Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Toespraak van de Europese Ombudsman: De burger, de rechtsstaat en openheid, toespraak van Jacob Söderman, Europese Ombudsman, tijdens de conferentie over Europees recht, Stockholm, Zweden, 12 juni 2001, sessie 8, 12 juni 2001, 09.00-17.00 uur, "The need for clarity and public access: het overbruggen van de kloof tussen de Unie en haar burgers.
Toespraak - Spreker Jacob SÖDERMAN - Plaats Stockholm - Land Zweden - Datum Dinsdag | 12 juni 2001
De Unie is zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed en is gegrondvest op de ondeelbare, universele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit; het is gebaseerd op de beginselen van democratie en de rechtsstaat. Het stelt het individu centraal in zijn activiteiten, door het burgerschap van de Unie tot stand te brengen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen. (Uit de preambule van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie).
1 Burgerschap en de rechtsstaat
Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht in november 1993 werd elke onderdaan van een lidstaat bovendien burger van de Europese Unie (1). Voordien werkten de Europese Gemeenschappen meer als een internationale organisatie en werkten zij alleen samen met de autoriteiten van de lidstaten. Het Europees Parlement is sinds 1979 rechtstreeks verkozen, maar de burgers waren niet rechtstreeks betrokken bij een van de andere instellingen.
In de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, houdt burgerschap in dat de verhouding tussen individuen en het openbaar gezag gebaseerd is op de rechtsstaat en het beginsel van democratie. De Europese Unie is op deze beginselen gebaseerd, zoals blijkt uit artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit het Handvest van de grondrechten, dat op 7 december 2000 in Nice is afgekondigd door de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (2).
De rechtsstaat houdt in dat geen enkele persoon of lichaam, hoe machtig ook, straffeloos de wet kan overtreden. Elke burger mag verwachten dat niet alleen andere burgers, maar ook overheidsinstanties zich aan de wet zullen houden. Als een overheidsinstantie niet handelt in overeenstemming met een bindende regel of een bindend beginsel, vormt dat een bedreiging voor zowel de individuele rechten als het democratische beginsel dat de ambtsdragers verantwoording moeten afleggen aan de burgers voor hun daden.
Beroep bij de nationale rechter
Een fundamentele verwezenlijking van de Europese integratie is het scheppen van wettelijke rechten voor individuen, zowel ten opzichte van de communautaire instellingen als ten opzichte van de lidstaten. Vanaf zijn arrest in de zaak Van Gend en Loos (3) heeft het Hof van Justitie geleidelijk het beginsel ontwikkeld dat de nationale rechterlijke instanties de rechten moeten eerbiedigen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen. De nationale rechterlijke instanties moeten deze rechten tegen overheidsinstanties beschermen door middel van de toepassing van rechtstreeks werkende bepalingen van het Gemeenschapsrecht, de uitlegging van het nationale recht en de toekenning van schadevergoeding (4).
Het Hof van Justitie heeft aldus een gedecentraliseerde procedure voor de handhaving van het Gemeenschapsrecht bevorderd, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en de logica van het stelsel van het Verdrag. Het zijn de nationale rechterlijke instanties en niet de communautaire rechterlijke instanties die de rechten van particulieren rechtstreeks tegenover de lidstaten doen gelden. Het Hof van Justitie heeft tot taak door middel van prejudiciële beslissingen krachtens artikel 234 EG ervoor te zorgen dat alle nationale rechterlijke instanties hetzelfde recht toepassen.
De hoedster van het Verdrag
Vanaf het begin heeft het EG-Verdrag ook voorzien in een gecentraliseerde procedure voor de handhaving van het Gemeenschapsrecht. Het huidige artikel 211 van het EG-Verdrag verplicht de Commissie "ervoor te zorgen dat de bepalingen van dit Verdrag en de door de instellingen op grond daarvan genomen maatregelen worden toegepast". In deze rol staat de Commissie informeel bekend als "de hoedster van het Verdrag".
