# Besluit in zaak 1126/2006/SAB - Geschil over de formulering van een arbitrageovereenkomst
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: 2007-09-27T00:00+02:00[Europe/Paris]
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/3142)
---
> De klager werkte op basis van een ALAT-contract (lokaal administratief en technisch personeel) voor een delegatie van de Commissie in een derde land. De klacht betrof de weigering van de Commissie om de formulering te wijzigen van een door haar aan de klager voorgelegd voorstel voor een overeenkomst over de bevoegdheden van de arbitrage-instantie die zou beslissen over de vraag of de klager recht had op een schooltoelage voor zijn kinderen. In het betreffende gedeelte van de voorgestelde overeenkomst ging het over een toelage voor de twee kinderen van de klager "*who attend a kindergarten* " (die op een kleuterschool zitten). De klager achtte deze formulering misleidend, aangezien zijn kinderen op de "*maternelle* "-afdeling van het Franse schoolsysteem zitten, die volgens hem een volwaardige onderwijsinstelling vormt. Hij betoogde dat het gebruik van een term als "*kindergarten* " in de arbitrageovereenkomst zijn positie zou ondermijnen.
>
> Er waren voor de Ombudsman voldoende gronden om een onderzoek in te stellen en in zijn eerste brief aan de Commissie vroeg hij haar uitdrukkelijk of zij bereid was akkoord te gaan met zijn voorstel voor een specifieke alternatieve formulering van de sleutelpassage van het voorstel voor een arbitrageovereenkomst.
>
> In haar advies stelde de Commissie een formulering voor de arbitrageovereenkomst voor die zowel tegemoetkwam aan het voorstel van de Ombudsman als rekening hield met het streven van de Commissie om de betreffende kwestie duidelijk aan te geven. De klager aanvaardde dit laatste voorstel en vroeg de Ombudsman de zaak te sluiten. De Ombudsman was dan ook van oordeel dat de Commissie de kwestie had opgelost.
>
> Na sluiting van de zaak liet de klager de Ombudsman weten dat de arbiters in zijn voordeel hadden beslist. Hij bedankte de Ombudsman voor zijn doeltreffende optreden dat ervoor gezorgd had dat de arbitrage eerlijk kon verlopen.
>
Straatsburg, 27 september 2007
Geachte heer X,
Op 20 april 2006 heeft u een klacht ingediend tegen de Europese Commissie. Uw klacht betrof de weigering van de Commissie om de formulering te wijzigen van een overeenkomst die zij had voorgesteld met betrekking tot het mandaat van een arbitrageorgaan ("arbitrageovereenkomst") dat zou beslissen over uw recht op een schooltoelage voor uw kinderen.
Op 28 juni 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft op 7 februari 2007 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 21 februari 2007 hebt toegezonden.
Op 28 februari 2007 heb ik uw opmerkingen aan de Commissie toegezonden en haar verzocht deze uiterlijk op 31 maart 2007 te beantwoorden. Ik heb haar antwoord ontvangen op 21 mei 2007.
Na een verdere uitwisseling van informatie per e-mail en telefoon met u en de Commissie, die hieronder nader wordt beschreven, schrijf ik u nu om u mijn conclusie in uw zaak te laten weten.
Het KLACHT
----------
Klager had gewerkt als lid van het administratief en technisch lokaal personeel ("ALAT") bij de delegatie van de Europese Commissie in *A* ("de delegatie"). Bij zijn aankomst, schreef hij zijn kinderen in de zogenaamde "*maternelle* " sectie van een Franse School. Op grond van artikel 5, lid 5, van zijn ALAT-overeenkomst had hij recht op een maandelijkse schooltoelage voor kinderen ten laste die een onderwijsinstelling bezochten. De toelage wordt uitbetaald tot de leeftijd van maximaal 26 jaar; Er werd geen minimumleeftijd genoemd. De Commissie heeft het verzoek van klager om betaling van deze vergoeding echter afgewezen op basis van interne nota nr. 959598 van 19 november 2001 van het directoraat-generaal Buitenlandse Betrekkingen van de Commissie ("DG RELEX") betreffende de aanpassing van de vergoeding. Uit deze nota bleek dat de toelage alleen werd betaald voor kinderen die naar de lagere school of hoger gingen. Klager ging tegen dit besluit in beroep onder verwijzing naar het desbetreffende artikel van zijn ALAT-overeenkomst[(1).](#(1)){#Footnote1} Hij kreeg geen antwoord. Vervolgens stelde hij voor het geschil voor te leggen aan een arbitrage-instantie als bedoeld in artikel 14 van zijn ALAT-overeenkomst[(2).](#(2)){#Footnote2} De Commissie heeft klager een voorstel voor een arbitrageovereenkomst voorgelegd, waarin in punt 1, onder a), het volgende is bepaald:
