Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1779/2006/MHZ tegen de Europese Investeringsbank
Besluiten
Zaak 1779/2006/MHZ - Geopend op Donderdag | 06 juli 2006 - Besluit over Maandag | 17 december 2007
Een Poolse milieu-ngo klaagde dat de EIB het project "Modernisering van de Poolse wegen" had medegefinancierd, hoewel er geen strategische milieueffectbeoordeling van het project was uitgevoerd, zoals vereist door de Poolse milieuwetgeving. Volgens klager handelde de EIB aldus in strijd met haar eigen "Milieuverklaring", volgens welke de EIB ervoor zorgt dat de door haar gefinancierde projecten voldoen aan de beginselen en normen van zowel de EU- als de nationale milieuwetgeving. Klager beweerde ook dat de EIB haar niet in kennis had gesteld van het antwoord van de Poolse autoriteiten waarmee de EIB in verband met de klacht van klager contact had opgenomen. Klager voerde aan dat de EIB haar financiering moest opschorten totdat de juridische status van het project was verduidelijkt.
In haar advies verklaarde de EIB dat de Poolse autoriteiten i) de volledige verantwoordelijkheid hadden voor het waarborgen van de naleving van de relevante nationale wetgeving en dat zij, na door de Bank te zijn gecontacteerd, ii) haar hadden meegedeeld dat de relevante Poolse wetgeving geen strategische milieueffectbeoordeling voor het project vereiste. Bovendien had zij klager inmiddels in kennis gesteld van de conclusies van de Poolse autoriteiten.
Volgens de Ombudsman kon de EIB i) op goede gronden oordelen dat de Poolse autoriteiten de toepasselijke wettelijke bepalingen hebben nageleefd, en ii) op goede gronden verwachten dat dezelfde Poolse autoriteiten haar betrouwbare informatie zouden verstrekken over de toepassing van die bepalingen door hen. Daarom aanvaardde de Ombudsman de redenen van de EIB om zich bij de ondertekening van de lening te baseren op de informatie die deze autoriteiten ter beschikking hadden gesteld. Hij constateerde dus geen wanbeheer met betrekking tot deze kwestie. De Ombudsman merkte ook op dat de EIB klager inmiddels in kennis had gesteld van de conclusies van de Poolse autoriteiten. De Ombudsman was derhalve van oordeel dat verder onderzoek in dit verband niet gerechtvaardigd was. De Ombudsman kwam tot dezelfde bevinding met betrekking tot de bewering van klager, aangezien bleek dat de EIB de desbetreffende betaling reeds had verricht.
De Ombudsman verwees ook naar de bevindingen van de Poolse Ombudsman bij wie klager een parallelle klacht tegen de Poolse autoriteiten had ingediend. In dit verband merkte hij verder op dat de EIB in de toekomst zou kunnen overwegen communicatiekanalen op te zetten met en informatie op te vragen bij relevante nationale en regionale controle-instanties, zoals ombudsmannen, die als aanvullende informatiebronnen zouden kunnen dienen met betrekking tot de conformiteit van door de Bank gefinancierde projecten met het nationale en Europese recht.
Straatsburg, 17 december 2007
Geachte mevrouw R.,
Op 7 juni 2006 heeft u namens de Poolse ngo Polska Zielona Siec (de klager) bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Investeringsbank (EIB) betreffende de financiering door de Bank van vervoersprojecten in Polen.
Op 6 juli 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de president van de EIB.
Op 17 oktober 2006 heeft de EIB een advies uitgebracht, dat ik u heb doen toekomen met de uitnodiging om opmerkingen te maken.
Op 23 november 2006 heb ik uw opmerkingen ontvangen.
Op 27 maart 2007 heb ik de EIB om nadere uitleg gevraagd.
Op 15 mei 2007 heeft de EIB geantwoord op bovengenoemd verzoek, dat ik u met de uitnodiging om opmerkingen in te dienen heb toegezonden. Er zijn geen opmerkingen van u ontvangen.
Inmiddels hebben mijn diensten op 14 mei 2007 het dossier in de kantoren van de EIB in Luxemburg geïnspecteerd en op 5 juli 2007 zijn kopieën van het verslag van die inspectie ter informatie aan u en de EIB toegezonden.
Op 10 juli 2007 heeft u mij aanvullende documenten betreffende uw klacht toegezonden, die ik ter informatie aan de EIB heb toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klager is een Poolse ngo die zich bezighoudt met milieukwesties.
De klacht kan als volgt worden samengevat:
Op 1 oktober 2001 is in Polen een nieuwe Poolse wet inzake milieubescherming van 27 april 2001 ("de Poolse milieuwet van 2001") in werking getreden. Krachtens artikel 40 van deze richtlijn is voor alle projecten van plannen en programma's met betrekking tot vervoer die door een nationale of regionale instantie moeten worden voorbereid en/of goedgekeurd en die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vereist zijn, de uitvoering van een milieubeoordeling ("milieubeoordeling") vereist.
Op 5 mei 2004 heeft de Raad van Bewind van de EIB zijn "Milieuverklaring" aangenomen. Volgens die verklaring moet de EIB i) investeringen ondersteunen die het milieu rechtstreeks beschermen en verbeteren, ii) daarom de milieueffecten ervan zorgvuldig beoordelen, en iii) er met name voor zorgen dat door de Bank gefinancierde projecten voldoen aan de beginselen en normen van zowel de EU- als de nationale milieuwetgeving, met inbegrip van vereisten inzake gezondheid en veiligheid op het werk. Wanneer verschillende wetten verschillende niveaus van vereisten opleggen, vereist de Verklaring dat de strengere wetgeving moet worden toegepast.
In juli 2004 is Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (1) (de "SMB-richtlijn") in werking getreden.
Op 4 januari 2005 is in Polen het Nationaal Wegenfondsprogramma 2005/2006 ("NRFP") goedgekeurd, dat bestaat uit verschillende investeringsregelingen (individuele wegen en wegenbouwregelingen).
Op 20 september 2005 heeft de EIB ermee ingestemd een deel van de investeringsregelingen van het NRFP ("het project") te financieren. De Poolse overheidsinstantie "Directoraat-generaal Nationale Wegen en Snelwegen" werd aangewezen als promotor van het project ("de promotor").
De klager was van mening dat het bovengenoemde NRFP voldoet aan alle vereisten om krachtens de Poolse wetgeving aan een SMB te worden onderworpen, ook al leek een dergelijke SMB niet vereist door de SMB-richtlijn. Volgens de klager legt de Poolse wetgeving strengere milieuvereisten op voor investeringen in vervoer dan de SMB-richtlijn.