Wat de lidstaten betreft, is de belangrijkste executoriale titel die de oprichters van de Gemeenschap aan de Commissie hebben gegeven thans artikel 226 EG (ex artikel 169):
Indien de Commissie van oordeel is dat een Lid-Staat een krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, nadat zij de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te maken.
Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Commissie gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie zich tot het Hof van Justitie wenden.
Het doel van gecentraliseerde handhaving
Waarom heeft de Unie zowel gecentraliseerde handhaving als een gedecentraliseerd systeem nodig? Er zijn twee redenen.
Ten eerste is het handhaven van de rechtsstaat een publieke taak. Het kan niet geprivatiseerd worden zonder het principe zelf op te offeren.
Ten tweede verwachten burgers van overheidsinstanties dat zij zich aan de wet houden, ongeacht of hun privérechten worden aangetast door het nalaten dit te doen.
Particuliere partijen zijn niet verplicht een beroep te doen op de rechterlijke bescherming van hun rechten. In veel gevallen vinden ze het te duur om dit te doen. Bovendien moet de burger die naar de rechter wil stappen, zich beroepen op publiekrechtelijke rechtsmiddelen indien zijn of haar privérechten niet worden aangetast. Deze zijn niet geharmoniseerd tussen de lidstaten. Zoals de Commissie heeft erkend, kan de Commissie zich voor veel klagers alleen baseren op (5).
Gecentraliseerde en gedecentraliseerde handhaving vullen elkaar aan en versterken elkaar. Het zijn geen alternatieven. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat de Commissie zich grotendeels baseert op klachten van burgers om haar op de hoogte te stellen van tekortkomingen van de lidstaten bij de correcte toepassing van het Gemeenschapsrecht. In 1989 publiceerde de Commissie in het Publikatieblad een standaardformulier waarop klachten konden worden ingediend. De huidige versie van het klachtenformulier dateert van 1999 (6).
Het belang van de rol van de Commissie als hoedster van het Verdrag werd ook benadrukt door de lidstaten, in verklaring 19 bij de Slotakte van het Verdrag van Maastricht (7). Deze woorden zijn aangevuld met concrete maatregelen om de gecentraliseerde handhaving te versterken:
- In het Verdrag van Maastricht werd het recht om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement erkend als een recht op Europees burgerschap. De reikwijdte van het recht om een verzoekschrift in te dienen omvat klachten over inbreuken op het Gemeenschapsrecht door de lidstaten. Via de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement worden dergelijke klachten doorgaans door de Commissie geregistreerd als inbreukprocedures (8).
- Het Verdrag van Amsterdam voorzag in de mogelijkheid van een aanvullende procedure indien een lidstaat een arrest van het Hof van Justitie uit hoofde van artikel 226 niet naleeft. De Commissie kan de zaak terugverwijzen naar het Hof van Justitie op grond van artikel 228 van het EG-Verdrag, onder vermelding van een financiële sanctie die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Indien het Hof vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet heeft uitgevoerd, kan het een forfaitaire som of een dwangsom opleggen (9).
- In 1998 heeft de Raad een verordening aangenomen tot vaststelling van bijzondere maatregelen in geval van ernstige belemmeringen van het vrije verkeer van goederen die dringend optreden vereisen (10).
De Commissie heeft ook stappen ondernomen om haar werkmethoden met betrekking tot inbreukprocedures te verbeteren (11). Zij heeft zowel haar onwrikbare gehechtheid aan haar rol als hoedster van de communautaire rechtsorde als het belang dat de burgers aan deze taak hechten, beklemtoond (12).
Het lijkt er echter op dat de Commissie de voor de hand liggende gevolgen van het burgerschap en de rechten van de burgers voor de procedure van artikel 226 nooit heeft aanvaard.
2 De procedure van artikel 226 (13)
De procedure van artikel 226 begint wanneer de Commissie voor het eerst op een mogelijke inbreuk wordt gewezen. De Commissie houdt zelf toezicht op de omzetting van richtlijnen in nationaal recht. Zoals hierboven vermeld, baseert de Commissie zich echter voornamelijk op klachten van burgers om haar te wijzen op mogelijke inbreuken op de toepassing van het Gemeenschapsrecht door overheidsinstanties in de lidstaten.
