Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 158 resultaten weergeven

Besluit over de wijze waarop de Europese Centrale Bank (ECB) bepaalde procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders heeft behandeld (zaak 637/2024/PB)

Woensdag | 22 juli 2026

De zaak betrof de behandeling door de Europese Centrale Bank (ECB) van procedurele aspecten in verband met een melding van klokkenluiders die klager [1] in 2022 had ingediend. Het klokkenluidersrapport had betrekking op een vermeende familierelatie tussen een personeelslid en de persoon die was ingehuurd.

De klager ondervond gedrag van de vermeende overtreders dat volgens hem neerkwam op ongepast gedrag (met inbegrip van intimidatie). De klager verzocht om een daarmee verband houdend administratief onderzoek.

De ECB besloot het klokkenluidersverslag samen met de kwestie van het vermeende ongepaste gedrag te beoordelen. Zij deelde de klager ook mee dat het overgelegde bewijsmateriaal de opening van een administratief onderzoek niet rechtvaardigde. Klager betwistte beide punten door middel van een administratieve klacht, die de ECB niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een individueel belang (de gezamenlijke behandeling van de twee kwesties) of wegens het ontbreken van een voor beroep vatbaar besluit (het niet openen van een administratief onderzoek).

Klager wendde zich tot de Ombudsman en betwistte het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de ECB. In de loop van het onderzoek van de Ombudsman heeft klager de Ombudsman ook verzocht de behandeling van meldingen van klokkenluiders en klachten bij de ECB nader te onderzoeken.

De Ombudsman stelde vast dat de door de ECB opgegeven redenen om de administratieve klacht van klager niet-ontvankelijk te verklaren, niet overtuigend waren.

De Ombudsman merkte ook op dat zich tijdens haar onderzoek belangrijke ontwikkelingen in de zaak hadden voorgedaan en dat daarmee verband houdende interne onderzoeken op hoog niveau nog steeds aan de gang waren. Bovendien was de ECB bezig met de afronding van een evaluatie op eigen initiatief van haar rapportage-, onderzoeks- en tuchtkader. In deze omstandigheden concludeerde de Ombudsman dat op dat moment geen verder onderzoek gerechtvaardigd was, en sloot hij het onderzoek af.

 

[1] Om redenen van anonimiteit, onder meer met betrekking tot het geslacht van de klager, wordt in de tekst naar de klager verwezen als “zij”/“hun”/“zij”.

 

Besluit over de wijze waarop EU-agentschappen omgaan met draaideurzaken (strategisch onderzoek OI/5/2025/KR)

Woensdag | 22 april 2026

De EU-agentschappen spelen een centrale rol door het EU-beleid uit te voeren en technische, wetenschappelijke en juridische expertise te verstrekken in belangrijke sectoren. Elke perceptie dat hun ambtenaren particuliere belangen nastreven die in strijd zijn met hun taken, kan het vertrouwen van het publiek in hun werk ondermijnen. De Europese Ombudsman heeft consequent gewezen op de risico’s van het fenomeen “draaideur” – waarbij personeel overgaat naar externe rollen, met name in de particuliere sector. Zelfs een klein aantal spraakmakende zaken kan publieke onrust en reputatieschade veroorzaken, zoals blijkt uit recente onderzoeken.

Tegelijkertijd moet de EU-administratie gekwalificeerde professionals aantrekken om prioriteiten als duurzaamheid, digitalisering en veiligheid aan te pakken. Maatregelen zoals afkoelingsperioden en functiebeperkingen kunnen van invloed zijn op de loopbaanflexibiliteit, met name op gebieden als recht, financiën of technologie.

Tegen deze achtergrond werd in dit onderzoek vanuit een systemisch oogpunt onderzocht hoe EU-agentschappen draaideurzaken behandelen. Het doel was om goede praktijken en mogelijke tekortkomingen in het bestaande beleid en de bestaande praktijken in kaart te brengen. Daartoe heeft de Ombudsman een gedetailleerde evaluatie uitgevoerd van het beleid van 15 EU-agentschappen en 54 dossiers geïnspecteerd over individuele zaken die door negen EU-agentschappen zijn behandeld. Het onderzoeksteam van de Ombudsman had een ontmoeting met vertegenwoordigers van vijf EU-agentschappen om openstaande kwesties op te helderen.

