Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman over klacht 183/2006/MF tegen Europol
Besluiten
Zaak 183/2006/MF - Geopend op Maandag | 06 maart 2006 - Besluit over Woensdag | 21 februari 2007
Klager verzocht de Franse Commissie voor gegevensbescherming ("CNIL") na te gaan of haar gegevens door Europol waren opgeslagen. De CNIL heeft de brief doorgestuurd naar Europol, dat klager ervan in kennis heeft gesteld dat bij Europol geen persoonsgegevens over haar waren opgeslagen waartoe zij overeenkomstig artikel 19, lid 1, van de Europol-overeenkomst in combinatie met de toepasselijke Franse wetgeving toegang had. Het comité van beroep heeft het besluit van Europol bevestigd.
In haar klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat Europol ten onrechte had geweigerd informatie te verstrekken over haar gegevens en haar toegang tot deze gegevens te verlenen. Volgens haar vormde dit machtsmisbruik. Klager voerde verder aan dat Europol haar beroep bij het comité van beroep niet zorgvuldig had behandeld omdat de Franse vertaling van haar antwoord aan een andere rekwirant was gericht.
De directeur van Europol deelde de Ombudsman mee dat de brief van de Ombudsman waarin Europol werd verzocht advies uit te brengen over de klacht, was doorgestuurd naar het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol ("GCO").
In zijn brief aan de Ombudsman verklaarde het gemeenschappelijk controleorgaan dat het besluit van de commissie van beroep bindend was voor alle betrokken partijen. Artikel 195, lid 1, van het EG-Verdrag bepaalt dat de Ombudsman onderzoek verricht naar mogelijke gevallen van wanbeheer, tenzij tegen de vermeende feiten een gerechtelijke procedure loopt of is aangespannen. Aangezien het comité van beroep moest worden beschouwd als een onafhankelijk comité dat particulieren de mogelijkheid bood beroep in te stellen tegen de besluiten van Europol, ging het GCO ervan uit dat deze uitzondering in casu van toepassing was. Wat betreft het vermeende verzuim om het beroep van klager zorgvuldig te behandelen, verklaarde het JSB dat twee beslissingen in twee verschillende zaken door het comité van beroep waren vastgesteld en dat de eerste bladzijde van de Franse vertaling van de beslissing op het beroep van klager per ongeluk was vervangen door de eerste bladzijde van de Franse vertaling van de andere beslissing. Het JSB benadrukte dat dergelijke fouten zich niet mogen voordoen en voegde eraan toe dat het klager zijn excuses voor deze fout zou toesturen.
In zijn besluit wees de Ombudsman erop dat de relevante uitzondering van artikel 195, lid 1, alleen van toepassing was wanneer een zaak was behandeld door of aanhangig was bij een rechtbank en dat deze interpretatie werd bevestigd door artikel 1, lid 3, van zijn Statuut. De Ombudsman merkte op dat hij er niet van overtuigd was dat het comité van beroep moest worden beschouwd als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 195 van het EG-Verdrag en dat het feit dat het een bepaalde zaak had onderzocht hem derhalve moest beletten een onderzoek in te stellen. Hij was echter van mening dat hij in casu geen definitief standpunt over deze kwestie hoefde in te nemen. De Ombudsman merkte in dit verband op dat klager geen concrete informatie had verstrekt ter ondersteuning van haar bewering dat het besluit van Europol onjuist en onrechtmatig was. Evenmin heeft een zorgvuldig onderzoek van het besluit van het comité van beroep informatie opgeleverd die twijfels doet rijzen over het besluit van Europol. Gezien deze omstandigheden was de Ombudsman van oordeel dat er geen redenen leken te zijn om zijn onderzoek naar de eerste bewering van klager voort te zetten.
Wat betreft het vermeende verzuim om het beroep van klager zorgvuldig te behandelen, merkte de Ombudsman op dat het JSB zich bij klager had verontschuldigd voor de fout die zich had voorgedaan. De Ombudsman was derhalve van mening dat er ook geen redenen waren om zijn onderzoek naar dit aspect van de zaak voort te zetten.
Straatsburg, 21 februari 2007
Geachte heer X,
Op 12 december 2005 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen Europol over een verzoek om toegang tot uw gegevens. Op 21 januari 2006 heeft u mij aanvullende documenten met betrekking tot uw klacht toegezonden.
Op 6 maart 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de directeur van Europol. Op 20 maart 2006 heeft de directeur van Europol mij meegedeeld dat mijn brief van 6 maart 2006 was doorgestuurd naar het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol. Het gemeenschappelijk controleorgaan heeft mij op 3 mei 2006 de Engelse versie van zijn advies en op 30 mei 2006 de Franse vertaling toegezonden.
