# Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 3125/2005/BB tegen de Europese Commissie
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: null
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/3021)
---
Straatsburg, 7 april 2008   

Geachte heer D.,

In uw brief van 12 juli 2005 en in uw latere mededelingen[(1)](#(1)){#Footnote1} heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de voorlopige conclusie van de Europese Commissie met betrekking tot uw klacht die bij haar is ingediend onder referentienummer 2004/4490 over een vermeende inbreuk op Richtlijn 84/450/EEG inzake misleidende reclame[(2).](#(2)){#Footnote2}

Op 8 december 2005 heb ik de Commissie om advies gevraagd over een van de beweringen in uw klacht. Op dezelfde dag heb ik u ook op de hoogte gebracht van mijn redenen om geen onderzoek in te stellen naar uw resterende beschuldigingen.

De Commissie heeft op 18 april 2006 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 2 juli 2006 hebt toegezonden. U hebt uw opmerkingen aangevuld met aanvullende informatie op 7 juli 2006, 17 juli 2006, 19 september 2006, 2 februari 2007, 4 maart 2007, 26 maart 2007, 27 oktober 2007 en 10 november 2007 en u hebt regelmatig telefonisch contact gehad met uw zaakbehandelaar.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Mijn excuses voor de tijd die het heeft gekost om mijn onderzoek af te ronden.

Het KLACHT
----------

De klacht kan als volgt worden samengevat:

Op 3 juni 2004 diende klager een klacht in bij de Europese Commissie (klacht 2004/4490), waarin hij aanvoerde dat de Trustee Savings Bank ("TSB") in Dublin haar klanten tussen 1958 en 1993 had bedrogen door de rente op deposito's op een andere wijze te berekenen dan was geadverteerd[(3)](#(3)){#Footnote3} en derhalve in strijd was met Richtlijn 84/450/EEG van 10 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame[(4)](#(4)){#Footnote4} ("de richtlijn"). Bovendien voerde de klager aan dat de Ierse autoriteiten hun toezichthoudende taak op het gebied van het bankwezen niet hadden vervuld door deze praktijk niet te beëindigen en derhalve inbreuk hadden gemaakt op de richtlijn en met name op artikel 2, lid 2,[punt 5,](#(5)){#Footnote5} en artikel 4, lid 2, punt[6.](#(6)){#Footnote6} In dit verband verwees klager naar de beslissing van de High Court of Ireland om geen voorlopig bevel toe te kennen om misleidende reclame te stoppen.

Op 28 juni 2005 heeft de Commissie in haar voorlopige advies over klacht 2004/4490, dat aan klager was toegezonden, ten eerste aangevoerd dat zij alleen kon optreden tegen handelingen of nalatigheden die aan een lidstaat konden worden toegerekend en niet tegen het gedrag van particuliere organen en entiteiten (zoals de TSB).

Ten tweede heeft de Commissie uitgelegd dat het bankrecht van de Unie bedoeld was om de vrijheid van vestiging van kredietinstellingen en het vrij verrichten van financiële diensten in de EU te waarborgen. Volgens de Commissie heeft het EU-bankrecht slechts betrekking op bepaalde onderdelen van de bankactiviteit om de financiële soliditeit en de solvabiliteit van banken te waarborgen. Met name waren banken op grond van het EU-bankrecht vrij om de criteria voor de betaling van rente op deposito's te bepalen. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de Ierse autoriteiten op geen enkele wijze tekort zijn geschoten in hun toezichtstaken ten aanzien van de TSB, zoals vastgelegd in het EU-bankrecht.

Wat ten derde de door klager aangevoerde bepalingen van de richtlijn betreft, heeft de Commissie verklaard dat de verantwoordelijke dienst bij de Commissie eenheid A2 Juridische Zaken van haar directoraat-generaal (DG) Gezondheid en consumentenbescherming was. DG Gezondheid en consumentenbescherming is geraadpleegd en heeft het volgende advies uitgebracht over de kwestie van de klacht in kwestie:
> "In*de mededelingen van \[klager\]*werd geen melding gemaakt* van enig handelen of nalaten van de Ierse autoriteiten dat in strijd zou zijn met de bepalingen van Richtlijn 84/450/EEG. Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie niet bevoegd is om de uitkomst van een procedure voor de nationale rechter te bevestigen (...)".*

De Commissie heeft in de vierde plaats benadrukt dat het geen hof van beroep is en dat het aan het Europees Hof van Justitie staat om zich uit te spreken over vragen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht, bijvoorbeeld door middel van een verzoek om een prejudiciële beslissing op grond van artikel 234 van het EG-Verdrag van een nationale rechter in een lidstaat.

