Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek op eigen initiatief OI/2/2008/(WP)VIK betreffende de Europese Commissie
Besluiten
Zaak OI/2/2008/(WP)VIK - Geopend op Vrijdag | 12 september 2008 - Besluit over Dinsdag | 10 augustus 2010
DE ACHTERGROND
Klacht 2166/2008/WP:
1. Dit onderzoek op eigen initiatief is gebaseerd op een klacht van professor B., een wetenschapper van Turkse nationaliteit (klacht 2166/2008/WP). Op 28 mei 2008 heeft het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) op zijn website oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling gepubliceerd voor tijdelijke functionarissen in het onlangs opgerichte Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA) en in het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA). Professor B. heeft besloten deel te nemen aan de selectieprocedure voor tijdelijke functionarissen die door het ERCEA zullen worden aangeworven. De uiterste datum voor het indienen van sollicitaties was 18 juni 2008.
2. De selectieprocedure was oorspronkelijk beperkt tot onderdanen van de EU-lidstaten. Het werd vervolgens echter uitgebreid tot onderdanen van "KP7-partnerlanden", d.w.z. partnerlanden in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling van de EU [1]. Turkije viel binnen die groep landen.
3. Bij de voorbereiding van zijn sollicitatie merkte professor B. op dat kandidaten niet alleen vloeiend Engels moesten spreken, maar ook in een tweede officiële taal van de Europese Unie (EU). Professor B. was van mening dat dit vereiste indirect discriminerend was, aangezien het onderdanen van EU-lidstaten leek te bevoordelen. Hij voegde een overeenkomstige notitie toe aan zijn aanvraag.
4. Enige tijd nadat hij zijn sollicitatie had ingediend, kreeg professor B. te horen dat hij niet in aanmerking kwam voor het vergelijkend onderzoek. De nationaliteitsvereiste was inmiddels gewijzigd en alleen onderdanen van EU-lidstaten mochten een aanvraag indienen. Professor B. wendde zich tot de Europese Ombudsman met het argument dat dit besluit zowel onjuist als discriminerend was.
Onderzoek op eigen initiatief OI/2/2008/(WP)VIK:
5. Bij het onderzoek van bovengenoemde klacht constateerde de Ombudsman dat professor B. geen EU-burger was en evenmin in een EU-lidstaat woonde. Overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie was professor B. dus niet bevoegd om een klacht in te dienen bij de Ombudsman. De Ombudsman kon derhalve geen onderzoek instellen naar zijn klacht als zodanig. Hij was echter van mening dat de klacht een ernstig probleem opriep, dat ook betrekking leek te hebben op de selectieprocedure voor tijdelijke functionarissen voor REA. De Ombudsman besloot derhalve het onderhavige onderzoek op eigen initiatief in te stellen naar de in de klacht aan de orde gestelde kwesties.
Het onderwerp van het eigen-initiatiefonderzoek
6. De Ombudsman stelde de volgende kwesties vast:
- Het besluit om onderdanen van de KP7-partnerlanden de mogelijkheid te ontnemen om te solliciteren naar tijdelijke functionarissen bij ERCEA en REA was mogelijk onjuist en discriminerend.
- Het leek erop dat kandidaten die bij dit besluit betrokken waren, geen enkele verklaring voor het besluit kregen en dat hun geen verontschuldiging werd aangeboden.
- Het vereiste dat kandidaten een tweede officiële taal van de EU moeten kunnen spreken, is mogelijk discriminerend omdat het onderdanen van EU-lidstaten bevoordeelt.
Het onderzoek
7. Op 12 september 2008 startte de Ombudsman zijn onderzoek op eigen initiatief. Hij verzoekt EPSO advies uit te brengen over bovengenoemde kwesties.
8. Bij brief van 24 september 2008 deelde EPSO de Ombudsman mee dat de selectieprocedures in kwestie onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie vielen en dat EPSO alleen logistieke steun had verleend. EPSO verklaarde derhalve de brief van de Ombudsman aan de Commissie te hebben doorgezonden.