Bijna alle EU-agentschappen die documentatie bij de Ombudsman hebben ingediend, zeiden dat zij de aanpak van de Europese Commissie hadden gevolgd bij de uitvoering van de wettelijke verplichtingen van personeelsleden die overstappen naar functies in de particuliere sector, hetzij bij vertrek, hetzij tijdens onbetaald verlof. De Ombudsman constateerde echter dat sommige EU-agentschappen gedetailleerdere en uitgebreidere richtsnoeren hebben voor de uitvoering van deze wettelijke verplichtingen dan andere. De door de Ombudsman vastgestelde verschillen betreffen de wijze waarop agentschappen omgaan met laattijdige of onvolledige kennisgevingen van activiteiten na de dienst, de wijze waarop agentschappen dergelijke kennisgevingen beoordelen, de aard van de opgelegde risicobeperkende maatregelen, de transparantie van besluiten over aangemelde activiteiten na de dienst en de wijze waarop eventuele daaruit voortvloeiende verplichtingen worden gemonitord, alsook de wijze waarop agentschappen personeel opleiden met betrekking tot hun ethische verplichtingen.

Voorts constateerde de Ombudsman dat de regels en het beleid met betrekking tot de activiteiten na afloop van het mandaat van niet-personeelsleden, dat wil zeggen leden van de raden van bestuur of de raden van toezichthouders van de agentschappen, aanzienlijk verschillen. De meeste leden van de raad van bestuur van agentschappen worden benoemd door nationale autoriteiten en vertegenwoordigen hun respectieve lidstaten, wat betekent dat zij onderworpen blijven aan nationale ethische regels, die van lidstaat tot lidstaat verschillen. Om mogelijke belangenconflicten en reputatieschade als gevolg van draaideurverhuizingen aan te pakken, hebben slechts enkele van de bestuursorganen van de EU-agentschappen die in dit onderzoek zijn onderzocht, beleid vastgesteld dat de activiteiten na het mandaat van (voormalige) leden van de raad van bestuur regelt.

Om de EU-agentschappen te helpen hun regels inzake draaideurverplaatsingen verder aan te scherpen, heeft de Ombudsman een reeks richtsnoeren voor goede praktijken opgesteld:

  • Een sterk integriteitskader begint met preventie: Het is van essentieel belang dat het personeel en de leden van de raad van bestuur worden voorzien van duidelijke richtsnoeren, regelmatige opleiding en doorlopende bewustmakingsinitiatieven om een volledig begrip van ethische verplichtingen te waarborgen.
  • Dit wordt versterkt door robuuste standaardwerkprocedures voor de omgang met draaideursituaties, die zorgen voor een duidelijke, stapsgewijze aanpak van kennisgevingen, beoordelingen en naleving.
  • Transparante criteria voor het beperken van post-service of post-mandaat rollen moeten vooraf worden vastgesteld, zodat individuen zich volledig bewust zijn van de beperkingen voordat ze toetreden.
  • Wanneer een overstap naar de particuliere sector wordt gesignaleerd, moeten agentschappen snel handelen - door grondige risicobeoordelingen uit te voeren, potentiële belangenconflicten in kaart te brengen en onmiddellijke voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals het intrekken van toegangsrechten of het waar nodig opnieuw toewijzen van verantwoordelijkheden.
  • De besluitvorming moet eerlijk, transparant en goed gedocumenteerd zijn, zodat personen opmerkingen kunnen maken over voorgestelde beperkingen en er tegelijkertijd voor kunnen zorgen dat risico’s doeltreffend worden beheerd door middel van evenredige maatregelen zoals afkoelingsperioden, lobbyverboden of, waar nodig, regelrechte verbodsbepalingen.
  • Tijdige, met redenen omklede besluiten moeten het recht op beroep duidelijk omschrijven.
  • Afgezien van een grondige besluitvorming is de verantwoordingsplicht afhankelijk van een sterke handhaving. Dit omvat het publiceren van samenvattingen van toegestane activiteiten, het actief monitoren van de naleving van opgelegde voorwaarden en het naleven van vertrouwelijkheidsverplichtingen.
  • Wanneer inbreuken worden vermoed, moeten agentschappen onmiddellijk reageren - de feiten vaststellen en disciplinaire maatregelen nemen in ernstige gevallen - om het vertrouwen te behouden en de institutionele integriteit te waarborgen.

De Ombudsman concludeert dat EU-agentschappen veel van elkaars praktijken kunnen leren. De Ombudsman is voornemens deze richtsnoeren inzake goede praktijken toe te passen op zaken die in de toekomst onder haar aandacht kunnen worden gebracht.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie (EU-delegatie in de Afrikaanse Unie) een subsidieaanvraag heeft behandeld en zorgen over een mogelijk belangenconflict (zaak 1846/2023/FA)

Dinsdag | 11 november 2025

De zaak betrof de wijze waarop de Europese Commissie (EU-delegatie bij de Afrikaanse Unie) een subsidieaanvraag heeft behandeld en bezorgdheid over een mogelijk belangenconflict.