Op 9 juni 2006 heeft u mij nog een brief gestuurd met betrekking tot uw klacht. Op 19 juni 2006 heb ik u het advies van het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol toegezonden met een verzoek om opmerkingen te maken, dat u op 7 juli 2006 hebt toegezonden. Op 17 september 2006 heeft u mij nog een brief gestuurd met betrekking tot uw klacht.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Volgens de klager zijn de relevante feiten, samengevat, als volgt:
Op 10 januari 2004 heeft klager een brief gericht aan de Franse Commissie voor gegevensbescherming (CNIL), waarin hij haar verzocht na te gaan of de hem betreffende gegevens door Europol waren opgeslagen. Op 26 februari 2004 heeft de CNIL de brief aan Europol doorgezonden.
Bij brief van 14 juni 2004 heeft Europol klager meegedeeld dat het zijn dossiers had gecontroleerd en dat Europol geen gegevens over hem bezat waartoe hij overeenkomstig artikel 19, lid 1, van de Europol-overeenkomst in combinatie met de toepasselijke wetgeving van Frankrijk toegang had.
Op 4 juli 2004 heeft klager beroep ingesteld tegen het besluit van Europol van 14 juni 2004.
Bij besluit van 12 december 2005 heeft het comité van beroep van het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol het besluit van Europol van 14 juni 2004 bevestigd. Het comité van beroep verwees met name naar artikel 9, lid 2, van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van natuurlijke personen in verband met de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat voorziet in drie uitzonderingen op het recht van toegang. Voorts heeft zij erop gewezen dat het recht van toegang krachtens artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst moet worden uitgeoefend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het recht werd ingeroepen, in casu Frankrijk. Het comité van beroep was van oordeel dat het besluit van 14 juni 2004 was genomen in overeenstemming met artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst, gelet op de wetgeving en de praktijk in Frankrijk met betrekking tot het recht van toegang met betrekking tot door Europol verwerkte gegevens.
In zijn klacht bij de Europese Ombudsman voerde klager aan dat geen van de drie uitzonderingen van artikel 9, lid 2, van de Overeenkomst van de Raad van Europa van 28 januari 1981, waarop Europol zijn besluit had gebaseerd, op zijn zaak van toepassing was. Hij verklaarde dat de interpretatie van dit artikel door Europol machtsmisbruik vormde. Klager verklaarde voorts dat hij reeds contact had opgenomen met de CNIL en andere relevante Franse autoriteiten en dat zij hadden geweigerd informatie over hem betreffende gegevens te verstrekken.
Op 21 januari 2006 zond klager de Ombudsman een nieuwe brief met betrekking tot zijn klacht. In deze brief voerde hij voorts aan dat Europol zijn beroep bij het comité van beroep van 4 juli 2004 niet naar behoren had behandeld omdat de Franse vertaling van zijn repliek betrekking had op een andere rekwirant.
Op basis van de klacht en de aanvullende brief van klager van 21 januari 2006 bleek dat klager de volgende beweringen had ingediend:
- Europol heeft ten onrechte geweigerd informatie te verstrekken over gegevens met betrekking tot klager en hem toegang tot deze gegevens te verlenen. Dat was machtsmisbruik.
- Europol heeft het beroep van klager van 4 juli 2004 bij het comité van beroep niet zorgvuldig behandeld omdat de Franse vertaling van zijn antwoord aan een andere rekwirant was gericht.
Klager voerde aan dat hem toegang moest worden verleend tot gegevens over hem die in het bezit zijn van Europol en de nationale autoriteiten.
Het onderzoek
De aanpak van de OmbudsmanDe Ombudsman besloot een onderzoek in te stellen naar de zaak van klager. De Ombudsman deelde klager echter mee dat hij had besloten hem niet-ontvankelijk te verklaren en sloot overeenkomstig artikel 2, lid 1, van zijn Statuut zijn verzoek af om toegang tot de hem betreffende data die in het bezit waren van nationale autoriteiten, omdat dit aspect van de zaak niet gericht was tot een communautaire instelling of een communautair orgaan.
Aangezien klager er in zijn klacht op had gewezen dat hij met betrekking tot deze kwestie reeds contact had opgenomen met de CNIL en andere relevante Franse autoriteiten, werd klager geadviseerd de zaak voor te leggen aan de Franse nationale ombudsman.