9. Op 29 september 2008 deelde de Commissie de Ombudsman mee dat zij inderdaad bevoegd was om deze kwestie te behandelen.
10. De Commissie heeft op 20 januari 2009 advies uitgebracht. Het advies werd doorgestuurd naar professor B voor zijn opmerkingen. Van hem zijn geen opmerkingen ontvangen.
11. Op 20 oktober 2009 heeft de Ombudsman nader onderzoek ingesteld. Hij verzocht de Commissie bepaalde aspecten van de zaak te verduidelijken. Op 11 maart 2010 heeft de Commissie haar antwoord toegezonden. Dit antwoord werd doorgestuurd naar professor B., die geen opmerkingen heeft ingediend.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
A. Met betrekking tot het eerste punt
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
12. Professor B. voerde aan dat het besluit van de Commissie om kandidaten uit de partnerlanden van KP7, en met name uit Turkije, uit te sluiten onjuist en discriminerend was. Hij stelde dat deze aanpak de vooruitgang van de wetenschap in Europa belemmerde. Professor B. wees erop dat Turkije jaarlijks 1,5 miljoen euro bijdraagt aan het KP7-programma en dat het dus onbegrijpelijk is waarom Turkse wetenschappers van het selectieproces kunnen worden uitgesloten. Volgens hem hadden Turkse wetenschappers een "inherent recht" om te solliciteren naar posten in verband met de evaluatie van projecten die in het kader van het KP7-programma waren ingediend.
13. In haar advies heeft de Commissie uitgelegd dat het ERCEA en het REA zijn opgericht bij haar besluit van 14 december 2007 [2]. In het eerste deel van 2008 zijn de nodige procedures ingevoerd om personeel voor deze agentschappen aan te werven, in overeenstemming met de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde personeelsformaties. Toen oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling voor tijdelijke functionarissen bij ERCEA en REA op de website van EPSO werden gepubliceerd, waren de selectieprocedures beperkt tot onderdanen van EU-lidstaten.
14. Op 5 juni 2008 zijn deze oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling op voorstel van de missie van Noorwegen uitgebreid tot aanvragers uit KP7-partnerlanden (IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Israël, Zwitserland, Albanië, Kroatië, Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije). De uiterste datum voor het indienen van sollicitaties werd verlengd tot 25 juni 2008.
15. Na verdere interne besprekingen over de operationele gevolgen van de verlenging van de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling waarop professor B. had geantwoord, werd deze oproep echter op 24 juni 2008 geannuleerd. Aanvragers werd een e-mail gestuurd om hen te informeren over de annulering. De oproep betreffende REA werd eveneens geannuleerd.
16. Op 15 juli 2008 werden de oproepen opnieuw gepubliceerd, uitsluitend voor onderdanen van EU-lidstaten, met als uiterste datum voor het indienen van sollicitaties 14 augustus 2008. Nog steeds op 15 juli 2008 werden de eerdere aanvragers en de personen die de algemene mailboxen hadden aangeschreven, per e-mail op de hoogte gebracht van de nieuwe publicatie.
17. De Commissie heeft aangevoerd dat oproepen voor posten van tijdelijk functionaris bij de Commissie of haar uitvoerende agentschappen onderworpen zijn aan de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (RAP). Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de RAP staan dergelijke oproepen alleen open voor onderdanen van EU-lidstaten. De Commissie merkte op dat, bij wijze van uitzondering, oproepen kunnen worden opengesteld voor onderdanen van andere staten naar goeddunken van het tot aanstelling bevoegde gezag.
18. De Commissie wees erop dat er over het algemeen goede redenen waren om oproepen te doen aan staten die bijdragen aan de begroting van de beheerde programma's. Deze redenering mag echter niet verhullen dat de partnerlanden van KP7 niet op gelijke voet staan met de EU-lidstaten. De voordelen voor deze landen zijn eerder gericht op de resultaten van het KP7-programma dan op het beheer ervan. Ter ondersteuning van deze verklaring merkte de Commissie bijvoorbeeld op dat de deelname van KP7-partnerlanden aan de KP7-programmacomités zonder stemrecht was.