In strijd met de Poolse milieuwetgeving van 2001 werd echter geen SMEB uitgevoerd op het bovengenoemde NRFP en op 1 december 2005 nam klager hierover contact op met de initiatiefnemer van het project. De initiatiefnemer antwoordde dat het NRFP (en dus het project) naar Pools recht geen SMEB vereiste omdat het programma als verordening was vastgesteld.
Klager was het niet eens met het bovenstaande advies en was van mening dat de vorm van de handeling waarbij het programma werd vastgesteld, niet relevant was met betrekking tot de verplichting uit hoofde van het Poolse recht om een SMEB uit te voeren voor alle projecten van plannen, strategieën en programma’s op het gebied van vervoer.
Op 6 december 2005, toen het project nog werd beoordeeld, nam klager voor het eerst contact op met de EIB. Zij heeft de EIB schriftelijk verzocht ervoor te zorgen dat het door haar mede te financieren project in overeenstemming was met het Poolse recht en met de SMB-richtlijn. Klager deelde de EIB ook mee dat het project volgens hem in strijd was met de bovengenoemde wettelijke bepalingen. Ten slotte verzocht het de EIB om toegang tot de analyse van de EIB van de naleving van de SMEB-richtlijn door het NRFP.
Op 31 januari 2006 heeft de EIB klager geantwoord. Zij verklaarde dat alle projecten in het NRFP vóór begin 2002 waren opgesteld. Alle formele voorbereidingen voor de uitvoering van dit NRFP zijn ten minste in 2002 van start gegaan en in alle gevallen vóór de inwerkingtreding van de SMB-richtlijn. Daarom was de SMEB-richtlijn volgens de EIB niet van toepassing op het NRFP in Polen, met inbegrip van het door de EIB mede te financieren project, en heeft de EIB geen analyse verricht zoals de klager had gevraagd. De EIB verwees niet naar de kwestie van de overeenstemming van het project met het Poolse recht.
Daarom heeft klager op 13 februari 2006 een klacht ingediend bij de EIB. In de eerste plaats heeft zij benadrukt dat het NRFP op 5 januari 2005 is goedgekeurd. Ten tweede was zij van mening dat het NRFP naar Pools recht voldeed aan alle voorwaarden om aan een SMB naar Pools recht te worden onderworpen. Tot op heden was een dergelijke SMEB echter nog niet uitgevoerd. Klager beklemtoonde daarom dat een SMB, ook al is deze mogelijk niet vereist op grond van de SMB-richtlijn, wel degelijk vereist was op grond van het Poolse recht en dat volgens de milieuverklaring van de EIB alle door haar gefinancierde projecten niet alleen in overeenstemming moeten zijn met de Europese wetgeving, maar ook met de nationale wetgeving.
Op 12 april 2006 antwoordde de EIB dat alle door de EIB voor financiering geselecteerde projecten uit milieuoogpunt aanvaardbaar moeten zijn, maar dat de initiatiefnemer van een project de volledige verantwoordelijkheid draagt om ervoor te zorgen dat het beleid en de wetgeving van de EU en de relevante nationale wetgeving worden nageleefd. De EIB verklaarde dat zij de initiatiefnemer van het project op de hoogte zou brengen van de klacht van klager en de Poolse autoriteiten bovendien zou vragen of een SMEB van het NRFP op grond van de Poolse wetgeving vereist was en zo ja, wanneer een dergelijke SMEB zou worden uitgevoerd en zo niet, wat de rechtsgrondslag van een dergelijk besluit was. De EIB verklaarde ook dat zij klager in kennis zou stellen van het antwoord van de Poolse autoriteiten.
Tot de datum van de klacht van klager bij de Ombudsman had de EIB haar echter niet de antwoorden meegedeeld die zij van de Poolse autoriteiten had ontvangen. In dit verband merkte klager ook op dat hij op 26 januari 2006 contact had opgenomen met het Poolse ministerie van Milieu over de naleving van de Poolse wetgeving door het NRFP en dat hij tot de datum van de klacht geen antwoord had ontvangen.
In mei 2006 sloot de EIB een leningsovereenkomst met de initiatiefnemer.
In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de EIB, ondanks dat zij op de hoogte was gesteld van de niet-naleving van de Poolse wetgeving door het project, ermee instemde het project mede te financieren, in strijd met haar eigen richtsnoeren, namelijk haar milieuverklaring.
Klager beweerde ook dat de EIB haar niet in kennis had gesteld van het antwoord van de Poolse autoriteiten.
Zij voerde aan dat de EIB haar financiering moest opschorten totdat de juridische status van het project was verduidelijkt.
Het onderzoek
Het advies van de EIBHet advies van de EIB kan als volgt worden samengevat:
Op 13 februari 2006 diende klager een klacht in bij de secretaris-generaal van de EIB, waarin hij verklaarde dat het NRFP naar Pools recht een SMEB vereiste. Op 12 april 2006 heeft de EIB geantwoord dat zij de initiatiefnemer van het project van de klacht in kennis had gesteld en heeft zij de Poolse autoriteiten verzocht hierover opmerkingen te maken. Vervolgens deelde het Poolse ministerie van Vervoer en Bouw de EIB per brief en via rechtstreekse contacten mee dat, in tegenstelling tot het standpunt van klager, de relevante Poolse wet het NRFP niet verplichtte een SMEB te ondergaan. Ten eerste vormde het NRFP volgens dit ministerie slechts een financieel plan waarin de financieringsbronnen voor wegeninvesteringen werden gepresenteerd en dat bedoeld was om de uitvoering van de voor de wegensector vastgestelde beleidslijnen, programma’s en strategieën te ondersteunen, zoals de strategie voor de ontwikkeling van de wegeninfrastructuur voor 2004-2006 en de daaropvolgende jaren, alsook het tijdschema voor de aanleg van autosnelwegen en autosnelwegen voor 2005-2013. Ten tweede was volgens hetzelfde ministerie ten tijde van de opstelling van bovengenoemd algemeen strategieplan en tijdschema voor het NRFP naar Pools recht geen SMEB vereist.
Na contacten met het Poolse ministerie van Vervoer en Bouw en een uitgebreid onderzoek van de zaak in kwestie heeft de EIB klager bij brief van 28 juni 2006 in kennis gesteld van de redenen waarom zij van mening was dat alle nodige maatregelen waren genomen om de naleving van haar milieuverklaring te waarborgen. De EIB heeft een afschrift van deze brief bij haar advies gevoegd. In haar brief van 28 juni 2006 deelde de EIB klager ook mee dat, "naar haar weten", verschillende programma's op de lijst van investeringen in het NRFP aanvankelijk waren gedefinieerd voordat de Poolse milieuwetgeving van 2001 vereiste dat programma's aan een SMEB moesten worden voorgelegd (dat wil zeggen vóór 1 oktober 2001). Zij heeft erop gewezen dat uit de tijdens de beoordeling ontvangen informatie duidelijk bleek dat de vijftien regelingen die deel uitmaken van het project weliswaar kunnen worden geacht deel uit te maken van een of meer grotere programma’s, maar dat het oorspronkelijke planningsproces voor deze regelingen van start ging vóór de inwerkingtreding van de Poolse wet die voorschrijft dat uit een EIB-lening gefinancierde investeringsregelingen aan een SMEB moeten worden onderworpen. Bovendien nodigde de EIB klager in die brief uit om de vertegenwoordigers van de EIB in Warschau te ontmoeten en de kwestie verder te bespreken indien zij "van mening [was] dat de Bank [ haar] vordering niet op bevredigende wijze behandelt."De EIB herhaalde dezelfde argumenten in haar aanvullende brief van 13 oktober 2007 aan klager in antwoord op diens aanvullende brief van 25 juli 2006.
