Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 118 resultaten weergeven

Besluit over het uitblijven van een antwoord van de Europese Commissie op een verzoek om toegang van het publiek tot documenten in verband met koffieontwikkelingsprogramma’s in Ethiopië (zaak 1311/2025/FA)

Dinsdag | 09 juni 2026

De zaak betrof een verzoek om toegang van het publiek tot documenten in verband met koffieontwikkelingsprogramma's in Ethiopië. De klager heeft zijn verzoek in augustus 2024 bij de Commissie ingediend.

De Commissie antwoordde voor het eerst in december 2024. Zij verleende volledige toegang tot twee documenten, weigerde de toegang tot drie documenten in hun geheel en gaf gedeeltelijke toegang tot de overige 31 documenten. Daarbij voerde de Commissie aan dat (volledige) openbaarmaking de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits, de bescherming van persoonsgegevens en commerciële belangen, alsook de bescherming van het openbaar belang wat internationale betrekkingen betreft, zou kunnen ondermijnen.

Klager betwistte het besluit van de Commissie door in januari 2025 een "bevestigend verzoek" in te dienen. Bij gebrek aan een antwoord wendde klager zich in mei 2025 tot de Ombudsman.

In juni 2025 opende de Ombudsman een onderzoek en verzocht hij de Commissie de klager zo spoedig mogelijk te antwoorden.

Na verschillende gedachtewisselingen met de Commissie over deze kwestie stuurde de Ombudsman de Commissie op 20 april 2026 een laatste herinnering en drong er bij haar op aan uiterlijk op 12 mei 2026 een confirmatief besluit vast te stellen. De Commissie heeft dit nagelaten.

Aangezien de Commissie nog steeds niet meer dan 15 maanden na het verstrijken van de bij Verordening (EG) nr. 1049/2001 vastgestelde wettelijke termijn had geantwoord op het confirmatief verzoek van klager, sloot de Ombudsman het onderzoek af met de bevinding dat er sprake was van wanbeheer.

Aanbeveling over de naleving door de Europese Commissie van de regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen die zij urgent achtte (983/2025/MAS – de zaak “Omnibus”, 2031/2024/VB – de zaak “migratie” en 1379/2024/MIK – de zaak “GLB”)

Dinsdag | 25 november 2025

De drie zaken hebben betrekking op de wijze waarop de Europese Commissie haar regels voor betere regelgeving en andere procedurele vereisten heeft toegepast bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (983/2025/MAS), de bestrijding van migrantensmokkel (2031/2024/VB) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1379/2024/MIK). De Commissie achtte deze voorstellen dringend en heeft daarom in haar regels voorziene stappen, zoals effectbeoordelingen en openbare raadplegingen, achterwege gelaten. De klagers, die maatschappelijke organisaties zijn, waren van mening dat deze omissies in strijd waren met de regels voor betere regelgeving van de Commissie. In twee gevallen voerden de klagers ook aan dat de Commissie de verenigbaarheid van de wetgevingsvoorstellen met de klimaatdoelstellingen van de EU niet heeft gecontroleerd, zoals vereist door de Europese klimaatwet. In één geval was klager verder bezorgd over het feit dat de Commissie haar reglement van orde inzake overleg tussen de diensten had geschonden.   

De Ombudsman opende een onderzoek naar de drie zaken. Zij ontving het schriftelijke antwoord van de Commissie in alle drie de zaken, inspecteerde de relevante dossiers van de Commissie en haar onderzoeksteams ontmoetten vertegenwoordigers van de Commissie in het kader van twee onderzoeken.

De Commissie antwoordde dat de regels voor betere regelgeving geen bindend recht zijn, maar een reeks beleidsinstrumenten voor het verzamelen van relevante informatie die op evenredige wijze moet worden toegepast. Zij voerde ook aan dat zij al het relevante bewijsmateriaal had verzameld voordat zij de wetgevingsvoorstellen in kwestie goedkeurde, belanghebbenden had geraadpleegd en de klimaatconsistentiebeoordelingen en de interdepartementale raadpleging had uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke regels.

Op basis van haar onderzoeken constateerde de Ombudsman een aantal procedurele tekortkomingen in de wijze waarop de Commissie de wetgevingsvoorstellen heeft voorbereid, die samen neerkomen op wanbeheer.

De Ombudsman constateerde met name dat de Commissie een ruime interpretatie van “urgentie” heeft gegeven en de “urgentie” van de wetgevingsvoorstellen jegens het publiek niet voldoende heeft gerechtvaardigd en de afwijkingen van de toepasselijke regels voor betere regelgeving niet heeft gedocumenteerd. De Ombudsman constateerde ook dat de Commissie geen procedure heeft ingevoerd die, zoals vereist door de Verdragen en de jurisprudentie, zou zorgen voor een transparante, empirisch onderbouwde en inclusieve voorbereiding van “dringende” wetgevingsvoorstellen. De Ombudsman constateerde voorts dat de Commissie, door geen behoorlijke registers bij te houden van verplichte controles van de consistentie van haar voorstellen met de klimaatdoelstellingen van de EU, heeft nagelaten verantwoording af te leggen.