De Ombudsman heeft de klacht doorgestuurd naar Europol en Europol om advies gevraagd.
Brief van de directeur van Europol van 20 maart 2006 aan de OmbudsmanOp 20 maart 2006 deelde de directeur van Europol de Ombudsman mee dat, aangezien "klager vraagtekens plaatste bij de bevindingen en de behandeling door het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol van zijn beroep tegen een besluit van Europol betreffende zijn recht op toegang tot gegevens die op hem betrekking hebben en mogelijk door Europol zijn opgeslagen" en dat "het gemeenschappelijk controleorgaan, overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de Europol-overeenkomst, onafhankelijk was van Europol", de brief van de Ombudsman van 6 maart 2006 met het verzoek om advies over de klacht aan het gemeenschappelijk controleorgaan was toegezonden.
Advies van het JSBHet advies van het gemeenschappelijk controleorgaan over de klacht luidde, kort samengevat, als volgt:
Algemene opmerkingen over de toezending van de brief van de Ombudsman van 6 maart 2006 aan het gemeenschappelijk controleorgaan en over de status van het comité van beroepMet de oprichting van Europol is een Europees platform voor de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens opgericht. In het licht hiervan wordt in een van de overwegingen van de Europol-overeenkomst vermeld dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de rechten van natuurlijke personen, en met name aan de bescherming van hun persoonsgegevens. Daarom wordt in artikel 14 van de Europol-overeenkomst verwezen naar een gegevensbeschermingsnorm die overeenstemt met de beginselen van de Overeenkomst van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van natuurlijke personen in verband met de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ("Verdrag 108") en met Aanbeveling nr. R (87) van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1985 ("Aanbeveling 87"), die het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied regelt. Rekening houdend met deze beginselen is in de Europol-overeenkomst een specifieke gegevensbeschermingsregeling voor Europol ingevoerd.
Overeenkomstig deze beginselen inzake gegevensbescherming is bij artikel 24 van de Europol-overeenkomst het gemeenschappelijk controleorgaan opgericht als onafhankelijk controleorgaan, dat tot taak heeft de activiteiten van Europol te evalueren om ervoor te zorgen dat de rechten van het individu niet worden geschonden door de verwerking van persoonsgegevens waarover het beschikt. Deze rechten worden gespecificeerd in de Europol-overeenkomst en meer in het bijzonder in artikel 19, dat betrekking heeft op het recht op toegang tot en controle van gegevens door Europol, en in artikel 20, lid 4, dat betrekking heeft op het recht op rectificatie of verwijdering van gegevens.
Met het oog op de bescherming van de rechten van personen heeft de Europol-overeenkomst personen ook het recht verleend om het gemeenschappelijk controleorgaan te verzoeken ervoor te zorgen dat de wijze waarop Europol met persoonsgegevens omgaat, rechtmatig en nauwkeurig is.
Het GCO had zijn reglement van orde vastgesteld, dat overeenkomstig artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst door de Raad met eenparigheid van stemmen was goedgekeurd.
Zowel verdrag 108 als aanbeveling 87 voorzagen in een rechtsmiddel ingeval niet aan het verzoek van een persoon werd voldaan. In beginsel 6.6 van aanbeveling 87 wordt specifiek melding gemaakt van het recht om beroep in te stellen bij een toezichthoudende autoriteit. Aangezien de Europol-overeenkomst particulieren niet de mogelijkheid biedt om hun zaak voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, en teneinde de betrokkene een juridische procedure te bieden om beroep in te stellen tegen de besluiten van Europol, draagt artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst het gemeenschappelijk controleorgaan op om een speciaal comité in te stellen. Dit is de beroepscommissie van het JSB.
Personen kunnen bij het comité van beroep van het gemeenschappelijk controleorgaan beroep instellen tegen een besluit van Europol over een verzoek a) om toegang tot gegevens, b) om controle van deze gegevens of c) om correctie of verwijdering. Overeenkomstig artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst zijn de besluiten van het comité van beroep definitief voor alle betrokken partijen.
De Europol-overeenkomst en de specifieke bepalingen van het reglement van orde creëren dus duidelijk een onafhankelijke en specifieke wettelijke bepaling op grond waarvan de betrokkene beroep kan instellen tegen Europol-besluiten.
Om de onafhankelijke status van het comité van beroep te onderstrepen, had de Raad, toen hij het reglement van orde met eenparigheid van stemmen goedkeurde, een verklaring betreffende de samenstelling van het comité van beroep aangenomen.