De EIB verklaarde dat klager niet op die uitnodiging had geantwoord.
De EIB heeft ook verklaard dat volgens haar sommige vereisten van de SMB-richtlijn, die op 21 juli 2001 in werking is getreden, door de Poolse milieuwet van 2001 in Pools recht zijn omgezet. De EIB merkte verder op dat deze Poolse wet in 2005 verder is gewijzigd. Overeenkomstig artikel 13 van de SMB-richtlijn is de verplichting om een SMB uit te voeren van toepassing op plannen en programma’s waarvan de eerste formele voorbereidende handeling na 21 juli 2004 is opgesteld. Plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling dateert van vóór 21 juli 2004, hebben ook een SMEB nodig, tenzij de betrokken lidstaat besluit dat dit niet haalbaar is en het publiek daarvan in kennis stelt.
De EIB concludeerde dat "aangezien zij geen schending van de communautaire of nationale wetgeving inzake MEB heeft vastgesteld en van mening was dat zij haar milieurichtsnoeren had gevolgd", de leningsovereenkomst op 11 mei 2006 werd ondertekend.
Daarnaast heeft de Raad van Bewind van de EIB op 13 juni 2006 een tweede lening "Polen Motorways" goedgekeurd, waarmee ook individuele autosnelwegen in het kader van het NRFP worden gefinancierd.
Opmerkingen van klagerDe opmerkingen van klager kunnen als volgt worden samengevat:
De klager begon met "te benadrukken [dat] zijn klacht rechtstreeks is gebaseerd op de Poolse wetgeving - met name niet-naleving van artikel 40, lid 1, van de Poolse wet inzake milieubescherming (...) en niet van Richtlijn 2001/42/EG."
Klager herhaalde zijn standpunt dat de Poolse milieuwetgeving van 2001 strengere eisen toepaste dan de daaropvolgende SMB-richtlijn en wees erop dat "de EIB de SMB-richtlijn heeft gebruikt om de eisen van [de Poolse milieuwetgeving van 2001] af te zwakken, teneinde een strategische milieueffectbeoordeling te vermijden."Klager merkte op dat elke lidstaat strengere milieueisen kan vaststellen dan die welke in het Europese beleid zijn vervat.
Samengevat handhaafde klager zijn standpunt dat de Poolse milieuwet van 2001 het NRFP verplichtte een SMEB te ondergaan.
Klager was het niet eens met de verklaring van de EIB dat het NRFP geen SMEB vereiste omdat dit programma "slechts een financieel plan was met de financieringsbronnen voor investeringen in wegen en bedoeld was om de verwezenlijking van het beleid, de programma's en de strategieën voor de wegensector te ondersteunen."Klager benadrukte dat het NRFP zelf een financieringsbron is en tot doel heeft prioriteiten voor financiering vast te stellen; activiteiten en projecten te identificeren; de kaders te bieden voor investeringen in wegen; een overzicht te geven van de externe financieringsbronnen; en aan te geven welke juridische of administratieve activiteiten nodig zijn voor de uitvoering ervan.
De klager herinnerde eraan dat artikel 40, lid 1, van de Poolse milieuwet van 2001 specifiek bepaalt dat het beleid, de strategieën, de plannen en de programma's van de vervoerssector die door een autoriteit op nationaal niveau moeten worden opgesteld en/of goedgekeurd, een SMEB vereisen. Hieruit volgt dat de aard van het NRFP betekende dat een SMEB noodzakelijk was.
Klager verklaarde ook dat hij niet op de hoogte was van beleidsmaatregelen, programma's, strategieën of plannen in de vervoerssector die na de inwerkingtreding van de Poolse milieuwet van 2001 waren vastgesteld en waarvoor een SMEB was uitgevoerd.
Klager merkte ook op dat de EIB verwees naar de strategie voor de ontwikkeling van de wegeninfrastructuur voor 2004-2006 en de daaropvolgende jaren, en naar het tijdschema voor de aanleg van autosnelwegen en autowegen voor 2005-2013. Volgens klager werd deze strategie opgesteld in 2003 en uitgegeven in augustus 2003, dat wil zeggen twee jaar na de inwerkingtreding van de Poolse milieuwet van 2001.
Wat betreft de verklaring van de EIB dat de investeringsregelingen van het project waren vastgesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de Poolse milieuwet van 2001, merkte klager op dat de EIB geen voorbeelden heeft gegeven ter ondersteuning van haar standpunt.
Klager verwelkomde de uitnodiging van de EIB om hieraan tegemoet te komen. Klager besloot echter dat het voor hem handiger zou zijn om al zijn bezwaren schriftelijk kenbaar te maken en naar de EIB te sturen. Dat is wat klager heeft gedaan.
Met betrekking tot de verklaring van de EIB dat zij in de onderhavige zaak geen schendingen van het Gemeenschapsrecht of het nationale recht heeft vastgesteld, verklaarde klager dat de EIB weliswaar de tweede weglening in juni 2006 heeft goedgekeurd (2), maar dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Polen heeft ingeleid wegens niet-omzetting van de desbetreffende milieurichtlijnen. Klager heeft een kopie bijgevoegd van de aanmaningsbrief van de Commissie aan de Poolse autoriteiten van 28 juni 2006 (3). Volgens klager betekende dit dat EIB-projecten in Polen niet voldeden aan de belangrijkste milieurichtlijnen en dus aan de milieuverklaring van de EIB.
Klager verklaarde dat de "Poolse regeringsverordening waarnaar de EIB in haar advies verwijst en die [d] 15 mei 2004 [is] (Rozporządzenie Rady Ministrów z dnia 5 maja 2004 w sprawie sieci autostard i dróg ekspresowych, - DZU. 128, poz. 1334) verschilt volledig van de verordening van 4 januari 2005 waarbij het Nationaal Wegenfondsprogramma 2005-2006 is goedgekeurd. De verordening van 15 mei 2004 is helemaal geen financieel plan, zoals de EIB stelt, maar bepaalt alleen welke autosnelwegen en autowegen de NRFP-doelstelling vormen (Wykaz autostrad i dróg expresowych w RP. Układ docelowy)."