> " op*basis van de tussen de partijen gesloten overeenkomst de kaderregeling en, in voorkomend geval, de bijzondere arbeidsvoorwaarden vast te stellen of het besluit van de Commissie om \[klager\]*de schooltoelage niet te betalen* voor zijn twee kinderen die naar een kleuterschool gaan, billijk en rechtmatig is."*
Klager was het eens met de inhoud van de voorgestelde overeenkomst, met uitzondering van de formulering "voor*zijn twee kinderen die naar een kleuterschool gaan".* Volgens klager was deze formulering misleidend, aangezien zijn kinderen naar de "*maternelle* " afdeling van de Franse school gingen, die naar zijn mening een volwaardige onderwijsinstelling was. Hij betoogde dat het opnemen van een uitdrukking als "kleuterschool" in de arbitrageovereenkomst zou vooruitlopen op de kwestie in zijn geval. Daarom stelde klager voor de formulering "voor*zijn twee kinderen die naar een kleuterschool gaan" te* schrappen. De Commissie stemde echter niet in met deze wijziging. Klager stelde twee andere alternatieve formuleringen voor die eveneens door de Commissie werden afgewezen zonder de kwestie aan te pakken of haar standpunt te motiveren. Vervolgens stelde hij voor over te gaan tot arbitrage op basis van een eenvoudige brief van de Commissie waarin met de arbitrage werd ingestemd. De Commissie verwierp dit voorstel echter en verklaarde dat het aan klager was "om*te beslissen of hij al dan niet wil proberen overeenstemming te bereiken over het mandaat of dat hij al dan niet andere juridische stappen met betrekking tot zijn claim wil ondernemen*".
In zijn klacht bij de Europese Ombudsman beweerde klager dat de Commissie ten onrechte weigerde de formulering van punt 1, onder a), van de arbitrageovereenkomst die zij hem had voorgesteld, te wijzigen, en beweerde hij dat de Commissie moest instemmen met een evenwichtige formulering van de arbitrageovereenkomst.
In zijn inleidende brief aan de voorzitter van de Commissie waarin hij hem in kennis stelde van de klacht, verzocht de Ombudsman de Commissie uitdrukkelijk na te gaan of zij bereid was de volgende alternatieve formulering van punt 1, onder a), van het ontwerp van arbitrageovereenkomst te aanvaarden: " vast*te stellen of \[de* *\] kinderen van \[de klager\] naar een "onderwijsinstelling" in de zin van artikel 5, lid 5, van de tussen de partijen gesloten overeenkomst gaan."*
Het onderzoek
-------------
**Advies van de Commissie**
In haar advies stelde de Commissie dat, hoewel in artikel 5 van de ALAT-overeenkomst van klager niet uitdrukkelijk werd vermeld dat de mogelijkheid om de schooltoelage voor kinderen toe te kennen afhankelijk zou zijn van het niveau van de onderwijsinstelling, de algemene praktijk van de Commissie erin bestond de toelage alleen vanaf het niveau van de basisschool te betalen. Dit werd duidelijk toegelicht in de administratieve richtsnoeren van de directeur-generaal van DG RELEX van 19 november 2001 en zoals vastgesteld in artikel 3, lid 3, van de bijzondere arbeidsvoorwaarden voor plaatselijke functionarissen die in Tanzania werkzaam zijn: " het*contract is onderworpen aan de kaderregeling, de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangenomen wijzigingen daarvan en de daaruit voortvloeiende specifieke regels.*" Bovendien was het vergelijkbaar met de bepalingen die op dit gebied van toepassing zijn op alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie.
De Commissie kon de door klager voorgestelde wijzigingen van punt 1, onder a), van de ontwerp-arbitrageovereenkomst niet aanvaarden, omdat zij de strekking van het hoofdpunt van het geschil waarop de afwijzing door de Commissie van het verzoek om een schooltoelage was gebaseerd, hadden weggelaten. In haar laatste mededeling aan de klager in april 2006 heeft de Commissie zich bereid verklaard de zaak opnieuw te onderzoeken indien de klager bewijsmateriaal kon overleggen waaruit blijkt dat het bezoeken van de kleuterschool door het Tanzaniaanse onderwijsstelsel als verplicht werd beschouwd. Zijn voorstel bleef zonder antwoord.
Het besluit van de Commissie om de betaling van de schooltoelage te weigeren was gebaseerd op dezelfde criteria die werden toegepast op alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie, en was in overeenstemming met de richtsnoeren die op billijke wijze werden toegepast op alle ALAT's. Elke uitzondering op deze benadering zou, zonder rechtsgrondslag, een discriminerende behandeling ten opzichte van het andere personeel inhouden.
