verstrekken van informatie door de Spaanse autoriteiten was 30 juli 2004 en het dossier zou dan door de Juridische Dienst van de Commissie aan een eindonderzoek worden onderworpen. De autoriteiten van de Azoren zullen op de hoogte worden gebracht zodra het onderzoek van de klacht is afgerond.

De Commissie kwam tot de conclusie dat er dus geen sprake was van wanbeheer.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht en maakte hij de volgende aanvullende opmerkingen:

Wat de gestelde onjuiste rechtsopvatting betreft, had de Commissie zelfs niet getracht de in punt 17 van de klacht aangevoerde juridische argumenten aan te pakken of haar diametraal tegengestelde beoordelingen van de rechtssituatie, zoals beschreven in de punten 18 tot en met 23 van de klacht, toe te lichten. Het standpunt van de Commissie, zoals uiteengezet in de "Spreeknota", was duidelijk onjuist. De president van het Gerecht was in punt 143 van zijn beschikking van 7 juli 2004 in zaak T-37/04 R van oordeel dat verordening nr. 1954/2003 tot gevolg had dat de verordeningen van 1995 uiterlijk op 1 augustus 2004 zouden worden ingetrokken en voegde daaraan toe: "Dit lijkt de meest redelijke interpretatie, aangezien artikel 15 een specifieke bepaling is die de intrekking van de verordeningen van 1995 regelt."

In de toelichting bij haar voorstel voor een verbod op bodemtrawls (COM(2004) 58 def.) van 3 februari 2004 had de Commissie verklaard dat de bijzondere toegangsregeling van Verordening (EG) nr. 2027/95 "in 2004 niet langer van toepassing zal zijn". Het wetgevingsproces voor dit voorstel liep nog. Op 16 augustus 2004 had de Commissie daarom een wijziging van de communautaire wetgeving voorgesteld om een tijdelijk verbod op te nemen (COM(2004) 555 def.). In haar toelichting bij dit nieuwe voorstel heeft de Commissie verklaard dat de bijzondere toegangsregeling van Verordening (EG) nr. 2027/95 "op 15 november 2003 niet langer van toepassing is". Deze inconsistentie vormde een ander bewijs dat het standpunt van de Commissie een kennelijke onjuiste rechtsopvatting vormde.

De beperking van de visserij-inspanning in verordening nr. 2027/95 kon niet in strijd zijn met artikel 5 van verordening nr. 1954/2003, aangezien artikel 11 van deze verordening voorzag in de vaststelling van een soortgelijke verordening tot beperking van de visserij-inspanning. Deze nieuwe uitvoeringsverordening, verordening (EG) nr. 1415/2004 van de Raad van 19 juli 2004 tot vaststelling van de maximale jaarlijkse visserijinspanning voor bepaalde visserijgebieden en visserijtakken (PB 2004, L 258, blz. 1), heeft dezelfde rol gespeeld als verordening 2027/95 en bestond naast artikel 5 van verordening nr. 1954/2003. Indien Verordening (EG) nr. 1415/2004 en artikel 5 niet met elkaar in strijd zijn, kan er ook geen sprake zijn van strijdigheid tussen Verordening (EG) nr. 2027/95 en artikel 5. Zelfs indien het argument van de Commissie dat in geval van een conflict de latere bepaling prevaleerde, zou worden aanvaard, had de visserijinspanningsregeling van verordening nr. 2027/95 dus pas op 1 augustus 2004 rechtsgevolgen kunnen sorteren.

Wat het vermeende beroep op een informele nota betreft, werd opgemerkt dat de "nota voor het dossier" het officiële standpunt van de Commissie weergaf.

Wat de tegenstrijdigheid van het standpunt van de Commissie betreft, is de verklaring van Fischler in antwoord op schriftelijke vraag P-0026/2003 een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de opvatting van de Commissie over het gemeenschapsrecht. Hoe dan ook had de Commissie nagelaten commentaar te leveren op het standpunt dat zij in haar voorstel van 3 februari 2004 had ingenomen. Dit voorstel was bijna drie maanden na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1954/2003 ingediend.

Wat het vermeende machtsmisbruik betreft, had de Commissie bewust getracht te voorkomen dat de vraag werd beantwoord wanneer de oude regeling niet langer van toepassing was. Gedurende een aantal maanden heeft de Commissie eenvoudigweg de onomstreden verklaring herhaald dat artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 in werking was getreden, maar heeft zij de meer fundamentele vraag naar de gevolgen daarvan niet beantwoord. Pas in de brief van Fischler van 13 april 2004 werd uitdrukkelijk verklaard dat de Commissie van mening was dat de inwerkingtreding van artikel 5 van verordening nr. 1954/2003 tot gevolg had gehad dat de verordeningen nrs. 685/2003 en 2027/95 met ingang van 14 november 2003 niet langer van toepassing waren. De opmerkingen van de Commissie in haar advies bevestigden het standpunt dat er sprake was van machtsmisbruik.

Wat het gestelde gebrek aan onpartijdigheid betreft, moet de spoedeisendheid van de door de regionale regering van de Azoren gevraagde maatregelen voor de Commissie duidelijk zijn geweest, aangezien het voorwerp van deze klacht slechts tot 1 augustus 2004 aan de orde was. De Commissie was op de hoogte van de ernstige problemen, aangezien zij tegelijkertijd betrokken was bij het wetgevingsproces voor de vaststelling van wetgeving ter bescherming van het mariene milieu en de visbestanden in de wateren van de Azoren.

De Commissie had verklaard dat zij ten tijde van de indiening van de klacht door Spanje (in maart 2004) reeds in staat was een geconsolideerde aanpak te volgen. Uit deze verklaring kon redelijkerwijs worden afgeleid dat de Commissie bedoelde dat zij in staat was een geconsolideerde aanpak te volgen doordat zij de "sprekingsnota" van 19 februari 2004 had opgesteld en verspreid. In de "Speaking Note" is echter in alle materiële opzichten de tekst van de "Nota voor het dossier" van 6 februari 2004 overgenomen. De rechtspositie van de Commissie was derhalve op 6 februari 2004 tot stand gekomen. De klacht van de regionale regering van de Azoren was ingediend op 9 februari 2004. Ten laatste op 19 februari 2004 had de Commissie deze klacht kunnen behandelen.

Indien de Commissie onpartijdig en zonder onnodige vertraging had gehandeld, zou zij dringend stappen hebben ondernomen om de klacht van de regionale regering van de Azoren te behandelen en zou zij besprekingen met deze regering hebben gevoerd. De regionale regering van de Azoren had echter geen correspondentie van de Commissie met betrekking tot haar klacht ontvangen.

Wat betreft het vermeende verzuim om de Azoren in kennis te stellen van zijn standpunt, had de heer Fischler in zijn antwoord van 9 maart 2004 op een mondelinge vraag in het Europees Parlement het standpunt ingenomen dat de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen in de wateren van de Azoren buiten de 100 zeemijlszone geen "noodmaatregelen" rechtvaardigde. Deze verklaring was gebaseerd op het standpunt dat de Commissie niet van mening was dat de Spaanse vaartuigen illegaal handelden. Hieruit kon dus redelijkerwijs worden afgeleid dat Fischler ook had verwezen naar de door de regionale regering van de Azoren gevraagde noodmaatregelen.

Nadere inlichtingen

Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.