Volgens klager moet de ordonnantie van 15 mei 2004 worden beschouwd als een aanvulling op de ordonnantie van 4 januari 2005 en als zodanig naar Pools recht aan een SMEB worden onderworpen.
Klager stelt dat een milieueffectbeoordeling ("MEB") voor individuele projecten momenteel aan de gang is of zeer recent is afgerond.
Ten slotte deelde klager de Ombudsman mee dat in deze zaak ook de naleving door [het NRFP] van artikel 40, lid 1, van [de Poolse milieuwet van 2001] door de Poolse Ombudsman wordt onderzocht.
Nadere inlichtingenNa zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen en aanvullende brieven van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.
Brief van de Ombudsman aan de Commissie van 27 maart 2007Ten eerste heeft de Ombudsman de EIB verzocht te antwoorden op de opmerking van klager over de verklaring van de EIB dat verschillende investeringsregelingen van het project waren vastgesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende Poolse wet en dat de EIB geen voorbeelden heeft gegeven ter ondersteuning van haar standpunt.
Ten tweede vroeg de Ombudsman de EIB welke middelen en beoordelingsmethoden de EIB gebruikt in situaties waarin uit de door nationale autoriteiten, initiatiefnemers en uitvoerende agentschappen verstrekte informatie over door de EIB en uit andere bronnen gefinancierde projecten blijkt dat het betrokken project op het eerste gezicht niet in overeenstemming is met het nationale of Europese recht. In dit verband verzocht de Ombudsman de EIB commentaar te leveren op de opmerking van klager dat de Bank de tweede weglening in juni 2006 goedkeurde, en tegelijkertijd vroeg de Commissie de Poolse regering om uitleg over het gebrek aan omzetting van een relevante milieurichtlijn.
Ten derde verklaarde de Ombudsman dat hij een inzage van de relevante documenten in het dossier van de EIB nuttig achtte.
Antwoord van de EIB van 15 mei 2007In de eerste plaats verwees de EIB naar de chronologische ontwikkeling van het Poolse wegennet vanaf de jaren 1930.
Samenvattend heeft de EIB erop gewezen dat de te financieren investeringsregelingen voor vervoer worden vastgesteld bij verordening van de Poolse ministerraad, die een periode van één tot zes jaar kan bestrijken. De meest recente verordening van de ministerraad tot oprichting van een netwerk van autosnelwegen, autosnelwegen en wegen van strategisch belang dateert van 29 september 2001 en gaat dus vooraf aan de Poolse milieuwet van 2001. In februari 2001 keurde de Poolse regering het programma goed dat voorziet in de aanpassing, tot 2015, van het Poolse hoofdwegennet aan de EU-normen.
Op 4 januari 2005 heeft de Poolse regering een resolutie aangenomen en op 6 januari 2006 gewijzigd betreffende het door het NRFP te financieren programma voor investeringen in de wegvervoersector. De investeringen zijn een selectie van regelingen die eerder in de bovengenoemde verordeningen zijn vastgesteld. Het programma, dat kwalificeert als een financieel plan, beschrijft de projecten snelwegen, snelwegen en bypasses, evenals hun financieringsbronnen die in deze periode moeten worden uitgevoerd.
Het door de EIB gefinancierde project omvatte 15 afzonderlijke wegeninvesteringsprogramma's, die over heel Polen verspreid waren. Een SMB was niet nodig uit hoofde van de Poolse milieuwetgeving van 2001 of uit hoofde van de SMB-richtlijn omdat i) de regelingen complementaire investeringen vormen ten opzichte van de lopende projecten die reeds EU- en EIB-financiering ontvangen; ii) de regelingen stroken met de prioritaire doelstellingen van de EU zoals gedefinieerd in artikel 267, onder a) en c), van het EG-Verdrag, en iii) de goedkeuring van het project is begonnen vóór de inwerkingtreding van de Poolse milieuwet van 2001. Gezien het belang dat aan het milieu wordt gehecht, was de noodzaak van MEB's echter een voorwaarde voor uitbetaling voor elk van de 15 afzonderlijke regelingen.
De EIB voldoet aan haar zorgvuldigheidsplicht bij de beoordeling van leningsaanvragen door zich te baseren op het beschikbare bewijsmateriaal, met inbegrip van de nodige vergunningen en machtigingen die zijn afgegeven in overeenstemming met de toepasselijke nationale en Europese wetgeving. Voor projecten in de EU hanteert de EIB een vermoeden van wettigheid en, in voorkomend geval, een vermoeden dat de nationale wetgeving in overeenstemming is met de EU-wetgeving. "Voor zover nodig" verifieert de EIB de naleving om ervoor te zorgen dat haar middelen op rationele wijze worden gebruikt. Voor projecten buiten de EU hanteert de EIB ook het vermoeden van wettigheid. Dit is gebaseerd op de nodige vergunningen voor de bouw en exploitatie van het project en wordt ondersteund door ander beschikbaar bewijsmateriaal, zijn eigen beoordeling en leningconvenanten. Met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden en wetgeving moet elk project ten minste voldoen aan de beginselen en normen van het EU-beleid. Voor alle projecten is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de naleving, terwijl de regelgevende en handhavingstaken onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteiten vallen. Het is duidelijk passend en gepast dat de EIB een beroep doet op de EU-lidstaten of de relevante autoriteiten in de lidstaten om na te gaan of de relevante milieunormen worden nageleefd, en dat de EIB de documentatie van een lidstaat aanvaardt als bewijs van de naleving ervan. In omstandigheden waarin het milieugoedkeuringsproces in de lidstaat nog niet is voltooid, worden de passende uitbetalingsvoorwaarden aan het financieringscontract verbonden.
Met betrekking tot de lening ter dekking van het project "Polen Autosnelwegen" (waarnaar in de oorspronkelijke klacht niet werd verwezen), verklaarde de EIB dat zij ten tijde van haar beoordeling wist dat de Commissie bezwaren had bij de omzetting van de MEB-richtlijn (4) in Pools recht. Als gevolg van de door de Commissie geuite bezorgdheid werden aan de kredietnemer (Bank Gospodarstwa Krajowego (5)) een aantal uitbetalingsvoorwaarden opgelegd om ervoor te zorgen dat het gevolgde proces met betrekking tot de regelingen van het project dat uit die lening werd gefinancierd, voldeed aan de vereisten van de MEB-richtlijn. Als gevolg daarvan heeft de Commissie op 27 juni 2006 formeel geen bezwaar tegen het project gemaakt.
Tot slot verklaarde de EIB dat zij het betreurt dat klager de uitnodiging van de EIB voor een vergadering in Warschau niet heeft aanvaard. Hij benadrukte ook dat "het zoals altijd open blijft staan voor een constructieve samenwerking met de NGO's".