Opmerkingen over de beweringen en beweringen van de klagerWat de eerste bewering van klager betreft, heeft klager, na het besluit van Europol op zijn verzoek te hebben ontvangen om na te gaan of zijn gegevens door Europol waren opgeslagen, beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het comité van beroep geconcludeerd dat het besluit van Europol was genomen met inachtneming van artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst. Dit besluit was bindend voor alle betrokken partijen.
Aangezien het comité van beroep moest worden beschouwd als een onafhankelijk comité dat particulieren een rechtsmiddel tegen de besluiten van Europol verschafte, ging het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol ervan uit dat de "uitzondering van artikel 195, tweede zin"(1) van het EG-Verdrag van toepassing was op de gerechtelijke procedures in het comité van beroep in zijn gerechtelijke rol.
Wat de tweede bewering van klager betreft, had het comité van beroep op 12 december 2005 twee beslissingen in twee verschillende zaken genomen. Uit de bijlagen bij de klacht bleek dat de eerste bladzijde van de Franse vertaling van de beslissing op het beroep van klager per ongeluk was vervangen door de eerste bladzijde van de Franse vertaling in de andere beslissing. Hoewel de werkprocedures in het secretariaat erop gericht waren de gerechtelijke procedures en beslissingen van de commissie van beroep zeer zorgvuldig te behandelen, was er blijkbaar een fout gemaakt. Een raadpleging van het voor de administratieve procedures verantwoordelijke secretariaat voor gegevensbescherming bood geen andere verklaring voor deze betreurenswaardige, menselijke fout. Het was duidelijk dat een dergelijke fout niet mocht plaatsvinden en het JSB zou klager zijn excuses voor deze fout sturen.
Brief van klager van 9 juni 2006Bij brief van 9 juni 2006 deelde klager de Ombudsman mee dat hij na zijn tussenkomst een verontschuldiging van het JSB had ontvangen met betrekking tot de fout met betrekking tot zijn naam in het besluit van de commissie van beroep. Hij heeft de desbetreffende brief van het gemeenschappelijk controleorgaan van 29 mei 2006 bijgevoegd.
Opmerkingen van klagerIn zijn op 7 juli 2006 ingediende opmerkingen over het advies van het JSB handhaafde klager zijn klacht. Hij stelde ook dat er sprake was van schending van de grondrechten omdat de beslissingen van de commissie van beroep bindend waren voor alle betrokken partijen. Klager wees er verder op dat het advies van het JSB juridisch gezien onregelmatig was omdat de bladzijden ervan niet genummerd waren en omdat de laatste bladzijde niet was ondertekend.
BESLUIT
1 De reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman1.1 Op 10 januari 2004 zond klager een brief aan de Franse Commissie voor gegevensbescherming ("CNIL") waarin hij haar verzocht na te gaan of de hem betreffende gegevens door Europol waren opgeslagen. Op 26 februari 2004 heeft de CNIL de brief aan Europol doorgezonden. Bij brief van 14 juni 2004 heeft Europol klager meegedeeld dat het zijn dossiers had gecontroleerd en dat bij Europol geen gegevens over hem werden behandeld waartoe hij overeenkomstig artikel 19, lid 1, van de Europol-overeenkomst in combinatie met de toepasselijke wetgeving van Frankrijk toegang had. Op 4 juli 2004 heeft klager beroep ingesteld tegen het besluit van Europol van 14 juni 2004. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het comité van beroep het besluit van Europol van 14 juni 2004 bevestigd. In zijn daaropvolgende klacht bij de Ombudsman en zijn verdere brief van 21 januari 2006 beweerde klager dat Europol ten onrechte had geweigerd informatie te verstrekken over gegevens die op hem betrekking hadden en hem toegang tot deze gegevens te verlenen. Volgens klager vormde dit machtsmisbruik. Klager voerde verder aan dat Europol zijn beroep van 4 juli 2004 bij het comité van beroep niet zorgvuldig had behandeld omdat de Franse vertaling van zijn antwoord aan een andere rekwirant was gericht. Klager voerde aan dat hem toegang moest worden verleend tot gegevens over hem die in het bezit waren van Europol en de nationale autoriteiten.
1.2 In zijn antwoord van 6 maart 2006 deelde de Ombudsman klager mee dat hij had besloten de zaak niet-ontvankelijk te verklaren en, op grond van artikel 2, lid 1, van zijn Statuut, zijn verzoek om toegang tot gegevens over hem die in het bezit zijn van nationale autoriteiten af te sluiten, omdat dit aspect van de zaak niet gericht was tot een Europese instelling of een Europees orgaan.