Op 15 december 2004 heeft de Ombudsman de Commissie daarom verzocht (1) in te gaan op de juridische argumenten in de punten 17 tot en met 23 van deze klacht met betrekking tot de vermeende juridische fout van de Commissie, (2) opmerkingen te maken over het standpunt dat zij had ingenomen in haar toelichting bij haar voorstel voor een verbod op bodemtrawls (COM(2004) 58 def.) van 3 februari 2004, volgens welke de bijzondere toegangsregeling van Verordening 2027/95 "in 2004 niet meer van toepassing zal zijn", (3) opmerkingen te maken over het argument van klager dat de urgentie van de door de regionale regering van de Azoren gevraagde maatregelen voor de Commissie duidelijk moet zijn geweest, (4) opmerkingen te maken over het argument van klager dat het redelijk was uit het antwoord van de heer Fischler van 9 maart 2004 op een mondelinge vraag in het Europees Parlement af te leiden dat de heer Fischler ook had verwezen naar de door de regionale regering van de Azoren gevraagde noodmaatregelen en (5) een kopie te doen toekomen van de brief waarin hij de ontvangst van de klacht van de regionale regering van de Azoren en van eventuele verdere brieven met betrekking tot deze klacht bevestigde. De Ombudsman verzocht de Commissie voorts meer specifieke informatie te verstrekken over de wijze waarop deze klacht werd behandeld.

Antwoord van de Commissie

In haar antwoord maakte de Commissie de volgende opmerkingen:

Wat de eerste vraag van de Ombudsman betreft, werd in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 een regeling voor de beperking van de visserijinspanning vastgesteld die verschilde van de regeling die van toepassing was op grond van Verordening (EG) nr. 2027/95. Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 wijzigde ook de regeling die was vastgesteld in de relevante bepalingen van het controlesysteem. Een wijziging van de regeling had dus plaatsgevonden en was op 14 november 2003 in werking getreden. Het feit dat de verordeningen van 1995 in november 2003 niet formeel waren ingetrokken, heeft geen invloed gehad op de toepassing van de nieuwe bepalingen. Aangezien deze nieuwe bepalingen verschillend van aard waren, waren zij met ingang van de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003 in de plaats gekomen van de vorige regeling.

Het persbericht over de publicatie van het voorstel voor een verbod op bodemtrawls was eind januari 2004 opgesteld en op 3 februari 2004 gepubliceerd. De toelichting bij dit voorstel is begin november 2003 opgesteld en op 7 november 2003 ter interdepartementale raadpleging toegezonden. Het advies van de Juridische dienst van de Commissie is op 21 november 2003 door het directoraat-generaal Visserij ontvangen. Dit advies had niet uitdrukkelijk betrekking op de door klager beklemtoonde zinsnede. Aan het begin van de procedure was de inwerkingtreding van verordening nr. 1954/2003 niet aan de orde. Deze kwestie was pas aan de orde gekomen toen de regionale regering van de Azoren op 9 februari 2004 haar klacht indiende.

De verklaring van de heer Fischler in antwoord op schriftelijke vraag P-0026/03 was juist. De relevante overweging was echter dat de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003 voorrang hadden op de regeling van 1995, hoewel deze niet formeel was ingetrokken, overeenkomstig de interpretatie in de "spreeknota" van 19 februari 2004.

Wat de tweede vraag van de Ombudsman betreft, is dit punt behandeld in het antwoord op de eerste vraag.

Wat de derde vraag betreft, heeft de Commissie niet geoordeeld dat de visserijactiviteiten van niet-Portugese vaartuigen in de zone tussen 100 en 200 zeemijl van de Azoren na de inwerkingtreding op 14 november 2003 van verordening nr. 1954/2003 de door de regionale regering van de Azoren gevraagde preventieve maatregelen zouden rechtvaardigen. De bescherming van de zone van de Azoren werd daadwerkelijk gewaarborgd door technische instandhoudingsmaatregelen of andere maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en niet door de toegang tot deze zone te beperken. De Commissie had daarom in februari 2004 een voorstel voor een verordening ingediend, met name om deze situatie aan te pakken.

Wat de vierde vraag van de Ombudsman betreft, had de heer Fischler in zijn verklaring van 9 februari 2004 geantwoord op het verzoek van klager en niet op dat van de regionale regering van de Azoren.

Wat de vijfde vraag betreft, zijn bij de Ombudsman kopieën ingediend van alle correspondentie die de Commissie in het kader van het onderzoek van de klacht aan de Portugese en Spaanse autoriteiten had gezonden. De klacht van de regionale regering van de Azoren had betrekking op preventieve maatregelen van de Commissie op grond van artikel 26, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002. De Commissie was van mening dat de beste reactie op eventuele risico's voor het mariene milieu in de zone bestond uit het nemen van maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (bv. technische instandhoudingsmaatregelen of gesloten gebieden) en niet uit het uitsluiten van alle communautaire vaartuigen, met uitzondering van de vloot van de Azoren. Deze aanpak was onverenigbaar met preventieve maatregelen die uitsluitend tot doel hadden andere communautaire vaartuigen dan die welke onder Portugese vlag varen, van de betrokken zone uit te sluiten. Wat een mogelijke schending van het Gemeenschapsrecht door Spanje betreft, volgt uit artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 dat niet-Portugese vaartuigen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze bepaling (14 november 2003) in de betrokken zone actief kunnen zijn. Bijgevolg hebben de door de regionale regering van de Azoren aangewezen Spaanse vaartuigen verordening nr. 1954/2003 niet geschonden. Deze conclusie vloeit voort uit het standpunt van de Commissie over de interpretatie van de desbetreffende verordening, zoals geformuleerd in de "spraaknota" van 19 februari 2004.

Uit de bij het antwoord van de Commissie gevoegde documenten kunnen de volgende gegevens worden afgeleid:

Op 18 februari 2004 heeft de Commissie de regionale regering van de Azoren gevraagd of zij ermee instemde dat haar identiteit aan de Spaanse autoriteiten kon worden meegedeeld. Op 4 maart 2004 is een herinnering verstuurd. Bij brief van 12 maart 2004 heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten om haar opmerkingen over de klacht verzocht. Deze opmerkingen moesten binnen 30 dagen na ontvangst van deze brief worden ingediend. Op 15 april 2004 heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten een herinnering gestuurd. Bij brief van 4 juni 2004 heeft de Commissie de regionale regering van de Azoren om nadere informatie over haar klacht verzocht. Op 9 juli 2004 heeft de Commissie, op basis van het antwoord op dit verzoek, de Spaanse autoriteiten om nadere informatie verzocht. Deze informatie moest uiterlijk op 30 juli 2004 worden verstrekt. Op 4 augustus 2004 heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten een herinnering gestuurd. Bij brief van 12 oktober 2004 heeft de Commissie de regionale regering van de Azoren om nadere informatie over haar klacht verzocht.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht en maakte hij de volgende aanvullende opmerkingen:

De Commissie had de eerste vraag van de Ombudsman niet beantwoord. Wat de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003 betreft, deze kwestie was reeds aan de orde gesteld in het document dat Spanje op 21 januari 2004 bij de Raad had ingediend en niet alleen in de klacht van de regionale regering van de Azoren van 9 februari 2004. Bovendien was de "Nota voor het dossier" waarop de "Speaking Note" was gebaseerd, gedateerd op 6 februari 2004, drie dagen vóór de genoemde klacht.

Wat de spoedeisendheid van de klacht van de regionale regering van de Azoren betreft, werd in deze klacht alleen verzocht om de beperkingen van de verordeningen 685/95 en 2027/95 te blijven toepassen tot de datum van intrekking ervan. Indien de Commissie bovendien zo onvermurwbaar van mening was dat deze klacht ongegrond was, was het verbazingwekkend dat de behandeling van de klacht door de Commissie nog gaande leek te zijn, waarbij de meest recente correspondentie dateerde van 12 oktober 2004. Indien de klacht kennelijk ongegrond was, had de Commissie het dossier onmiddellijk moeten sluiten.