Wanneer de Commissie kennis krijgt van een mogelijke inbreuk, registreert zij de zaak en voert zij een vooronderzoek uit. Indien een zaak moet worden beantwoord, stuurt de Commissie de lidstaat een aanmaningsbrief (lettre de mise en demeure in het Frans). Hierin wordt gespecificeerd wat de staat wordt verweten verkeerd te hebben gedaan en wordt een termijn vastgesteld voor het indienen van zijn opmerkingen.
Na het verstrijken van de termijn is de volgende stap dat de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt. In het advies wordt een termijn voor de naleving door de lidstaat vastgesteld.
Indien de lidstaat niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn aan de voorschriften voldoet, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie. Het woord "kunnen" is belangrijk, omdat het betekent dat de Commissie niet verplicht is elke inbreuk aan het Hof voor te leggen. De rechtspraak van het Hof bevestigt dat de verwijzingsbeslissing al dan niet discretionair is. Het Hof heeft ook verklaard dat particulieren de Commissie niet kunnen verplichten een bepaald standpunt in te nemen. Evenmin kunnen zij beroep instellen tegen de Commissie indien zij weigert een inbreuk aan het Hof voor te leggen (14).
De rol van de burger in de procedure van artikel 226
Uit de bovenstaande beschrijving blijkt duidelijk dat de mogelijkheid van de Commissie om een inbreuk voor te leggen aan het Hof van Justitie pas ontstaat na een administratieve procedure die verschillende fasen omvat: registratie, vooronderzoek, aanmaningsbrief en met redenen omkleed advies.
De traditionele opvatting is dat deze procedures alleen betrekking hebben op de Commissie en de lidstaten. Volgens deze opvatting is de burger geen partij en heeft hij geen rechten in de administratieve procedure. In feite wordt de burger beschouwd als een informant. In haar veertiende jaarverslag over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht heeft de Commissie dit traditionele standpunt als volgt verwoord:
De burger is geen partij bij een procedure die in geen geval zijn persoonlijke situatie kan veranderen, maar hij speelt een waardevolle rol op het gebied van opsporing en informatie (15).
Het is begrijpelijk dat de inbreukprocedure op deze wijze is opgevat toen de Gemeenschap voor het eerst werd opgericht. Op dat moment was het niet zo verschillend van andere internationale organisaties. Er waren geen burgers. Natuurlijke personen zijn slechts geleidelijk erkend als subjecten van de nieuwe communautaire rechtsorde.
Sindsdien heeft het Verdrag van Maastricht het burgerschap van de Unie en het recht van burgers om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement vastgelegd, onder meer over schendingen van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten. Bij het Verdrag van Maastricht is ook het bureau van de Europese Ombudsman ingesteld, bij wie burgers een klacht kunnen indienen over wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen en organen. Het Verdrag van Amsterdam voegde daaraan toe dat besluiten in de Unie zo open mogelijk moeten worden genomen en dat het recht op behoorlijk bestuur recentelijk in het Handvest van de grondrechten is verankerd.
3 Pogingen van de Europese Ombudsman om de procedure van artikel 226 te verbeteren
Al snel na het begin van de werkzaamheden van de Europese Ombudsman werd duidelijk dat veel burgers ontevreden waren over de behandeling door de Commissie van klachten over inbreuken op het Gemeenschapsrecht door de lidstaten. Zij gaven als redenen: het geheimzinnige en tijdrovende karakter van de procedure van artikel 226; gebrek aan informatie over ontwikkelingen; en het niet opgeven van redenen voor het sluiten van zaken. De burgers kregen de indruk dat de Commissie hooghartig en arrogant gedrag vertoonde en dat de procedure ruimte biedt voor politieke vaststelling.
