# Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2713/2006/IP tegen de Europese Commissie
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: null
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/3221)
---
Straatsburg, 21 januari 2008
Geachte heer X,
geachte heer Y,
Op 10 augustus 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie, in uw hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de Italiaanse onderneming F.
Op 23 oktober 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie, hem verzocht uiterlijk op 31 december 2006 advies uit te brengen en u daarvan in kennis gesteld.
Op 2 februari 2007 heeft de Commissie de vertaling van haar advies in het Italiaans toegezonden, die ik u op 9 februari 2007 heb doen toekomen met de uitnodiging om vóór eind maart 2007 opmerkingen te maken. Op 30 maart 2007 deelde u mijn diensten mee dat u nog een paar weken nodig zou hebben om uw opmerkingen over het advies van de Commissie af te ronden. Ik heb uw opmerkingen op 7 mei 2007 ontvangen.
Op 29 november 2007 heb ik de Commissie een voorstel gedaan voor een minnelijke schikking van uw klacht.
Op 4 december 2007 heeft X mijn diensten telefonisch en per e-mail meegedeeld dat de Commissie haar op 3 oktober 2007 het besluit, waarvan uw klacht bij de Ombudsman betrekking had op het ontbreken ervan, aan u had meegedeeld. X bedankte de Ombudsman voor zijn werk en zijn bijdrage aan het bereiken van een positieve oplossing voor de in uw klacht aan de orde gestelde kwesties.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
----------
*++Achtergrond++*
Deze klacht houdt verband met klacht 1747/2004/IP die op 14 mei 2004 door de algemeen directeur van F., de heer L., is ingediend en op 22 februari 2005 na een onderzoek door de Europese Ombudsman is afgesloten.
In zijn klacht 1747/2004/IP heeft de heer L. kort samengevat de volgende punten aan de orde gesteld.
Bij regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951, zoals gewijzigd bij wet nr. 15 van 11 juli 1954 en wet nr. 11 van 4 juni 1988, is een fonds opgericht voor de toekenning van leningen aan scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, kopen, ombouwen of repareren. Op 29 oktober 1993 diende de Italiaanse onderneming T. s.p.a. (die later haar naam veranderde in F. s.p.a.) bij de Europese Commissie een klacht in over de bovengenoemde steunregeling. De klacht is geregistreerd onder nummer C 23/96. Op 24 juni 1996 deelde de Commissie de Italiaanse autoriteiten mee dat zij had besloten de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van de door de regio Sardinië ingestelde steunregeling.
Bij beschikking van 21 oktober 1997 (98/95/EG)[(1)](#(1)){#Footnote1} (hierna "beschikking 98/95" genoemd) heeft de Commissie geconcludeerd dat de betrokken steunregeling "staatssteun" in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag vormde en derhalve onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was. Volgens de Commissie was de steun in strijd met de grondrechten van het gemeenschapsrecht, te weten de vrijheid van vestiging en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
Wat het beginsel van de vrijheid van vestiging betreft, vereiste de steunregeling niet alleen dat de begunstigde zich op Sardinië vestigde, maar *onder meer* dat de zetel van het hoofdkantoor van de begunstigde zich op Sardinië bevond. Voorts eiste zij dat alle vaartuigen van de begunstigde onderneming op Sardinië werden geregistreerd. Bijgevolg werden ondernemingen die op Sardinië waren gevestigd, maar hun hoofdkantoor elders hadden, of vaartuigen die elders waren geregistreerd, automatisch uitgesloten van steun.
Wat het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit betreft, vereiste de steunregeling voor vaartuigen van meer dan 250 brutoton een minimumaantal zeevarenden dat was ingeschreven in het algemene dienstrooster van de Sardijnse haven van het scheepsregister. Deze eis leidde in feite tot een verplichting voor de begunstigde onderneming om gebruik te maken van een quotum van lokale zeevarenden die in de praktijk Sardijns zouden zijn.