BESLUIT

1 De relevante feitelijke en juridische elementen

1.1 De onderhavige klacht, die is ingediend door een lid van het Europees Parlement, heeft betrekking op de mate waarin de visserij vóór 1 augustus 2004 was toegestaan in de wateren rond de Azoren, een groep eilanden in de Atlantische Oceaan die tot Portugal behoort. Het betrokken gebied omvat de zones tot 200 zeemijl vanaf de basislijn van de Azoren (de "wateren van de Azoren").

1.2 Aangezien de wetgevingsachtergrond ingewikkeld is en klager en de Commissie in het kader van dit onderzoek uitvoerige opmerkingen hebben ingediend, acht de Ombudsman het nuttig om kort een samenvatting te geven van de belangrijkste juridische en feitelijke elementen die relevant zijn voor deze zaak.

1.3 Sinds de toetreding van Portugal tot de Europese Gemeenschappen in 1986 zijn enkele overgangsbepalingen van toepassing op de visserij in de wateren van de Azoren. Artikel 353 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (de "Toetredingsakte") bepaalde dat deze overgangsregeling tot en met 31 december 2002 van kracht moest blijven.

1.4 De belangrijkste regels voor de visserijactiviteiten in de wateren van de Azoren zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 685/95 van de Raad van 27 maart 1995 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (5) en in Verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van 15 juni 1995 tot invoering van een regeling voor het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap (6) (de "verordeningen van 1995"). Verordening 685/95 sloot de toegang uit voor Spaanse vaartuigen die in de wateren van de Azoren op tonijn vissen. Volgens Verordening (EG) nr. 2027/95 was Portugal de enige lidstaat die in de wateren van de Azoren op diepzeesoorten mocht vissen. Bovendien werd bij Verordening (EG) nr. 2027/95 een nulquotum vastgesteld voor de visserij met gesleept vistuig op demersale en diepzeesoorten in de wateren van de Azoren, waardoor het gebruik van gesleept vistuig in de wateren van de Azoren daadwerkelijk werd verboden (7).

1.5 Drie andere verordeningen moeten hier worden vermeld: Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (8), waarbij bepaalde voorschriften voor het toezicht op de instandhoudings- en beheersmaatregelen in de visserijsector zijn vastgesteld; Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (9), die minimummaaswijdten voor sleepnetten voorschrijft, en Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (10), die de Raad machtigt maatregelen vast te stellen voor de toegang tot wateren en bestanden.

1.6 Bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserijinspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (11) is de oude regeling voor de toegang tot de wateren van de Azoren, zoals vastgesteld in de Verordeningen 685/95 en 2027/95, ingetrokken.

Artikel 11 voorziet in de vaststelling van een verordening (“de artikel 11-verordening”) tot vaststelling van de maximale jaarlijkse visserijinspanning voor elke lidstaat en voor elke visserijtak als omschreven in artikel 3 van de verordening. De Commissie moest uiterlijk op 29 februari 2004 een voorstel voor een dergelijke verordening bij de Raad indienen. Indien de Raad op 31 mei 2004 geen besluit zou nemen, zou de Commissie de verordening zelf uiterlijk op 31 juli 2004 vaststellen.

Volgens artikel 13 van de verordening waren sommige bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2847/93 niet langer van toepassing op (onder meer) de wateren van de Azoren.

Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 bepaalde dat de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 moesten worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 11 van die verordening of, indien dat eerder was, met ingang van 1 augustus 2004.

Artikel 16 bepaalde dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 in werking zou treden op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Aangezien Verordening (EG) nr. 1954/2003 in het PB van 7 november 2003 is bekendgemaakt, is zij op 14 november 2003 in werking getreden.

Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1954/2003 bepaalt: “In de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijnen van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden mogen de betrokken lidstaten de visserij beperken tot vaartuigen die zijn geregistreerd in de havens van deze eilanden, met uitzondering van vaartuigen van de Gemeenschap die traditioneel in die wateren vissen, voor zover deze de traditioneel uitgeoefende visserijinspanning niet overschrijden. (…)”.

1.7 De onderhavige zaak betreft de vraag vanaf welke datum Verordening (EG) nr. 1954/2003 de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 heeft ingetrokken.

1.8 In januari 2004 werden Spaanse vissersvaartuigen aangetroffen in de zone tussen 100 en 200 mijl voor de Azoren. Op 21 januari 2004 heeft Spanje bij de Raad een document ingediend met als titel "Toepassing van Verordening (EG) nr. 1954/2003". In dit document stelden de Spaanse autoriteiten zich op het standpunt dat, afgezien van de bepalingen inzake het beheer van de visserij-inspanning die nog moesten worden uitgevoerd, Verordening (EG) nr. 1954/2003 reeds van toepassing was.

1.9 Op 3 februari 2004 publiceerde de Commissie haar voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bescherming van diepzeekoraalriffen tegen de gevolgen van trawlvisserij in bepaalde gebieden van de Atlantische Oceaan (COM(2004) 58 def.). De toelichting bij dit voorstel bevat de volgende passage:

"Bovendien bevat de communautaire visserijzone rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden verscheidene bekende of potentiële diepzeehabitats die tot dusver door de speciale toegangsregeling van Verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van trawlvisserij zijn uitgesloten. Aangezien deze regeling in 2004 niet meer van toepassing zal zijn, is het nu van belang dat de continuïteit van de bescherming van deze gebieden in het kader van de communautaire wetgeving wordt gewaarborgd."

Deze tekst wordt herhaald in overweging 5 van het verordeningsvoorstel, waar een voetnoot wordt toegevoegd om de verwijzing naar Verordening (EG) nr. 2027/95 in het Publicatieblad te vermelden. Deze verwijzing wordt aangevuld met de zin “Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).”.

1.10 Eveneens op 3 februari 2004 publiceerde de Commissie een persbericht (IP/04/153) om haar voorstel aan het publiek bekend te maken. Dit persbericht bevatte de volgende verklaring:

"De bodemtrawlvisserij is momenteel in de betrokken gebieden verboden op grond van de regels voor de toegang tot de zogenaamde "westelijke wateren", die zijn vastgesteld tijdens het proces van integratie van Portugal en Spanje in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Aangezien deze regels dit jaar aflopen, zijn er beperkingen nodig om deze habitats te blijven beschermen."

1.11 Op 6 februari 2004 heeft een lid van de Juridische Dienst van de Commissie een "nota voor het dossier" opgesteld betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003. De auteur merkte op dat deze artikelen een systeem hadden opgezet dat verschilde van het systeem dat onder de vorige wetgeving van toepassing was en dat artikel 16 bepaalde dat de verordening op de zevende dag na de bekendmaking ervan in werking zou treden. In deze omstandigheden concludeerde de opsteller van de nota dat de regel “lex posterior derogat legi priori” van toepassing was en dat de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 dus op 14 november 2003 in werking waren getreden.

1.12 Op 9 februari 2004 heeft de regionale regering van de Azoren bij de Commissie een klacht tegen Spanje ingediend omdat Spaanse vissersvaartuigen in de wateren van de Azoren waren gaan vissen. Volgens de regering was deze activiteit in strijd met de verordeningen 685/95 en 2027/95 en vormde zij een ernstige en onmiddellijke bedreiging voor de levende aquatische hulpbronnen in de wateren van de Azoren. Daarom heeft de regering de Commissie verzocht (1) dringende preventieve maatregelen te nemen op grond van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en (2) een inbreukprocedure tegen Spanje in te leiden op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag.

1.13 In een brief van 18 februari 2004 aan de heer Fischler, lid van de Commissie belast met visserij, verzocht klager de Commissie om opheldering. Hij heeft de Commissie specifiek verzocht te bevestigen dat (gezien de artikelen 5 en/of 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003) de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 van kracht bleven tot de inwerkingtreding van een nieuwe verordening of uiterlijk tot 1 augustus 2004.