Tot slot heeft de Commissie bevestigd dat zij niet verantwoordelijk is voor de toepassing van de bepalingen van de richtlijn in individuele gevallen en dat zij niet bevoegd is om tussenbeide te komen in geschillen tussen consumenten en ondernemingen. Deze kunnen alleen worden opgelost met de rechtsmiddelen waarin het nationale recht voorziet.

Daarom deelde de Commissie klager mee dat zij zou voorstellen de zaak te sluiten en verzocht zij hem binnen een maand na ontvangst van de voorlopige conclusies verdere informatie te verstrekken.

Bij brief van 30 juni 2005 betwistte klager de juistheid van de voorlopige conclusie van de Commissie en stelde hij de Commissie in kennis van zijn voornemen om zich tot het Gerecht van eerste aanleg te wenden op grond van artikel 230 van het EG-Verdrag, indien het zijn standpunt zou handhaven om zijn klacht af te sluiten.

Bijgevolg heeft de Commissie intern overleg gepleegd. Als gevolg hiervan werd de volgende mededeling aan klager gezonden. Het relevante uittreksel luidde als volgt:
> "*(...) voor een inbreuk op Richtlijn 84/450/EEG met betrekking tot misleidende reclame moet worden aangetoond dat het nationale systeem ter bestrijding van misleidende reclame niet voldoet aan de normen van de richtlijn of dat de richtlijn anderszins onjuist in nationaal recht is omgezet. Met andere woorden, individuele gevallen van misleidende reclame kunnen alleen worden onderzocht door de bevoegde nationale autoriteiten die bij de nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijn met deze taak zijn belast. Het is niet aan de Commissie om deze nationale besluiten te herzien.*
>
> *In casu kan de beslissing van de High Court \[van* Ierland\]*om geen voorlopige maatregel toe te kennen, niet worden opgevat als een schending van artikel 4, lid 2, van de richtlijn op zich. Artikel 4, lid 2, verplicht de lidstaten om aan rechterlijke en administratieve instanties bepaalde bevoegdheden ter bestrijding van misleidende reclame toe te kennen, waaronder de bevoegdheid om de stopzetting van misleidende reclame te gelasten.*
>
> *(...) alle misleidende reclame die wordt gemaakt door particuliere entiteiten zoals de TSB of Lloyds TSB moet door de nationale autoriteiten worden onderzocht. De Commissie is in dergelijke gevallen niet bevoegd om op te treden.*
>
> *Gezien het bovenstaande zijn wij van mening dat de door u verstrekte informatie geen schending van het Gemeenschapsrecht door de Ierse autoriteiten aantoont en ons standpunt derhalve niet kan wijzigen. Wij bevestigen derhalve dat wij de Commissie zullen voorstellen uw zaak te sluiten.".*

Wat betreft het voornemen van klager om beroep in te stellen bij het Gerecht van eerste aanleg, deelde de Commissie klager mee dat zijn brieven van 28 juni 2005 en 14 juli 2005 geen beschikkingen van de Commissie vormden, maar louter mededelingen waren die hem in kennis stelden van het voorstel van zijn relevante diensten (en bedoeld waren om door het college van commissarissen te worden besproken) dat zijn klacht moest worden ingediend om de in de bovengenoemde brieven vermelde redenen.

In twee e-mails die op 18 juli 2005 aan de Commissie werden gericht, deelde klager de Commissie mee dat, hoewel de trustees van de TSB de nominale eigenaars en beheerders waren, de Bank in feite eigendom was van het Ierse ministerie van Financiën. In 2000 verkocht het ministerie van Financiën de TSB aan een bedrijf genaamd Irish Life \& Permanent. De klager voerde aan dat de Commissie de TSB ten onrechte als een particuliere entiteit heeft aangemerkt.

Op 14 november 2005 ontving klager een brief van de Commissie waarin hem werd meegedeeld dat het college van commissarissen tijdens zijn vergadering van 12 oktober 2005 had besloten zijn klacht af te sluiten.

Hij was het niet eens met dit besluit en wendde zich tot de Europese Ombudsman.