De Italiaanse Republiek en de vennootschap "*Sardegna lines* " hebben krachtens artikel 230, lid 1, van het EG-Verdrag bij het Hof van Justitie beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 98/95. Op 19 oktober 2000 heeft het Hof van Justitie de beschikking van de Commissie nietig verklaard wegens ontoereikende motivering (gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie* [(2)).](#(2)){#Footnote2} Volgens het Hof moet de door artikel 253 EG-Verdrag vereiste motivering i) beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en ii) de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Voorts was het Gerecht van oordeel dat beschikking 98/95 geen enkele reden bevatte waarom de steun aan Sardijnse reders de mededinging ongunstig beïnvloedde. De enkele verklaring dat de steun selectief was en beperkt tot de scheepvaartsector op Sardinië, vormde geen motivering.
Naar aanleiding van bovengenoemd arrest van het Hof heeft F. de Commissie op 30 juni 2001 schriftelijk verzocht: i) een nieuwe beschikking te geven over de betrokken door de regio Sardinië verleende steun; ii) deze steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren; en iii) de Italiaanse Republiek verzoeken het desbetreffende bedrag van elke begunstigde terug te vorderen.
Na verschillende contacten met de heer L. heeft de Commissie hem op 10 maart 2003 meegedeeld dat zij had besloten zijn zaak overeenkomstig de regels inzake staatssteun te behandelen.
In zijn in april 2004 bij de Ombudsman ingediende klacht voerde de heer L. de volgende aantijgingen aan:
1. *de Commissie heeft nagelaten een nieuwe beschikking vast te stellen over de gegrondheid van de door Sardinië toegekende steunregeling;*
2. *de Commissie heeft niet gereageerd op de verschillende verzoeken van F. s.p.a. om een nieuw besluit vast te stellen;*
3. *de Commissie de beginselen van de code van goed administratief gedrag in haar betrekkingen met F. s.p.a. niet in acht heeft genomen, omdat zij a) niet heeft geantwoord op de brieven die F. s.p.a. tussen 30 juni 2001 en 20 maart 2002 heeft verzonden; b) de door F. s.p.a. gevraagde naam van de voor de procedure verantwoordelijke persoon niet onverwijld heeft meegedeeld; c) slechts zes maanden later de brief van* *F. s.p.a. van 29 april 2002 heeft beantwoord; en d) niet heeft geantwoord op de brief van F. s.p.a. van 8 maart 2004.*
L. heeft de volgende argumenten aangevoerd:
1. *de Commissie dient een nieuwe beschikking vast te stellen waarin haar beschikking van 21 oktober 1997 inhoudelijk wordt bevestigd;*
2. *indien de Commissie ervoor kiest geen nieuw besluit vast te stellen, moet zij dit motiveren;*
3. *in haar betrekkingen met F. s.p.a. moet de Commissie handelen in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in de code van goed administratief gedrag.*
In haar advies heeft de Commissie verklaard dat de analyse van het betrokken dossier nog aan de gang was en dat zij voornemens was een nieuw besluit vast te stellen waarin rekening zou worden gehouden met alle elementen die L. in zijn correspondentie had meegedeeld. De Commissie verontschuldigde zich voor de vertraging bij het beantwoorden van de correspondentie van de heer L. en betreurde de vertraging bij het vermelden van de naam van de persoon die verantwoordelijk was voor het dossier waarom de heer L. had verzocht. Voorts heeft zij op 14 september 2004 geantwoord op de brief van de heer L. van 8 maart 2004 en beloofd hem overeenkomstig artikel 20 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag[(3)](#(3)){#Footnote3} in kennis te stellen van eventuele toekomstige ontwikkelingen in de zaak.