1.14 Tijdens een vergadering van de Groep intern en extern visserijbeleid van de Raad op 19 februari 2004 heeft de Commissie bevestigd dat de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 in werking waren getreden. In de door de vertegenwoordiger van de Commissie verspreide "sprekingsnota" zijn de opmerkingen uit de "nota voor het dossier" van 6 februari 2004 overgenomen.

1.15 In een brief van 5 maart 2004 aan klager heeft de heer Fischler dezelfde standpunten naar voren gebracht. De heer Fischler benadrukt dat er dus geen noodmaatregelen nodig zijn. Tijdens mondelinge vragen in het Europees Parlement op 9 maart 2004 herhaalde de heer Fischler dit standpunt. Hij voerde aan dat er geen noodmaatregelen konden worden genomen met betrekking tot de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen buiten de 100-mijlszone, omdat deze vaartuigen voldeden aan de geldende regels. De heer Fischler verzekerde klager dat de Juridische Dienst van de Commissie was geraadpleegd en dat hij dit standpunt deelde.

1.16 Op 12 maart 2004 heeft Fischler geantwoord op de brief van klager van 18 februari 2004. In deze brief wees de heer Fischler erop dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 sinds 14 november 2003 van kracht is en dat dit betekent "dat de bijzondere voorwaarden voor de visserij in de wateren rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden vanaf die datum van toepassing zijn." De heer Fischler benadrukte ook dat in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 duidelijk is bepaald dat de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 "worden ingetrokken met ingang van hetzij de datum van inwerkingtreding van de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 genoemde verordening, hetzij 1 augustus 2004, indien deze datum eerder valt."

1.17 Op 16 maart 2004 hebben de Spaanse autoriteiten de Commissie per fax meegedeeld dat een Spaans vaartuig dat in de zone tussen 100 en 200 zeemijl voor de kust van de Azoren had gevist, door de autoriteiten van de Azoren was aangehouden. Deze fax is dezelfde dag nog door de Commissie aan de Portugese autoriteiten toegezonden met het verzoek om advies.

1.18 In een brief van 17 maart 2004 verzocht klager de heer Fischler te bevestigen dat de beperkingen van de Verordeningen 685/95 en 2027/95 van toepassing bleven in de wateren van de Azoren, totdat zij werden ingetrokken.

1.19 In zijn antwoord van 13 april 2004 wees de heer Fischler erop dat de verordeningen 685/95 en 2027/95 nog steeds van kracht waren en nog niet waren ingetrokken. Hij voerde echter aan dat de nieuwe regeling voor de zone tussen 100 en 200 zeemijl sinds 14 november 2003 van kracht was en voorrang had op de verordeningen van 1995.

2 De klacht en de behandeling ervan door de Ombudsman

2.1 Op 29 april 2004 wendde klager zich tot de Ombudsman. In zijn klacht voerde klager aan dat de kwestie dringend aandacht vergde, aangezien zij op 1 augustus 2004 niet langer relevant zou zijn. Hij verzocht de Ombudsman derhalve maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de klacht met voorrang werd behandeld, overeenkomstig artikel 10.2 van de uitvoeringsbepalingen van de Ombudsman (12).

2.2 Op 14 mei 2004 heeft de Ombudsman de klacht voor advies doorgestuurd naar de Commissie. In zijn brief waarin de klacht werd doorgestuurd, merkte de Ombudsman op dat de interpretatie door de Commissie van de relevante wetgeving zou kunnen leiden tot een mogelijke tijdelijke leemte met betrekking tot de bescherming van visbestanden tussen de datum waarop volgens de Commissie de Verordeningen 685/95 en 2027/95 daadwerkelijk werden vervangen door Verordening (EG) nr. 1954/2003 (14 november 2003) en de datum waarop de op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 vast te stellen verordening in werking zou treden (die tot 1 augustus 2004 zou kunnen duren). Vanuit dit perspectief bekeken, leek tijd inderdaad van de essentie te zijn. De Ombudsman deelde de Commissie derhalve mee dat hij had besloten in te gaan op het verzoek van klager om zijn klacht als dringend en prioritair te behandelen. Hij verzocht de Commissie derhalve zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 15 juli 2004 advies uit te brengen.

2.3 De Commissie heeft haar advies op 27 juli 2004 in het Frans uitgebracht. Op 2 augustus 2004 is een vertaling in het Engels (de procestaal) aan de Ombudsman toegezonden.

2.4 Opgemerkt zij dat de Ombudsman de communautaire instellingen en organen gewoonlijk drie maanden de tijd geeft om hun mening over een klacht te geven. In het onderhavige geval heeft de Commissie haar advies binnen twee en ½ maanden na ontvangst van de klacht ingediend. In haar begeleidende brief bij het advies heeft de Commissie bovendien haar teleurstelling uitgesproken over de lichte vertraging die zich had voorgedaan. De Ombudsman is van mening dat de Commissie aldus een oprechte inspanning heeft geleverd om te voldoen aan zijn verzoek om de klacht met spoed te behandelen.

2.5 In zijn klacht voerde klager zes aantijgingen aan. Twee daarvan (waarbij sprake was van een juridische fout en een tegenstrijdigheid met het standpunt van de Commissie) lijken echter nauw met elkaar verbonden te zijn. In feite verwees klager zelf in zijn klacht naar zijn opmerkingen over de eerste van deze beweringen bij de indiening van de tweede. De Ombudsman is derhalve van mening dat deze twee beweringen samen moeten worden onderzocht.

3 Vermeende juridische fout en vermeende inconsistentie

3.1 Klager beweerde dat de Commissie een juridische fout had gemaakt door te oordelen dat de Verordeningen 685/95 en 2027/95 op 14 november 2003 daadwerkelijk waren ingetrokken. Volgens klager was de bij de verordeningen van 1995 ingestelde regeling niet in strijd met de toegangsbeperking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003, maar vulde zij deze aan. Klager voerde verder aan dat indien de wetgever de Verordeningen 685/95 en 2027/95 met ingang van 14 november 2003 had willen intrekken, Verordening 1954/2003 dat zou hebben gezegd. In dit verband benadrukte klager dat de intrekking van wetgevingshandelingen een uitzonderlijke maatregel was en daarom uitdrukkelijk moest worden gedaan. Klager wees erop dat de heer Fischler zelf in zijn antwoord op schriftelijke vraag P-0026/03 een verklaring in die zin had afgelegd.

Klager voerde verder aan dat het standpunt van de Commissie inconsistent was, aangezien uit de documenten die de Commissie op 3 februari 2004 had gepubliceerd, bleek dat de Commissie zelf tot die dag ervan uitging dat de vorige regeling die van toepassing was op de wateren van de Azoren nog steeds van kracht was.

3.2 In haar advies heeft de Commissie benadrukt dat zij zich heeft uitgesproken over de inwerkingtreding van een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003 (artikelen 5 en 13) en over de gevolgen daarvan, in een nota die op 19 februari 2004 aan de delegaties van de lidstaten in de Groep intern/extern visserijbeleid van de Raad is toegezonden. In de zesde en de zevende alinea van deze nota wordt uiteengezet hoe de Commissie de betrokken artikelen uitlegt. Ook moet worden verwezen naar de "Nota voor het dossier" van 6 februari 2004. De Commissie voerde verder aan dat er geen bewijs was voor enige inconsistentie in haar standpunt. Zij benadrukte dat zij haar standpunt in de nota van 19 februari 2004 had uiteengezet, terwijl de verklaringen die zij vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1954/2003 had afgelegd (met name het antwoord op schriftelijke vraag P-0026/2003) een weerspiegeling waren van de juridische situatie die vóór de vaststelling van de verordening bestond.

