Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 454/2006/(IP)MF tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 454/2006/(IP)MF - Geopend op Maandag | 19 juni 2006 - Besluit over Donderdag | 20 november 2008
DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT
1. Op 20 juli 2002 diende klager overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag (1) bij de Commissie een klacht in tegen de Italiaanse autoriteiten. Op 22 augustus 2002 heeft de Commissie de klacht geregistreerd onder nummer 2002/4946.
2. In zijn klacht bij de Commissie voerde klager aan dat een bouwproject voor een waterzuiveringsinstallatie in Stintino (Italië) ("het project") door de Italiaanse autoriteiten was goedgekeurd in strijd met de bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (2) en Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna ("EG-habitatrichtlijn")(3). De klager voerde aan dat de Italiaanse autoriteiten het project hadden goedgekeurd zonder rekening te houden met mogelijk nadelige milieueffecten voor de omliggende grond. Deze grond is door Italië voorgesteld als gebied van communautair belang (GCB)(4) op de lijst die door de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie is toegezonden (5), overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG. Klager was daarom van mening dat het project had moeten worden onderworpen aan een volledige milieueffectbeoordeling (MEB).
3. Op 28 april 2003 heeft de Commissie, na een voorlopige beoordeling van de klacht, de Italiaanse autoriteiten een brief gestuurd met het verzoek informatie te verstrekken over de wijze waarop de bepalingen van de twee bovengenoemde richtlijnen met betrekking tot het project waren toegepast.
4. Op basis van de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten van 10 en 14 november 2003 en de informatie die zij tijdens haar vergadering van 25 juni 2003 met deze autoriteiten had verzameld, heeft de Commissie geconcludeerd dat er geen sprake was van een inbreuk op Richtlijn 85/337/EEG of Richtlijn 92/43/EEG.
5. Bij brief van 10 augustus 2004 heeft de Commissie klager in kennis gesteld van haar bovenstaande conclusie en aangegeven dat haar diensten voornemens waren de zaak te sluiten. Tussen 31 augustus 2004 en 25 maart 2005 zond klager de Commissie talrijke brieven en e-mails (22 in totaal)(6) met het oog op een heroverweging van zijn zaak. Bijgevolg heeft de Commissie haar besluit om de zaak te sluiten opgeschort om de argumenten van klager te beoordelen.
6. Op 5 en 7 mei 2005 heeft klager mevrouw Day, de toenmalige directeur-generaal van DG Milieu, schriftelijk verzocht om een volledige herziening van het dossier 2002/4946 van klager. De diensten van de Commissie hebben bij brieven van 25 mei en 10 juni 2005 geantwoord dat de verstrekte informatie geen nieuwe elementen bevatte aan de hand waarvan zij een mogelijke inbreuk op de communautaire milieuwetgeving kon vaststellen. Klager heeft de Commissie op 1, 2, 22, 24 en 25 juni 2005 verdere correspondentie gestuurd. Bij brief van 1 juli 2005 hebben de diensten van de Commissie geantwoord dat bij gebreke van nieuwe elementen geen mogelijke schending van de communautaire milieuwetgeving was vastgesteld.
7. Op 5 juli 2005 heeft de Commissie zaak 2002/4946 afgesloten en op 11 juli 2005 heeft zij klager daarvan in kennis gesteld.
8. Klager was het opnieuw oneens met de conclusie van de Commissie. Als gevolg daarvan vond er een uitgebreide briefwisseling plaats tussen de Commissie en klager.
9. Bij brief van 14 oktober 2005 (7) deelde de Commissie klager mee dat haar diensten overeenkomstig de code van goed administratief gedrag van de Commissie met het publiek (8) niet langer zouden reageren op verdere correspondentie van repetitieve, beledigende en/of zinloze aard. Klager schreef verdere brieven, waarop de Commissie op 17 november 2005 antwoordde.
Het onderwerp van het onderzoek
10. In zijn klacht bij de Ombudsman voerde klager de volgende aantijgingen aan:
- Het besluit van de Commissie om klacht 2002/4946 af te sluiten was ongerechtvaardigd en gebaseerd op inconsistente redeneringen;
- De Commissie heeft niet geantwoord op zijn brief van 7 mei 2005;
- Het besluit van de Commissie van 14 oktober 2005 om niet langer op zijn correspondentie te antwoorden met een beroep op artikel 4 van de code van goed administratief gedrag van de Commissie was onjuist en ongegrond; en
- De Commissie heeft de artikelen 8, 9, 10, 12, 14, 15 en 18 van de Europese code van goed administratief gedrag (9) niet nageleefd.