In zijn opmerkingen was de heer L. van mening dat de Ombudsman zijn onderzoek naar de zaak kon afsluiten, aangezien de Commissie naar haar mening i) de vertraging in de loop van het onderzoek van het betrokken dossier erkende en ii) haar toezegging bevestigde om haar onderzoek van de klacht voort te zetten en hem in kennis te stellen van eventuele verdere ontwikkelingen[(4).](#(4)){#Footnote4} De Ombudsman was derhalve van oordeel dat er geen redenen waren om zijn onderzoek naar de klacht voort te zetten en sloot de zaak op 22 februari 2005 af.
*++Klacht 2713/2006++*
Klacht 2713/2006/IP werd bij de Ombudsman ingediend door de heer C. en mevrouw B. ("de klagers"), die optraden als de wettelijke vertegenwoordigers van F.. In hun klacht voerden de klagers in wezen aan dat de Commissie in haar advies over klacht 1747/2004/IP weliswaar had verklaard dat zij voornemens was een nieuw besluit vast te stellen over de gegrondheid van de door Sardinië opgezette steunregeling, maar dat zij dit niet had gedaan. Ondanks verschillende contacten met de diensten van de Commissie en de indiening van nadere informatie over de desbetreffende kwestie, bleek dat de Commissie geen actie had ondernomen met betrekking tot de desbetreffende kwestie en dat alle pogingen van de klagers om een besluit van de Commissie te verkrijgen tot nu toe waren mislukt.
De klagers verzochten de Commissie derhalve het in haar brief van 14 september 2004 beloofde besluit vast te stellen.
Het onderzoek
-------------
**Advies van de Commissie**
In haar advies herinnerde de Commissie aan de achtergrond van deze klacht en verwees zij naar de correspondentie die had plaatsgevonden tussen haar diensten en de klagers vóór de indiening van hun klacht bij de Ombudsman.
De Commissie verklaarde dat zij in beschikking 98/95 van mening was dat de steunregeling van regionale wet nr. 20 van Sardinië van 15 mei 1951, zoals gewijzigd, waarop klacht C 23/96 betrekking had, steun vormde in de zin van artikel 92, lid 1. In dezelfde beschikking merkte de Commissie ook op dat volgens de Italiaanse autoriteiten reeds bepaalde maatregelen waren genomen om deze steunregeling verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt. Een van deze maatregelen was de vaststelling van regionale wet nr. 9 van 15 februari 1996. Deze wet was het voorwerp van klacht C 71/97 in de zin van de artikelen 92 tot en met 94 van het EG-Verdrag, die op 14 november 1997 van start is gegaan en nog steeds loopt.
Met betrekking tot het vermeende verzuim van de Commissie om het reeds in zaak 1747/2004/IP aangevoerde besluit vast te stellen, waartoe de Commissie zich in haar advies van 11 november 2004 had verbonden, benadrukte de instelling dat haar diensten voornemens waren een nieuw besluit vast te stellen met betrekking tot klacht C 23/96 en tegelijkertijd het in november 1997 geopende onderzoek naar klacht C 71/97 af te sluiten.
De Commissie benadrukte voorts dat zowel de Italiaanse autoriteiten als de regionale autoriteiten van Sardinië in maart 2005 informeel waren gecontacteerd met betrekking tot de desbetreffende kwestie en dat in de archieven van het directoraat-generaal Vervoer van de Commissie huiszoekingen waren verricht om de twee dossiers betreffende de klachten C 23/96 en C 71/97 te reconstrueren. Gezien de tijd die was verstreken, konden slechts enkele documenten met betrekking tot die dossiers worden gevonden.
In september 2006 heeft de dienst van de Commissie een voorlopig besluit opgesteld. In het licht van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 september 2006 in de gevoegde zaken T-304/04 en T-316/04, *Italië en Wam/Commissie (5),* werd echter besloten per brief contact op te nemen met de Italiaanse autoriteiten.{#Footnote5}
Ten slotte heeft de Commissie uiteengezet dat het besluitvormingsproces met betrekking tot de twee relevante grieven, te weten C 23/96 en C 71/97, aan de gang was en dat een voorontwerp van beschikking was opgesteld. De Commissie betreurt voorts dat de behandeling van de desbetreffende kwestie vertraging heeft opgelopen.
