# Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 3303/2008/ELB tegen de Europese Commissie
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: 2009-11-26T00:00+01:00[Europe/Paris]
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/4436)
---
DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT
-----------------------------
1. De echtgenote van de klager, die in het bezit is van een in een lidstaat (A) afgegeven verpleegdiploma, wenst een gespecialiseerde verpleegkundestudie in een andere lidstaat (B) te volgen. Ze heeft echter geen directe toegang tot deze studies. De bevoegde autoriteit van lidstaat B erkent haar in lidstaat A behaalde diploma niet en verleent haar alleen toegang tot deze studies op voorwaarde dat zij een eenjarig programma volgt om het verpleegkundig diploma van lidstaat B te behalen.
2. Klager nam contact op met de Commissie met het argument dat lidstaat B het Gemeenschapsrecht niet naleefde. De Commissie weigerde de klacht tegen lidstaat B te behandelen. Daarom wendde klager zich tot de Ombudsman.
Het onderwerp van het onderzoek
-------------------------------
3. Klager beweerde dat de Europese Commissie na zijn brief van 28 juli 2008 niet naar behoren had onderzocht of lidstaat B zijn vrouw had gediscrimineerd.
4. Hij verzocht de Commissie om overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag een procedure tegen lidstaat B in te leiden.
Het onderzoek
-------------
5. De klacht is op 17 november 2008 bij de Ombudsman ingediend. Op 18 december 2008 heeft de Ombudsman een onderzoek geopend en de klacht doorgestuurd naar de Commissie, die haar advies op 4 maart 2009 aan de Ombudsman heeft toegezonden. Het advies werd doorgestuurd naar klager met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die hij op 11 mei 2009 indiende.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
-----------------------------------------
### Opmerkingen vooraf
6. De Ombudsman wil eerst zijn begrip van de achtergrond van de klacht uiteenzetten. Wanneer wordt verwezen naar de wederzijdse erkenning van diploma's, moet een onderscheid worden gemaakt tussen erkenning voor beroepsdoeleinden en erkenning voor academische doeleinden.
7. De wederzijdse erkenning van diploma's voor *beroepsdoeleinden* heeft tot doel te waarborgen dat een onderdaan van een lidstaat die zijn *beroep* in een andere lidstaat wenst uit te oefenen, dit op voet van gelijkheid met een onderdaan van dat land kan doen. Daardoor wordt de toegang tot de arbeidsmarkt in de Gemeenschap vergemakkelijkt. Binnen de Europese Gemeenschap zijn verschillende stelsels van wederzijdse erkenning georganiseerd in het kader van verschillende richtlijnen. Dit gebeurde voor het eerst in verband met bepaalde gereglementeerde beroepen met betrekking tot de gezondheidssector en de architectuur. Vervolgens werd geleidelijk een algemeen systeem van wederzijdse erkenning opgezet voor alle andere gereglementeerde beroepen in de lidstaten. Deze verschillende richtlijnen zijn later vervangen door algemene Richtlijn 2005/36/EG[\[1\]:](#_ftn1){#_ftnref1}
"Bij*deze richtlijn worden regels vastgesteld volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van specifieke beroepskwalificaties (hierna "ontvangende lidstaat" genoemd), in een of meer andere lidstaten (hierna "lidstaat van herkomst" genoemd) verkregen beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties in staat stellen daar hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dat beroep \[...\].*
*Elke lidstaat stelt de toegang tot en de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaars der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers afhankelijk van het bezit van de in bijlage V bedoelde opleidingstitels \[...\], waaruit blijkt dat de betrokkene gedurende de duur van zijn opleiding en, in voorkomend geval, de kennis en vaardigheden heeft verworven \[...\]"*(cursivering van mij)
8. De wederzijdse erkenning van diploma's voor *academische doeleinden* betreft een onderdaan van een lidstaat die zijn *studie* in een andere lidstaat wil voortzetten. Het heeft tot doel de mobiliteit van studenten binnen de Europese Unie te bevorderen en te vergemakkelijken. Artikel 149 van het EG-Verdrag luidt:
"*1.* De*Gemeenschap draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van de onderwijsstelsels en hun culturele en taalkundige verscheidenheid. 2. De communautaire actie is erop gericht de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, onder meer door de academische erkenning van diploma's en studieperioden aan te moedigen."*(cursivering van mij)
Dit betekent dat de lidstaten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn op dit gebied en dat de bevoegdheid van de Gemeenschap beperkt is. Het besluit over het diploma van de onderdaan van een andere lidstaat wordt in de ontvangende lidstaat genomen door de bevoegde nationale autoriteiten. Lid 4 van artikel 149 heeft alleen betrekking op *stimuleringsmaatregelen* en sluit elke harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uit. Enkele voorbeelden van communautaire maatregelen, die hebben bijgedragen tot de bevordering van de academische erkenning van diploma's, zijn het Erasmus-programma en het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten.