Na een aantal van deze klachten te hebben behandeld, startte de Ombudsman in april 1997 een onderzoek op eigen initiatief naar de procedures van de Commissie. Het belangrijkste resultaat van het onderzoek op eigen initiatief was dat de Commissie ermee instemde de klager in kennis te stellen van haar redenen voordat zij een zaak sloot, waardoor de klager in de gelegenheid werd gesteld zijn standpunt kenbaar te maken vóór het definitieve besluit (16). Dit gaf klager een aantal redenen voor de acties van de Commissie en een beperkte mogelijkheid om te worden gehoord. In een kritische opmerking in 2000 was de Ombudsman van mening dat de Commissie dezelfde procedure had moeten toepassen toen zij besloot de basis waarop zij de zaak van klager behandelde, fundamenteel te wijzigen (17).
Discretie
De Ombudsman heeft ook klachten ontvangen over wanbeheer bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie in de procedure van artikel 226 (18). De Ombudsman heeft dergelijke zaken behandeld volgens drie algemene beginselen van bestuursrecht die van toepassing zijn wanneer een overheidsinstelling of -orgaan de wettelijke bevoegdheid heeft om te kiezen tussen twee of meer mogelijke wijzen van optreden (19).
In de eerste plaats moet de instelling of het orgaan het fundamentele vereiste van een eerlijke administratieve procedure in acht nemen, namelijk dat een persoon het recht heeft opmerkingen in te dienen voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen aantast. Dit recht omvat onder meer de volgende elementen:
i) voldoende tijd om eventuele opmerkingen voor te bereiden en in te dienen
ii) voldoende informatie over de grondslag van het voorgestelde besluit, zodat de klager daadwerkelijk de gelegenheid heeft om alle relevante kwesties aan te pakken (20).
Ten tweede moet de instelling of het orgaan altijd goede redenen hebben om de ene handelwijze te kiezen in plaats van de andere. De motivering van een bepaalde gedragslijn is een normaal onderdeel van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, zowel om de betrokkenen te informeren als om de toetsing van het besluit te vergemakkelijken.
Ten derde moet de instelling of het orgaan dat een discretionaire bevoegdheid uitoefent, binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheid blijven. Discretionaire macht is geen dictatoriale macht. Er kunnen zeer ruime discretionaire bevoegdheden bestaan, maar deze zijn altijd onderworpen aan wettelijke beperkingen. In de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn algemene beperkingen voor dergelijke bevoegdheden vastgesteld, die bijvoorbeeld vereisen dat administratieve autoriteiten consequent en te goeder trouw handelen, discriminatie vermijden, de beginselen van evenredigheid, gelijkheid en gewettigd vertrouwen in acht nemen en de mensenrechten en fundamentele vrijheden eerbiedigen.
De Ombudsman trekt de gegrondheid van een discretionair besluit niet in twijfel wanneer de betrokken instelling of het betrokken orgaan binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheid is gebleven.
4 Versterking van het burgerschap en de rechtsstaat
Klager als partij in de procedure van artikel 226.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bevat als artikel 41 het recht op behoorlijk bestuur. Hier is een deel van de tekst:
1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.
2. Dit recht omvat:
– het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;
– het recht van eenieder op toegang tot zijn dossier, met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van vertrouwelijkheid en van beroeps- en zakengeheim;
– de verplichting van de administratie om haar besluiten te motiveren.
(….)
In de zaak Thessaloniki Metro (21) maakte de Ombudsman nog een opmerking waarin hij suggereerde dat de Commissie zou overwegen een procedurecode vast te stellen voor de behandeling van klagers in artikel 226-zaken, in overeenstemming met het recht op behoorlijk bestuur van het Handvest. Als reactie hierop heeft de Commissie zich ertoe verbonden de relevante delen van haar handboek van operationele procedures te consolideren en deze op de Europa-website te publiceren (22). Deze positieve actie zal een stap voorwaarts zijn voor de burgers.
Voorzitter Prodi en commissaris Vitorino hebben onlangs over het Handvest gezegd:
Er kan geen twijfel bestaan over de fundamentele aard ervan. Het is bedacht en opgesteld met de grootste zorg.
