Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 601 resultaten weergeven

Besluit over de wijze waarop de Europese Centrale Bank (ECB) bepaalde procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders heeft behandeld (zaak 637/2024/PB)

Woensdag | 22 juli 2026

De zaak betrof de behandeling door de Europese Centrale Bank (ECB) van procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders die klager [1] in 2022 had ingediend. Het klokkenluidersrapport had betrekking op een vermeende familierelatie tussen een personeelslid en de persoon die was ingehuurd.

De klager ondervond gedrag van de vermeende overtreders dat volgens hem neerkwam op ongepast gedrag (met inbegrip van intimidatie). De klager verzocht om een daarmee verband houdend administratief onderzoek.

De ECB besloot het klokkenluidersverslag samen met de kwestie van het vermeende ongepaste gedrag te beoordelen. Zij deelde de klager ook mee dat het overgelegde bewijsmateriaal de opening van een administratief onderzoek niet rechtvaardigde. Klager betwistte beide punten door middel van een administratieve klacht, die de ECB niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een individueel belang (de gezamenlijke behandeling van de twee kwesties) of wegens het ontbreken van een voor beroep vatbaar besluit (het niet openen van een administratief onderzoek).

Klager wendde zich tot de Ombudsman en betwistte het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de ECB. In de loop van het onderzoek van de Ombudsman heeft klager de Ombudsman ook verzocht de behandeling van meldingen van klokkenluiders en klachten bij de ECB nader te onderzoeken.

De Ombudsman stelde vast dat de door de ECB opgegeven redenen om de administratieve klacht van klager niet-ontvankelijk te verklaren, niet overtuigend waren.

De Ombudsman merkte ook op dat zich tijdens haar onderzoek belangrijke ontwikkelingen in de zaak hadden voorgedaan en dat daarmee verband houdende interne onderzoeken op hoog niveau nog steeds aan de gang waren. Bovendien was de ECB bezig met de afronding van een evaluatie op eigen initiatief van haar rapportage-, onderzoeks- en tuchtkader. In deze omstandigheden concludeerde de Ombudsman dat op dat moment geen verder onderzoek gerechtvaardigd was, en sloot hij het onderzoek af.

 

[1] Om redenen van anonimiteit, onder meer met betrekking tot het geslacht van de klager, wordt in de tekst naar de klager verwezen als “zij”/“hun”/“zij”.

 

Besluit over de wijze waarop het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) omging met de beëindiging van een contract met een externe deskundige (zaak 2609/2025/ET)

Maandag | 06 juli 2026

De zaak betrof de wijze waarop het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) de overeenkomst van een externe deskundige heeft beëindigd naar aanleiding van beschuldigingen van onprofessioneel gedrag jegens tolken tijdens een asielondersteuningsmissie. Klager voerde aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, dat hij niet naar behoren was geïnformeerd over de inhoud van de beschuldigingen, dat zijn rechten van verdediging niet waren geëerbiedigd en dat de genomen maatregelen onevenredig waren. Het EUAA bleef erbij dat de beëindiging van het contract gebaseerd was op meerdere geloofwaardige meldingen van wangedrag, dat de klager via bijeenkomsten en andere mededelingen op de hoogte was gebracht van de punten van zorg, en dat vertrouwelijkheidsoverwegingen de openbaarmaking van bepaalde details beperkten.

De Ombudsman stelde vast dat, hoewel in de opzeggingsbrief zelf de feitelijke en juridische redenering die aan het besluit ten grondslag lag, niet duidelijk en voldoende was uiteengezet, uit de bredere context bleek dat het EUAA vóór de opzegging van zijn contract verschillende malen met klager had overlegd. De Ombudsman was van mening dat klager op de hoogte was gesteld van de aard van de bezwaren en in de gelegenheid was gesteld hierop te reageren. Het EUAA had ook geprobeerd de situatie aan te pakken door middel van minder strenge maatregelen alvorens tot beëindiging over te gaan. Hoewel het beter in overeenstemming zou zijn geweest met goede administratieve praktijken voor het EUAA om meer gestructureerde dossiers bij te houden en in de opzeggingsbrief een meer gedetailleerde motivering te geven, heeft de Ombudsman geen kennelijke beoordelingsfout of een procedurele tekortkoming vastgesteld die voldoende ernstig was om als wanbeheer te worden aangemerkt.