19. De Commissie voegde daaraan toe dat, niettegenstaande de argumenten voor een uitbreiding van de betrokken oproepen, de delegatie van een aantal van haar bevoegdheden aan de uitvoerende agentschappen met het oog op de uitvoering van het KP7-programma een reeks operationele gevolgen met zich meebracht. Deze waren het gevolg van de wettelijke en administratieve voorwaarden, die het moeilijk maakten om niet-EU-onderdanen erbij te betrekken. Met name werd het waarschijnlijk geacht dat kandidaten uit niet-EU-lidstaten specifieke veiligheidscontroles zouden moeten ondergaan die, om naar behoren te voldoen aan de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, noodzakelijkerwijs een vertraging in de selectieprocedure zouden inhouden. Hoewel de bevoegde diensten hun best hebben gedaan, bleek het onmogelijk om alle relevante kwesties tijdig aan te pakken en de kans te behouden dat de aanwervingsprocedures op bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn zouden worden afgerond. De Commissie onderstreepte in dit verband de dwingende noodzaak om de agentschappen operationeel te maken. Zij voegde daaraan toe dat zij om die reden heeft besloten de oproepen te annuleren en nieuwe oproepen te publiceren die beperkt waren tot onderdanen van EU-lidstaten.
20. Na de bovenstaande argumenten zorgvuldig te hebben geanalyseerd, was de Ombudsman van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk was. Daarom heeft hij de volgende vraag aan de Commissie gesteld:
"De Commissie voerde aan dat het uitsluiten van niet-EU-kandidaten noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat de betrokken agentschappen zo snel mogelijk konden beginnen te functioneren. De Ombudsman merkt echter op dat de uiterste datum voor het indienen van aanvragen voor de oorspronkelijke oproepen 25 juni 2008 was, terwijl de aanvragen in het kader van de nieuwe oproepen uiterlijk op 14 augustus 2008, d.w.z. bijna twee maanden later, moesten worden ingediend. Kan de Commissie, gezien het feit dat de aanpak van de Commissie op zich de aanwervingsprocedures heeft vertraagd, toelichten waarom zij desalniettemin van mening was dat de uitsluiting van sollicitanten uit niet-EU-landen noodzakelijk was om een tijdige aanwerving voor de betrokken posten te waarborgen? Kan de Commissie ook aangeven hoeveel kandidaten uit niet-EU-landen naar aanleiding van de oorspronkelijke oproepen hebben gesolliciteerd?”
21. In haar antwoord stelde de Commissie dat de nieuwe bekendmaking de aanwervingsprocedures inderdaad met bijna twee maanden heeft vertraagd. Hij herhaalde in dit verband dat zijn directoraat Veiligheid het van essentieel belang acht dat kandidaten uit derde landen die op de reservelijst zijn geplaatst, worden gescreend voordat er banen kunnen worden aangeboden. Het uitvoeren van een aanvullende veiligheidsscreening van dergelijke kandidaten had moeten worden vermeld in de oproepen, die op dat moment echter al waren gepubliceerd. Bovendien had de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) ook moeten worden geraadpleegd over de verdere verwerking van persoonsgegevens. Volgens de Commissie zou een dergelijke raadpleging een aantal maanden hebben geduurd en de timing van de aanwervingen in gevaar hebben gebracht. De Commissie merkte op dat de vertraging als gevolg van het annuleren en opnieuw publiceren van de oproepen "korter werd geacht".
22. De Commissie voegde daaraan toe dat op het relevante tijdstip gedetailleerde interne besprekingen tussen verschillende diensten van de Commissie hadden plaatsgevonden. Er werd met name bezorgdheid geuit over het feit dat het openstellen van de oproepen voor niet-EU-onderdanen een precedent dreigt te scheppen op een gebied van EU-beleid waar de besprekingen over de associatie van andere landen met de EU-programma's worden voortgezet.