Het onderzoek
11. Op 19 juni 2006 opende de Ombudsman een onderzoek naar de bovengenoemde aantijgingen van klager.
12. Op 28 september 2006 heeft de Commissie haar standpunt over de beweringen van klager meegedeeld. Het door de Commissie verstrekte advies werd aan klager toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die hij op 17 november 2006 heeft ingediend.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
A. Bewering dat het besluit van de Commissie om klacht nr. 2002/4946 af te sluiten ongerechtvaardigd was en was gebaseerd op tegenstrijdige redeneringen Argumenten
die aan de Ombudsman waren voorgelegd
13. Klager voerde aan dat het besluit van de Commissie om zijn klacht nr. 2002/4946 tegen de Italiaanse autoriteiten af te sluiten ongerechtvaardigd was en op een inconsistente redenering was gebaseerd.
14. Volgens klager heeft de Commissie ten onrechte het besluit van de Italiaanse autoriteiten aanvaard dat voor het project geen voorafgaande MEB vereist was. De Commissie had niet mogen vertrouwen op de onjuiste informatie die zij van de Italiaanse autoriteiten had ontvangen, namelijk de “Relazione tecnico agronomica di ripristino ambientale del sedime dell'impianto di trattamento reflui di Stintino”(het “Relazione-verslag”), omdat dit verslag vals was. Integendeel, de Commissie had terdege rekening moeten houden met de informatie die de klager had verstrekt (Analisi ambientale di un complesso forestale interessato dalla realizzazione di un sistema integrato di raccolta collettamento e depurazione del abitato e degli insediamenti turistici, affinamento, regolazione idraulica e redistribuzione delle acque usate- scarico degli esuberi da parte del Comune di Stintino - "deskundigenadvies van dr. De Commissie heeft ook verzuimd haar eigen inspectie ter plaatse uit te voeren, waarbij zij zich in plaats daarvan heeft gebaseerd op de resultaten van de door de Italiaanse autoriteiten uitgevoerde inspectie.
15. De Commissie was van mening dat de beoordeling door de Italiaanse autoriteiten in overeenstemming was met het relevante Gemeenschapsrecht en heeft dit uitvoerig toegelicht in haar talrijke communicaties met klager (en met name in haar besluit van 19 april 2005 tot afsluiting van de zaak van klager). De Commissie aanvaardde de conclusie van de Italiaanse autoriteiten dat het project geen negatieve milieueffecten had op basis van i) de resultaten van een inspectie ter plaatse van het project, en ii) een aantal door deze autoriteiten ingediende documenten, waaronder het bovengenoemde verslag-Relazione. De Commissie benadrukte dat het deskundig advies van dr. B geen formele geldigheid had omdat het geen datum of officieel stempel bevatte.
Beoordeling door de Ombudsman
16. De Ombudsman begrijpt de standpunten van de partijen als volgt: De Commissie baseerde haar besluit om de zaak van klager af te sluiten op grond van het feit dat de Italiaanse autoriteiten hun discretionaire bevoegdheid naar behoren hadden uitgeoefend toen zij besloten de MEB met betrekking tot het project niet uit te voeren. De Italiaanse autoriteiten hebben bij de Commissie documenten ingediend ter ondersteuning van hun besluit.
17. Klager was het niet eens met de conclusie van de Commissie. In de eerste plaats was hij van mening dat de Italiaanse autoriteiten het gemeenschapsrecht niet in acht hadden genomen, aangezien het deskundig advies van dr. B aantoonde dat het project inderdaad negatieve milieueffecten had. Hij voerde aan dat de Italiaanse autoriteiten daarom een volledige MEB hadden moeten uitvoeren. Ten tweede stelde hij zich op het standpunt dat de uitleg en documenten van de Italiaanse autoriteiten, met inbegrip van de resultaten van de inspectie ter plaatse, onjuist waren. De Commissie heeft haar zorgvuldigheidsplicht niet voldoende uitgeoefend bij de beoordeling van het door de Italiaanse autoriteiten verstrekte bewijsmateriaal en heeft geen rekening gehouden met de informatie die hij zelf heeft verstrekt.
18. Wat het eerste standpunt van klager betreft, herinnert de Ombudsman eraan dat hij overeenkomstig artikel 195 van het EG-Verdrag klachten over wanbeheer bij het optreden van de instellingen en organen van de Europese Gemeenschap kan ontvangen en onderzoeken. Tegen geen enkele handeling van een andere autoriteit kan een klacht bij hem worden ingediend. Het is dus niet de taak van de Ombudsman om te onderzoeken of de Italiaanse autoriteiten het nationale of het Europese recht correct hebben toegepast. De beoordeling van de Ombudsman heeft tot doel na te gaan of de Commissie correct heeft gehandeld toen zij concludeerde dat het gedrag van de Italiaanse autoriteiten in overeenstemming was met de toepasselijke regels inzake milieueffectbeoordelingen.