9. Kortom, deze twee vormen van wederzijdse erkenning zijn duidelijk verschillend. Met name de beschikbare instrumenten (richtlijnen enerzijds en stimuleringsmaatregelen anderzijds) zijn verschillend.
### A. Bewering dat de Commissie niet naar behoren heeft onderzocht of lidstaat B de echtgenote van klager en de daarmee verband houdende vordering heeft gediscrimineerd
*Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten*
10. De echtgenote van klager heeft een in lidstaat A afgegeven verpleegdiploma, dat zij na drie jaar studie heeft behaald. Zij wenst toegang te krijgen tot gespecialiseerde verpleegkundestudies in lidstaat B en heeft, met dit doel voor ogen, verschillende verzoeken tot de nationale autoriteiten gericht om haar door lidstaat A afgegeven diploma te erkennen. De dienst voor kwalificatiebeoordeling van lidstaat B zal haar echter alleen toegang tot deze studies verlenen op voorwaarde dat zij deelneemt aan een eenjarig programma om het door lidstaat B afgegeven verpleegkundediploma te verkrijgen. Dit betekent dat zij zou moeten stoppen met werken om dit programma bij te wonen, wat de klager onevenredig en discriminerend vindt.
11. Klager was van mening dat zijn vrouw werd gediscrimineerd en dat lidstaat B het EU-recht en de jurisprudentie van het Hof van Justitie[\[2\]](#_ftn2){#_ftnref2} niet naleeft. Hij vond deze situatie onrechtvaardig, vooral gezien de bevordering van het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie. Bijgevolg was klager van mening dat de Commissie in de zaak moest interveniëren. Hij heeft in dit verband herhaaldelijk contact opgenomen met de Commissie (23 april 1993, 28 december 1999, 29 februari 2000, 12 januari 2003 en 28 juli 2008). De Commissie antwoordde dat de academische erkenning van diploma's onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten valt. In zijn klacht was klager van mening dat de Commissie had moeten onderzoeken of lidstaat B zijn echtgenote discrimineerde en overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag passende procedures had moeten inleiden tegen lidstaat B.
12. Bij verschillende gelegenheden (10 februari 2000, 16 maart 2000, 23 januari 2003, 24 september 2008) heeft de Commissie de situatie aan klager uitgelegd. In haar brief van 10 februari 2000 verklaarde zij voor het eerst dat de echtgenote van klager haar diploma van verpleegkundige in lidstaat A had behaald vóór de inwerkingtreding van de Richtlijnen 77/452/EEG[\[3\]](#_ftn3){#_ftnref3} en 77/453/EEG[\[4\].](#_ftn4){#_ftnref4} Haar opleiding voldoet niet aan de minimumnormen van Richtlijn 77/453/EEG. Ze behaalde echter de professionele erkenning van haar diploma als gediplomeerd verpleegkundige. De echtgenote van klager verkreeg vervolgens van het ministerie van Volksgezondheid van lidstaat B een tweede beroepserkenning van haar diploma, waardoor zij toegang kreeg tot het beroep van verpleegkundige en de mogelijkheid kreeg om onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma van lidstaat B te werken. De Commissie verklaarde dat de beroepserkenning van diploma's personen met een diploma uit een ander land in staat stelde in de ontvangende lidstaat te werken. Dit betekent echter niet dat het diploma als gelijkwaardig aan het nationale diploma wordt beschouwd. Zij verwees naar zaak 71/1976, *Thieffry* [\[5\]](#_ftn5){#_ftnref5}, waarin het Hof van Justitie een onderscheid maakte tussen de professionele en de academische erkenning van diploma's. Hij onderstreepte dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de academische erkenning van een diploma. Dit soort erkenning valt niet onder het Gemeenschapsrecht. De Commissie voegde daaraan toe dat de nationale autoriteiten in dit verband specifieke regels mogen vaststellen (aangezien er geen communautaire regels bestaan op grond waarvan een lidstaat een buitenlands diploma voor academische doeleinden moet erkennen).