Opmerkingen van klager over het antwoord van EIB´ van 15 mei 2007Klager heeft geen opmerkingen ingediend.
Controle van documenten d.d. 14 mei 2007Op 14 mei 2007 hebben de diensten van de Ombudsman het dossier van de EIB betreffende de zaak in de gebouwen van de EIB geïnspecteerd. Het gedetailleerde verslag van de inspectie werd aan klager en de EIB toegezonden.
Aanvullende brief van klager van 10 juli 2007In zijn brief van 10 juli 2007 verklaarde klager dat hij de kwestie van het ontbreken van een SMB naar Pools recht voor het NRFP onder de aandacht van de Poolse Ombudsman had gebracht en dat de Poolse Ombudsman zijn onderzoek naar die kwestie had afgerond. Volgens klager "sloot de Poolse Ombudsman de zaak af met het advies dat het [NRFP] had moeten worden onderworpen aan een [] milieueffectbeoordeling" en dat zijn advies "in overeenstemming was met het advies van het Poolse ministerie van Vervoer". Klager voegde een kopie bij van het antwoord van de Poolse Ombudsman en van het antwoord van het Poolse ministerie van Vervoer en Bouw. In zijn brief van 28 juni 2007 aan de Poolse Ombudsman verklaarde het ministerie van Vervoer en Bouw dat "het ministerie van Milieu van mening was dat de lijst van projecten voor de financiering van wegeninvesteringen door het Nationaal Wegfonds in het stadium van het interministerieel overleg aan de milieueffectbeoordelingsprocedure moest worden onderworpen." In zijn brief aan klager verklaarde de Poolse Ombudsman dat "het ministerie van Vervoer en van Milieu het eens is met het standpunt van de Ombudsman dat de milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd voor de ondernemingen die onder het Nationaal Wegenfonds vallen."
De Ombudsman heeft de brief van klager, samen met de bijlagen, ter informatie doorgestuurd naar de EIB.
BESLUIT
1 Inleidende opmerking1.1 De Europese Ombudsman merkt op dat klager in zijn opmerkingen verwees naar het feit dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Polen had ingeleid wegens de niet-omzetting van de desbetreffende milieurichtlijnen en verklaarde dat "dit betekent dat EIB-projecten in Polen niet voldoen aan de desbetreffende MEB-richtlijn van de EU en dus aan de milieuverklaring van de EIB van 2004".
De Ombudsman merkt echter ook op dat klager in dezelfde opmerkingen benadrukte dat "zijn klacht rechtstreeks is gebaseerd op de Poolse wetgeving - met name niet-naleving van artikel 40, lid 1, van de Poolse wet inzake milieubescherming (...) en niet van Richtlijn 2001/42/EG."
In het licht van de bovenstaande nadruk van klager begrijpt de Ombudsman dat de verklaring van klager niet mag worden beschouwd als een nieuwe bewering die in dit besluit moet worden behandeld.
2 Beoordeling door de EIB van de juridische conformiteit van het project2.1 De klacht heeft betrekking op een EIB-lening voor 15 investeringsprojecten in verband met de aanleg in Polen van autosnelwegen, autosnelwegen en omwegen die zijn opgenomen in het door de Poolse regering opgezette Nationale Wegenfondsprogramma 2005/2006 ("NRFP"). De bovengenoemde 15 investeringsregelingen vormden het EIB-project "Modernisering van de Poolse wegen", dat "de modernisering van investeringen op autosnelwegen, snelwegen en rondwegen in het kader van [NRFP]"(hierna "het project" genoemd) omvatte. Het project werd op 1 juni 2005 door de Poolse autoriteiten voorgesteld voor EIB-financiering (6). Op 6 december 2005 benaderde klager de EIB met betrekking tot het project, dat op dat moment nog in behandeling was. De klager klaagde dat, in strijd met de relevante bepalingen van de Poolse milieuwetgeving van 2001, de strategische milieueffectbeoordeling niet werd uitgevoerd met betrekking tot het gehele NRFP. In antwoord daarop deelde de EIB klager mee dat zij de Poolse autoriteiten had benaderd met betrekking tot de bezwaren van klager en dat zij hem op de hoogte zou stellen van hun antwoord. De EIB heeft klager echter niet van dat antwoord in kennis gesteld, maar heeft besloten het project te financieren en op 11 mei 2006 de lening ondertekend en de eerste betaling verricht. Vervolgens wendde klager zich op 6 juni 2006 tot de Ombudsman.
Klager voerde aan dat de EIB, ondanks het feit dat zij op de hoogte was gesteld van de niet-naleving van de Poolse wetgeving door het project, in strijd met haar "Milieuverklaring" ermee heeft ingestemd dat project mede te financieren. Volgens die verklaring zorgt de EIB ervoor dat de door de Bank gefinancierde projecten voldoen aan de beginselen en normen die zijn vastgesteld in zowel de EU- als de nationale milieuwetgeving, met inbegrip van de vereisten inzake gezondheid en veiligheid op het werk. De verklaring bepaalt ook dat, wanneer verschillende wetten verschillende niveaus van vereisten opleggen, de strengere moet worden toegepast ("eerste bewering ").
Klager beweerde ook dat de EIB haar niet in kennis had gesteld van het antwoord dat de Poolse autoriteiten haar hadden toegezonden ("tweede bewering ").
De klager voerde aan dat de EIB haar financiering moest opschorten totdat de juridische status van het project was verduidelijkt ("claim").
2.2 Samenvattend heeft de EIB verklaard dat de initiatiefnemer van een project, dat wil zeggen in dit geval het Poolse directoraat-generaal voor nationale wegen en snelwegen, hierna het "Poolse directoraat" genoemd, de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het waarborgen van de naleving van het EU-beleid en het EU-recht en van de relevante nationale wetgeving. Naar aanleiding van de klacht van klager nam de EIB contact op met de Poolse autoriteiten, die haar meedeelden dat het NRFP op grond van de relevante Poolse wetgeving niet verplicht was een SMEB te ondergaan omdat i) het NRFP de vorm aanneemt van een overheidsverordening; (ii) Het NRFP is uitsluitend een financieel plan en (iii) het definieert de ontwikkelingsstrategie niet en stelt geen kader vast voor de toekomstige uitvoering. Bovendien werd het initiële planningsproces voor 15 investeringsregelingen van het project, die door de EIB-lening werden gedekt en deel uitmaakten van het NRFP, vastgesteld vóór 1 oktober 2001, dat wil zeggen de datum waarop de Poolse milieuwet van 2001 in werking trad. De EIB heeft ook bevestigd dat, overeenkomstig haar milieuverklaring, de controle op de naleving van de wettelijke voorschriften voor investeringen een integrerend deel uitmaakt van haar beoordelingsprocedures. De EIB heeft ook verklaard dat zij van mening is dat zij in dit specifieke geval alle nodige maatregelen heeft genomen om deze naleving te waarborgen. Ten slotte heeft de EIB verklaard dat de leningsovereenkomst op 11 mei 2006 is ondertekend, aangezien zij niet van mening was dat de communautaire of nationale wetgeving inzake de milieueffectbeoordeling ("MEB") was geschonden en zij van mening was dat zij haar milieuverklaring had gevolgd.