3.3 In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de Commissie niet eens had getracht in te gaan op de juridische argumenten die hij in zijn klacht had aangevoerd. Volgens klager was het standpunt van de Commissie, zoals uiteengezet in de "Spreeknota", duidelijk onjuist. Klager wees erop dat de president van het Gerecht van eerste aanleg in punt 143 van zijn beschikking van 7 juli 2004 in zaak T-37/04 R had geoordeeld dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 tot gevolg had dat de verordeningen van 1995 uiterlijk op 1 augustus 2004 zouden worden ingetrokken en daaraan had toegevoegd: "Dit lijkt de meest redelijke interpretatie, aangezien artikel 15 een specifieke bepaling is die de intrekking van de verordeningen van 1995 regelt."

Klager voerde verder aan dat de Commissie in de toelichting bij haar voorstel voor een verbod op bodemtrawls (COM(2004) 58 def.) van 3 februari 2004 had verklaard dat de bijzondere toegangsregeling van Verordening (EG) nr. 2027/95 "in 2004 niet langer van toepassing zal zijn".

Wat de inconsistentie van het standpunt van de Commissie betreft, wees klager erop dat de Commissie had nagelaten commentaar te leveren op het standpunt dat zij in haar voorstel van 3 februari 2004 had ingenomen. Dit voorstel was bijna drie maanden na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1954/2003 ingediend.

3.4 In haar antwoord op een verzoek om nadere informatie van de Ombudsman benadrukte de Commissie dat artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 voorziet in een regeling ter beperking van de visserijinspanning die verschilt van de regeling die van toepassing is op grond van Verordening (EG) nr. 2027/95. Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 wijzigde ook de regeling die was vastgesteld in de relevante bepalingen van het controlesysteem. De Commissie is van mening dat er dus een wijziging van de regeling heeft plaatsgevonden die op 14 november 2003 in werking is getreden. De Commissie voegde daaraan toe dat het feit dat de verordeningen van 1995 in november 2003 niet formeel waren ingetrokken, geen invloed had op de toepassing van de nieuwe bepalingen. Aangezien deze nieuwe bepalingen van verschillende aard waren, waren zij volgens de Commissie in de plaats gekomen van de vorige regeling vanaf de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003.

Wat het persbericht over de publicatie van het voorstel voor een verbod op bodemtrawls betreft, wees de Commissie erop dat dit eind januari 2004 was opgesteld en op 3 februari 2004 was gepubliceerd. De Commissie legde verder uit dat de toelichting bij dit voorstel begin november 2003 was opgesteld en op 7 november 2003 voor interdepartementaal overleg was verzonden. Het advies van de Juridische dienst van de Commissie is op 21 november 2003 door het directoraat-generaal Visserij ontvangen. De Commissie voerde aan dat dit advies de door klager beklemtoonde zinsnede niet expliciet had behandeld. Volgens de Commissie was de kwestie van de inwerkingtreding van verordening nr. 1954/2003 pas aan de orde gekomen toen de regionale regering van de Azoren haar klacht op 9 februari 2004 had ingediend.

De Commissie heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van Fischler in antwoord op schriftelijke vraag P-0026/03 juist was. Volgens haar was de relevante overweging echter dat de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1954/2003 voorrang hadden op de regeling van 1995, hoewel deze niet formeel was ingetrokken, overeenkomstig de interpretatie in de "sprekingsnota" van 19 februari 2004.

3.5 In zijn opmerkingen over dit antwoord stelde klager dat de Commissie de door de Ombudsman gestelde vraag niet had beantwoord. Wat de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003 betreft, benadrukte klager dat deze kwestie reeds aan de orde was gesteld in het document dat Spanje op 21 januari 2004 bij de Raad had ingediend. Bovendien was de "Nota voor het dossier" waarop de "Speaking Note" was gebaseerd, gedateerd op 6 februari 2004, drie dagen vóór de genoemde klacht.

3.6 De Ombudsman acht het nuttig om er meteen aan te herinneren dat de onderhavige zaak geen betrekking heeft op de gegrondheid van Verordening (EG) nr. 1954/2003, maar op de interpretatie van deze verordening door de Commissie. Opgemerkt zij dat artikel 195 van het EG-Verdrag de Europese Ombudsman belast met de taak gevallen van wanbeheer te onderzoeken. Klachten over de gegrondheid van de communautaire wetgeving zouden derhalve hoe dan ook niet onder het mandaat van de Ombudsman vallen.

De Ombudsman acht het voorts nuttig eraan te herinneren dat het Europees Hof van Justitie de hoogste autoriteit is op het gebied van de interpretatie van het Gemeenschapsrecht. Bovendien is de Ombudsman niet bevoegd om bindende interpretaties van het Gemeenschapsrecht te geven. Artikel 195 van het EG-Verdrag belast de Ombudsman echter met de taak gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen en organen te onderzoeken. De Ombudsman is van mening dat er sprake kan zijn van dergelijk wanbeheer wanneer een communautaire instelling of een communautair orgaan publieke verklaringen aflegt over de interpretatie van het Gemeenschapsrecht die onjuist of inconsistent zijn.

3.7 Het is een goede administratieve praktijk voor de administratie om juridische fouten en inconsistenties in haar openbare verklaringen te voorkomen en eventuele fouten te erkennen en te corrigeren. De Ombudsman merkt op dat de interpretatie door de Commissie van de relevante regels gebaseerd is op de veronderstelling dat artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 van toepassing was vanaf 14 november 2003 en voorrang had boven de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 op basis van de regel lex posterior derogat legi priori. Volgens de Ombudsman is de toepassing van dit wettelijk maximum gerechtvaardigd indien aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk 1) dat de recentere handeling onverenigbaar is met de oudere en 2) dat de kwestie van de verhouding tussen de twee handelingen niet op een andere manier door de wetgever is geregeld.

3.8 Wat de eerste van deze voorwaarden betreft, is de Ombudsman van mening dat het standpunt van de Commissie dat de bij de Verordeningen 685/95 en 2027/95 ingestelde regeling onverenigbaar is met de inhoud van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op het eerste gezicht niet onredelijk lijkt. Bij een weliswaar simplistische interpretatie werden niet-Portugese vaartuigen in de verordeningen van 1995 in principe uitgesloten van de visserij in de wateren van de Azoren, terwijl artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1954/2003 deze bescherming beperkt tot de wateren tot 100 zeemijl vanaf de basislijn van de Azoren. Onbetwist is dat dit betekent dat een dergelijke bescherming niet langer beschikbaar zou moeten zijn voor de resterende wateren van de Azoren, d.w.z. de wateren tussen 100 en 200 zeemijl, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1954/2003. Indien de verordeningen 685/95 en 2027/95 ook na 14 november 2003, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1954/2003 en artikel 5, lid 1, daarvan, van toepassing zouden blijven, zou de door deze bepaling beoogde openstelling van het betrokken deel van de wateren van de Azoren (tussen 100 en 200 zeemijl) nauwelijks met onmiddellijke ingang kunnen worden bereikt.

3.9 Er zij echter op gewezen dat de lex posterior-regel als uitleggingsregel alleen kan worden toegepast wanneer de wetgever het verband tussen twee wetgevingshandelingen niet zelf heeft geregeld.

3.10 Artikel 15 ("Intrekking") van Verordening (EG) nr. 1954/2003 luidt als volgt:

"1. De Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 worden ingetrokken met ingang van:

a) de datum van inwerkingtreding van de in artikel 11, lid 2 of lid 3, bedoelde verordening;

b) 1 augustus 2004,

als dat eerder is.

2. (...)"