13. In haar advies heeft de Commissie uiteengezet dat een klacht op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag ontvankelijk is indien een lidstaat het Gemeenschapsrecht schendt. Wat onderwijs betreft, bepaalt artikel 149 van het EG-Verdrag dat de Gemeenschap bijdraagt tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en, indien nodig, door hun optreden te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van de onderwijsstelsels en hun culturele en taalkundige verscheidenheid. De erkenning van diploma's voor academische doeleinden valt derhalve onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten. Op dit gebied moet de Commissie alleen controleren of de weigering om een diploma te erkennen niet gebaseerd is op directe of indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. Een dergelijke discriminatie bestond in de onderhavige grief niet.
*Beoordeling door de Ombudsman*
14. De Ombudsman merkt op dat de Commissie krachtens artikel 211 van het EG-Verdrag, in haar rol van "hoedster van het Verdrag", ervoor moet zorgen dat het Gemeenschapsrecht wordt toegepast.
15. Bij de uitvoering van haar taak onderzoekt de Commissie mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, die voornamelijk het gevolg zijn van klachten van burgers. Indien de Commissie naar aanleiding van haar onderzoek van mening is dat een lidstaat de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, verleent artikel 226 van het EG-Verdrag hem de bevoegdheid een inbreukprocedure tegen de verantwoordelijke lidstaat in te leiden en zich uiteindelijk tot het Hof van Justitie van de Europese Unie te wenden.
16. De echtgenote van klager wenst gespecialiseerde studies verpleegkunde bij te wonen in lidstaat B. De onderhavige zaak heeft derhalve betrekking op de wederzijdse erkenning voor academische doeleinden van een in lidstaat A in lidstaat B afgegeven diploma. In het licht van de punten 6 tot en met 9 van dit besluit is de Ombudsman van mening dat de uitleg van de Commissie voor het niet inleiden van een procedure op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag passend is. Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht heeft specifiek betrekking op de wederzijdse erkenning van diploma's voor academische doeleinden. Bijgevolg kan er in casu geen sprake zijn van schending van het gemeenschapsrecht.
17. Zoals de Commissie heeft aangegeven, moet de Commissie, ook al is de wederzijdse erkenning van diploma's voor academische doeleinden de verantwoordelijkheid van de lidstaten, nog steeds nagaan of er in artikel 12 van het EG-Verdrag geen sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit. De Ombudsman merkt op dat klager in zijn opmerkingen de verklaring van de Commissie dat er geen elementen waren waaruit discriminatie bleek, niet heeft betwist. Aangezien klager geen elementen heeft verstrekt om zijn zaak te verdedigen, kan de Ombudsman alleen maar concluderen dat het standpunt van de Commissie redelijk is.
18. Daarom concludeert de Ombudsman dat er in deze zaak geen sprake is van wanbeheer door de Commissie. Bijgevolg kan de vordering niet worden toegewezen.
### B. Conclusie
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusie:
Er is geen sprake van wanbeheer door de Commissie.
Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 26 november 2009
*** ** * ** ***
[\[1\]](#_ftnref1){#_ftn1} Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22).
[\[2\]](#_ftnref2){#_ftn2} Hij verwees naar de volgende zaken: Zaak 263/86, *Belgische Staat tegen Humbel,* Jurispr. 1988, blz. 5365; Zaak 39/86, *Lair/Universität Hannover,* Jurispr. 1988, blz. 3161; Zaak 197/86, *Brown/Secretary of State for Scotland,* Jurispr. 1988, blz. 3205; Zaak 293/83, *Gravier/Ville de Liège,* Jurispr. 1985, blz. 593; Zaak 222/86, *Unectef, Jurispr. 1987,* blz. 4097; Zaak C-308/89, *Di Leo/Land Berlin,* Jurispr. 1990, blz. I-4185; Zaak C-340/89, *Vlassopoulou/Ministerium für Justiz, Bundes- u. Europaangelegenheiten Baden-Württemberg,* Jurispr. 1991, blz. I-2357.
[\[3\]](#_ftnref3){#_ftn3} Richtlijn 77/452/EEG van de Raad van 27 juni 1977 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van dit recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1977, L 176, blz. 1-7).
[\[4\]](#_ftnref4){#_ftn4} Richtlijn 77/453/EEG van de Raad van 27 juni 1977 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (PB L 176, blz. 8-10).
[\[5\]](#_ftnref5){#_ftn5} Zaak 71/76, *Thieffry/Conseil de l'ordre des avocats à la cour de Paris,* Jurispr. 1977, blz. 765.