In haar advies heeft de EIB ook uitgelegd dat zij klager inmiddels op 28 juni 2006 in een afzonderlijke brief op de hoogte heeft gesteld van de conclusies van de Poolse autoriteiten. Deze informatie werd nader toegelicht in de verdere brieven van de EIB aan klager.
2.3 Om te beginnen wijst de Ombudsman erop dat de onderhavige klacht betrekking heeft op het project "Modernisering van de Poolse wegen" (EIB-projectnummer 20050226), dat werd gefinancierd via een lening die op 11 mei 2005 door de EIB werd ondertekend, en niet op het project "Polense snelwegen" (EIB-project 20050428), dat vervolgens door de EIB werd gefinancierd.
2.4 Voorts wijst de Ombudsman er nogmaals op dat de klacht betrekking heeft op de vermeende niet-naleving door de Poolse autoriteiten van de Poolse milieuwetgeving van 2001, die volgens klager voor het gehele NRFP een SMEB vereiste. Zoals de klager uitdrukkelijk heeft verklaard, is de onderhavige klacht niet gericht op de naleving van de Europese milieurichtlijnen, met inbegrip van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (7) (hierna "de SMB-richtlijn" genoemd).
In dit verband herinnert de Ombudsman eraan dat de Europese Ombudsman overeenkomstig artikel 195 van het EG-Verdrag bevoegd is klachten over wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen en organen te ontvangen en te onderzoeken. Tegen het optreden van een andere autoriteit of persoon kan derhalve geen klacht bij de Ombudsman worden ingediend. Het is dus niet de taak van de Ombudsman om de gegrondheid van de communautaire of nationale wetgeving te onderzoeken en na te gaan of de nationale autoriteiten het nationale of het Europese recht correct hebben toegepast.
Om bovenstaande redenen houdt de Ombudsman zich in zijn onderzoek naar deze klacht uitsluitend bezig met mogelijk wanbeheer door de EIB.
2.5 Voorts merkt de Ombudsman op dat de EIB in mei 2004 een document heeft gepubliceerd, haar milieuverklaring, waarin zij haar aanpak van milieukwesties bij de financiering van projecten uiteenzet. De paragraaf "Bescherming en verbetering van het milieu" bevat de volgende verklaring:
"In de 25 EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaten voldoen de door de EIB gefinancierde projecten aan de beginselen en normen van zowel de EU (…) als de nationale milieuwetgeving, met inbegrip van de eisen inzake gezondheid en veiligheid op het werk. Wanneer [een] andere wet [andere] vereisten oplegt, is de strengere van toepassing."
Bovendien bevat de paragraaf "Organisatie en aanpak" de volgende verklaring:
"Het resultaat van de milieubeoordeling van de EIB bepaalt de "aanvaardbaarheid" van een project voor financiering. Dit zal gebaseerd zijn op het evenwicht tussen de aard en de omvang van de milieueffecten en de maatregelen die nodig zijn om eventuele negatieve effecten te voorkomen, te verminderen en, in voorkomend geval, te compenseren, alsook op andere criteria zoals [] naleving van de wetgeving en milieubeheer. De Bank aanvaardt geen project voor financiering dat waarschijnlijk een aanzienlijk negatief milieueffect zal hebben en/of een hoog risico voor het milieu zal vormen."
2.6 De Ombudsman wijst erop dat het bovengenoemde EIB-document weliswaar geen bron van wettelijke verplichtingen is, maar een belangrijke verklaring van het EIB-beleid is waaraan de Bank verklaart te moeten voldoen.
Op basis van bovengenoemd document begrijpt de Ombudsman dat de EIB zich beperkt tot de financiering van projecten die zowel in overeenstemming waren met de nationale milieuwetgeving als met de belangrijkste milieurichtlijnen van de EG, en dat, indien de nationale wetgeving strenger is wat betreft de vereisten om de bescherming van het milieu te waarborgen, deze laatste moet worden toegepast. Het lijkt erop dat de EIB deze naleving in eerste instantie waarborgt door projecten te screenen alvorens ze voor financiering te aanvaarden en vervolgens door ze tijdens de uitvoering ervan te monitoren.
2.7 De Ombudsman wijst er echter op dat de EIB, om te kunnen handelen in overeenstemming met haar bovengenoemde milieuverklaring, grotendeels afhankelijk lijkt te zijn van door de nationale autoriteiten verstrekte informatie die zij gebruikt om na te gaan of de milieurechtelijke bepalingen zijn toegepast op elk project dat door de Bank wordt gefinancierd en op het grondgebied van het betrokken land actief is.
2.8 In dit verband acht de Ombudsman het nuttig te herinneren aan het beginsel van loyale samenwerking dat krachtens artikel 10, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 192, lid 2, van het Euratom-Verdrag aan de communautaire instellingen en hun lidstaten is opgelegd, zoals door de communautaire rechterlijke instanties in het kader van de inbreukprocedure van artikel 226 van het EG-Verdrag (8) wordt vermeld. In beide artikelen is bepaald dat de lidstaten zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag in gevaar kunnen brengen.
2.9 Bij analoge toepassing van bovengenoemd beginsel op de omstandigheden van de onderhavige zaak is de Ombudsman van mening dat de EIB (i) op goede gronden kan oordelen dat de Poolse autoriteiten de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake milieubescherming hebben nageleefd, en (ii) op goede gronden mag verwachten dat de Poolse autoriteiten haar betrouwbare informatie verstrekken over de toepassing door hen van de relevante Poolse milieuwetgeving. Zoals de EIB in haar milieuverklaring van 2004 heeft verklaard: "f)of de projecten die zich in de EU bevinden, hanteert de Bank een vermoeden van wettigheid en neemt zij aan dat de nationale wetgeving in voorkomend geval in overeenstemming is met de EU-wetgeving. De promotor is verantwoordelijk voor de naleving, terwijl de regelgevende en handhavingstaken onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteiten vallen."
2.10 In het licht van bovenstaande overwegingen en op basis van de bewijsstukken die tijdens het onderzoek en met name tijdens de inzage van het dossier door zijn diensten zijn verzameld, neemt de Ombudsman het volgende standpunt in. In de eerste beoordelingsfase van het project leek de uitvoering van een SMB met betrekking tot het NRFP op basis van artikel 40 van de Poolse milieuwet van 2001 niet het voorwerp te zijn geweest van communicatie tussen de EIB en de Poolse autoriteiten, terwijl de SMB-richtlijn wel werd nageleefd.