**Opmerkingen van klager**
In hun opmerkingen over het standpunt van de Commissie namen de klagers nota van het feit dat haar diensten volgens de Commissie een voorontwerp van beschikking hadden opgesteld met betrekking tot beide procedures in verband met de klachten C 23/96 en C 71/97. De klagers waren echter van mening dat de verdere vertragingen bij de behandeling van deze zaken te wijten leken te zijn aan de noodzaak van de Commissie om de feitelijke gebeurtenissen en de documentatie met betrekking tot het dossier van klacht C 71/97 te reconstrueren. In dit verband benadrukten de klagers dat klacht C 71/97 niet het voorwerp was van hun klacht bij de Ombudsman, die in feite verband hield met de steunregeling waarin de Sardijnse regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951, zoals gewijzigd, voorziet en die de Commissie bij beschikking 98/95 onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard.
In het licht van het bovenstaande hebben de klagers de redenen die volgens hen als voorwendsel werden gebruikt om een ongerechtvaardigde vertraging te rechtvaardigen, als onaanvaardbaar afgewezen.
De klagers voerden daarom aan dat de Commissie hun de volgende informatie moest verstrekken:
* de stand van zaken met betrekking tot het dossier betreffende de steunregeling waarin is voorzien bij regionale wet nr. 20 van Sardinië van 15 mei 1951, zoals gewijzigd, en voorafgaand aan de bij wet nr. 9/1996 ingevoerde wijzigingen:
* de werkelijke redenen waarom de Commissie het nieuwe besluit, zoals aangekondigd in het kader van het onderzoek naar klacht 1747/2004/IP, niet heeft vastgesteld;
* de relevante maatregelen die de Commissie met betrekking tot deze klacht heeft genomen, namelijk de maatregelen die zijn genomen met betrekking tot de garanties die zij in haar advies over de behandeling van het betrokken dossier heeft gegeven.
Namens hun cliënt herhaalden de klagers derhalve hun verzoek aan de Commissie om een nieuwe beschikking vast te stellen die in de plaats zou komen van beschikking 98/95, die door het Hof van Justitie nietig is verklaard in de gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie* [(6).](#(6)){#Footnote6}
De prestaties van de OMBUDSMAN om een vriendelijke oplossing te vinden
----------------------------------------------------------------------
**Beoordeling door de Ombudsman**
Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager was de Ombudsman er niet van overtuigd dat de Commissie adequaat had gereageerd op de bewering van klager. Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van zijn Statuut[(7)](#(7)){#Footnote7} heeft de Ombudsman de voorzitter van de Commissie derhalve schriftelijk verzocht een minnelijke schikking voor te stellen op basis van de volgende analyse:
1. Bij beschikking van 21 oktober 1997 (98/95/EG)[(8)](#(8)){#Footnote8} (hierna: "beschikking 98/95") heeft de Commissie verklaard dat regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951, zoals gewijzigd bij wet nr. 15 van 11 juli 1954 en wet nr. 11 van 4 juni 1988, een fonds oprichtte voor de toekenning van leningen aan scheepvaartmaatschappijen die schepen wilden bouwen, kopen, ombouwen of repareren, staatssteun vormde in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en derhalve onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was.
In de gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99 *Italië en Sardegna Lines/Commissie* [(9)](#(9)){#Footnote9} heeft het Hof van Justitie, na een door de Italiaanse Republiek en de onderneming "*Sardegna lines*" op grond van artikel 230, lid 1, van het EG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring, de beschikking van de Commissie nietig verklaard wegens ontoereikende motivering.