23. In het licht van het bovenstaande en om tegemoet te komen aan de behoefte aan snelle aanwerving, heeft de Commissie besloten de oproepen in kwestie te annuleren en opnieuw te publiceren.
24. In antwoord op de vraag van de Ombudsman over het aantal betrokken personen gaf de Commissie aan dat op het moment dat de eerste oproepen werden geannuleerd, 5328 aanvragen waren ingediend, waarvan 46 afkomstig waren van onderdanen van niet-EU-landen. Deze 46 sollicitaties werden ingediend door in totaal 27 kandidaten. De maatregel om de oproepen tot het indienen van voorstellen voor niet-EU-onderdanen af te sluiten had echter slechts betrekking op 21 kandidaten, aangezien de resterende sollicitaties hoe dan ook niet in aanmerking kwamen.
Beoordeling door de Ombudsman
25. Professor B. voerde aan dat het besluit van de Commissie om de mogelijkheid voor onderdanen van KP7-partnerlanden om te solliciteren naar de betrokken tijdelijke functionarissen in te trekken, zowel i) onjuist als ii) discriminerend was. De Ombudsman zal deze twee aspecten daarom hieronder analyseren.
Wat punt i) betreft:
26. Artikel 12, lid 2, onder a), RAP bepaalt: "Een tijdelijk functionaris kan slechts in dienst worden genomen op voorwaarde dat hij onderdaan is van een van de lidstaten van de Gemeenschappen, tenzij een uitzondering is toegestaan".
27. In casu heeft de Commissie de oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling voor tijdelijke functionarissen bij ERCEA en REA aanvankelijk beperkt tot onderdanen van de lidstaten van de Unie. Volgens de Ombudsman heeft de Commissie op grond van artikel 12, lid 2, onder a), van de RAP het recht om op deze wijze op te treden.
28. Professor B. voerde aan dat Turkije een aanzienlijk bedrag aan de begroting van het KP7 bijdroeg. Volgens hem hadden Turkse onderdanen dus een inherent recht om te solliciteren naar posten die verband hielden met de evaluatie van projecten in het kader van dit programma. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, bepaalt artikel 12, lid 2, onder a), RAP echter dat dergelijke oproepen in de regel alleen openstaan voor onderdanen van de lidstaten van de Unie. De Commissie was derhalve niet verplicht deze oproepen uit te breiden tot onderdanen van de KP7-partnerlanden.
29. Artikel 12, lid 2, onder a), RAP voorziet echter in uitzonderingen op de bovengenoemde algemene subsidiabiliteitsregel. De bijdragen van de KP7-partnerlanden zijn duidelijk een factor waarmee in dit verband rekening kan worden gehouden. De Commissie erkende dat er gegronde redenen waren om oproepen te doen aan staten die bijdragen aan de begroting van de beheerde programma's. Het besluit van de Commissie om de oproepen – die oorspronkelijk beperkt waren tot EU-onderdanen – open te stellen voor onderdanen van de KP7-partnerlanden, waaronder Turkije, was dan ook begrijpelijk.
30. Er zij echter op gewezen dat de Ombudsman het oorspronkelijke besluit om de oproepen in kwestie te beperken tot EU-onderdanen of de daaropvolgende uitbreiding ervan tot onderdanen van de KP7-partnerlanden niet hoeft te onderzoeken. Wat hij moet onderzoeken, is of het besluit van de Commissie om de mogelijkheid voor onderdanen van KP7-partnerlanden om een aanvraag in te dienen in te trekken, namelijk haar besluit om haar eerdere besluit om de desbetreffende oproepen tot onderdanen van de KP7-partnerlanden te openen, in te trekken, gerechtvaardigd was en in overeenstemming was met de beginselen van behoorlijk bestuur.