De Commissie moet, net als de andere instellingen, kijken naar de praktische gevolgen van deze historische gebeurtenis en de eerbiediging van de in het Handvest vervatte rechten tot toetssteen voor haar optreden maken.
Dit moet een dwingende vereiste zijn in de dagelijkse werkzaamheden van de Commissie, zowel in de betrekkingen met het grote publiek en met degenen tot wie onze besluiten zijn gericht, als in onze interne regels en procedures (23).
Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat het recht op behoorlijk bestuur in het Handvest van de grondrechten ook van toepassing is op de administratieve fasen van de procedure van artikel 226. Dit moet zo zijn of de burger,
i) rechtstreeks bij de Commissie een klacht indient in haar hoedanigheid van hoedster van het Verdrag, of
ii) het recht uitoefent dat voortvloeit uit de artikelen 21 en 194 EG en artikel 44 van het Handvest om bij het Europees Parlement een verzoekschrift in te dienen over een inbreuk op het Gemeenschapsrecht door een lidstaat.
Met andere woorden, de burger moet worden erkend als partij in de administratieve fasen van de procedure voor de behandeling van zijn of haar klacht. Niets anders is in overeenstemming met de beginselen van het Europese bestuursrecht. Het is niet mogelijk om burgers in het Verdrag te erkennen en hun vervolgens in een administratieve procedure hun basisrechten te ontnemen om de andere partij, de lidstaat, een bevoorrechte positie te geven.
Als partij moet de burger toegang hebben tot het dossier van zijn klacht, overeenkomstig artikel 41 van het Handvest. Alleen volledige toegang tot het dossier met de feiten in de zaak kan het recht op een eerlijk proces waarborgen. Indien het dossier informatie bevat die bij wet als vertrouwelijk is aangemerkt, moet de partij verplicht zijn die informatie in acht te nemen. Bovendien moet het standpunt dat de Commissie aan het einde van de administratieve procedure inneemt, aan de burger worden gemotiveerd.
Openheid en doeltreffendheid gaan samen in de procedure van artikel 226.
Het streven van de Europese Unie naar openheid is opnieuw bevestigd in het Verdrag van Amsterdam. Artikel 1, tweede alinea, VEU, zoals gewijzigd, luidt als volgt:
Dit Verdrag markeert een nieuwe fase in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen.
Sommigen beweren dat de aard van de inbreukprocedure betekent dat het niet mogelijk is om de administratieve fasen ervan openlijk te voeren omdat er legitieme belangen van vertrouwelijkheid zijn die moeten worden beschermd. In haar in januari 2001 gepubliceerde voorstel voor een verordening inzake de toegang van het publiek tot documenten heeft de Commissie zelfs een nieuwe uitzondering opgenomen, speciaal voor inbreukprocedures. Gelukkig werd dit idee afgewezen: de Raad en het Europees Parlement weigerden de voorgestelde nieuwe uitzondering te aanvaarden.
De traditionele opvatting is dat vertrouwelijkheid een openhartige en onvoorwaardelijke dialoog tussen de Commissie en de lidstaat bevordert en dat dit noodzakelijk is om de lidstaat ervan te overtuigen zijn verplichtingen na te komen, wat het hele doel van artikel 226 is.
Dit argument lijkt niet erg overtuigend. Ik ben het er volledig mee eens dat wanneer een inbreuk door een lidstaat is vastgesteld, de hoedster van het Verdrag over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te beslissen hoe het best moet worden gehandeld, met inbegrip van onderhandelingen met de lidstaat om de correcte uitvoering van de wet te bevorderen. Het kan niet in alle gevallen verplicht zijn de zaak voor te leggen aan het Hof van Justitie. Vertrouwelijkheid in de administratieve fasen, vóór een eventuele verwijzing naar het Hof, betekent echter een onevenwichtige procedure. De ene partij, de klager, kan niet weten hoe de andere partij, de lidstaat, op de Commissie reageert. Deze situatie betekent dat de Commissie vaak de schuld krijgt van vertraging of gebrek aan samenwerking, wat de schuld is van de lidstaat. Bovendien krijgt de burger in sommige gevallen de indruk dat de procedure om de verkeerde redenen wordt stopgezet.
