Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 91 resultaten weergeven

Besluit inzake de weigering van de Europese Commissie om het publiek volledige toegang te verlenen tot documenten met betrekking tot bijeenkomsten van de commissies voor de brede economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA) (zaak 1264/2021/ABZ)

Dinsdag | 22 februari 2022

Deze zaak heeft betrekking op de weigering van de Europese Commissie om het publiek volledige toegang te verlenen tot documenten met betrekking tot bijeenkomsten van de commissies voor de brede economische en handelsovereenkomst (CETA). In de CETA-commissies komen vertegenwoordigers van de EU en Canada samen om te onderhandelen over de uitvoering van het vrijhandelsverdrag. Om de toegang tot bepaalde delen van de gevraagde documenten te weigeren, beriep de Commissie zich op uitzonderingen in het Unierecht inzake toegang tot documenten. Haar argument luidde dat een volledige vrijgave de algemene belangen op het gebied van internationale verhoudingen en de bescherming van persoonsgegevens zou ondermijnen.

Het onderzoeksteam van de Ombudsman heeft de niet-bewerkte versies van de verzochte documenten bestudeerd en is bijeengekomen met vertegenwoordigers van de Commissie om een aanvullende toelichting te krijgen. In het licht van de ruime beoordelingsvrijheid van de instellingen van de Unie bij de afweging of vrijgave tot ondermijning van de internationale verhoudingen kan leiden, was de Ombudsman van mening dat het besluit van de Commissie om de toegang te weigeren, niet kennelijk onjuist was. Aangezien er met betrekking tot de vrijgave geen ander algemeen belang speelde, heeft de Ombudsman vastgesteld dat het besluit van de Commissie gerechtvaardigd was. De Ombudsman heeft de zaak derhalve afgesloten met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer,

maar merkte daarbij wel op dat de klager relevante kwesties naar voren had gebracht en dat een publiek debat over internationale overeenkomsten van vitaal belang is. Zo’n debat kan alleen plaatsvinden als alle betrokkenen alles in het werk stellen om transparant te werk te gaan.

 

Besluit in zaak 1107/2020/NH betreffende het vermeende uitlekken van vertrouwelijke informatie door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over een in pesticiden gebruikte werkzame stof

Vrijdag | 12 februari 2021

De zaak betrof een in een Franse krant gepubliceerd artikel, waarin de journalist beweerde toegang te hebben gehad tot een vertrouwelijke brief die klagers aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hadden gestuurd als onderdeel van een proces voor de verlenging van de goedkeuring van een in pesticiden gebruikte werkzame stof. Klagers voerden aan dat de EFSA die brief naar de pers had gelekt en dat zij niet over passende waarborgen beschikte tegen ongeoorloofde openbaarmaking van vertrouwelijke informatie door personeelsleden. Klagers voerden bovendien aan dat de EFSA niet objectief en onpartijdig was geweest in haar verklaringen aan de pers.

De Ombudsvrouw stelde vast dat klagers de brief in kwestie niet alleen naar de EFSA hadden gestuurd, maar ook naar andere actoren. Aangezien de EFSA niet de enige instantie was die de brief in haar bezit had, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de EFSA de brief naar de pers had gelekt. De EFSA had twee interne onderzoeken gedaan naar mogelijke lekken en kwam tot de conclusie dat er geen bewijs was dat de lekken afkomstig waren van een personeelslid van de EFSA. De Ombudsvrouw trof niets aan dat erop wees dat de EFSA niet over de juiste waarborgen tegen lekken beschikte. Met betrekking tot de verklaringen van de EFSA aan de pers concludeerde de Ombudsvrouw dat de EFSA haar verplichtingen van objectiviteit en onpartijdigheid niet had geschonden.

De Ombudsvrouw sloot het onderzoek af met de bevinding dat er in deze zaak geen sprake was van wanbeheer door de EFSA.