31. Ter ondersteuning van haar aanpak heeft de Commissie zich beroepen op administratieve en tijdsbeperkingen in verband met de aanwervingsprocedure. De Commissie voerde aan dat zij ervoor moest zorgen dat het ERCEA en het REA zo snel mogelijk van start gingen. Niet-EU-onderdanen zouden aan een beveiligingsonderzoek moeten worden onderworpen, hetgeen overleg met de EDPS over de verwerking van persoonsgegevens zou vereisen. Bijgevolg vreesde de Commissie dat de tijdige afronding van de selectieprocedures zou worden vertraagd en in gevaar zou worden gebracht als gevolg van de gewijzigde oproepen, waardoor kandidaten uit KP7-partnerlanden zouden kunnen deelnemen. De Commissie voerde aan dat zij om deze reden heeft besloten de oproepen te annuleren en nieuwe oproepen te publiceren die beperkt waren tot EU-onderdanen.
32. De Ombudsman vindt dit argument niet overtuigend.
33. Zoals hierboven reeds is opgemerkt, heeft het besluit van de Commissie om de gewijzigde oproepen te annuleren en nieuwe oproepen te publiceren op zich geleid tot een vertraging van bijna twee maanden. De Commissie betoogt in wezen dat de vertraging die zou zijn veroorzaakt door de toelating van kandidaten uit de KP7-partnerlanden nog langer zou zijn geweest. De Ombudsman is duidelijk niet in staat deze verklaring te verifiëren. In dit verband moeten echter drie opmerkingen worden gemaakt. Ten eerste verklaarde de Commissie in haar antwoord op een specifieke vraag over de kwestie die haar door de Ombudsman was gesteld, dat de vertraging als gevolg van het annuleren en opnieuw publiceren van de oproepen " korter werd geacht". Dit lijkt erop te wijzen dat de Commissie geen concrete controles heeft verricht met betrekking tot de duur van de vertraging. Ten tweede blijkt uit de door de Commissie verstrekte informatie dat het aantal kandidaten dat onderdaan was van de partnerlanden van KP7 minimaal was in vergelijking met het aantal kandidaten dat EU-onderdaan was. Het is ook redelijk om aan te nemen dat niet alle 21 kandidaten uit de KP7-partnerlanden, van wie de sollicitaties ontvankelijk waren, uiteindelijk zouden zijn behouden. Het valt dus niet uit te sluiten dat de veiligheidsscreening en het overleg met de EDPS over de verwerking van persoonsgegevens vrij snel hadden kunnen worden afgerond. In de derde plaats heeft professor B. erop gewezen, zonder door de Commissie te zijn weersproken, dat hij reeds als wetenschappelijk deskundige voor de Commissie had gewerkt. De Ombudsman vraagt zich dan ook af waarom klager een veiligheidsonderzoek zou hebben moeten ondergaan.
34. De Commissie voerde ook aan dat het toelaten van aanvragers uit de KP7-landen een precedent zou kunnen scheppen op een gebied van EU-beleid waar de besprekingen over de associatie van andere landen met de EU-programma's werden voortgezet. De Ombudsman betwijfelt of dit een geldig argument is, aangezien de Commissie zelf erkent dat er in het algemeen gegronde redenen waren om oproepen te doen aan staten die bijdragen aan de begroting van de beheerde programma's.
35. De Ombudsman is echter van mening dat hij niet hoeft na te gaan of de door de Commissie aangevoerde redenen inderdaad de uitsluiting van kandidaten uit KP7-partnerlanden kunnen rechtvaardigen. In feite is de Ombudsman van mening dat al deze redenen in overweging hadden moeten worden genomen voordat de Commissie op 5 juni 2008 besloot de desbetreffende oproepen tot het indienen van nationale verzoeken uit KP7-partnerlanden in te dienen. Het is duidelijk geen goede administratieve praktijk om eerst een besluit te nemen en pas daarna de mogelijke negatieve gevolgen ervan te onderzoeken. Indien de Commissie, na alle relevante overwegingen naar behoren te hebben onderzocht, tot de conclusie was gekomen dat uitbreiding van de relevante oproepen tot onderdanen van KP7-partnerlanden de negatieve gevolgen zou hebben waarnaar zij in haar advies verwijst, zou zij de oproepen naar alle waarschijnlijkheid niet voor deze personen hebben geopend. Zij had dus gemakkelijk de problemen kunnen vermijden die haar beschikking van 5 juni 2008 met zich meebracht. Volgens de Ombudsman mogen burgers niet het slachtoffer worden van al te overhaaste besluiten van overheidsdiensten.