19. Wat het tweede standpunt van klager betreft, dat wil zeggen zijn argumenten met betrekking tot de zorgplicht van de Commissie, wijst de Ombudsman er in de eerste plaats op dat de MEB-procedure, zoals vereist door de MEB-richtlijnen, door de nationale autoriteiten moet worden uitgevoerd (10). Wat de projecten betreft die beantwoorden aan de in bijlage II bij Richtlijn 97/11/EG tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG (11) genoemde categorieën, beschikken de nationale autoriteiten bovendien op basis van de in bijlage III bij die richtlijn vastgestelde criteria over de discretionaire bevoegdheid om te beslissen of de MEB al dan niet nodig is. Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG (12):
"Elk plan of project dat niet rechtstreeks verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor het gebied, wordt onderworpen aan een passende beoordeling van de gevolgen ervan voor het gebied in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. In het licht van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en met inachtneming van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale autoriteiten pas toestemming voor het plan of project nadat zij zich ervan hebben vergewist dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en, in voorkomend geval, nadat zij het advies van het grote publiek hebben ingewonnen.
20. Klager voerde ook aan dat de Commissie de inspecties en de conclusies van de nationale autoriteiten niet had mogen vertrouwen en haar niet had mogen meedelen. In dit verband herinnert de Ombudsman aan de wederzijdse verplichting tot loyale samenwerking die krachtens artikel 10, lid 2, van het EG-Verdrag op de communautaire instellingen en hun lidstaten rust. Dit beginsel is door de communautaire rechterlijke instanties ingeroepen in het kader van inbreukprocedures op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag (13). In beide artikelen is bepaald dat de lidstaten zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.
21. In het licht van bovengenoemd beginsel is het redelijk om aan te nemen dat de Commissie i) mocht oordelen dat de Italiaanse autoriteiten de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake milieubescherming in acht hebben genomen bij het uitvoeren van inspecties ter plaatse met betrekking tot de mogelijke milieueffecten van het project, en ii) mocht verwachten dat de Italiaanse autoriteiten haar betrouwbare informatie verstrekten over de toepassing van de relevante communautaire milieuwetgeving op het project.
22. Uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat de Commissie de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte toelichtingen en bewijsstukken zorgvuldig heeft onderzocht. Ook al was de echtheid van het Relazione-rapport tot op zekere hoogte betwistbaar, omdat het volgens klager vals was, de Commissie heeft er terecht op gewezen dat, zolang de bevoegde Italiaanse administratieve en juridische autoriteiten het tegendeel niet bewijzen, dit document nog steeds relevant is voor de beoordeling van de Commissie.
23. Bovendien blijkt dat de Commissie niet alleen de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte documenten (met inbegrip van het bovengenoemde Relazione-rapport) en de tijdens de bijeenkomst met hen van 25 juni 2003 verzamelde informatie heeft onderzocht, maar ook het specifieke document (deskundig advies van dr. B) dat door klager was verstrekt, ook al ontbrak het aan formele status omdat het volgens de Commissie geen datum en officieel stempel bevatte. In haar brief van 19 april 2005 aan klager verwees de Commissie inderdaad herhaaldelijk naar de gegevens en argumenten in het deskundigenadvies van dokter B en nam zij hierover een standpunt in (14).
24. Bovendien blijkt uit de talrijke briefwisselingen tussen klager en DG Milieu dat de diensten van de Commissie, door uitdrukkelijk te verwijzen naar de argumenten van klager (d.w.z. "Het door u aangevoerde argument inzake vermeende verontreiniging wordt niet gestaafd door enig concreet bewijs")(15), terdege rekening hebben gehouden met alle door hem verstrekte informatie.
25. In haar brief van 19 april 2005 heeft de Commissie ook verklaard dat zij nog steeds de mogelijkheid zou overwegen om een nieuwe inbreukprocedure in te leiden, nadat zij de zaak van klager had afgesloten, indien hij nieuwe en relevante informatie zou verstrekken.
26. Het is ook vermeldenswaard dat de Commissie haar besluit om de zaak te sluiten heeft opgeschort om het door de klager ingediende bewijsmateriaal te analyseren. De Ombudsman begrijpt dat de Commissie dit heeft gedaan omdat zij, indien zij voldoende elementen had gevonden om de informatie van de Italiaanse autoriteiten in twijfel te trekken, die informatie zou hebben geverifieerd door haar eigen inspectie ter plaatse uit te voeren. De Commissie heeft dergelijke elementen echter niet gevonden en heeft daarom redelijkerwijze aangevoerd dat de Italiaanse autoriteiten een toereikend onderzoek ter plaatse hadden verricht.
27. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat klager niet heeft aangetoond dat i) de Commissie haar zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen bij het onderzoek van de documenten en toelichtingen op basis waarvan zij heeft besloten zijn zaak te sluiten, en ii) zij ten onrechte vertrouwen heeft gesteld in de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte documenten in plaats van de nodige aandacht te besteden aan de door hem verstrekte informatie en documenten.
28. Voorts wijst de Ombudsman erop dat de Commissie in haar brief van 19 april 2005 aan klager in detail heeft uiteengezet waarom zij zijn zaak had afgesloten.
29. Wat de vermeende schending van Richtlijn 85/337/EEG betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat volgens het verslag-Relazione, waarmee de Italiaanse autoriteiten rekening hebben gehouden bij hun besluit om de MEB met betrekking tot het project niet uit te voeren, de Italiaanse autoriteiten de in bijlage III bij die richtlijn vastgestelde criteria in aanmerking hebben genomen.
30. Met betrekking tot de vermeende schending van Richtlijn 92/43/EEG, gelezen in samenhang met Richtlijn 79/409/EEG (16), verwees de Commissie naar de relevante rechtspraak (17) en herinnerde zij eraan dat bouwprojecten op gebieden die door de lidstaten zijn voorgesteld als gebieden van communautair belang die op de aan de Commissie toegezonden lijst kunnen worden aangewezen, niet noodzakelijkerwijs een MEB vereisen totdat de lijst door de Commissie is vastgesteld. Intussen moeten de lidstaten echter overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG passende maatregelen nemen om de gebieden op de voorgestelde lijst te beschermen. De Commissie heeft duidelijk uiteengezet dat de Italiaanse autoriteiten in strijd met Richtlijn 93/43/EEG zouden hebben gehandeld indien zij niet de passende maatregelen hadden genomen om het betrokken gebied te beschermen, maar zij hebben dit wel gedaan.
31. Tot slot wees de Commissie erop dat de Italiaanse autoriteiten een MEB hebben uitgevoerd op twee andere gebieden die op de lijst waren voorgesteld (het GCB “ITB010043 Coste e Isolette nord ovest della Sardegna” en “ITB010002 “Stagno di Pilo e Stagno di Casaraccio”), hoewel zij daartoe niet verplicht waren. Na deze beoordeling van deze twee beschermde gebieden concludeerden de Italiaanse autoriteiten dat het project in kwestie geen significante negatieve gevolgen zou hebben voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden in de zin van de Richtlijnen 92/43/EEG en 79/409/EEG.
32. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de Commissie in haar brief van 19 april 2005 aan klager een toereikende motivering heeft gegeven voor haar besluit om het dossier van klager te sluiten.
33. Bovendien heeft de Commissie in haar advies over de klacht haar motivering volledig aangevuld met een herhaling van de rechtsgronden voor haar besluit om de klacht van klager op grond van artikel 226 af te sluiten.
34. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat er geen sprake lijkt te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot deze bewering.
B. Vermeend verzuim van de Commissie om te antwoorden op de brief van klager van 7 mei 2005
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
35. Klager beweerde dat de Commissie zijn brief van 7 mei 2005 niet had beantwoord.
36. In haar advies heeft de Commissie verklaard dat, aangezien de brief van 7 mei 2005 dezelfde was als de brief die op 5 mei 2005 aan DG Milieu was gericht en waarop op 25 mei 2005 een antwoord werd gestuurd, de Commissie op deze brief heeft geantwoord. In elk geval bood de Commissie klager in haar brief van 8 september 2005 haar excuses aan voor het feit dat hij niet formeel had geantwoord op zijn brief van 7 mei 2005.
Beoordeling door de Ombudsman
37. De Ombudsman onderzocht de correspondentie in kwestie, die klager en de Commissie hem hadden toegezonden.
38. In zijn brief aan DG Milieu van 5 mei 2005 herhaalde klager zijn standpunt dat er sprake was van een inbreuk op de communautaire milieuwetgeving door de Italiaanse autoriteiten.
In zijn brief van 7 mei 2005 (18) verzocht klager om een herziening van het gehele dossier 2002/4946.
In haar antwoord van 25 mei 2005 wees de Commissie erop dat de verstrekte informatie geen nieuwe elementen bevatte aan de hand waarvan zij een mogelijke inbreuk op de communautaire milieuwetgeving kon vaststellen.
39 Naar het oordeel van de Ombudsman lijkt het derhalve niet onredelijk om aan te nemen dat de twee brieven van klager in wezen dezelfde zaak betroffen. De Ombudsman aanvaardt derhalve het standpunt van de Commissie dat haar antwoord van 25 mei 2005 kan worden geacht ook te verwijzen naar het onderwerp van de brief van klager van 5 mei 2005 en van 7 mei 2005.