In haar advies van 19 november 2004 over klacht 1747/2004/IP verklaarde de Commissie dat zij voornemens was een nieuw besluit over de desbetreffende kwestie vast te stellen. Bij brief van 14 september 2004 heeft de Commissie deze informatie aan de klagers toegezonden.
In hun klacht stelden de klagers dat de Commissie het in haar brief van 14 september 2004 beloofde besluit moest nemen.
2. De Ombudsman merkte op dat de Commissie in haar advies uitlegde dat in september 2005 informeel contact werd opgenomen met de Italiaanse nationale autoriteiten en de regionale autoriteiten van Sardinië over de desbetreffende kwestie. Nadien en na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in de gevoegde zaken T-304/04 en T-316/04, *Italië en Wam/Commissie (10),* bleek dat de Commissie in november 2006 opnieuw contact opnam met de Italiaanse nationale autoriteiten, ditmaal per brief.{#Footnote10}
De Ombudsman merkte ook op dat zijn diensten volgens de Commissie voorstelden een nieuw besluit vast te stellen met betrekking tot klacht C 23/96, die ten grondslag lag aan besluit 98/95, en tegelijkertijd het in november 1997 geopende onderzoek met betrekking tot klacht C 71/97 af te sluiten. Uit het advies van de Commissie bleek dat de diensten van de Commissie een voorontwerp van beschikking hadden opgesteld. De Commissie betreurde de vertragingen bij de behandeling van het desbetreffende dossier.
3. De Ombudsman was voorts van mening dat klagers in hun opmerkingen benadrukten dat klacht C 71/97 niet het voorwerp was van hun klacht bij de Ombudsman. Zij waren derhalve van mening dat de moeilijkheden die de Commissie in haar advies had aangevoerd met betrekking tot het opnieuw samenstellen van de twee dossiers, waaronder het dossier betreffende klacht C 71/97, als voorwendsel leken te zijn gebruikt om een verdere vertraging te rechtvaardigen.
4. De Ombudsman merkte op dat de Commissie de vertraging had erkend die zich heeft voorgedaan sinds 2004, toen zij zich in haar advies over zaak 1747/2004/IP ertoe verbond een nieuw besluit vast te stellen en dat zij haar teleurstelling over een dergelijke vertraging heeft uitgesproken. De Ombudsman erkende ook dat zijn diensten volgens de Commissie reeds een voorontwerp van besluit hadden opgesteld. De Commissie heeft echter geen preciezere informatie verstrekt over dit ontwerpbesluit, zoals de inhoud ervan of ten minste de datum waarop het is vastgesteld. In dit verband was de Ombudsman van mening dat de Commissie ten minste de klagers, direct of indirect via haar aan de Ombudsman voorgelegde advies, meer gedetailleerde informatie had moeten verstrekken over de stand van zaken met betrekking tot het desbetreffende besluit.
De Ombudsman was van mening dat de moeilijkheden die de Commissie doorgaans aanvoerde ter rechtvaardiging van de periode van meer dan drie jaar die is verstreken sinds zij zich ertoe had verbonden een nieuw besluit te nemen over regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951 op Sardinië, zoals gewijzigd, geen adequaat antwoord vormden op het verzoek van klagers. De Ombudsman uitte met name zijn bezorgdheid over het feit dat een vertraging het gevolg leek te zijn van de noodzaak om de twee dossiers betreffende de klachten C 23/96 en C 71/97 te "reconstitueren". Dit leek te impliceren dat de Commissie moeilijkheden had ondervonden bij het lokaliseren van documenten die, indien correct beheerd, nog steeds in haar eigen dossiers zouden moeten staan. De Ombudsman was van mening dat deze reden voor de vertraging geen rechtvaardiging vormde voor de vertraging.
De Ombudsman kwam derhalve tot de voorlopige conclusie dat de tijd die verstreek van september 2004 tot de huidige datum zonder dat de Commissie het beloofde besluit vaststelde, wanbeheer kon vormen.