1.3 Het onderhavige besluit heeft derhalve alleen betrekking op de aantijgingen en vorderingen van klager jegens Europol.
1.4 Aangezien de klacht aanvankelijk tegen Europol was gericht, heeft de Ombudsman deze doorgestuurd naar de directeur van Europol en Europol verzocht hierover advies uit te brengen. Op 20 maart 2006 deelde de directeur van Europol de Ombudsman echter mee dat, aangezien "klager vraagtekens plaatste bij de bevindingen en de behandeling door het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol van zijn beroep tegen een besluit van Europol betreffende zijn recht op toegang tot gegevens die op hem betrekking hebben en mogelijk door Europol zijn opgeslagen" en dat "het gemeenschappelijk controleorgaan, overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de Europol-overeenkomst, onafhankelijk was van Europol", de brief van de Ombudsman van 6 maart 2006 met het verzoek om advies over de klacht was toegezonden aan het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol.
1.5 Uit het bovenstaande blijkt dat Europol stelt dat zowel het gemeenschappelijk controleorgaan als het comité van beroep daarvan onafhankelijk zijn. De Ombudsman is van mening dat deze beoordeling juist lijkt, aangezien artikel 24, lid 1, van de Europol-overeenkomst het volgende bepaalt: "Er wordt een onafhankelijk gemeenschappelijk controleorgaan opgericht, dat tot taak heeft de activiteiten van Europol overeenkomstig deze overeenkomst te evalueren om ervoor te zorgen dat de rechten van het individu niet worden geschonden door de opslag, de verwerking en het gebruik van de gegevens waarover Europol beschikt. (...) Bij de uitoefening van hun taken ontvangen de leden van het gemeenschappelijk controleorgaan geen instructies van enig ander orgaan". Aangezien overeenkomstig artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst het comité van beroep is opgericht door het gemeenschappelijk controleorgaan, moet dit comité ook als onafhankelijk van Europol worden beschouwd.
1.6 De Ombudsman is echter van mening dat het feit dat een orgaan onafhankelijk is ten opzichte van een ander orgaan niet noodzakelijkerwijs betekent dat het moet worden beschouwd als een afzonderlijk communautair orgaan in de zin van artikel 195 van het EG-Verdrag. Zo heeft de Ombudsman vaak te maken met klachten over aanwervingsprocedures die door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) worden behandeld. Hoewel jury's een belangrijke rol spelen in dergelijke aanwervingsprocedures en hoewel deze jury's, binnen het kader van hun verantwoordelijkheden, onafhankelijk zijn van EPSO, heeft de Ombudsman zich altijd op het standpunt gesteld dat in dergelijke gevallen EPSO de klagende partij is, en niet de betrokken jury. De Ombudsman is echter van mening dat in het onderhavige geval niet hoeft te worden beslist of het gemeenschappelijk controleorgaan (of het comité van beroep) voor de toepassing van artikel 195 van het EG-Verdrag moet worden beschouwd als communautaire organen die moeten worden onderscheiden van Europol.
1.7 De Ombudsman merkt op dat de eerste bewering van klager betrekking heeft op een besluit van Europol. Hoewel het desbetreffende besluit door het comité van beroep is bevestigd, lijkt het duidelijk dat de eerste grief betrekking heeft op het besluit van Europol en niet op het besluit van het comité van beroep. De Ombudsman acht het derhalve passend te oordelen dat het onderzoek naar deze bewering betrekking heeft op Europol en dat het onderhavige besluit tot Europol moet worden gericht. De mogelijke relevantie van de beslissing van de commissie van beroep in dit verband zal in punt 2 hieronder worden besproken.
1.8 De Ombudsman merkt op dat de tweede bewering van klager ook gericht is tegen Europol. Er zij echter op gewezen dat deze bewering betrekking heeft op de wijze waarop een beslissing van de commissie van beroep onder de aandacht van klager is gebracht. In werkelijkheid moet deze bewering dus worden opgevat als gericht tegen de commissie van beroep.
1.9 De Ombudsman merkt echter op dat het JSB in zijn advies uitlegde dat het comité van beroep op 12 december 2005 twee besluiten in twee verschillende zaken had vastgesteld en dat de eerste bladzijde van de Franse vertaling van de beslissing op het beroep van klagers per ongeluk was vervangen door de eerste bladzijde van de Franse vertaling in de andere beslissing. Het GCO concludeerde dat, hoewel de werkprocedures in zijn secretariaat gericht waren op een zeer zorgvuldige behandeling van de gerechtelijke procedures en beslissingen van de commissie van beroep, er kennelijk een fout was gemaakt. Zij voegt daaraan toe dat een raadpleging van het voor de administratieve procedures verantwoordelijke secretariaat voor gegevensbescherming geen andere verklaring heeft gegeven voor deze betreurenswaardige menselijke fout. Het JSB benadrukte dat dergelijke fouten zich niet mogen voordoen en voegde eraan toe dat het klager zijn excuses voor deze fout zou toesturen. De Ombudsman merkt op dat het JSB in zijn brief aan klager van 29 mei 2006 inderdaad zijn excuses heeft aangeboden voor de gemaakte fout.