De Commissie was van mening dat de formulering van punt 1, onder a), van de ontwerp-arbitrageovereenkomst, zoals voorgesteld door de Ombudsman, niet specificeerde welk soort onderwijsinstelling de kinderen van klager bijwoonden en dat dit gebrek aan informatie de arbiters zou beletten zich uit te spreken over het belangrijkste punt van onenigheid met klager.
Om echter voor alle betrokken partijen tot een bevredigende conclusie te komen, en onverminderd de bovengenoemde juridische overweging, heeft de Commissie de volgende formulering van het desbetreffende punt van de arbitrageovereenkomst voorgesteld: " om,*rekening houdend met alle op de zaak toepasselijke rechtsgrondslagen, vast te stellen of de onderwijsinstelling waaraan de twee kinderen van \[de klager*\] op kleuterschoolniveau deelnemen,* in de zin van artikel 5, lid 5, van de tussen de partijen gesloten overeenkomst is."*
De Ombudsman heeft klager van dit voorstel in kennis gesteld en hem het advies toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken.
**Opmerkingen van klager**
In zijn opmerkingen aanvaardde klager het voorstel van de Commissie en stelde hij drie andere kleine wijzigingen van de overeenkomst voor. Hij wenste zijn klacht echter te handhaven totdat de Commissie hem een herziene arbitrageovereenkomst had toegezonden.
**Verdere ontwikkelingen in de zaak**
De Ombudsman zond de opmerkingen van klager door naar de Commissie en verzocht haar uiterlijk op 31 maart 2007 te antwoorden. Aangezien hij echter binnen die termijn geen antwoord van de Commissie ontving, deed de Ombudsman een herinnering uitgaan en stelde hij klager daarvan in kennis. Naar aanleiding hiervan deelde klager de Ombudsman bij e-mail van 25 april 2007 mee dat hij de naar behoren herziene arbitrageovereenkomst van de Commissie op 21 maart 2007 had ontvangen, deze had ondertekend en op 22 maart 2007 ter ondertekening aan de Commissie had teruggezonden. Hij had de door de Commissie ondertekende overeenkomst echter niet ontvangen.
Op 21 mei 2007 deelde de Commissie de Ombudsman daarentegen mee dat zij nog steeds wachtte op de ondertekening door klager van de naar behoren herziene arbitrageovereenkomst, die hem op 16 maart 2007 via de delegatie werd toegezonden.
In het licht van bovenstaande tegenstrijdige informatie hebben de diensten van de Ombudsman op 6 juni 2007 contact opgenomen met de Commissie om de situatie op te helderen. Na deze interventie legde de Commissie uit dat de naar behoren ondertekende arbitrageovereenkomst op 21 mei 2007 aan klager was toegezonden en dat zij op 4 juni 2007 per diplomatieke post was aangekomen. In een telefoongesprek, geïnitieerd door de diensten van de Ombudsman op 22 juni 2007, bevestigde klager dat hij inderdaad de arbitrageovereenkomst had ontvangen; en voegde eraan toe dat de arbitrage in feite aan de gang was en dat de beslissing diezelfde dag nog moest worden genomen. Klager was van mening dat het onderwerp van zijn klacht was geregeld na de interventie van de Ombudsman, waarvoor hij dankbaar was. Hij bevestigde dit schriftelijk per e-mail van 22 juni 2007 en verzocht de Ombudsman de zaak dienovereenkomstig af te sluiten.
BESLUIT
-------
**1 Vermeende onbillijke weigering om de arbitrageovereenkomst en de overeenkomstige vordering te wijzigen**
1.1 De klacht betreft de vermeende onbillijke weigering van de Europese Commissie om de formulering te wijzigen van de overeenkomst die zij klager had voorgesteld met betrekking tot het mandaat van een arbitrageorgaan ("arbitrageovereenkomst") dat zou beslissen over zijn recht op een schooltoelage voor zijn kinderen. De betwiste formulering luidde als volgt: " vast*te stellen (...) of het besluit van de Commissie om de schooltoelage niet uit te betalen aan \[de* klager\]*voor zijn twee kinderen ++die naar een kleuterschool gaan, billijk en rechtmatig is."++* (cursivering van mij). Klager voerde aan dat deze formulering misleidend was, aangezien zijn kinderen naar de "*maternelle*" afdeling van de Franse school gingen, die naar zijn mening een volwaardige onderwijsinstelling was. Het opnemen van een uitdrukking als 'kleuterschool' in de arbitrageovereenkomst zou in zijn geval vooruitlopen op de kwestie. Hij stelde verschillende alternatieve formuleringen voor die alle door de Commissie werden verworpen, maar die de kwestie niet aan de orde stelden en haar standpunt niet motiveerden.