De Ombudsman stelde in de klacht ten aanzien waarvan hij besloot een onderzoek in te stellen, de volgende bewering vast:
> "Klager*beweerde dat de redenen die de Commissie aanvoerde ter ondersteuning van haar voorlopige conclusie over klacht 2004/4490 onwettig waren en in strijd met de verplichtingen van de Commissie uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag."*

Het onderzoek
-------------

In zijn brief tot inleiding van het onderzoek heeft de Ombudsman de Commissie verzocht haar advies over de bewering van de bovengenoemde klager in te dienen, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie in zaak C-387/99, *Commissie/Duitsland,* punt 42, en zaak C-494/01, *Commissie/Ierland,* punt 28[(7).](#(7)){#Footnote7} Bovendien heeft hij de Commissie verzocht opmerkingen te maken over het argument van klager van 18 juli 2005 dat de Commissie de TSB ten onrechte als een particuliere entiteit had aangemerkt.
**Advies van de Commissie**   

Samenvattend heeft de Commissie erop gewezen dat klager in zijn klacht 2004/4490, die op 3 juni 2004 is geregistreerd, heeft aangevoerd dat de TSB in Ierland zijn klanten heeft bedrogen door de rente op deposito's op een andere wijze te berekenen dan was geadverteerd. De twee grieven van klager waren de volgende: i) collusie van de Ierse autoriteiten, namelijk de Central Bank of Ireland ("CBI"), de Director of Consumers Affairs ("DCA"), het ministerie van Financiën en de High Court of Ireland, die verantwoordelijk waren voor het niet stopzetten van deze praktijk; en ii) schending van de richtlijn.

Bij brief van 28 juni 2005 heeft de Commissie klager de volgende analyse van zijn klacht meegedeeld. Wat de eerste grief betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat geen inbreuk op het Gemeenschapsrecht in de banksector kon worden vastgesteld, aangezien het EU-bankrecht slechts minimumvereisten voor het prudentieel toezicht op banken bevatte. Volgens de Commissie had het gemeenschapsrecht slechts betrekking op bepaalde onderdelen van de bankactiviteit om de financiële soliditeit en de solvabiliteit van een bank te waarborgen. De Commissie benadrukte dat alle andere aspecten van de bankactiviteit, met inbegrip van de criteria die banken hanteren voor de betaling van rente op deposito's, buiten het toepassingsgebied van het Gemeenschapsrecht vallen.

Wat de vermeende inbreuk op de richtlijn betreft, was de Commissie van oordeel dat er in de mededelingen van de klager geen aanwijzingen waren voor handelingen of nalatigheden van de Ierse autoriteiten die in strijd zouden zijn met deze richtlijn. Bovendien heeft de Commissie verklaard dat zij niet bevoegd was om het gemeenschapsrecht uit te leggen.

Met betrekking tot de verdere argumenten van klager dat het verzuim van de High Court of Ireland om een voorlopig bevel uit te vaardigen dat de TSB verbiedt misleidende reclame te publiceren, op grond dat de toekenning van schadevergoeding een passend rechtsmiddel zou zijn, een schending van de richtlijn vormde, was de Commissie van mening dat zij niet bevoegd was om nationale besluiten in individuele gevallen van vermeende misleidende reclame te herzien. De richtlijn beperkte zich tot het verlenen van bepaalde bevoegdheden aan de lidstaten om misleidende reclame te bestrijden, waaronder het gelasten van de stopzetting van de reclame, maar liet de nationale autoriteiten vrij om te beslissen of in een specifiek geval een stopzettingsbevel moest worden uitgevaardigd. Volgens de Commissie kon de schending van de richtlijn alleen worden vastgesteld indien het nationale systeem ter bestrijding van misleidende reclame niet voldeed aan de door de richtlijn vereiste normen. Volgens de Commissie had klager in dit verband geen bewijsmateriaal verstrekt. Bij brief van 14 juli 2005 hebben de bevoegde diensten van de Commissie klager in kennis gesteld van deze analyse en van hun voornemen om de afsluiting van de zaak voor te stellen. De Commissie heeft tijdens haar vergadering van 12 oktober 2005 besloten de zaak te sluiten. Klager is hiervan bij brief van 14 november 2005 in kennis gesteld.