1.10 In het licht van deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat, zelfs indien het gemeenschappelijk controleorgaan of het comité van beroep zou worden beschouwd als een communautair orgaan en zou worden onderscheiden van Europol in de zin van artikel 195 van het EG-Verdrag, er hoe dan ook geen redenen zouden zijn om zijn onderzoek naar dit aspect van de zaak voort te zetten.
1.11 De Ombudsman merkt voorts op dat klager in zijn opmerkingen aanvoerde dat het advies van het JSB juridisch gezien onregelmatig was omdat de bladzijden niet genummerd waren en de laatste bladzijde niet was ondertekend.
1.12 In dit verband moet worden opgemerkt dat het GCO zijn advies eerst in het Engels aan de Ombudsman had toegezonden en vervolgens een vertaling in het Frans (de procestaal) had verstrekt. Het was deze vertaling die door de Ombudsman aan klager was doorgestuurd. Aangezien de betrokken tekst een vertaling van het Engelse origineel vormde, hoefde deze niet te worden ondertekend. Het Engelse origineel van het advies van het JSB was naar behoren ondertekend. Een kopie van dit origineel is bijgevoegd ter informatie van de klager. Wat de presentatie van het advies van het GCO betreft, is de Ombudsman van mening dat het nuttig zou zijn geweest paginanummers toe te voegen. De Ombudsman acht het echter duidelijk dat hun afwezigheid het advies niet ongeldig maakt.
2 Wat betreft de behandeling door Europol van het verzoek van klager om hem informatie te verstrekken over gegevens die op hem betrekking hebben en hem toegang te verlenen tot deze gegevens2.1 In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat Europol ten onrechte had geweigerd informatie over hem betreffende gegevens te verstrekken en hem toegang tot deze gegevens te verlenen. Volgens klager vormde dit machtsmisbruik.
2.2 Volgens het JSB heeft klager, na het besluit van Europol op zijn verzoek te hebben ontvangen om na te gaan of de hem betreffende gegevens door Europol waren opgeslagen, tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het comité van beroep geconcludeerd dat het besluit van Europol was genomen met inachtneming van artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst. Volgens het JSB was de beslissing van de beroepscommissie bindend voor alle betrokken partijen. Aangezien het comité van beroep moest worden beschouwd als een onafhankelijk comité dat particulieren de mogelijkheid bood beroep in te stellen tegen de besluiten van Europol, ging het gemeenschappelijk controleorgaan ervan uit dat de " uitzondering van artikel 195, tweede zin"(2) van het EG-Verdrag van toepassing was op de gerechtelijke procedures in het comité van beroep in zijn gerechtelijke rol.
2.3 In zijn opmerkingen over het advies van het JSB voerde klager verder aan dat er sprake was van een schending van de grondrechten omdat de beslissingen van het comité van beroep bindend waren voor alle betrokken partijen.
2.4 De Ombudsman herinnert eraan dat artikel 195, lid 1, van het EG-Verdrag als volgt luidt:
"1. Het Europees Parlement wijst een ombudsman aan die bevoegd is klachten te ontvangen (...) over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg in hun gerechtelijke rol.
Overeenkomstig zijn taken verricht de Ombudsman onderzoeken die hij gegrond acht, hetzij op eigen initiatief, hetzij op basis van klachten die rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement bij hem zijn ingediend, tenzij tegen de vermeende feiten een gerechtelijke procedure loopt of is gevoerd. (…)".
2.5 De Ombudsman is van mening dat de uitzondering van artikel 195, lid 1, eerste alinea, op grond waarvan de Ombudsman een zaak niet mag onderzoeken wanneer de relevante feiten het voorwerp zijn of zijn geweest van een "gerechtelijke procedure", alleen van toepassing is wanneer een zaak aanhangig was of is bij een rechtbank. Deze interpretatie wordt bevestigd door artikel 1, lid 3, van het Statuut van de Ombudsman, dat bepaalt dat "[d]e Ombudsman [...] niet [mag] interveniëren in zaken voor rechtbanken of de gegrondheid van een uitspraak van een rechtbank in twijfel [mag] trekken".