De Ombudsman sloot het onderzoek af met de bevinding dat er geen sprake was van wanbeheer bij de behandeling door het EUAA van het besluit om het contract van klager te beëindigen.

Besluit over het verzuim van de Europese Commissie om het publiek te informeren over de status van haar beoogde wetgevingsvoorstel inzake duurzame voedselsystemen, zoals voorzien in de “van boer tot bord”-strategie van de EU (zaak 2129/2025/MIK)

Donderdag | 02 juli 2026

De zaak ging over de wijze waarop de Europese Commissie het publiek informeerde over de status van haar wetgevingsinitiatief betreffende het kader voor duurzame voedselsystemen (FSFS), dat deel uitmaakte van de “van boer tot bord”-strategie. Na de start van dit initiatief en de openbare raadpleging heeft de Commissie het niet opgenomen in haar werkprogramma voor 2024. Klager, een organisatie die aan de openbare raadpleging heeft deelgenomen, was bezorgd dat de Commissie het publiek niet had geïnformeerd over de status van het initiatief en de redenen voor de vertraging bij de goedkeuring van een wetgevingsvoorstel met betrekking tot het initiatief.

Tijdens het onderzoek van de Ombudsman legde de Commissie uit dat zij in 2023 haar politieke prioriteiten had herzien vanwege economische verstoringen als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de protesten van landbouwers in de hele EU en bredere bezorgdheid van belanghebbenden over de landbouw in de EU. In 2025 heeft de Commissie een nieuwe “Visie op landbouw en voeding” aangenomen. Aangezien in dit document geen melding werd gemaakt van de FSFS, was de Commissie van mening dat het voor de belanghebbenden duidelijk was dat dit initiatief was stopgezet. Bovendien heeft de Commissie verklaard dat zij bezig is met het actualiseren van de informatie over al haar beleidsinitiatieven die op haar website beschikbaar is.

De Ombudsman was ingenomen met de toezegging van de Commissie om meer transparantie te verschaffen over de status van haar beleidsinitiatieven en was van mening dat verder onderzoek naar deze kwestie niet gerechtvaardigd was.

Besluit over de naleving door de Europese Commissie van haar regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen die zij urgent achtte (983/2025/MIK – de zaak “Omnibus”, 2031/2024/VB – de zaak “migratie” en 1379/2024/MIK – de zaak “GLB”)

Donderdag | 25 juni 2026

De drie zaken hadden betrekking op de wijze waarop de Europese Commissie haar regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten heeft toegepast bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (983/2025/MIK), de bestrijding van migrantensmokkel (2031/2024/VB) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1379/2024/MIK). De Commissie achtte deze voorstellen dringend en heeft daarom in haar regels voorziene stappen, zoals effectbeoordelingen en openbare raadplegingen, achterwege gelaten. De klagers, die maatschappelijke organisaties zijn, waren van mening dat deze omissies in strijd waren met de regels voor betere regelgeving van de Commissie. In twee gevallen voerden de klagers ook aan dat de Commissie de verenigbaarheid van de wetgevingsvoorstellen met de klimaatdoelstellingen van de EU niet heeft beoordeeld, zoals vereist door de Europese klimaatwet. In één geval was klager verder bezorgd over het feit dat de Commissie haar reglement van orde inzake overleg tussen de diensten had geschonden.

Op basis van haar onderzoeken constateerde de Ombudsman procedurele tekortkomingen in de wijze waarop de Commissie de wetgevingsvoorstellen in kwestie had voorbereid, wat samen neerkwam op wanbeheer. Om deze tekortkomingen aan te pakken, heeft de Ombudsman de Commissie aanbevolen te zorgen voor een voorspelbare, consistente en niet-willekeurige toepassing van haar regels voor betere regelgeving, door “dringende” situaties te definiëren die een afwijking van hun vereisten rechtvaardigen, en door de redenen voor toegestane afwijkingen vast te leggen en toe te lichten. Voorts moet de Commissie, wanneer afwijkingen worden toegestaan, een procedure vaststellen om ervoor te zorgen dat de dringende voorbereiding van wetgevingsvoorstellen nog steeds in overeenstemming is met de beginselen van een transparant, empirisch onderbouwd en inclusief wetgevingsproces. Om de Commissie bij deze taak bij te staan, deed de Ombudsman ook vier suggesties voor verbetering, waaronder: de regels voor de raadpleging van belanghebbenden voor dringende voorstellen te verduidelijken; ervoor te zorgen dat de analytische documenten ter vervanging van effectbeoordelingen en de bewijsstukken ter ondersteuning van haar voorstellen tijdig worden gepubliceerd om een openbaar debat mogelijk te maken voordat de wetgeving wordt aangenomen; richtsnoeren uit te vaardigen voor de uitvoering van klimaatconsistentiebeoordelingen; het verstrekken en registreren van motiveringen bij het verkorten van de periodes van overleg tussen de diensten tot onder de vastgestelde drempels.