**De mogelijkheid van een vriendelijke oplossing**
Op basis van bovenstaande overwegingen en overeenkomstig artikel 3, lid 5, van het Statuut van de Europese Ombudsman heeft de Ombudsman een minnelijke schikking tussen de klagers en de Commissie voorgesteld.
De voorgestelde minnelijke schikking bestond uit het volgende:
> De Commissie moet haar definitieve besluit over de desbetreffende kwestie zo spoedig mogelijk en bij voorkeur uiterlijk op 31 januari 2008 vaststellen. Indien de Commissie van mening is dat zij deze termijn niet kan halen, moet zij de klagers nauwkeurige en gedetailleerde redenen voor een dergelijke verdere vertraging meedelen. In een dergelijk geval is de Ombudsman van mening dat de Commissie de klagers ook een redelijk tijdschema moet verstrekken met betrekking tot de volgende maatregelen die zij voornemens is te nemen, zodat zij gemakkelijk kunnen nagaan of de Commissie volgens plan handelt.
**Nadere informatie verstrekt door de klagers op 4 december 2007**
Op 4 december 2007 heeft X, een van de klagers in de onderhavige zaak, de Ombudsman meegedeeld dat de Commissie uiteindelijk het besluit met betrekking tot de steunregeling had genomen. In haar beschikking concludeerde de Commissie dat de steunregeling van regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951 op Sardinië, zoals gewijzigd bij wet nr. 15 van 11 juli 1954 en wet nr. 11 van 4 juni 1988 tot instelling van een fonds voor de toekenning van leningen aan scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, kopen, ombouwen of repareren, onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. De Commissie heeft het desbetreffende besluit op 3 oktober 2007 aan de klagers meegedeeld.
X bedankte de Ombudsman voor zijn werk en zijn bijdrage aan het bereiken van een positieve oplossing voor de klacht.
BESLUIT
-------
**1 Klager stelt:**
1.1 Bij regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951, zoals gewijzigd bij wet nr. 15 van 11 juli 1954 en wet nr. 11 van 4 juni 1988, is een fonds opgericht voor de toekenning van leningen aan scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, kopen, ombouwen of repareren.
Bij beschikking van 21 oktober 1997 (98/95/EG)[(11)](#(11)){#Footnote11} ("beschikking 98/95") heeft de Commissie geconcludeerd dat de betrokken steunregeling "staatssteun" in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag vormde en derhalve onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was.
Op 19 oktober 2000 heeft het Hof van Justitie de beschikking van de Commissie nietig verklaard wegens ontoereikende motivering (gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie* [(12)).](#(12)){#Footnote12}
In hun klacht bij de Ombudsman stelden de klagers dat de Commissie een nieuw besluit moest vaststellen waarin haar besluit van 21 oktober 1997 inhoudelijk werd bevestigd, zoals reeds beloofd in haar brief van 14 september 2004 in het kader van het onderzoek van de Ombudsman naar klacht 1747/2004/IP.
1.2 De Ombudsman merkte op dat de Commissie in haar advies de vertraging sinds 2004 had erkend en hij erkende ook dat haar diensten volgens de Commissie reeds een voorontwerp van besluit hadden opgesteld.
Hij was echter van mening dat de moeilijkheden die de Commissie in het algemeen aanvoerde ter rechtvaardiging van de periode van meer dan drie jaar die is verstreken sinds zij zich ertoe had verbonden een nieuw besluit te nemen over de Sardijnse regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951, zoals gewijzigd, geen adequaat antwoord vormden op de vordering van klagers.