2.11 Derhalve kan worden geconcludeerd dat de EIB tot 6 december 2005, dus voordat klager de EIB ervan in kennis stelde dat het NRFP niet voldeed aan artikel 40 van de Poolse milieuwet van 2001, dat volgens klager een SMEB vereiste, niet op de hoogte was van een dergelijke mogelijke niet-naleving.
2.12 De Ombudsman is echter van mening dat na ontvangst van de hierboven door klager verstrekte informatie redelijkerwijs kan worden verwacht dat de EIB, in het licht van haar in punt 2.5 hierboven genoemde milieuverklaring, bijzonder voorzichtig is bij het controleren van dergelijke informatie.
2.13 De Ombudsman merkt derhalve op dat de EIB op 27 maart 2006 een brief aan de kredietnemer (Bank Gospodarstwa Krajowego (9)) heeft gestuurd waarin werd verklaard dat "[zij] een klacht (…) [heeft] ontvangen dat het National Road (Fund)Programme (NRFP) voor 2005-2006 voldeed aan alle noodzakelijke voorwaarden om te worden onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van artikel 40 van de Wet op de milieubescherming (...)". In dezelfde brief heeft de EIB de kredietnemer verzocht haar in kennis te stellen van het standpunt van de Poolse autoriteiten met betrekking tot "(1) de vraag of de milieubeoordeling van het NRFP door de Poolse wetgeving wordt vereist, en (2) zo ja, wanneer een dergelijke beoordeling zal worden uitgevoerd of, (3) zo niet, wat de rechtsgrondslag van een dergelijk besluit is." De EIB heeft die brief gekopieerd naar het Poolse ministerie van Financiën en het ministerie van Vervoer en Bouw.
2.14 De Ombudsman merkt voorts op dat de kredietnemer op 7 april 2006 op bovengenoemde brief van de EIB heeft geantwoord. In deze mededeling deelde de kredietnemer de EIB mee dat zij niet bevoegd was om een standpunt in te nemen over de vraag van de Bank, maar dat zij deze voor commentaar aan de overheidsinstanties had doorgezonden.
Vervolgens heeft het Poolse ministerie van Vervoer en Bouw op 6 april 2006 zijn eerste antwoord naar de EIB gestuurd, waarin het uiteenzette dat het NRFP een financieel plan is en de financieringsbronnen voor investeringen in vervoer vermeldt. Het ministerie voegde daaraan toe dat het NRFP slechts een instrument is dat bedoeld is om het financiële deel van de vervoersinvesteringen uit te voeren dat is opgenomen in andere overheidsdocumenten die van strategisch belang zijn voor het vervoer. Het ministerie legde uit dat deze documenten "de strategie voor de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de jaren 2004-2006 en de daaropvolgende jaren"omvatten, die in 2003 werd gepubliceerd als onderdeel van het nationale ontwikkelingsplan. Het ministerie verwees ook naar het document "[t]he Timetable for the construction of highways and expressways for the years 2005-2013", dat in juni 2005 werd gepubliceerd en waarin de richting voor de verdere ontwikkeling van het wegennet in Polen werd geschetst en de bijbehorende taken en het tijdschema ervan werden vastgesteld. Met betrekking tot deze "strategieën" werd geen SMB uitgevoerd omdat ten tijde van de opstelling ervan een SMB niet wettelijk verplicht was.
Het ministerie van Vervoer en Bouw wees er voorts op dat i) het NRFP werd besproken door een aantal ministeries, waaronder het ministerie van Milieu, dat "geen commentaar gaf". Daarom heeft het ministerie van Vervoer en Bouw begrepen dat er geen verplichting bestond om een SMEB voor NRFP uit te voeren op grond van artikel 40 van de Poolse milieuwet. Zij wees erop dat ii) voor elk afzonderlijk project binnen het NRFP, met inbegrip van projecten die uit de EIB-lening moeten worden gefinancierd, de MEB's reeds zijn of worden uitgevoerd.
Het ministerie concludeerde dat de SMEB-procedure met betrekking tot de gevolgen van de uitvoering van het gehele NRFP, in de zin van bovengenoemd artikel 40 van de Poolse milieuwet van 2001, niet vereist was.
2.15 De Ombudsman begrijpt dat de EIB op basis van de bovenstaande toelichtingen van de Poolse autoriteiten tot de conclusie is gekomen dat het project in overeenstemming was met de nationale wetgeving, ook al had zij wellicht verdere verduidelijking nodig.
In het licht van zijn overwegingen in de punten 2.7, 2.8 en 2.9 hierboven acht de Ombudsman deze conclusie redelijk.
Bovendien blijkt dat het ministerie van Vervoer en Bouw in zijn antwoorden op het verzoek om nadere verduidelijking van de EIB van 1 juni 2006 en 28 juli 2006 zijn oorspronkelijke standpunt heeft bevestigd en daaraan heeft toegevoegd dat artikel 40 van de Poolse milieuwet van 2001 overeenkomstig de SMB-richtlijn is gewijzigd, en dat de betrokken overheidsinstanties op grond van deze wijziging verplicht zijn een SMB uit te voeren voor beleid, strategieën, plannen en programma's, met inbegrip van die op het gebied van vervoer. Het ministerie herhaalde dat op grond van artikel 40 in de versie vóór de wijziging geen MEB vereist was voor "[t] de strategie voor de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de jaren 2004-2006 en de daaropvolgende jaren" of voor "[t] de dienstregeling voor de aanleg van autosnelwegen en snelwegen voor de jaren 2005-2013".
2.16 De Ombudsman neemt ook met name nota van de specifieke verklaring van de Poolse autoriteiten in hun brief van 6 april 2006 dat "voor elk afzonderlijk project binnen het NRFP, met inbegrip van projecten die uit de EIB-lening moeten worden gefinancierd, de MEB's reeds zijn uitgevoerd of worden uitgevoerd."(11)
De Ombudsman begrijpt dat, hoewel klager het niet eens is met het standpunt van de Poolse autoriteiten dat het algemene NRFP de SMEB niet vereiste op grond van de Poolse milieuwetgeving van 2001, hij het eens lijkt te zijn met de bovengenoemde specifieke verklaring.