3.11 De Ombudsman merkt op dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 dus een expliciete bepaling bevat met betrekking tot de datum waarop de intrekking van de verordeningen van 1995 in werking zou treden. Het is verder duidelijk dat deze datum niet 14 november 2003 was, zoals de Commissie heeft betoogd, maar een latere datum die tot 1 augustus 2004 (13) zou kunnen zijn. De Ombudsman is van mening dat de meest logische interpretatie van deze bepaling is dat de wetgever heeft gewild dat de verordeningen van 1995 niet met onmiddellijke ingang worden ingetrokken, maar pas nadat de "artikel 11-verordening" was vastgesteld of nadat een periode was verstreken die voldoende was voor de vaststelling ervan, een periode waarvan de wetgever het einde op 1 augustus 2004 heeft vastgesteld.

3.12 De Ombudsman is van mening dat deze interpretatie wordt bevestigd door artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1954/2003, waarin bepaalde wijzigingen van Verordening (EG) nr. 2847/93 zijn vastgesteld. Zowel uit de formulering van deze bepaling ("...wordt hierbij gewijzigd") als uit de structuur van de verordening blijkt dat deze wijzigingen in werking zouden treden met de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003. Volgens de Ombudsman moet het feit dat in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 een andere datum voor de intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 is vastgesteld, derhalve worden uitgelegd als een bewuste keuze van de wetgever.

3.13 De Ombudsman is voorts van mening dat deze interpretatie ook in overeenstemming is met het doel dat artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 lijkt te hebben gediend. In overweging 4 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 wordt gesteld dat een nieuwe regeling voor het beheer van de visserij-inspanning moet worden vastgesteld "om ervoor te zorgen dat het algemene niveau van de bestaande visserij-inspanning niet toeneemt". Volgens overweging 12 moeten de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95 worden ingetrokken "om de rechtszekerheid te waarborgen, wijzigingen in het huidige evenwicht in de betrokken gebieden en bestanden te voorkomen en te garanderen dat de verrichte visserijinspanning in evenwicht is met de beschikbare bronnen". Het is moeilijk in te zien hoe deze doelstellingen naar behoren kunnen worden bereikt op basis van de door de Commissie verdedigde interpretatie. Er zij aan herinnerd dat de "artikel 11-verordening" tot vaststelling van de maximale jaarlijkse visserijinspanning voor elke lidstaat en voor elk gebied en elke visserijtak pas in juli 2004 is aangenomen.

Voorts zij eraan herinnerd dat de bij de Verordeningen 685/95 en 2027/95 ingestelde regeling het gebruik van gesleept vistuig in de wateren van de Azoren verbood. Op 3 februari 2004 publiceerde de Commissie haar voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bescherming van diepzeekoraalriffen tegen de gevolgen van trawlvisserij in bepaalde gebieden van de Atlantische Oceaan (COM(2004) 58 def.). In dit voorstel verwees de Commissie naar de mogelijk schadelijke gevolgen van de trawlvisserij en stelde zij voor een verordening vast te stellen waarbij het gebruik van deze visserijmethode in bepaalde gebieden wordt verboden. In haar voorstel verwees de Commissie uitdrukkelijk naar waterhabitats in de wateren van de Azoren als gebieden die moesten worden beschermd. Voorts zij erop gewezen dat de Commissie op 16 augustus 2004 een nieuw voorstel voor de vaststelling van een dergelijk verbod heeft ingediend (14). In dit voorstel stelde de Commissie dat de kwestie dringend was, dat het Europees Parlement het in februari 2004 ingediende voorstel nog niet had behandeld en dat de Raad daarom zelf de nodige maatregelen moest nemen (15). Indien de interpretatie van verordening nr. 1954/2003 door de Commissie juist was, werd het verbod op trawlvisserij in de wateren van de Azoren met ingang van 14 november 2003 opgeheven, om bijna een jaar later opnieuw te worden ingevoerd en op basis van twee voorstellen van de Commissie in februari 2004 en in juli 2004. De Ombudsman is van mening dat niets in Verordening (EG) nr. 1954/2003 erop wijst dat de wetgever dit heeft beoogd door artikel 5, lid 1, in die verordening op te nemen.

3.14 Tot slot merkt de Ombudsman op dat de Commissie zelf in haar toelichting bij het voorstel dat zij op 3 februari 2004 heeft ingediend (zie punt 3.13 hierboven), heeft bevestigd dat de Verordeningen 685/95 en 2027/95 nog niet waren afgeschaft. In deze tekst wees de Commissie erop dat de bestaande regeling de wateren van de Azoren had beschermd tegen trawlvisserij, dat "deze regeling in 2004 niet langer van toepassing zal zijn" en dat "het nu belangrijk [is] de continuïteit van de bescherming van deze gebieden in het kader van de communautaire wetgeving te waarborgen".

3.15 In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat de door de Commissie in haar verklaringen verdedigde uitlegging van artikel 5, lid 1, en artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 onjuist was.

3.16 Opgemerkt zij dat de toelichting bij het op 3 februari 2004 ingediende voorstel was gebaseerd op de (juiste) veronderstelling dat de Verordeningen 685/95 en 2027/95 pas "in 2004" niet meer van toepassing zouden zijn. De Commissie was vervolgens echter van mening dat deze verordeningen reeds met ingang van 14 november 2003 waren ingetrokken. De Ombudsman is van mening dat de door de Commissie verstrekte toelichtingen met betrekking tot deze divergentie niet overtuigend zijn. Ongeacht of de relevante verklaring in de tekst van 3 februari 2004 al dan niet eerder bij de juridische dienst van de Commissie is ingediend, neemt dit niet weg dat de Commissie publiekelijk heeft laten verstaan dat zij ervan uitging dat de verordeningen van 1995 nog niet waren ingetrokken. Dit standpunt is bijna drie maanden na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1954/2003 openbaar gemaakt, waarnaar bovendien in een voetnoot van de voorgestelde verordening wordt verwezen.

In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat het standpunt van de Commissie niet strookte met het standpunt in de toelichting van 3 februari 2004.

3.17 De Ombudsman is van mening dat deze juridische fout en deze inconsistentie wanbeheer vormen. In dit verband zal een kritische opmerking worden gemaakt.

4 Vermeend illegaal vertrouwen op een informele nota

4.1 Klager voerde aan dat de "spraaknota" en de "nota voor het dossier" geen formeel advies van de Juridische Dienst van de Commissie waren. Hij bekritiseerde het feit dat ze desondanks waren tegengehouden en ingeroepen alsof ze dat wel waren.

4.2 In haar advies benadrukte de Commissie dat de nota in kwestie het officiële standpunt van de Juridische Dienst vertegenwoordigt en dat deze bij de Commissie is ingediend volgens interne procedures van de Commissie die werden gebruikt om adviezen van de Juridische Dienst in te winnen en die betrekking hebben op de vraag hoe deze adviezen worden gebruikt.

4.3 In zijn opmerkingen verklaarde klager kennis te hebben genomen van het feit dat "Nota voor het dossier" het officiële standpunt van de Commissie vertegenwoordigde.

4.4 Gezien het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat klager zijn bewering dat de "spraaknota" en de "nota voor het dossier" geen formeel advies van de Juridische Dienst van de Commissie waren, niet heeft aangetoond. Er is dus geen sprake van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht.

5 Vermeend machtsmisbruik

5.1 Klager beweerde dat de Commissie opzettelijk had getracht de vraag te vermijden wanneer de vroegere regeling niet langer van toepassing was totdat de kwestie niet langer relevant was (d.w.z. na 1 augustus 2004). Volgens klager had de Commissie haar antwoorden op brieven en parlementaire vragen opzettelijk gemanipuleerd om zo dubbelzinnig mogelijk te zijn.

5.2 In haar advies stelde de Commissie dat zij in haar "sprekingsnota" een duidelijk standpunt had ingenomen ten aanzien van de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003. Volgens de Commissie waren alle standpunten die zij bij het beantwoorden van brieven en parlementaire vragen had ingenomen, op deze beoordeling gebaseerd.