In het licht van het bovenstaande kwam de Ombudsman tot de voorlopige conclusie dat de tijd die is verstreken sinds september 2004 zonder dat de Commissie het beloofde besluit had genomen, wanbeheer kon vormen. Op 29 november 2007 deed de Ombudsman de Commissie daarom een voorstel voor een minnelijke schikking, namelijk dat de Commissie zo spoedig mogelijk en bij voorkeur uiterlijk op 31 januari 2008 een definitief besluit over de desbetreffende kwestie zou nemen. Mocht de Commissie van mening zijn dat zij deze termijn niet kon halen, dan verklaarde de Ombudsman dat zij de klagers precieze en gedetailleerde redenen voor een dergelijke verdere vertraging moest meedelen en dat zij de klagers ook een redelijk tijdschema moest meedelen met betrekking tot de volgende maatregelen die zij voornemens was te nemen, zodat zij gemakkelijk konden nagaan of de Commissie volgens plan had gehandeld.
1.3 Op 4 december 2007 werd de Ombudsman door X, een van de klagers in de onderhavige zaak, ervan in kennis gesteld dat de Commissie uiteindelijk het besluit had genomen waarvan het verzuim het voorwerp was van de onderhavige klacht en van het aan de Commissie voorgelegde voorstel voor een minnelijke schikking. In haar beschikking concludeerde de Commissie dat de steunregeling van regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951 op Sardinië, zoals gewijzigd bij wet nr. 15 van 11 juli 1954 en wet nr. 11 van 4 juni 1988 tot instelling van een fonds voor de toekenning van leningen aan scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, kopen, ombouwen of repareren, onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. De Commissie heeft het desbetreffende besluit op 3 oktober 2007 aan de klagers meegedeeld. X bedankte de Ombudsman voor zijn werk en zijn bijdrage aan het bereiken van een positieve oplossing voor de klacht.
**2 Conclusie**
Uit de informatie die X, een van de klagers in de onderhavige zaak, op 4 december 2007 aan de Ombudsman heeft verstrekt, blijkt dat de Commissie stappen heeft ondernomen om de zaak te schikken en daarmee de klagers tevreden heeft gesteld. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
*** ** * ** ***
[(1)](#Footnote1){#(1)} 98/95/EG: Beschikking van de Commissie van 21 oktober 1997 betreffende steun van de regio Sardinië (Italië) aan scheepvaartmaatschappijen op Sardinië (PB L 20, blz. 30).
[(2)](#Footnote2){#(2)} Gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie,*Jurispr. 2000, blz. I-8855.
[(3)](#Footnote3){#(3)} PB L 83, blz. 1.
[(4)](#Footnote4){#(4)} Verklaring van de Commissie in haar brief van 14 september 2004 aan klager.
[(5)](#Footnote5){#(5)} Gevoegde zaken T-304/04 en T-316/04, *Italië en Wam/Commissie,* Jurispr. 2006, blz. II-64.
[(6)](#Footnote6){#(6)} Gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie,* Jurispr. 2000, blz. I-8855.
[(7)](#Footnote7){#(7)} "*Voor zover mogelijk tracht de Ombudsman met de betrokken instelling of het betrokken orgaan een oplossing te vinden om een einde te maken aan het geval van wanbeheer en aan de klacht te voldoen*".
[(8)](#Footnote8){#(8)} 98/95/EG: Beschikking van de Commissie van 21 oktober 1997 betreffende steun van de regio Sardinië (Italië) aan scheepvaartmaatschappijen op Sardinië (PB L 20, blz. 30).
[(9)](#Footnote9){#(9)} Gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie,* Jurispr. 2000, blz. I-8855.
[(10)](#Footnote10){#(10)} Gevoegde zaken T-304/04 en T-316/04, *Italië en Wam/Commissie,* Jurispr. 2006, blz. II-64.
[(11)](#Footnote11){#(11)} 98/95/EG: Beschikking van de Commissie van 21 oktober 1997 betreffende steun van de regio Sardinië (Italië) aan scheepvaartmaatschappijen op Sardinië (PB L 20, blz. 30).
[(12)](#Footnote12){#(12)} Gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, *Italië en Sardegna Lines/Commissie,* Jurispr. 2000, blz. I-8855.