40. Voorts bood de Commissie klager haar excuses aan voor het feit dat zij niet formeel had geantwoord op zijn brief van 7 mei 2005.
41. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat er geen redenen lijken te zijn voor verder onderzoek naar de bewering van klager.
C. Bewering met betrekking tot het besluit van de Commissie van 8 oktober 2005 om niet langer te antwoorden op de correspondentie van klager met een beroep op artikel 4 van de aan de Ombudsman
voorgelegde Code van goed administratief gedrag van de Commissie
42. Klager voerde aan dat het besluit van de Commissie van 14 oktober 2005 (dat wil zeggen de brief van de Commissie van die datum) om niet langer op zijn correspondentie te antwoorden met een beroep op artikel 4 van de code van goed administratief gedrag van de Commissie, onjuist en onredelijk was.
43 In haar advies heeft de Commissie verklaard dat het besluit van DG Milieu om repetitieve, beledigende of zinloze correspondentie met klager te beëindigen, was genomen op grond van de code van goed administratief gedrag van de Commissie, vanwege het repetitieve en zinloze karakter van de brieven die klager voortdurend aan DG Milieu (aan zowel zijn diensten als directeur-generaal), aan commissaris Dimas en aan voorzitter Barroso had gericht. In dit verband merkte de Commissie op dat zij "de plicht had om het geld van de belastingbetaler goed te gebruiken".
Beoordeling door de Ombudsman
44. Artikel 4 van de Code of Good Administrative van de Commissie luidt als volgt:
"Een antwoord op een aan de Commissie gerichte brief wordt binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de brief door de verantwoordelijke dienst van de Commissie (…) toegezonden.
Indien een antwoord niet binnen de bovengenoemde termijn kan worden verzonden en in alle gevallen waarin het antwoord andere werkzaamheden vereist, zoals overleg tussen de diensten of vertaling, moet het verantwoordelijke personeelslid een voorlopig antwoord sturen, met vermelding van een datum waarop de geadresseerde in het licht van deze aanvullende werkzaamheden een antwoord mag verwachten, rekening houdend met de relatieve urgentie en complexiteit van de zaak (…)
Deze regels zijn niet van toepassing op correspondentie die redelijkerwijs als ongepast kan worden beschouwd, bijvoorbeeld omdat deze repetitief, beledigend en/of zinloos is. Vervolgens behoudt de Commissie zich het recht voor dergelijke briefwisselingen te staken."(nadruk toegevoegd)
45. De Ombudsman is het ermee eens dat de Commissie inderdaad de plicht heeft om de aan haar toegewezen middelen goed te gebruiken om haar administratieve taken uit te voeren en haar personele middelen doeltreffend te gebruiken. Dit mag haar er echter niet van weerhouden naar behoren om te gaan met de correspondentie van burgers, in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur die zijn vastgelegd in haar eigen code en in de Europese code van goed administratief gedrag.
46. De vraag rijst echter of het besluit van de Commissie in dit specifieke geval om niet langer te antwoorden op de herhaalde en onrechtmatige correspondentie van klager aanvaardbaar en terecht was in het kader van haar betrekkingen met Europese burgers. De Ombudsman is in het algemeen van mening dat dit het geval zou zijn indien de Commissie de auteur van de correspondentie ervan in kennis zou stellen dat zij als repetitief zou worden beschouwd en dat geen verdere antwoorden zouden worden verzonden tenzij nieuwe elementen werden verstrekt. Op die manier zou de Commissie aantonen dat zij de correspondentie niet automatisch als repetitief kwalificeert, bijvoorbeeld op basis van het criterium van de auteur, maar pas nadat zij de inhoud ervan heeft onderzocht om na te gaan of er nieuwe elementen verschijnen.
47. Op basis van het in deze zaak beschikbare bewijsmateriaal is het duidelijk dat klager de Commissie een aanzienlijk aantal brieven en e-mails over hetzelfde onderwerp had gestuurd. Samenvattend stelden zij allen dat het besluit van de Commissie om de inbreukprocedure af te sluiten onjuist was. De Commissie heeft herhaaldelijk op dezelfde bezwaren van klager geantwoord.
48. In haar brief van 14 oktober 2005, waarvan de Commissie in haar advies over de klacht een afschrift had verstrekt, deelde de Commissie klager mee dat haar diensten overeenkomstig haar code van goed administratief gedrag niet langer zouden antwoorden op verdere correspondentie van repetitieve, beledigende en/of zinloze aard, en verklaarde zij dat zij deze bepaling van haar code zou toepassen „tenzij nieuwe elementen werden aangevoerd”.(19)
49. In het licht van bovenstaande overwegingen lijkt het standpunt van de Commissie, zoals verwoord in haar bovengenoemde brief van 14 oktober 200, in overeenstemming te zijn met haar eigen regels en derhalve op een deugdelijke motivering te zijn gebaseerd.