Klager nam deel aan een oproep tot het indienen van voorstellen voor een project ter ondersteuning van pan-Afrikaanse verkiezingscapaciteiten. De delegatie heeft het verzoek van klager afgewezen omdat zij om EU-financiering had verzocht boven het in het kader van de oproep toegestane maximumpercentage. Klager voerde aan dat dit een typografische fout was en dat de delegatie om verduidelijking had moeten vragen in plaats van haar aanvraag af te wijzen. De klager voerde ook aan dat een deskundige die betrokken was geweest bij de ontwikkeling van het in het kader van deze oproep gefinancierde project, werkte voor een entiteit die een aanvraag in het kader van de oproep had ingediend.

De Ombudsman stelde vast dat de Commissie, op basis van haar eigen interne richtsnoeren, de fout van klager had moeten beschouwen als een “kennelijke schrijffout” en vroeg klager om verduidelijking en/of corrigeerde de fout van klager. Zij stelde ook vast dat de Commissie de beweringen van klager over een mogelijk belangenconflict niet naar behoren heeft beoordeeld. Deze twee tekortkomingen vormden wanbeheer. Voor beide bevindingen was de Ombudsman van mening dat het niet passend zou zijn om overeenkomstige aanbevelingen te doen, aangezien de subsidie inmiddels al is toegekend. Desalniettemin heeft zij drie suggesties gedaan om dergelijke problemen in toekomstige soortgelijke gevallen te voorkomen.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie heeft gereageerd op de bezorgdheid over de baan van een voormalig hooggeplaatst personeelslid in de particuliere sector (zaak 2231/2024/KR)

Vrijdag | 07 november 2025

De zaak ging over de wijze waarop de Europese Commissie de risico’s van belangenconflicten in verband met een baan in de particuliere sector die door een voormalige manager werd aangenomen, heeft beperkt. Het personeelslid, dat in het verleden werkzaam was geweest bij de dienst Mededinging van de Commissie, verhuisde naar een transnationale onderneming als senior manager die verantwoordelijk was voor mededingings- en regelgevingskwesties, ook voor Europa. Voordat hij bij het [geredigeerde] bedrijf in dienst trad, had het voormalige personeelslid de Commissie verlaten en zich bij een wereldwijd advocatenkantoor aangesloten. De Commissie had toestemming gegeven voor de overplaatsing naar het advocatenkantoor, nadat het voormalige personeelslid haar in kennis had gesteld van het voornemen om die functie te aanvaarden.

De Ombudsman constateerde dat de Commissie, in het kader van de goedkeuring van de verhuizing naar het advocatenkantoor, maatregelen had genomen om het risico te beperken dat het voormalige personeelslid vormt dat werkt aan dossiers of zaken die relevant zouden zijn voor de baan bij het advocatenkantoor. Het besluit van de Commissie om toestemming te verlenen voor de verhuizing naar het advocatenkantoor bevatte ook verschillende beperkingen. Zo was het het voormalige personeelslid verboden om direct of indirect te werken in zaken die tijdens zijn dienst onder de verantwoordelijkheid van het voormalige personeelslid vielen, of in zaken die rechtstreeks met hem verband hielden. Om het voormalige personeelslid te helpen bij het identificeren van de gevallen die op enig moment na het verlaten van de dienst aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten, heeft de Commissie een lijst van gevallen opgenomen, die zij heeft bijgewerkt nadat het personeelslid daadwerkelijk was vertrokken.

Het onderzoek van de Ombudsman bevestigde dat de Commissie een robuuste aanpak heeft gevolgd om in het kader van de latere rol van het voormalige personeelslid bij de [geredigeerde] onderneming te beoordelen of mededingingszaken die niet op bovengenoemde lijst staan, niettemin tot een belangenconflict kunnen leiden omdat zij verband houden met zaken waarvoor het voormalige personeelslid verantwoordelijk was. De Ombudsman was ingenomen met deze aanpak.