2.6 De Ombudsman heeft de Europol-overeenkomst en het reglement van orde van het gemeenschappelijk controleorgaan (3), en met name het reglement van orde van het comité van beroep, zorgvuldig bestudeerd. Uit deze regels blijkt dat het comité van beroep is opgezet als een onafhankelijk controlemechanisme om burgers op het betrokken gebied een rechtsmiddel tegen Europol te bieden. Voorts lijkt het erop dat de bepalingen betreffende het comité van beroep tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn met die welke gewoonlijk voorkomen in de regels die van toepassing zijn op een rechterlijke instantie. De Ombudsman is er echter niet van overtuigd dat het comité van beroep moet worden beschouwd als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 195 van het EG-Verdrag en dat het feit dat het een bepaalde zaak heeft onderzocht, de Ombudsman derhalve moet beletten een onderzoek in te stellen. In dit verband merkt de Ombudsman met name op dat in artikel 25, lid 1, van het reglement van orde van het GCO is bepaald dat een vergadering van het comité van beroep slechts van kracht is indien vier vijfde van zijn leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn. Het lijkt er dus op dat beslissingen van het comité van beroep kunnen worden genomen, ook al zijn sommige van zijn leden afwezig. Voorts bepaalt artikel 12, lid 3, van dit reglement dat een lid van het comité van beroep dat een vergadering niet kan bijwonen, zich door zijn plaatsvervanger kan laten vertegenwoordigen. Het lijkt er dus op dat de feitelijke samenstelling van het orgaan dat een bepaald beroep behandelt, van meet af aan niet duidelijk is vastgesteld.
In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat het feit dat het comité van beroep het desbetreffende besluit van Europol reeds heeft onderzocht, hem niet verplicht zijn onderzoek af te sluiten op grond van de uitzondering betreffende gerechtelijke procedures in artikel 195, lid 1, tweede alinea, van het EG-Verdrag.
2.7 De Ombudsman merkt op dat het JSB in zijn advies heeft benadrukt dat de besluiten van het comité van beroep bindend zijn voor alle betrokken partijen. Dit argument is gebaseerd op artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst (4), waarin is bepaald dat het gemeenschappelijk controleorgaan (…) intern een comité instelt dat bestaat uit één gekwalificeerde vertegenwoordiger van elke lidstaat met stemrecht. Het comité heeft tot taak de in artikel 19, lid 7, en artikel 20, lid 4, bedoelde beroepen met alle passende middelen te onderzoeken. Indien zij daarom verzoeken, worden de partijen, desgewenst bijgestaan door hun adviseurs, door het comité gehoord. De in dit verband genomen besluiten zijn definitief voor alle betrokken partijen"(cursivering van mij).
2.8 De Ombudsman is van mening dat deze laatste zin bedoeld lijkt te zijn om ervoor te zorgen dat een besluit van het comité van beroep over een beroep tegen een besluit van Europol betreffende de toegang tot gegevens of informatie met betrekking tot dergelijke gegevens definitief is en door geen enkele andere autoriteit ter discussie kan worden gesteld. Daarom zou kunnen worden betoogd dat dit ook geldt voor de Ombudsman en dat deze niet het recht mag hebben om een onderzoek in te stellen of voort te zetten naar aanleiding van een klacht die bij Europol is ingediend, zodra de commissie van beroep de desbetreffende kwestie heeft behandeld. Ter ondersteuning van een dergelijke uitlegging zou met name kunnen worden verwezen naar het feit dat de Europol-overeenkomst een internationaal verdrag is dat in 1995 door de lidstaten van de Unie is gesloten, dat wil zeggen dezelfde verdragsluitende partijen die ook het EG-Verdrag hebben ingesteld. Anderzijds was de aanneming (en ratificatie) van een dergelijk verdrag voorzien in artikel 34, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU"). Deze bepaling maakt deel uit van titel VI van het VEU. In artikel 41 van het VEU is echter bepaald dat artikel 195 van het EG-Verdrag "van toepassing is op de bepalingen betreffende de in deze titel genoemde gebieden". In het licht van deze bepaling lijkt het nogal twijfelachtig of artikel 24, lid 7, van de Europol-overeenkomst inderdaad het mandaat van de Ombudsman op de hierboven beschreven wijze zou kunnen beperken.
