Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 133 resultaten weergeven

Aanbeveling over de wijze waarop het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) is omgegaan met beschuldigingen van intimidatie door een functionaris van het permanente korps van categorie 2 (zaak 456/2024/MIK)

Vrijdag | 23 januari 2026

De zaak betrof het verzuim van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) om een inhoudelijk antwoord te geven op een administratieve klacht in verband met beschuldigingen van intimidatie en onregelmatigheden door een functionaris van het permanente korps van categorie 2.

De klager diende de administratieve klacht in maart 2023 in bij Frontex. Frontex antwoordde dat, in tegenstelling tot eerdere informatie die het aan klager had verstrekt, deze laatste niet het recht had om een dergelijke klacht in te dienen. Bijgevolg zou hij geen inhoudelijk antwoord krijgen. In de loop van het onderzoek van de Ombudsman zei Frontex echter dat het de klager uiterlijk in november 2024 een algemeen inhoudelijk antwoord zou geven. Frontex heeft dit antwoord pas in december 2025 aan de klager verstrekt. De Ombudsman stelde vast dat de inconsistente informatie die aan klager werd verstrekt en de flagrante vertraging bij het beantwoorden van de klacht wanbeheer vormen. De Ombudsman achtte het echter niet nodig een aanbeveling te doen, aangezien Frontex nu een inhoudelijk antwoord aan klager heeft gegeven.

Bovendien bleek uit het onderzoek van de Ombudsman dat er geen doeltreffend klachten- en verhaalmechanisme is voor functionarissen van categorie 2, zoals in intimidatiesituaties bij Frontex. De Ombudsman concludeerde dat dit een systemische kwestie is die ook wanbeheer vormt.

De Ombudsman heeft de raad van bestuur van Frontex aanbevolen een doeltreffend klachten- en beroepsmechanisme in te voeren bij de komende herziening van het rechtskader voor functionarissen van categorie 2.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie de eerbiediging van de mensenrechten wil waarborgen in het kader van het memorandum van overeenstemming tussen de EU en Tunesië (OI/2/2024/MHZ)

Dinsdag | 29 april 2025

In dit onderzoek op eigen initiatief werd onderzocht hoe de Europese Commissie de eerbiediging van de mensenrechten wil waarborgen in het kader van het memorandum van overeenstemming tussen de EU en Tunesië. Er is bezorgdheid geuit over de aard van het memorandum van overeenstemming in het algemeen en over steun voor grenscontrole-initiatieven in het bijzonder, met name in het licht van zeer verontrustende berichten over de manier waarop de Tunesische autoriteiten met migranten omgaan.

De Ombudsman was met name bezorgd over het ontbreken van een voorafgaande effectbeoordeling op het gebied van de mensenrechten, met name in verband met de pijler "Migratie en mobiliteit" van het memorandum van overeenstemming en de projecten die onder die pijler zullen vallen. Aangezien die pijler van het memorandum van overeenstemming duidelijk bedoeld is om irreguliere migratie naar de EU te beperken en te ontmoedigen door middel van een betere migratiecontrole door de Tunesische autoriteiten, heeft de uitvoering van projecten om deze doelstelling in de praktijk te brengen zeer duidelijk een mensenrechtendimensie. De Ombudsman verzocht de Commissie te antwoorden op een reeks vragen over de wijze waarop zij van plan is toezicht te houden op de gevolgen voor de mensenrechten van acties in het kader van het memorandum van overeenstemming en op welke maatregelen zij heeft geanticipeerd en gepland, onder meer met betrekking tot de mogelijke opschorting van EU-financiering, indien mensenrechtenschendingen worden vastgesteld.

De Ombudsman constateerde dat hij, ondanks herhaalde beweringen van de Commissie dat er geen behoefte was aan een voorafgaande HRIA, in feite een risicobeheerexercitie voor Tunesië had voltooid voordat het memorandum van overeenstemming werd ondertekend.

Bij deze exercitie, die volgens de Commissie wordt uitgevoerd met alle EU-partnerlanden die mogelijk EU-begrotingssteun ontvangen, werd rekening gehouden met criteria die vergelijkbaar zijn met die welke worden gebruikt in standaard voorafgaande HRIA. Daarin wordt onder meer de toestand van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat, de veiligheid en het conflict in het betrokken partnerland beoordeeld. De Commissie had deze informatie echter niet proactief gedeeld, ook niet in haar antwoord op het strategische initiatief van de Ombudsman ter zake.