De Ombudsman sloot het onderzoek af en concludeerde dat er geen sprake was van wanbeheer in de wijze waarop de Commissie omging met de risico’s van belangenconflicten in verband met de baan in kwestie.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie de regels inzake deskundigengroepen en andere soortgelijke entiteiten met betrekking tot transparantie toepast (zaak OI/3/2024/KR)

Vrijdag | 11 juli 2025

De zaak had betrekking op het systeem van deskundigengroepen van de Europese Commissie, dat een belangrijke rol speelt bij het onderbouwen van de besluiten van de Commissie. In het kader van een eerder onderzoek van de Ombudsman heeft de Commissie nieuwe regels voor deze deskundigengroepen vastgesteld. In dit vervolgonderzoek beoordeelde de Ombudsman hoe de Commissie deze regels toepaste, met name met betrekking tot de transparantie van het lidmaatschap en de beraadslagingen van deskundigengroepen.

Uit het onderzoek is gebleken dat de Commissie beschikt over interne richtsnoeren voor de uitvoering van de regels van de deskundigengroep en dat zij opleiding biedt aan relevant personeel. De Commissie heeft ook een speciaal intern netwerk van coördinatoren opgezet om de correcte uitvoering van de regels van de deskundigengroep te monitoren en te bevorderen, hetgeen de Ombudsman toejuichte.

De Ombudsman stelde echter een aantal gebieden vast waarop de Commissie de transparantie van deskundigengroepen verder zou kunnen verbeteren. Ten eerste moet de Commissie haar interne richtsnoeren openbaar maken om te verduidelijken wat het publiek kan verwachten van de uitvoering door de Commissie. Ten tweede moet de Commissie, wanneer bepaalde documenten van de deskundigengroep niet proactief worden bekendgemaakt, deze documenten opnemen in de notulen van de vergadering van de betrokken deskundigengroep, zodat het publiek indien nodig om toegang kan verzoeken. Ten derde moet de Commissie termijnen vaststellen voor de publicatie van documenten vóór en na de vergaderingen van de deskundigengroep. Tot slot moet de Commissie de zoekfuncties in de documentenregisters verbeteren die relevant zijn voor deskundigengroepen.

De Ombudsman concludeerde dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd was en sloot het onderzoek af.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie ervoor zorgt dat er geen belangenconflicten zijn met externe deskundigen die haar bijstaan bij de evaluatie van projecten in het kader van het Europees Defensiefonds (OI/5/2023/KR)

Vrijdag | 11 juli 2025

De zaak had betrekking op het Europees Defensiefonds, via hetwelk tussen 2021 en 2027 ongeveer 8 miljard EUR zal worden uitbetaald voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van veiligheid en defensie. In het onderzoek werd met name beoordeeld hoe de Europese Commissie, die verantwoordelijk is voor het beheer van het fonds, ervoor zorgt dat er geen belangenconflicten zijn met de externe deskundigen, die de voorstellen evalueren en ethisch toetsen, samen met kostenramingen.

De Ombudsman constateerde dat de Commissie voor de beoordeling van de risico’s op (potentiële) belangenconflicten grotendeels steunt op informatie die door kandidaat-deskundigen is verstrekt. Hoewel de Commissie heeft gezegd dat zij ook openbaar beschikbare informatie controleert om na te gaan of er banden bestaan tussen de derde partijen die voorstellen indienen en de deskundigen, lijkt zij dit slechts in beperkte mate te doen. De Ombudsman was van mening dat de Commissie zich niet mag beperken tot de informatie die door de deskundigen wordt verstrekt, en moedigde de Commissie aan om proactief op zoek te gaan naar aanvullende informatie die kan wijzen op risico’s op belangenconflicten.

Uit het onderzoek is ook gebleken dat er geen systematische toetsing plaatsvindt van de financiële belangen van deskundigen, bijvoorbeeld investeringen en aandelenbezit, en van familiale belangen. Aangezien dergelijke informatie van cruciaal belang is voor de beoordeling van het risico op belangenconflicten, stelde de Ombudsman voor dat de Commissie kandidaat-deskundigen verzoekt een gedetailleerde belangenverklaring in te vullen, met inbegrip van categorieën persoonlijke belangen die momenteel ontbreken, zoals financiële en familiale belangen.

De Ombudsman constateerde ook dat, in gevallen waarin potentiële belangenconflicten door deskundigen werden gemeld, de deskundigen in kwestie ten minste uit de betrokken voorstellen werden teruggetrokken om eventuele risico’s te beperken. Niettemin stelde de Ombudsman enkele problemen vast met betrekking tot de wijze waarop de Commissie haar beoordeling van deze potentiële belangenconflicten vastlegde, en deed zij een suggestie voor verbetering om deze aan te pakken.

De Ombudsman sloot de zaak af omdat hij van oordeel was dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd was. De Ombudsman verwacht dat de Commissie bij de tussentijdse evaluatie van het Fonds rekening zal houden met de suggesties voor verbetering.