2.9 De Ombudsman is echter van mening dat hij in de onderhavige zaak geen definitief standpunt over deze kwestie hoeft in te nemen. Volgens de Ombudsman hoeft deze kwestie alleen te worden opgelost als er tastbare aanwijzingen zijn die wijzen op de mogelijkheid van wanbeheer in de onderhavige zaak.
2.10 Opgemerkt zij dat in het besluit van Europol het volgende is bepaald: "Overeenkomstig de procedure van de Europol-overeenkomst en de toepasselijke nationale wetgeving van Frankrijk deel ik u mede dat op uw verzoek de Europol-bestanden zijn gecontroleerd. Overeenkomstig artikel 19 van de Europol-overeenkomst in combinatie met de toepasselijke wetgeving van Frankrijk deel ik u mee dat er bij Europol geen gegevens over u worden verwerkt waartoe u overeenkomstig artikel 19 van de Europol-overeenkomst toegang hebt". In zijn besluit heeft het comité van beroep verklaard dat "[i]n het licht van de wetgeving en de praktijk in Frankrijk met betrekking tot het recht van toegang met betrekking tot door Europol verwerkte gegevens en in het licht van artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst, het besluit van Europol op verzoek van [klager] in overeenstemming is met artikel 19, lid 3, van de Europol-overeenkomst." De redenering die zowel door Europol zelf als door het comité van beroep is gevolgd, is dus tamelijk beknopt. De Ombudsman is echter van mening dat dit feit als zodanig niet verwonderlijk is, aangezien Europol en het comité van beroep anders feiten hadden moeten onthullen die volgens hen niet openbaar konden worden gemaakt.
2.11 De Ombudsman merkt echter op dat klager noch in zijn klacht noch in zijn opmerkingen concrete elementen heeft verstrekt ter staving van zijn bewering dat Europol ten onrechte of onrechtmatig heeft gehandeld toen hij, na zijn dossiers te hebben gecontroleerd, besloot dat er geen gegevens over hem waren waartoe hij overeenkomstig artikel 19, lid 1, van de Europol-overeenkomst in combinatie met de toepasselijke wetgeving van Frankrijk toegang had. Evenmin heeft een zorgvuldig onderzoek van het besluit van het comité van beroep van 12 december 2005 enig element opgeleverd dat de beslissing van Europol in twijfel zou kunnen trekken. Gezien deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat er geen redenen lijken te zijn om zijn onderzoek naar de bewering van klager voort te zetten.
2.12 In zijn opmerkingen voerde klager aan dat er sprake was van een schending van de grondrechten omdat de beslissingen van de commissie van beroep bindend waren voor alle betrokken partijen. Het is niet duidelijk of de klager aldus een nieuwe bewering wenste in te dienen. De Ombudsman merkt op dat een dergelijke bewering in feite een bepaling in de Europol-overeenkomst zou betwisten, namelijk artikel 24, lid 7, daarvan, waarin is bepaald dat de besluiten van het comité van beroep definitief zijn voor alle betrokken partijen. In dit verband zij eraan herinnerd dat de Ombudsman overeenkomstig artikel 2, lid 2, van zijn Statuut alleen klachten over wanbeheer kan behandelen. Hij is derhalve niet in staat klachten te onderzoeken die betrekking hebben op de gegrondheid van wetgeving of internationale verdragen. De Ombudsman zou derhalve niet in staat zijn om eventuele beschuldigingen die klager in dit verband zou willen aanvoeren, te behandelen.
3 Het argument van klager3.1 Klager voerde aan dat hem toegang moest worden verleend tot de hem betreffende gegevens die in het bezit waren van Europol.
3.2 Gezien het bovenstaande en zijn conclusie in punt 2.11 concludeert de Ombudsman dat geen verder onderzoek naar de bewering van klager nodig lijkt.
4 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen reden te zijn voor verder onderzoek naar deze zaak. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De directeur van Europol zal van dit besluit in kennis worden gesteld. Een afschrift van dit besluit zal ook ter informatie aan de directeur van het gemeenschappelijk controleorgaan worden toegezonden.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) De Ombudsman begrijpt dat Europol verwijst naar artikel 195, lid 1, tweede alinea, van het EG-Verdrag.
(2) De Ombudsman begrijpt dat Europol verwijst naar artikel 195, lid 1, tweede alinea, van het EG-Verdrag.
(3) Wet nr. 1/99 van het gemeenschappelijk controleorgaan van Europol van 22 april 1999 tot vaststelling van zijn reglement van orde (PB 1999, C 149-01).
(4) De Europol-overeenkomst is beschikbaar op de website van Europol (http://www.europol.eu.int/index.asp?page=legalconv).