50. De Ombudsman merkt ook op dat de Commissie na haar brief van 14 oktober 2005 nog steeds op 17 november 2005 heeft geantwoord op de verdere correspondentie van klager van 17, 21 en 25 oktober 2005. In deze brief herinnerde de Commissie eraan dat zij, overeenkomstig haar code van goed administratief gedrag, geen vervolg zal geven aan verdere correspondentie die redelijkerwijs als misbruik kan worden beschouwd, gezien het repetitieve, schadelijke of ongegronde karakter ervan. Bovendien verklaarde zij dat indien zij nieuwe informatie zou ontvangen die de opening van een onderzoek over hetzelfde onderwerp zou rechtvaardigen, de zaak opnieuw zou worden geopend en opnieuw zou worden onderzocht.
51 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot deze bewering.
D. Vermeende niet-naleving door de Commissie van de artikelen 8, 9, 10, 12, 14, 15 en 18 van de aan de Ombudsman
voorgelegde Europese code van goed administratief gedrag
52. De klager voerde aan dat de Commissie artikel 8 (onpartijdigheid en onafhankelijkheid) niet in acht heeft genomen; artikel 9 (Doelstelling); artikel 10 (legitieme verwachtingen, consistentie en advies); artikel 12 (Rekenkamer); artikel 14 (Ontvangstbevestiging en vermelding van de bevoegde ambtenaar); Artikel 15 (Verplichting tot overplaatsing naar de bevoegde dienst van de instelling) en artikel 18 (Verplichting tot motivering van besluiten) van de Europese code van goed administratief gedrag.
53. In haar advies verklaarde de Commissie dat de verwijzing van klager naar de niet-naleving door de Commissie van verschillende artikelen van de Europese code van goed administratief gedrag ongegrond was.
54. In zijn opmerkingen verduidelijkte klager zijn bewering door te stellen dat het verzuim van DG Milieu om de documenten met betrekking tot zijn tweede klacht van 4 december 2002 aan de Commissie toe te zenden, een duidelijk bewijs vormde van het ongepaste gedrag van de betrokken ambtenaren, die in strijd met de code van goed administratief gedrag van de Commissie hebben gehandeld, waardoor zij fundamentele organisatorische regels hebben geschonden.
Beoordeling door de Ombudsman
55. De Ombudsman merkt op dat klager geen specifieke verwijzing heeft gemaakt naar de wijze waarop de Commissie elk afzonderlijk artikel van de code waarnaar hij verwijst, heeft geschonden, met uitzondering van het verzuim van DG Milieu om de relevante documenten door te sturen naar DG Interne markt (dat wil zeggen, hij verwees naar artikel 15 van de Europese code van goed administratief gedrag (20)).
56. Daarom zal de Ombudsman deze kwestie alleen beoordelen.
57. Uit het verzamelde bewijsmateriaal blijkt dat klager bij brieven van 4 en 15 december 2002 een tweede klacht op grond van artikel 226 bij de Commissie heeft ingediend over de onjuiste toepassing van de communautaire wetgeving inzake overheidsopdrachten. Deze nieuwe klacht had echter betrekking op zijn (eerste) klacht bij de Commissie waarnaar in deze beschikking wordt verwezen.
Op 21 maart 2003 heeft DG Interne markt de tweede klacht van klager geregistreerd onder referentie 2003/4372.
Op 4 april 2003 heeft DG Interne Markt DG Milieu verzocht haar kopieën te doen toekomen van de documenten die klager in het kader van zijn eerste klacht had toegezonden (referentienummer 2002/4946), alsmede alle andere relevante informatie over zijn zaak. Deze documenten zijn vervolgens door DG Milieu bij brief van 14 april 2003 aan DG Interne markt toegezonden.
58. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat de bewering van klager dat de Commissie artikel 15 van de Europese code van goed administratief gedrag heeft geschonden, niet kan worden gestaafd en vindt hij derhalve ook geen wanbeheer met betrekking tot deze bewering.
E. Conclusies
Op basis van het onderzoek naar deze klacht concludeert de Ombudsman dat er geen sprake is van wanbeheer door de Europese Commissie met betrekking tot de eerste, derde en vierde beweringen van klager. Wat de tweede bewering van klager betreft, zijn er geen redenen voor verder onderzoek.
De Ombudsman sluit daarom de zaak. Klager en de voorzitter van de Europese Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 20 november 2008
(1) Artikel 226 van het EG-Verdrag luidt als volgt:
"Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij hierover een met redenen omkleed advies uit, nadat zij de betrokken staat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen te maken.
Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Commissie gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie zich tot het Hof van Justitie wenden."
(2) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40).
(3) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7).
(4) Volgens Richtlijn 92/43/EEG wordt onder “gebied van communautair belang” verstaan: een gebied dat, in de biogeografische regio of regio’s waartoe het behoort, aanzienlijk bijdraagt tot het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van een type natuurlijke habitat in bijlage I of van een soort in bijlage II en ook aanzienlijk kan bijdragen tot de samenhang van Natura 2000 als bedoeld in artikel 3, en/of aanzienlijk bijdraagt tot het behoud van de biologische diversiteit in de betrokken biogeografische regio of regio’s.
Voor diersoorten die zich over grote gebieden uitstrekken, komen de gebieden van communautair belang overeen met de plaatsen binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soorten die de fysische of biologische factoren bevatten die essentieel zijn voor hun leven en voortplanting.[...]”
(5) Artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG luidt als volgt: “Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en relevante wetenschappelijke informatie stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, met vermelding van de typen natuurlijke habitats in bijlage I en de soorten in bijlage II die op zijn grondgebied inheems zijn. (…).”
(6) Klager zond e-mails op 31 augustus, 20 september, 19 november, 3, 7, 18 en 20 december 2004, alsmede op 10, 16, 17 januari en 1 maart 2005. Hij heeft brieven gestuurd (per post, fax en e-mail) op 27 en 29 augustus, 1 september, 19 november, 3, 6 en 20 december 2004, alsmede op 8 en 16 januari en 1 en 25 maart 2005.
(7) In haar advies wees de Commissie erop dat klager in zijn klacht bij de Ombudsman haar brief van 14 oktober 2005 ten onrechte had aangemerkt als "het besluit van de Commissie van 8 oktober 2005". Daarom zal de datum 14 oktober 2005 in dit besluit worden gebruikt om naar deze brief te verwijzen.
(8) De Code van goede administratieve gedragsrelaties van de Commissie met het publiek is beschikbaar op het volgende adres: http://ec.europa.eu/civil_society/code/index_en.htm.
(9) De Europese code van goed administratief gedrag is beschikbaar op het volgende adres: http://www.ombudsman.europa.eu/code/en/default.htm.
(10) De Ombudsman merkt op dat richtlijn 85/337/EEG volgens de vijfde overweging van de considerans ervan tot doel heeft algemene beginselen voor de beoordeling van de milieueffecten vast te stellen ter aanvulling en coördinatie van de "vergunningsprocedures" voor openbare en particuliere projecten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu.
Daartoe wordt in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 85/337/EEG "vergunning" gedefinieerd als het besluit van de bevoegde instantie of instanties dat de opdrachtgever het recht geeft een project uit te voeren.
Artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt: "De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, voordat een vergunning wordt verleend, projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, onder meer vanwege hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van hun effecten. Deze projecten worden omschreven in artikel 4."
(11) Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 73, blz. 5). Artikel 4, leden 2 en 3, van deze richtlijn bepaalt:
"Artikel 4
2. Onverminderd artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
a) een onderzoek per geval, of
b) door de lidstaat vastgestelde drempelwaarden of criteria
of het project wordt onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten beide onder a) en b) bedoelde procedures toe te passen. (nadruk toegevoegd)
3. Wanneer een onderzoek per geval wordt uitgevoerd of drempelwaarden of criteria worden vastgesteld voor de toepassing van lid 2, wordt rekening gehouden met de relevante selectiecriteria van bijlage III. "(nadruk toegevoegd)
(12) Zie voetnoot 3 hierboven.
(13) Zie zaak C-10/00, Commissie/Italië, Jurispr. 2002, blz. I-2357, punt 88.
(14) Bijvoorbeeld:
(a) "[het deskundig advies van Dr. B ] is niet noodzakelijk in tegenspraak met de "Relazione", aangezien het gaat om het onteigende oppervlak en niet om het gebied dat rechtstreeks betrokken is bij de projectwerkzaamheden".
(In het Italiaans luidt het bovenstaande fragment als volgt. "Tra le altre cose, almeno per quanto riguarda le superfici, essa non è necessariamente in contraddizione con la Relazione di ripristino in quanto si riferisce alla superficie oggetto di espropriazione e non a quella direttamente interessata da lavori".)
b) "Maar zelfs als we ervan uitgaan dat de gegevens in de expertise van Dr. B correct zijn, moet worden gezegd dat de impact van het project niet significant is voor het gebied en dat er derhalve geen sprake is van een inbreuk op Richtlijn 92/43/EEG en dat er geen compenserende maatregelen hoeven te worden genomen."