5.3 In zijn opmerkingen was klager van mening dat de Commissie opzettelijk had getracht te voorkomen dat de vraag zou worden beantwoord wanneer de vroegere regeling ophield van toepassing te zijn. Volgens klager had de Commissie gedurende een aantal maanden eenvoudigweg de onomstreden verklaring herhaald dat artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 in werking was getreden, maar was zij er niet in geslaagd de meer fundamentele vraag naar de gevolgen daarvan te beantwoorden. Volgens klager had Fischler pas in zijn brief van 13 april 2004 uitdrukkelijk verklaard dat de Commissie van mening was dat de inwerkingtreding van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 tot gevolg had dat de Verordeningen (EG) nr. 685/2003 en (EG) nr. 2027/95 met ingang van 14 november 2003 niet langer van toepassing waren.

5.4 In haar "spraaknota" van 19 februari 2004 verklaarde de Commissie dat Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 in werking was getreden. Vervolgens heeft zij opgemerkt dat er met betrekking tot artikel 15 twijfels waren gerezen over de toepasselijkheid vanaf die datum van de artikelen 5 en 13 van de verordening. De Commissie stelde dat deze bepaling geen invloed had op de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003, waarbij zij wees op de lex posterior-regel, en vervolgde als volgt: "Tel est le cas en ce qui concerne l'article 5 du règlement n o 1954/2003. Cet artikel donne une exclusivité moins étendue aux navires espagnoles et portugais que le régime précédent formellement pas encore abrogé. Dans ce cas, c'est la règle postérieure, donc le règlement n o 1954/2003 qui prévaut." [Dit is het geval met betrekking tot artikel 5 van Verordening 1954/2003. Deze bepaling geeft Spaanse en Portugese vaartuigen minder uitgebreide exclusiviteit dan de vorige regeling, die nog niet formeel is ingetrokken. In dit geval is het de latere regel, d.w.z. Verordening (EG) nr. 1954/2003, die voorrang heeft.]

5.5 De Ombudsman is van mening dat het nuttig zou zijn geweest als de Commissie van meet af aan had verduidelijkt dat dit volgens hem betekende dat de beperkingen op de toegang tot de wateren van de Azoren (voor de zone tussen 100 en 200 zeemijl) die waren vastgelegd in de Verordeningen 685/95 en 2027/95 "niet langer van toepassing zijn en zijn vervangen door de bepalingen van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad" (zoals de heer Fischler in zijn brief aan klager van 13 april 2004 heeft verklaard). De Ombudsman is echter van mening dat het niet onmogelijk was uit de "spraaknota" af te leiden dat dit inderdaad het standpunt van de Commissie was. Volgens de Ombudsman is er bovendien niet genoeg bewijs om aan te tonen dat de Commissie opzettelijk had geprobeerd de kwestie te vermijden of dat zij haar antwoorden op brieven en parlementaire vragen opzettelijk had gemanipuleerd om zo dubbelzinnig mogelijk te zijn.

5.6 De Ombudsman stelt derhalve geen wanbeheer vast met betrekking tot dit aspect van de klacht.

6 Vermeende afwezigheid van onpartijdigheid

6.1 Klager beweerde dat de Commissie een voorkeursbehandeling had toegekend aan de Spaanse autoriteiten van wie de klacht was behandeld op de dag waarop zij was ingediend (terwijl de Azoren pas een ontvangstbevestiging met betrekking tot hun klacht hadden ontvangen nadat zij de Commissie een herinnering hadden gestuurd).

6.2 In haar advies stelde de Commissie dat de door de Spaanse autoriteiten verstrekte informatie over het in de buurt van de Azoren geïnspecteerde vaartuig (heffing op illegale visserij, aanhouding van het vaartuig in de haven, verplichting om de volgende dag voor de bevoegde rechtbank te verschijnen) de Commissie had voorgesteld de situatie zo snel mogelijk te verduidelijken. Volgens de Commissie waren hier twee belangrijke redenen voor: ten eerste vormde de aanhouding van een vaartuig een situatie die niet buitensporig lang kon worden verlengd, en ten tweede was de Commissie ten tijde van de gebeurtenissen (maart 2004) reeds in staat om een geconsolideerde aanpak te volgen met betrekking tot de toepassing van verordening nr. 1954/2003. De Commissie stelde dat de situatie zeer verschillend was wat de door de regionale regering van de Azoren ingediende klacht betreft.

6.3 In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de urgentie van de door de regionale regering van de Azoren gevraagde maatregelen voor de Commissie duidelijk moet zijn geweest, aangezien het onderwerp van deze klacht slechts tot 1 augustus 2004 aan de orde was. De klager voerde verder aan dat de "Speaking Note" in alle materiële opzichten de tekst van de "Nota voor het dossier" van 6 februari 2004 weergaf. Volgens hem was de rechtspositie van de Commissie dus op 6 februari 2004 tot stand gekomen. De klacht van de regionale regering van de Azoren was echter op 9 februari 2004 ingediend. Volgens klager had de Commissie deze klacht dus uiterlijk op 19 februari 2004 kunnen behandelen.

6.4 In haar antwoord op een verzoek om aanvullende informatie van de Ombudsman benadrukte de Commissie dat zij niet van mening was dat de visserijactiviteiten van niet-Portugese vaartuigen in de zone tussen 100 en 200 zeemijl van de wateren van de Azoren na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003 op 14 november 2003 het nemen van de door de regionale regering van de Azoren gevraagde preventieve maatregelen zouden rechtvaardigen. Volgens haar werd de bescherming van de zone van de Azoren daadwerkelijk gewaarborgd door technische instandhoudingsmaatregelen of andere maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en niet door de toegang tot deze zone te beperken. De Commissie merkte op dat zij daarom in februari 2004 een voorstel voor een verordening had ingediend, met name om deze situatie aan te pakken. Zij voegde daaraan toe dat Fischler in zijn verklaring van 9 februari 2004 had geantwoord op het verzoek van klager en niet op dat van de regionale regering van de Azoren.

6.5 In zijn opmerkingen wees klager erop dat in de klacht van de regionale regering van de Azoren alleen was gevraagd om de beperkingen van de verordeningen 685/95 en 2027/95 te blijven toepassen tot de juiste datum van intrekking. Klager voerde verder aan dat als de Commissie zo onvermurwbaar van mening was dat deze klacht ongegrond was, het verrassend was dat haar onderzoek van de klacht nog gaande leek te zijn. Indien de klacht kennelijk ongegrond was, had de Commissie het dossier onmiddellijk moeten sluiten.

6.6 De Ombudsman merkt op dat klager aanvoerde dat de Commissie de brief van de Spaanse autoriteiten een voorkeursbehandeling had gegeven ten opzichte van de klacht van de regionale regering van de Azoren. De enige concrete informatie over de behandeling van de brief van de Spaanse autoriteiten die aan de Ombudsman is voorgelegd, betreft echter het feit dat de brief naar de Portugese autoriteiten lijkt te zijn gestuurd voor commentaar op de dag dat de Commissie hem ontving. Het is dus in verband met dit aspect dat de opmerkingen van klager moeten worden beoordeeld.

6.7 De Ombudsman merkt op dat uit de hem door de Commissie overgelegde documenten blijkt dat de Commissie de regionale regering van de Azoren op 18 februari 2004 heeft gevraagd of zij ermee instemde dat haar identiteit aan de Spaanse autoriteiten kon worden meegedeeld, dat op 4 maart 2004 een herinnering is verzonden en dat de Commissie de Spaanse autoriteiten bij brief van 12 maart 2004 om hun opmerkingen over de klacht heeft verzocht (die binnen 30 dagen na ontvangst van deze brief moesten worden ingediend). Voorts moet worden opgemerkt dat de klager niet heeft betwist dat de Commissie het noodzakelijk achtte de regionale regering van de Azoren om toestemming te vragen om haar identiteit bekend te maken alvorens deze klacht aan de Spaanse autoriteiten door te sturen. Gezien deze feiten is de Ombudsman van mening dat klager zijn standpunt dat de Commissie de brief van de Spaanse autoriteiten een voorkeursbehandeling had toegekend, niet heeft onderbouwd.