36. Gezien het bovenstaande kan het besluit van de Commissie om de bij haar besluit van 5 juni 2008 ingevoerde mogelijkheid voor onderdanen van KP7-partnerlanden om een aanvraag in te dienen, in te trekken, alleen gerechtvaardigd zijn indien er dwingende redenen zijn om deze stap te ondernemen. Als de Commissie onomstotelijk had aangetoond dat het onmogelijk zou zijn geweest om de kandidaten uit de KP7-partnerlanden aan de oproepen te laten deelnemen en de agentschappen snel operationeel te maken, zou de Ombudsman tot de conclusie zijn gekomen dat het onderhavige besluit gerechtvaardigd was. Zoals hierboven uiteengezet, heeft de Commissie echter geen duidelijk en overtuigend bewijs of argumenten verstrekt om aan te tonen dat dit inderdaad het geval was.
37. In deze omstandigheden, en bij gebrek aan een overtuigende rechtvaardiging, concludeert de Ombudsman dat het besluit van de Commissie om de mogelijkheid voor onderdanen van KP7-partnerlanden om een aanvraag in te dienen in te trekken, dat wil zeggen haar besluit om haar eerdere besluit om de desbetreffende oproepen tot onderdanen van de KP7-partnerlanden te openen, in te trekken, een geval van wanbeheer vormde. Hieronder volgt een kritische opmerking.
Wat punt ii) betreft:
38. Wat betreft het vermeende discriminerende karakter van het besluit van de Commissie om de mogelijkheid voor onderdanen van KP7-partnerlanden in te trekken om te solliciteren naar posten als tijdelijk functionaris bij ERCEA en REA, herinnert de Ombudsman eraan dat er volgens vaste rechtspraak sprake is van discriminatie wanneer identieke of vergelijkbare situaties op ongelijke wijze worden behandeld en deze ongelijke behandeling niet objectief gerechtvaardigd is.
39. Artikel 12, lid 2, RAP staat echter duidelijk toe dat onderdanen van niet-EU-landen anders worden behandeld dan EU-onderdanen wat de toegang tot posten als tijdelijk functionaris betreft. In deze omstandigheden kan in casu geen discriminatie worden vastgesteld.
B. Met betrekking tot het tweede punt
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
40. Professor B. voerde aan dat de door de beschikking van de Commissie geraakte verzoekers geen uitleg hadden gekregen en geen excuses hadden aangeboden.
41. De Commissie wees erop dat op 24 juni 2008, toen de oorspronkelijke oproepen voor ERCEA en REA werden geannuleerd, een aankondiging op de website van EPSO werd geplaatst. In deze mededeling bood de Commissie haar excuses aan voor het veroorzaakte ongemak. Kandidaten die hadden gesolliciteerd naar een functie bij het REA kregen ook een e-mail met een herhaling van de verontschuldigingen, terwijl het ERCEA er de voorkeur aan gaf te wachten met het verzenden van e-mails om te beslissen over de praktische aspecten van het heropenen van de oproep.
42. De Commissie merkte verder op dat, toen de nieuwe publicatie op 15 juli 2008 werd gepubliceerd, elke kandidaat (met inbegrip van die uit de KP7-partnerlanden) die in het kader van de gewijzigde oproepen had gesolliciteerd, een e-mail ontving. In de e-mails aan kandidaten die als niet-EU-onderdaan waren geregistreerd, werd gespecificeerd dat zij de voorwaarden van de oproep moesten controleren. Ten slotte heeft de Commissie uitgelegd dat aan elk gepubliceerd profiel een aanvullende verduidelijking is toegevoegd.