In haar antwoord aan de Ombudsman stemde de Commissie ermee in om bij de komende herziening van de regels voor betere regelgeving na te denken over het definiëren van “dringende” situaties, en om de redenen voor het toepassen van afwijkingen van hun vereisten vast te leggen en te publiceren. De Commissie heeft zich er ook toe verbonden om te zorgen voor gerichte raadplegingen over haar “dringende” voorstellen, om de analytische documenten met bewijsmateriaal ter ondersteuning van haar voorstellen binnen drie maanden na de goedkeuring ervan te publiceren, om klimaatconsistentiebeoordelingen op te nemen in zowel analytische documenten als toelichtingen voor toekomstige voorstellen en om kortere raadplegingen tussen de diensten te motiveren.

De klagers waren in hun opmerkingen over het antwoord van de Commissie van mening dat de toezeggingen van de Commissie duidelijk noch concreet genoeg zijn om een transparant, inclusief en empirisch onderbouwd wetgevingsproces te waarborgen.

De Ombudsman was ingenomen met het algemene constructieve antwoord van de Commissie op haar aanbevelingen en suggesties voor verbetering. Desalniettemin biedt het antwoord van de Commissie nog niet voldoende duidelijkheid over de concrete stappen die zij voornemens is te nemen om de aanbevelingen en suggesties voor verbetering van de Ombudsman uit te voeren.

De Ombudsman zal deze kwestie derhalve monitoren op basis van toekomstige klachten en zodra de Commissie de herziening van de regels voor betere regelgeving heeft afgerond. In dit stadium zijn geen verdere onderzoeken gerechtvaardigd en heeft de Ombudsman de drie zaken afgesloten.

Besluit over de wijze waarop de delegatie van de Europese Unie in Tanzania en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap is omgegaan met bezorgdheid over de naleving van het nationale recht en het ontslag van een deskundige in het kader van een door de EU gefinancierd project (geval: 2803/2025/FA)

Donderdag | 04 juni 2026

Klager werkte als deskundige voor een externe EU-contractant aan een door de EU gefinancierd project in Tanzania dat werd beheerd door de delegatie van de Europese Unie in Tanzania en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap. Klager beweerde dat de contractant de Tanzaniaanse wetgeving had geschonden door zich niet in Tanzania te registreren, waardoor hij geen geldige werkvergunning kon verkrijgen. Vervolgens heeft de contractant klager in kennis gesteld van zijn besluit om zijn contract op te zeggen, rekening houdend met de door de EU-delegatie geuite bezorgdheid over het werk van klager.

De Ombudsman opende een onderzoek naar de bezorgdheid van klager over de wijze waarop de delegatie beide zaken heeft behandeld. In dit verband verwees de Ombudsman naar haar vaste standpunt dat wanneer EU-instellingen op zoek zijn naar de vervanging van deskundigen die aan EU-projecten werken, deze personen moeten worden gehoord voordat zij worden vervangen. Hoewel de Commissie betoogde dat zij niet om vervanging van de deskundige had gevraagd, stelde de Ombudsman vast dat de Commissie betrokken was geweest bij het vervangingsbesluit. De Ombudsman stelde derhalve vast dat de Commissie er niet voor heeft gezorgd dat het recht van klager om te worden gehoord vóór zijn vervanging werd geëerbiedigd, hetgeen neerkwam op wanbeheer.  Ze deed een suggestie voor verbetering om te voorkomen dat het probleem zich in de toekomst voordoet. 

Bovendien stelde de Ombudsman vast dat, aangezien het contract van klager was beëindigd, geen verder onderzoek naar de kwestie van de werkvergunning gerechtvaardigd was. Desalniettemin deed zij een suggestie voor verbetering aan de Commissie, waarin zij haar verzocht de zaak te verifiëren, aangezien dit gevolgen kan hebben voor andere deskundigen die aan het EU-project werken.