(In het Italiaans luidt het bovenstaande fragment als volgt. "Tuttavia, il punto essenziale da chiarire è che, anche prendendo per validi i dati presenti nella "Perizia" del dr. B., si deve concludere che l’incidenza dell’opera non è significativa per il sito e che, pertanto, non c’è violazione della direttiva 92/43/CEE e non c’è neanche necessità di adottare misure di compensazione".)
(15) In het origineel Italiaans: "La Sua argomentazione tesa a dimostrare un possibile inquinamento non è supportata da nessun elemento concreto".
(16) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979, L 103, blz. 1).
(17) Zie zaak C-374/98, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 2000, blz. I-10799, punten 25 en 26: “Er zij ook op gewezen dat de inventaris van gebieden die van groot belang zijn voor het behoud van de vogelstand, beter bekend onder het acroniem IBA (Inventory of Important Bird Areas in the European Community), het betrokken gebied omvat. Het Hof heeft geoordeeld dat deze inventaris weliswaar juridisch niet bindend is voor de betrokken lidstaten, maar wel wetenschappelijke gegevens bevat aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een lidstaat heeft voldaan aan zijn verplichting om de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van de beschermde soorten meest geschikte gebieden als SBZ (bijzondere beschermingszones) aan te wijzen (arrest Hof van 29 april 1998, Commissie/Nederland, C-3/96, Jurispr. blz. I-3031, punten 69 en 70).
Uit de algemene opzet van artikel 4 van de vogelrichtlijn volgt dat wanneer een bepaald gebied aan de criteria voor aanwijzing als SBZ voldoet, bijzondere instandhoudingsmaatregelen moeten worden getroffen om met name het voortbestaan en de voortplanting van de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde vogelsoorten te waarborgen.[...]”
Zie met name de punten 25 en 26:
"Er zij ook op gewezen dat de inventaris van gebieden die van groot belang zijn voor het behoud van de vogelstand, beter bekend onder het acroniem IBA (Inventory of Important Bird Areas in the European Community), het betrokken gebied omvat. Het Hof heeft geoordeeld dat deze inventaris weliswaar juridisch niet bindend is voor de betrokken lidstaten, maar wel wetenschappelijke gegevens bevat aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een lidstaat heeft voldaan aan zijn verplichting om de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van de beschermde soorten meest geschikte gebieden als SBZ aan te wijzen (arrest Hof van 29 april 1998, Commissie/Nederland, C-3/96, Jurispr. blz. I-3031, punten 69 en 70).
Uit de algemene opzet van artikel 4 van de vogelrichtlijn volgt dat wanneer een bepaald gebied aan de criteria voor aanwijzing als SBZ voldoet, bijzondere instandhoudingsmaatregelen moeten worden getroffen die met name het voortbestaan en de voortplanting van de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde vogelsoorten kunnen waarborgen.
(18) In zijn brief van 7 mei 2005 aan de directeur-generaal van DG Milieu schreef klager het volgende (originele Engelse versie):
"Ik wil u op de hoogte brengen van het afwijkende "gedrag" van eenheid A2, onder verwijzing naar inbreuk 2002/4946. Naar mijn mening kunnen externe inmengingen de Eenheid ertoe hebben gebracht het juiste werk te doen. Daarom vraag ik u, in mijn hoedanigheid van Europese burger, om een herziening van het desbetreffende dossier.
(19) Vertaling van de diensten van de Ombudsman uit het origineel Italiaans:
"Le ricordo ancora una volta che ove la Commissione venisse in possesso di ulteriori informazioni e notizie suscettibili di giustificare l’apertura di una procedura avente il medesimo oggetto, il caso verrebbe riaperto e nuovamente istruito. Tuttavia, Le ricordo che, ai sensi del Codice di buona condotta amministrativa, la Commissione non darà seguito a ulteriore corrispondenza che possa ragionevolmente essere considera abusiva per il suo carattere ripetitivo, ingiurioso o infondato."(nadruk toegevoegd).
(20) Artikel 15 van de Europese code van goed administratief gedrag luidt als volgt:
"Verplichting tot overplaatsing naar de bevoegde dienst van de instelling:
1. Indien een brief of klacht aan de instelling wordt gericht of toegezonden aan een directoraat-generaal, een directoraat of een eenheid die niet bevoegd is om deze te behandelen, zorgen haar diensten ervoor dat het dossier onverwijld wordt overgedragen aan de bevoegde dienst van de instelling.
2. De dienst die de brief of klacht oorspronkelijk heeft ontvangen, stelt de auteur van deze overplaatsing in kennis en vermeldt de naam en het telefoonnummer van de ambtenaar aan wie het dossier is doorgegeven.
3. De ambtenaar waarschuwt het lid van het publiek of de organisatie voor fouten of weglatingen in documenten en biedt de gelegenheid deze te corrigeren.[...]”