43. In haar advies verontschuldigde de Commissie zich voor het ongemak voor de kandidaten die betrokken waren bij het besluit om de mogelijkheid voor onderdanen van de KP7-partnerlanden om te solliciteren naar posten als tijdelijk functionaris bij ERCEA en REA in te trekken. Voorts betreurt zij het dat de kandidaten waarop dit besluit betrekking heeft, geen eerdere verontschuldigingen hebben aangeboden.
44. In het kader van zijn verdere onderzoeken heeft de Ombudsman de Commissie ook verzocht de volgende vraag te beantwoorden:
De Ombudsman is van mening dat de Commissie geen redenen hoefde aan te geven voor haar aanvankelijke besluit om de betrokken oproepen te beperken tot EU-onderdanen. In de onderhavige zaak gaat het echter om een situatie waarin onderdanen van derde landen vervolgens zijn toegelaten, waarin ten minste één van deze onderdanen van derde landen heeft gesolliciteerd en waarin de Commissie vervolgens heeft besloten haar standpunt opnieuw te wijzigen en de betrokken functies te beperken tot onderdanen van de Unie. Kan de Commissie tegen deze achtergrond toelichten waarom zij de kandidaten niet in kennis heeft gesteld van de redenen voor haar besluit en waarom, afgezien van algemene excuses voor het veroorzaakte ongemak, geen specifieke excuses zijn aangeboden aan kandidaten uit niet-EU-landen die hadden gesolliciteerd maar die niet langer in aanmerking kwamen als gevolg van het besluit van de Commissie?
45. In haar memorie van repliek heeft de Commissie erop gewezen, dat zij eenieder die daarom had verzocht, zonder meer nadere inlichtingen over de motivering van haar besluit zou hebben verstrekt. In dit geval had echter niemand de Commissie of EPSO om dergelijke informatie verzocht voordat de Ombudsman werd benaderd.
46. Wat betreft de vraag van de Ombudsman waarom de Commissie geen specifieke excuses heeft aangeboden aan kandidaten uit niet-EU-landen, betreurde de instelling dat geen dergelijke specifieke excuses werden aangeboden aan kandidaten van wie de sollicitaties waarschijnlijk niet in aanmerking kwamen door het besluit om de oproep opnieuw te publiceren. De Commissie merkte op dat de kwestie op dat moment snel moest worden opgelost. Helaas werd, in een poging om de oproep snel opnieuw te publiceren, de kwestie van het sturen van een specifieke verontschuldiging met de redenen voor de annulering van de oproep niet aangepakt.
47. De Commissie bood professor B. haar excuses aan voor het feit dat zij de redenen voor haar besluit destijds niet had toegelicht. Zij heeft erop gewezen dat zij ernaar zal streven soortgelijke situaties in de toekomst te vermijden.
Beoordeling door de Ombudsman
48. In de loop van het onderzoek heeft de Commissie kopieën verstrekt van de informatie die aan de aanvragers was verstrekt toen zij de oorspronkelijke oproepen annuleerde en vervolgens de nieuwe oproepen opnieuw startte. Toen de nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen voor ERCEA en REA werden gepubliceerd, heeft de Commissie de kandidaten duidelijk meegedeeld dat [de aanvrager], om voor deze oproep in aanmerking te komen, onderdaan moet zijn van een lidstaat van de Europese Unie. De Commissie heeft echter niet toegelicht waarom de vorige oproepen waren geannuleerd en waarom de toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van verzoekers waren gewijzigd.