Om deze tekortkomingen aan te pakken, deed de Ombudsman twee aanbevelingen. De Ombudsman heeft de Commissie aanbevolen te zorgen voor een voorspelbare, consistente en niet-willekeurige toepassing van haar regels voor betere regelgeving, door “dringende” situaties te definiëren die een afwijking van de in de regels vastgestelde vereisten rechtvaardigen. Voorts moet de Commissie, wanneer afwijkingen worden toegestaan, een procedure vaststellen om ervoor te zorgen dat de dringende voorbereiding van wetgevingsvoorstellen nog steeds in overeenstemming is met de beginselen van een transparant, empirisch onderbouwd en inclusief wetgevingsproces. Om de Commissie bij deze taak bij te staan, heeft de Ombudsman vier suggesties gedaan, waaronder het verduidelijken van de regels voor de raadpleging van belanghebbenden voor dringende voorstellen en ervoor zorgen dat het bewijsmateriaal ter ondersteuning van haar voorstellen tijdig wordt gepubliceerd om een openbaar debat mogelijk te maken voordat wetgeving wordt aangenomen.

Besluit over de wijze waarop de Europese Commissie is omgegaan met beschuldigingen van een belangenconflict bij de behandeling van een inbreukklacht (zaak 2134/2023/AML)

Maandag | 28 oktober 2024

De zaak betrof een vermeend belangenconflict waarbij de commissaris voor Landbouw betrokken was. Klager, een organisatie die Poolse landbouwers vertegenwoordigt, had een inbreukklacht ingediend over de Poolse landbouwwetgeving. Klager heeft vervolgens de Europese Commissie erop gewezen dat de broer van de commissaris voor Landbouw tot de leden van het Poolse parlement behoorde die de litigieuze wetgeving hadden voorgesteld.   

De Ombudsman constateerde dat de wijze waarop de Commissie het belangenconflict beoordeelde, gebrekkig was. Concreet had zij geen rekening gehouden met het feit dat de relatie van de Commissioner met een van de indieners van de wetgeving de onafhankelijkheid van de Commissie bij de beoordeling van de betrokken inbreukklacht negatief had kunnen beïnvloeden of had kunnen beïnvloeden.  

De Ombudsman deed een suggestie voor verbetering om dit aan te pakken en drong er bij de Commissie op aan haar besluitvorming over de inbreukklacht onder toezicht van een andere commissaris te herzien. Aangezien de Ombudsman ook procedurele tekortkomingen in de zaak heeft vastgesteld, deed zij een tweede suggestie voor verbetering om te voorkomen dat soortgelijke situaties zich in de toekomst voordoen.

De Ombudsman sloot het onderzoek af en verzocht de Commissie verslag uit te brengen over de maatregelen die zij heeft genomen om gevolg te geven aan haar suggesties.

Besluit over de wijze waarop de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is omgegaan met bezorgdheden over de effecten van pesticiden op de biodiversiteit en ecosystemen (klacht 1385/2023/RVK)

Donderdag | 10 oktober 2024

De klacht betrof de wijze waarop de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) bij de beoordeling van pesticiden rekening houdt met de risico’s voor de biodiversiteit en ecosystemen als gevolg van de indirecte effecten van pesticiden. De klachtindiener voerde aan dat er al methoden voor de beoordeling van indirecte effecten beschikbaar zijn en dat het feit dat EFSA dit niet doet in strijd is met het toepasselijke rechtskader.

In de loop van het onderzoek heeft EFSA nader toegelicht waarom zij als “risicobeoordelaar” momenteel de indirecte effecten van pesticiden niet systematisch kan beoordelen. EFSA legde met name uit dat de Europese Commissie, als “risicobeheerder”, momenteel nog bezig is met de herziening van de criteria voor de beoordeling van milieurisico’s in pesticiden, de “specifieke beschermingsdoelstellingen”. Zolang dergelijke specifieke beschermingsdoelstellingen niet zijn ontwikkeld en goedgekeurd, kan EFSA niet systematisch voor elke pesticide de risico’s van indirecte effecten op het milieu beoordelen.

De Ombudsman vond dat EFSA duidelijk uitlegde waarom het, totdat relevante specifieke beschermingsdoelstellingen zijn gedefinieerd, in haar beoordelingen van de risico’s van pesticiden voor het milieu niet systematisch rekening houdt met indirecte effecten. Ze merkte echter op dat er vertraging is in het finaliseren van de specifieke beschermingsdoelstellingen, wat ze van plan is aan te kaarten bij de Commissie.

Hoewel de Ombudsman de betrokkenheid van EFSA bij de bezorgdheden van de klachtindiener verwelkomde, begreep ze de frustratie van de klachtindiener dat EFSA pas na haar tussenkomst een dergelijke dialoog aanging. Aangezien EFSA echter nu uitgebreid aan de klachtindiener heeft geantwoord, zijn verdere onderzoeken naar de kwestie niet gerechtvaardigd. Ze deed desondanks een voorstel voor verbetering over hoe EFSA in de toekomst met soortgelijke bezorgdheden zou moeten omgaan.