Indien de administratieve fasen van de inbreukprocedure openbaar zouden zijn, zou dit de lidstaat zeker aanmoedigen om zijn gedrag sneller aan te passen om aan de wettelijke vereisten te voldoen. Openheid zou de Commissie dan ook versterken in haar essentiële taak om de rechtsstaat te waarborgen. Burgers kunnen ook de procedure volgen en constateren dat er recht wordt gedaan.
Kanselier van Justitie?
Bij de behandeling van klachten moet de Commissie, zoals beloofd, een duidelijk procedureel wetboek invoeren, gebaseerd op het beginsel dat de burger die een klacht indient, partij is bij de administratieve procedure en alle procedurele waarborgen van het Gemeenschapsrecht en het Handvest van de grondrechten moet genieten. Het zo open en transparant mogelijk maken van de procedure zou een snellere behandeling van klachten bevorderen en tegelijkertijd de burgers op de hoogte houden van de activiteiten van de Commissie om de eerbiediging van de rechtsstaat in de Europese Unie te waarborgen.
De rechtsstaat vereist dat elke ongepaste invloed op de besluitvorming, bijvoorbeeld door lobbyisten, moet worden vermeden. Om vooringenomenheid en het verschijnen van vooringenomenheid te voorkomen, mogen degenen die belang hebben bij een zaak, met inbegrip van een nationaal belang, niet worden betrokken. Om beide redenen mogen inbreukprocedures niet door politieke kabinetten worden behandeld.
Een manier om tot een behoorlijke en onpartijdige behandeling van de zaak te komen, zou kunnen zijn dat de besluitvorming over de procedure van artikel 226 in de Commissie in handen zou moeten zijn van één commissaris die optreedt als een soort procureur-generaal. Als alternatief kan een kanselier van Justitie speciaal voor dit doel worden aangewezen.
Het subsidiariteitsbeginsel stelt voor dat de Commissie de eenvoudigere zaken doorstuurt naar instellingen in de lidstaten die reeds bestaan om toezicht te houden op de administratie en ervoor te zorgen dat deze handelt volgens de wet, zoals nationale en regionale ombudsmannen en soortgelijke organen. De Europese Ombudsman en zijn collega's in de lidstaten hebben in alle lidstaten al een netwerk van nationale en regionale ombudsmannen en soortgelijke organen opgericht. Wij zijn bereid bij dit soort activiteiten samen te werken om een betere toepassing van het Gemeenschapsrecht te bevorderen, ten behoeve van de Europese burgers.
In andere gevallen kunnen klagers die de mogelijkheid hebben om gerechtelijke procedures in te leiden bij nationale rechtbanken, worden geadviseerd om dit te doen.
Dergelijke maatregelen kunnen de hoedster van het Verdrag helpen te voldoen aan zijn verplichting uit hoofde van artikel 211 EG om ervoor te zorgen dat het Gemeenschapsrecht in alle lidstaten correct wordt toegepast. Zij laten haar echter niet aan deze verplichting ontsnappen.
Burgers kunnen de Unie niet echt vertrouwen als de hoedster van het Verdrag niet eerlijk en correct handelt. Op dit moment zijn de administratieve fasen van de procedure van artikel 226 geheim en duister, dus er is geen basis voor vertrouwen. Het is tijd om dit verouderde systeem te hervormen en de burgers te laten zien dat de Unie inderdaad op de rechtsstaat is gebaseerd.
(1) Over het belang en de implicaties van het burgerschap van de Unie, zie het algemeen verslag van de Europese Ombudsman, Jacob Söderman, aan het FIDE-congres van 1998 over "De burger, het bestuur en het Gemeenschapsrecht". Het verslag is beschikbaar op de website van de Ombudsman in het Engels en het Frans: http://www.ombudsman.europa.eu/FIDE/EN/Default.htm.
(2) PB C 364 van 11.6.2000, blz. 1.