De Ombudsman heeft suggesties gedaan om dit aan te pakken. Zij stelde ook voor dat de Commissie, gezien de omvang van de vastgestelde risico’s, concrete criteria uitwerkt voor de mogelijke opschorting van door de EU gefinancierde contracten in verband met migratiebeheer wanneer zij bewijs vindt van mensenrechtenschendingen bij de uitvoering van projecten. In dit verband stelde de Ombudsman voor dat de Commissie haar uitvoerende partners aanmoedigt klachtenmechanismen op te zetten voor personen om vermeende schendingen van hun mensenrechten bij de uitvoering van door de EU gefinancierde projecten/programma's in Tunesië te melden. Gezien de recente meldingen van aanzienlijke problemen in het veld, is dit nog belangrijker geworden.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie toeziet op de naleving van de grondrechten in het kader van EU-middelen die aan Griekenland worden toegekend voor grensbeheer (zaak 1418/2023/VS)

Vrijdag | 21 februari 2025

De zaak ging over de wijze waarop de Europese Commissie de naleving van de grondrechten waarborgt in het kader van EU-middelen die aan Griekenland worden toegekend voor grensbeheer. De klagers, verschillende niet-gouvernementele organisaties, uitten hun bezorgdheid over het feit dat de Commissie er niet in was geslaagd door de EU gefinancierde grensbeheeractiviteiten doeltreffend te monitoren en te evalueren, tegen de achtergrond van aanhoudende beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen door de Griekse autoriteiten.

In het onderzoek zijn gebieden vastgesteld die de Commissie moet aanpakken om de wijze waarop zij toeziet op en toeziet op de naleving van de grondrechten op dit gebied, te verbeteren. Aangezien de Commissie momenteel echter wacht op een eindverslag van de Griekse autoriteiten in een van de individuele gevallen van vermeende schendingen van de grondrechten die in dit onderzoek aan de orde worden gesteld, en zij nu ook de uitgaven van Griekenland in het kader van het desbetreffende programma zal beoordelen, heeft de Ombudsman de zaak gesloten en vastgesteld dat geen verder onderzoek gerechtvaardigd was. Desalniettemin heeft zij de Commissie enkele suggesties gedaan om de in de loop van het onderzoek vastgestelde problemen aan te pakken.

De Ombudsman drong er met name bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen voor de beoordeling van de naleving van de grondrechten tijdens de uitvoering van het programma, met name wat betreft de daarmee verband houdende “machtigingsvoorwaarde” voor toegang tot middelen. Als onderdeel van deze richtsnoeren moet de Commissie criteria vaststellen om te bepalen onder welke omstandigheden zij EU-middelen zal inhouden of opschorten wegens niet-naleving van de grondrechten en de daarmee verband houdende financieringsvoorwaarde, en deze criteria publiceren. Bij haar beoordeling van geloofwaardige klachten over schendingen van de grondrechten en van het algemene Griekse programma moet de Commissie nagaan of Griekenland nog steeds voldoet aan de voorwaarde inzake de grondrechten met betrekking tot de betrokken middelen. De Ombudsman deed ook suggesties over de transparantie van het monitoringproces en maatregelen om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te versterken.

 

Besluit over de wijze waarop het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) een klacht heeft behandeld over een technisch probleem dat zich tijdens tests op afstand heeft voorgedaan in het kader van een procedure voor de selectie van EU-personeel op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (EPSO/AST/151/22-2) (zaak 1305/2024/MAG)

Donderdag | 13 februari 2025

De zaak betrof het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om een klacht in verband met technische problemen die een kandidaat tijdens een test op afstand in het kader van een door EPSO georganiseerde selectieprocedure voor EU-personeel had ondervonden, af te wijzen. Klager maakte bezwaar tegen het besluit van EPSO om de klacht af te wijzen op grond van het feit dat klager de kwestie tijdens de tests niet aan de orde had gesteld.

De Ombudsman constateerde dat er sprake was van wanbeheer bij de behandeling van de klacht door EPSO. EPSO had met name terdege rekening moeten houden met de informatie waartoe het toegang had, die de door klager gemelde feiten bevestigde en de klacht onderzocht. Het verzuim om dit te doen kwam neer op wanbeheer.

Om dit probleem aan te pakken, heeft de Ombudsman voorgesteld dat EPSO met klager in dialoog gaat om een passende en eerlijke oplossing te vinden, zoals klager de mogelijkheid bieden om de tests opnieuw af te leggen.