6.8 Er is dus geen sprake van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.

6.9 In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de urgentie van de door de regionale regering van de Azoren gevraagde maatregelen voor de Commissie duidelijk moet zijn geweest. Klager leek dus aan te voeren dat de Commissie deze klacht niet zo dringend behandelde als zij had moeten doen.

6.10 De Ombudsman is van mening dat uit de opmerkingen van de Commissie in deze zaak blijkt dat de Commissie van mening was dat de klacht van de regionale regering van de Azoren ongegrond was. Het is dan ook niet duidelijk waarom het onderzoek van deze klacht nog in behandeling leek te zijn toen de Commissie op 9 maart 2005 antwoordde op het verzoek van de Ombudsman om nadere informatie in deze zaak. Opgemerkt moet echter worden dat de vraag of de Commissie de klacht van de regionale regering van de Azoren naar behoren heeft behandeld, een kwestie is die als zodanig niet in de oorspronkelijke klacht aan de orde was gesteld en die dus niet voor advies aan de Commissie is voorgelegd. De Ombudsman is van mening dat uitbreiding van de reikwijdte van zijn onderzoek tot deze verdere kwestie zijn besluit over de oorspronkelijke klacht zou vertragen en dat dit niet in het belang van klager zou zijn. Hij is derhalve van mening dat deze verdere kwestie in de onderhavige zaak niet voor onderzoek in aanmerking mag worden genomen. Klager blijft echter vrij om over dit onderwerp een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman.

7 Vermeend verzuim om de Azoren in kennis te stellen

7.1 Klager voerde aan dat de regionale regering van de Azoren nog steeds geen antwoord had ontvangen op hun brief van 9 februari 2004. Voorts merkte hij op dat de heer Fischler hem op 9 maart 2004 in het Europees Parlement had meegedeeld dat de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen in de wateren van de Azoren buiten de 100-mijlszone geen noodmaatregelen rechtvaardigde. Klager wees erop dat in artikel 20 van de Europese code van goed administratief gedrag is bepaald dat besluiten schriftelijk aan de betrokken personen moeten worden meegedeeld en niet aan derden mogen worden meegedeeld "totdat de betrokken persoon of personen in kennis zijn gesteld". Volgens klager was dit in de onderhavige zaak niet gebeurd.

7.2 Volgens de Commissie wordt de klacht momenteel onderzocht. Volgens de Commissie was er een briefwisseling geweest met de Spaanse en de Portugese autoriteiten, aangezien zij nog niet over alle feiten beschikte. De laatste termijn voor het verstrekken van informatie door de Spaanse autoriteiten was 30 juli 2004 en het dossier zou dan door de Juridische Dienst van de Commissie aan een eindonderzoek worden onderworpen. De Commissie voegde daaraan toe dat de autoriteiten van de Azoren op de hoogte zouden worden gebracht zodra het onderzoek van de klacht was afgerond.

7.3 In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de verklaring van de heer Fischler in zijn antwoord van 9 maart 2004 op een mondelinge vraag in het Europees Parlement dat de aanwezigheid van Spaanse vaartuigen in de wateren van de Azoren buiten de 100-mijlszone geen "noodmaatregelen" rechtvaardigde, redelijkerwijs kon worden opgevat als een verwijzing naar de door de regionale regering van de Azoren gevraagde noodmaatregelen.

7.4 In antwoord op een verzoek om nadere inlichtingen van de Ombudsman heeft de Commissie kopieën overgelegd van de brieven die zij had verzonden in het kader van haar onderzoek van de klacht van de regionale regering van de Azoren.

7.5 Klager heeft met betrekking tot deze documenten geen specifieke opmerkingen ingediend.

7.6 De Ombudsman is van mening dat uit de door de Commissie overgelegde documenten blijkt dat zij haar onderzoek van de klacht van de regionale regering van de Azoren actief voortzette en dat zij in de loop van dit onderzoek verschillende brieven aan deze regering heeft gestuurd (in februari 2004, in maart 2004, in juni 2004 en in oktober 2004).

7.7 Gezien het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de bewering van klager dat de regionale regering van de Azoren geen antwoord op hun brief van 9 februari 2004 had ontvangen, niet wordt bevestigd door de informatie die hem is verstrekt. De Ombudsman merkt voorts op dat de Commissie heeft verklaard dat de autoriteiten van de Azoren in kennis zullen worden gesteld zodra het onderzoek van de klacht is afgerond.

7.8 In deze omstandigheden wordt geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot dit aspect van de klacht.

8 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt:

Het is een goede administratieve praktijk voor de administratie om juridische fouten en inconsistenties in haar openbare verklaringen te voorkomen en eventuele fouten te erkennen en te corrigeren. Rekening houdend met de formulering, de structuur en het doel van de desbetreffende regels in Verordening (EG) nr. 1954/2003 is de Ombudsman van mening dat de interpretatie van de Commissie met betrekking tot de datum waarop artikel 5, lid 1, van deze verordening van kracht werd, onjuist was. Bovendien was het standpunt van de Commissie niet in overeenstemming met een standpunt dat zij in haar memorie van toelichting had ingenomen met betrekking tot een ander ontwerp van verordening dat op 3 februari 2004 was gepubliceerd. Deze juridische fout en inconsistentie vormen wanbeheer.

Aangezien deze aspecten van de zaak betrekking hebben op procedures in verband met specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend te streven naar een minnelijke schikking van de zaak. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Een samenvatting van het beroep is bekendgemaakt in PB 2004, C 71, blz. 15.

(2) Zie de samenvatting in PB 2004, C 94, blz. 47.

(3) Een verzoek in kort geding (zaak T-37/04 R) is bij beschikking van de president van het Gerecht van 7 juli 2004 afgewezen.

(4) PB 2003, C 222 E, blz. 138.

(5) PB L 71, blz. 5.

(6) PB L 199, blz. 1.

(7) Zie de punten 5 tot en met 7 van de beschikking van de president van het Gerecht van 7 juli 2004 in zaak T-37/04 R).

(8) PB L 261, blz. 1.

(9) PB L 125, blz. 1.

(10) PB L 358, blz. 59.

(11) PB L 289, blz. 1.

(12) Beschikbaar op de website van de Ombudsman (http://www.ombudsman.europa.eu).

(13) Uiteindelijk is de "artikel 11-verordening" vastgesteld op 19 juli 2004 (Verordening (EG) nr. 1415/2004 van de Raad van 19 juli 2004 tot vaststelling van het maximale jaarlijkse visserijinspanningsniveau voor bepaalde visserijgebieden en visserijtakken, PB L 258, blz. 1). Deze verordening is in werking getreden op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het PB (die plaatsvond op 5 augustus 2004).

(14) Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2287/2003 wat betreft het aantal zeedagen voor vaartuigen die in de Noordzee op schelvis vissen en het gebruik van bodemtrawls in de wateren rond de Azoren, de Canarische Eilanden en Madeira (COM/2004/0555 def.).

(15) De Raad heeft de gevraagde maatregel in oktober 2004 vastgesteld (Verordening (EG) nr. 1811/2004 van de Raad van 18 oktober 2004, PB L 319, blz. 1).

(16) Nadat klager het besluit van de Ombudsman in deze zaak had ontvangen, deelde hij het bureau van de Ombudsman mee dat hij er niet langer op aandrong dat zijn klacht vertrouwelijk zou worden behandeld.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!