(3) Zaak 26/62, van Gend en Loos, Jurispr. 1963, blz. 1.
(4) Een van de klassieke autoriteiten zijn: Zaak 43/75, Defrenne tegen Sabena, Jurispr. 1976, blz. 455; Zaak 41/74, Van Duyn/Home Office, Jurispr. 1974, blz. 1337; Zaak C 106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, blz. I 4135; Zaak C-6/90 en 9/90, Francovich en Bonifaci tegen Italië, Jurispr. 1991, blz. I-5357; Zaak C-46/93 en zaak C-48/93, Brasserie du Pêcheur/Duitsland, R/Secretary of State ex parte Factortame, Jurispr. 1996, blz. I-1029.
(5) Dertiende jaarverslag over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, COM(96) 600 def., 1996 PB 303/1, Inleiding blz. 6.
(6) 1999 PB C 119/5.
(7) Punt 2 van verklaring 19:
De conferentie roept de Commissie op om er bij de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 155 van het Verdrag voor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen nakomen. Hij verzoekt de Commissie op gezette tijden een volledig verslag voor de lidstaten en het Europees Parlement te publiceren.
(8) Zie het verslag van de Commissie verzoekschriften over de instelling van het verzoekschrift aan het begin van de 21e eeuw, maart 2001, A5-0088/2001 (rapporteurs Margot Kessler en Roy Perry).
(9) Zie bijvoorbeeld zaak C-387/97, Commissie/Griekenland, Jurispr. 2000, blz. I-5047, waarin het Hof een geldboete van 20 000 euro oplegde voor elke dag vertraging bij de uitvoering van de maatregelen die nodig waren om aan zijn eerdere arrest te voldoen.
(10) Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad, 1998, PB L 337/8. Zie ook het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2679/98, COM/2001/0160 def.
(11) SEC (1998) 1733 15.10.98.
(12) Zeventiende jaarverslag over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (1999) COM/2000/0092 def.
(13) Zie in het algemeen, A. Mattera, "La procédure en manquement et la protection des droits des citoyens et des opérateurs lésés", 1995/3 Revue du Marché Unique, 123-166, "Assurer une protection plus efficace des citoyens et des opérateurs économiques dans le cadre des voies de recours prévues par le droit communautaire", in A. Mattera (sous la direction de) La Conférence intergouvernementale sur l'union européenne: répondre aux défis du XXIe siècle, Clément Juglar, 1996.
(14) Zaak C-191/95, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1998, blz. I-5449, punt 46; Zaak 247/87, Star Fruit/Commissie, Jurispr. 1989, blz. 291; Zaak 87/89, Sonito/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I 1981; Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-182/97, Hubert Ségaud en Monique Ségaud/Commissie, Jurispr. 1998, blz. II-0271.
(15) COM (97) 299 def., 1997 PB C 332/1, Inleiding deel II A. Zie ook Jean-Louis Dewost, "le rôle de la Commission européenne", in Europese Ombudsman, de rechten van de burgers van de Europese Unie, werkzaamheden van het seminar van 12-13 september 1996, Straatsburg.
(16) Onderzoek op eigen initiatief 303/97, 1997 EOAR 270.
(17) Zaak 161/99, beschikking van 13 september 2000.
(18) Zie de zaken 175/97, 1998, EOAR 95; 176/97, 1998 EOAR 97; Besluit 995/98 van 30 januari 2001 (metro van Thessaloniki).
(19) Zie voor deze beginselen bijvoorbeeld de publicatie van de Raad van Europa, The Administration and You: een handboek, 1996 blz. 362.
(20) Zie het besluit van de Ombudsman in de zaak Thessaloniki Metro, zaak 995/98, besluit van 30 januari 2001.
(21) Zaak 995/98, beschikking van 30 januari 2001.
(22) Brief d.d. 15 mei 2001 van de heer O'Sullivan, secretaris-generaal van de Commissie, aan de Ombudsman.
(23) Uittreksel uit een mededeling van de Voorzitter en van de heer VITORINO, SEC(2001)380/3 13 maart 2001.