Klager voerde aan dat de Commissie ten onrechte weigerde de formulering van punt 1, onder a), van de arbitrageovereenkomst die zij hem had voorgesteld, te wijzigen, en voerde aan dat de Commissie moest instemmen met een evenwichtige formulering van de arbitrageovereenkomst.
1.2 Om in een vroeg stadium een mogelijke oplossing voor het geschil te vinden, verzocht de Ombudsman de Commissie reeds in zijn inleidende brief na te gaan of zij bereid was de volgende alternatieve formulering van punt 1, onder a), van de ontwerp-arbitrageovereenkomst te aanvaarden: " vast*te stellen of \[de* *\] kinderen van \[de klager\] naar een "onderwijsinstelling" in de zin van artikel 5, lid 5, van de tussen de partijen gesloten overeenkomst gaan."*
1.3 In haar advies verklaarde de Commissie dat zij de door klager voorgestelde wijzigingen van punt 1, onder a), van de ontwerp-arbitrageovereenkomst niet kon aanvaarden omdat zij de reikwijdte van het hoofdpunt van het geschil, waarop de afwijzing van het verzoek om een schooltoelage was gebaseerd, hadden weggelaten. Het besluit van de Commissie om de betaling van de toelage te weigeren was gebaseerd op dezelfde criteria die voor alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie golden, en was in overeenstemming met de richtsnoeren die op billijke wijze op alle ALAT werden toegepast. Elke uitzondering op deze benadering zou, zonder rechtsgrondslag, een discriminerende behandeling ten opzichte van andere personeelsleden inhouden.
De Commissie was ook van mening dat de formulering van punt 1, onder a), van de ontwerp-arbitrageovereenkomst, zoals voorgesteld door de Ombudsman, niet specificeerde welk soort onderwijsinstelling de kinderen van klager bijwoonden en dat dit gebrek aan informatie de arbiters zou beletten zich uit te spreken over het belangrijkste punt van onenigheid met klager.
In een poging om voor alle betrokken partijen tot een bevredigende conclusie te komen, en onverminderd het bovenstaande, heeft de Commissie echter de volgende formulering van het desbetreffende punt van de arbitrageovereenkomst voorgesteld:
> " om,*rekening houdend met alle op de zaak toepasselijke rechtsgrondslagen, vast te stellen of de onderwijsinstelling waaraan de twee kinderen van \[de klager*\] op kleuterschoolniveau deelnemen,* in de zin van artikel 5, lid 5, van de tussen de partijen gesloten overeenkomst is."*
1.4 In zijn opmerkingen aanvaardde klager het voorstel van de Commissie en stelde hij drie andere kleine wijzigingen van de overeenkomst voor. De Ombudsman heeft de Commissie daarvan in kennis gesteld.
1.5 De Ombudsman merkt op dat klager zijn diensten op 22 juni 2007 heeft meegedeeld dat hij een naar behoren herziene en ondertekende arbitrageovereenkomst had ontvangen; dat de arbitrage aan de gang was en dat de beslissing diezelfde dag nog moest worden genomen. Klager was van mening dat het onderwerp van zijn klacht na de interventie van de Ombudsman was opgelost en verzocht de Ombudsman de zaak dienovereenkomstig af te sluiten.
1.6 Gezien het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de Commissie de zaak heeft geregeld en klager daarmee tevreden heeft gesteld. Daarom is verder onderzoek ter zake niet gerechtvaardigd.
**2 Conclusie**
In het licht van het voorgaande concludeert de Ombudsman dat de Commissie de zaak heeft geregeld. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
*** ** * ** ***
[(1)](#Footnote1){#(1)} Artikel 14 van de ALAT-overeenkomst van de klager verwijst naar een interne beroepsprocedure die is vastgelegd in artikel 22 van de kaderregeling en, indien van toepassing, hoofdstuk X van de specifieke arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op plaatselijk personeel dat in Tanzania werkzaam is.
[(2)](#Footnote2){#(2)} Artikel 14, eerste alinea, bepaalt: "*De partijen verklaren hierbij uitdrukkelijk dat elk geschil dat tussen hen ontstaat met betrekking tot de interpretatie of uitvoering van dit contract zal worden doorverwezen naar een arbitrage-instantie.* " De derde alinea voorziet in de oprichting van het arbitrage-orgaan. De vierde alinea luidt als volgt: "*(...) De bevoegdheden van de arbiters duren drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de overeenkomst om arbitrage te verzoeken. (...)*".