Bovendien lijkt het onbetwistbaar dat de 15 individuele investeringsregelingen waarop de EIB-lening betrekking heeft, zich niet in de planningsfase bevonden toen de lening werd besproken. De Ombudsman neemt geen standpunt in over het andere punt, dat daarentegen betwistbaar is, en heeft betrekking op de exacte datum waarop de individuele investeringsregelingen die onder de EIB-lening vallen, werden gedefinieerd (dat wil zeggen dat hun plannen waren begonnen). In dit verband begrijpt de Ombudsman niet hoe een SMEB van de investeringsregelingen, indien beschouwd als onderdeel van een programma of plan, redelijkerwijs kon worden verlangd wanneer de investeringen reeds waren begonnen en zij zich ten minste niet langer in de planningsfase bevonden. Hij merkt ook op dat de EIB hetzelfde heeft opgemerkt in haar verdere brief aan klager in de loop van het onderzoek (op 23 oktober 2006).
Ten slotte vormen de investeringsregelingen die door de EIB-lening worden gedekt, volgens de EIB complementaire investeringen ten opzichte van reeds lopende projecten met EU- en EIB-financiering en zijn zij in overeenstemming met de prioritaire doelstellingen van de EU zoals gedefinieerd in artikel 267, onder a) en c), van het EG-Verdrag.
In het licht van de punten 2.15 en 2.16 hierboven aanvaardt de Ombudsman de door de EIB in de loop van het onderzoek aangevoerde redenen waarom de Bank, op basis van de informatie die haar destijds door de Poolse autoriteiten ter beschikking was gesteld, de lening op 11 mei 2006 had kunnen ondertekenen. De Ombudsman stelt derhalve geen geval van wanbeheer vast met betrekking tot de eerste bewering van klager.
Met betrekking tot het argument van klager dat de EIB haar financiering moet opschorten totdat de juridische status van het project is verduidelijkt , wijst de Ombudsman erop dat de desbetreffende betaling reeds door de EIB is verricht en dat hij daarom van mening is dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd is.
De Ombudsman verwijst echter naar de brief van klager van 10 juli 2007, die de Ombudsman vervolgens aan de EIB heeft doorgestuurd. Volgens die brief lijken dezelfde Poolse autoriteiten, een jaar nadat de in punt 2.14 hierboven bedoelde informatie door de Poolse autoriteiten aan de EIB was verstrekt, in de loop van het onderzoek van de Poolse Ombudsman te hebben verklaard dat "het ministerie van Milieu van mening was dat de lijst met financiële plannen voor de door het Nationaal Wegenfonds te financieren wegeninvesteringen in het stadium van het interministerieel overleg aan de milieueffectbeoordelingsprocedure moest worden onderworpen." Indien de EIB van mening is dat er, in het licht van de bovengenoemde brief, enige actie kan worden ondernomen door de EIB ,, verzoekt de Ombudsman de Bank in dit verband rechtstreeks contact op te nemen met de klager.
Bovendien wil de Ombudsman wijzen op de mogelijke rol van nationale en regionale controle-instanties, zoals ombudsmannen, als aanvullende informatiebronnen met betrekking tot de naleving van de nationale en Europese wetgeving voor door de EIB gefinancierde projecten. In dit verband zal de Ombudsman hieronder nog een opmerking maken.
2.19 Wat ten slotte de bewering van klager betreft dat de EIB hem niet in kennis heeft gesteld van het antwoord van de Poolse autoriteiten, merkt de Ombudsman op dat de EIB in haar brief aan klager van 31 januari 2006 heeft verklaard dat zij [antwoordt] op [klager] over deze kwestie zodra wij een bevredigend antwoord van de Poolse autoriteiten ontvangen.
De EIB zond klager de informatie die zij op 28 juni 2006 had beloofd, nadat zij die informatie in april en juni 2006 van de Poolse autoriteiten had ontvangen. De EIB heeft deze informatie aangevuld in haar verdere brieven aan klager in de loop van het onderzoek van de Ombudsman, op 25 juli en 13 oktober 2006. Bovendien merkt de Ombudsman op dat de EIB heeft voorgesteld klager meer uitleg te geven tijdens een daartoe te organiseren vergadering.
In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat verder onderzoek met betrekking tot de tweede bewering van klager niet gerechtvaardigd is.
3 ConclusieWat de eerste bewering van klager betreft, stelt de Ombudsman om de in de punten 2.14, 2.15, 2.16 hierboven uiteengezette redenen geen geval van wanbeheer vast.
Wat de tweede bewering van klager betreft, is de Ombudsman om de in punt 2.19 hierboven uiteengezette redenen van mening dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd is.
Wat het argument van klager betreft, is de Ombudsman om de in punt 2.18 hierboven uiteengezette redenen van mening dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd is.
De Ombudsman sluit daarom de zaak. De voorzitter van de EIB zal van dit besluit in kennis worden gesteld.
BIJZONDERE OPMERKING
De EIB zou in de toekomst kunnen overwegen communicatiekanalen op te zetten met en informatie op te vragen bij relevante nationale en regionale controle-instanties, zoals ombudsmannen, die kunnen dienen als aanvullende bron van informatie over de naleving van de nationale en Europese wetgeving voor door de EIB gefinancierde projecten.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB L 197, blz. 30.
(2) Volgens de Ombudsman verwijst klager naar het project "Polen Motorways" (EIB-project 20050428).
(3) Het lijkt erop dat de brief van de Commissie in feite verwees naar de wijziging van de Poolse milieuwet van 2001, die in 2004 in werking is getreden en, anders dan de Poolse wet van 2001, niet in overeenstemming leek te zijn met het Europese recht.
(4) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
(5) Deze bank wordt gecontroleerd door de Poolse schatkist.
(6) Klager voegde bij zijn klacht een uittreksel betreffende EIB-projecten-pipeline, dat afkomstig was van de EIB-website (http://www.eib.org/projecten/pipeline/project).
(7) PB L 197, blz. 30.
(8) Zie zaak C-10/00, Commissie/Italië, Jurispr. 2002, blz. I-2357, punt 88.
(9) Zie noot 4.
(10) De Ombudsman merkt op dat de EIB het Poolse ministerie van Vervoer en Infrastructuur op 10 mei 2006 om verdere verduidelijking heeft verzocht met betrekking tot de vraag of de in de brief van het ministerie van 6 april 2006 genoemde documenten, namelijk "de strategie voor de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de jaren 2004-2006 en de daaropvolgende jaren" en "het tijdschema voor de aanleg van autosnelwegen en autosnelwegen voor de jaren 2005-2013" een SMEB vereisten in de zin van artikel 40 van de Poolse milieuwet van 2001.
(11) Vertaling uit het Pools door de diensten van de Ombudsman. De oorspronkelijke tekst luidt als volgt:
"Zwracamy uwagę, że dla każdego projektu objętego Programem KFD, w tym dla projektów przeznaczonych do sfinansowania z kredytow EBI zostaly przeprowadzone bądź są w trakcie przeprowadzenia oceny oddziaływania na środowisko wymagane przepisami ustawy Prawo ochrony środowiska."