49. Volgens de beginselen van behoorlijk bestuur moet een administratie de burgers precieze redenen geven voor besluiten die zij neemt en die op hen van invloed kunnen zijn [3]. Zoals hierboven is opgemerkt, heeft de Commissie in casu haar besluit om de subsidiabiliteitsvoorwaarden te wijzigen, niet gemotiveerd. De instelling heeft de betrokken personen eenvoudigweg op de hoogte gebracht van de desbetreffende wijziging. De Ombudsman begrijpt met name niet waarom de Commissie een dergelijke toelichting niet heeft opgenomen in de e-mails aan aanvragers van buiten de EU, aangezien dit de personen waren die rechtstreeks door de wijziging werden getroffen. Het zou ook hoffelijk zijn geweest als de Commissie in dit verband een duidelijke verontschuldiging had aangeboden.
50. In de loop van het onderzoek van de Ombudsman erkende de Commissie echter dat zij had nagelaten een specifieke verontschuldiging aan niet-EU-aanvragers te sturen met de redenen voor de annulering van de oproepen. Zij verontschuldigde zich voor deze omissie en bood in dit verband een specifieke verontschuldiging aan professor B. aan. De instelling heeft bovendien de redenen voor haar aanpak toegelicht en zich ertoe verbonden soortgelijke situaties in de toekomst te vermijden. Gezien het bovenstaande en rekening houdend met het feit dat er nu twee jaar zijn verstreken sinds de relevante gebeurtenissen, is de Ombudsman van mening dat er geen verder onderzoek naar dit aspect van de zaak nodig is.
C. Met betrekking tot het derde punt
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
51. Professor B. betwistte het vereiste dat kandidaten een tweede officiële taal van de EU moeten kunnen spreken en voerde aan dat dit vereiste discriminerend was, aangezien het onderdanen van EU-lidstaten bevoordeelde.
52. De Commissie wees erop dat het vereiste om twee van de officiële talen van de EU te spreken een vereiste is dat is vastgelegd in het Statuut en de RAP en dat er geen mogelijkheid is om van dit vereiste af te wijken.
Beoordeling door de Ombudsman
53. Artikel 12, lid 2, onder e), RAP bepaalt dat een tijdelijke functionaris slechts kan worden aangeworven op voorwaarde dat "hij het bewijs levert van een grondige kennis van een van de talen van de Gemeenschappen en van een bevredigende kennis van een andere taal van de Gemeenschappen, voor zover dit voor de uitoefening van zijn functie noodzakelijk is."
54. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is het vereiste van een grondige of bevredigende kennis van ten minste twee van de officiële talen van de Unie een wettelijke vereiste, waarvoor geen afwijkingen gelden. De Ombudsman is derhalve van mening dat er met betrekking tot dit aspect van de zaak geen wanbeheer kan worden vastgesteld.
D. Conclusies
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende kritische opmerking:
Een goede administratieve praktijk vereist dat een instelling, alvorens een besluit te nemen, de negatieve gevolgen waartoe zij zou kunnen leiden, naar behoren onderzoekt. In casu heeft de Commissie, na aanvankelijk de oproepen voor tijdelijke functionarissen in ERCEA en REA te hebben beperkt tot EU-onderdanen, verzoekers uit KP7-partnerlanden toegelaten zonder de gevolgen ervan naar behoren te onderzoeken. Haar latere besluit om kandidaten uit KP7-partnerlanden opnieuw uit te sluiten van de genoemde oproepen vormt derhalve wanbeheer, aangezien er geen duidelijk en overtuigend bewijs of argumenten zijn om aan te tonen dat dit besluit om dwingende redenen moest worden genomen.
Professor B. en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 10 augustus 2010
[1] Meer informatie over het zevende kaderprogramma (KP7) van de EU voor onderzoek en technologische ontwikkeling is te vinden op: http://cordis.europa.eu/fp7
[2] Besluit 2008/46/EG van de Commissie van 14 december 2007 tot oprichting van het "Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad" voor het beheer van het specifieke programma "Ideeën" op het gebied van grensverleggend onderzoek overeenkomstig verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad (PB 2008, L 11, blz. 9).
[3] Artikel 18 (Verplichting tot motivering van besluiten), Europese code van goed administratief gedrag, beschikbaar op: www.ombudsman.europa.eu