Met betrekking tot haar besluit om al dan niet een inbreukprocedure op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag in te leiden, heeft de Commissie benadrukt dat het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft benadrukt dat de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikt en dat "*het niet aan het Hof is om te beslissen of deze beoordelingsmarge verstandig is uitgeoefend"* [(8).](#(8)){#Footnote8} De Commissie benadrukte daarom dat haar besluit om klacht 2004/4490 af te sluiten en de redenen daarvoor binnen de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie vallen op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag en derhalve volledig buiten het begrip "wanbeheer". In een geest van goede samenwerking met de Ombudsman stemde de Commissie er echter mee in de door de Ombudsman aan de orde gestelde kwesties aan te pakken.

Op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag kon de Commissie alleen nagaan of uit het dossier van klager een tekortkoming van de Ierse autoriteiten bleek die een inbreuk op het Gemeenschapsrecht had kunnen vormen. Aangezien banken volgens het bankrecht van de Unie vrij waren om de criteria voor de betaling van rente op deposito's te bepalen en de toezichthoudende autoriteiten van de banken niet verplicht waren toezicht te houden op het gedrag van banken in dit verband, kon geen mogelijke inbreuk op deze wetgeving worden vastgesteld, noch in de vorm van niet-conforme nationale bepalingen, noch in de vorm van administratieve praktijken.

Met betrekking tot het argument van klager dat de TSB ten tijde van de vermeende fraude geen particuliere entiteit was, heeft de Commissie verduidelijkt dat de TSB, voor zover zij wist, momenteel een particuliere entiteit was. Hoe dan ook was de bewering van klager dat de TSB in het verleden een publieke entiteit was, geen element dat de conclusie van de Commissie kon veranderen, die klager reeds in zijn brief van 28 juni 2005 was meegedeeld, namelijk dat er in zijn geval geen sprake was van schending van het EU-bankrecht, aangezien alle banken, ongeacht of zij in overheids- of particuliere handen zijn, vrij zijn om de criteria voor de betaling van rente te bepalen.

De Commissie merkte*op dat "\[d\]e klager zijn klacht baseerde op het feit dat de High Court in Ierland had geweigerd een bevel uit te vaardigen dat de TSB verbood misleidende reclame te gebruiken op grond van het feit dat schadevergoeding een passend rechtsmiddel vormde. " De Commissie merkte derhalve op* dat klager van mening was dat dit besluit in strijd was met artikel 4, lid 2, van de richtlijn. Aangezien deze bepaling de lidstaten verplicht bepaalde bevoegdheden toe te kennen aan rechterlijke en administratieve instanties, waaronder de bevoegdheid om de stopzetting van misleidende reclame te gelasten, concludeerde de Commissie dat er geen sprake kon zijn van een inbreuk op deze bepaling alleen omdat een instantie in een lidstaat had besloten in een individueel geval geen bevel uit te vaardigen. Bovendien bleef de Commissie erbij dat klager zich niet had beroepen op het bestaan van een "*administratieve praktijk van consistente en algemene aard*" in strijd met de richtlijn, noch waren er andere elementen in het dossier op grond waarvan hij kon concluderen dat de Ierse autoriteiten een dergelijke praktijk toepasten.

De Commissie benadrukte dat het niet haar taak is om te beslissen of een nationale bepaling is geschonden of om een standpunt in te nemen over een specifiek geschil tussen een bedrijf en een consument.

Ten slotte voerde de Commissie aan dat, aangezien het bankrecht van de Unie niet van toepassing was op de feiten in verband met de klacht, noch de door de Ombudsman aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, noch het feit dat de TSB een overheidsinstantie was, relevant was voor het onderzoek van de zaak. Bovendien was er geen bewijs van een administratieve praktijk die in strijd was met de richtlijn.
**Opmerkingen van klager**   

Klager handhaafde zijn klacht met het argument dat de Commissie zijn klacht opzettelijk verkeerd had geïnterpreteerd. Samengevat heeft klager de volgende verklaringen afgelegd. Klager benadrukte dat de Commissie overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag verplicht was het Gemeenschapsrecht te handhaven en dat het Hof van Justitie alleen had geoordeeld dat de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikte om te beslissen of zij al dan niet tot vervolging overging. Klager was derhalve van mening dat het onjuist was dat de Commissie suggereerde dat haar rol uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag buiten het kader van rechterlijke toetsing viel. De klager voerde aan dat de Commissie de TSB ten onrechte als een particuliere entiteit[beschouwde (9).](#(9)){#Footnote9}

Klager voerde voorts aan dat de Commissie de beginselen van behoorlijk bestuur en procedurele correctheid heeft geschonden door de Ierse autoriteiten niet om opmerkingen over hun gedrag te verzoeken alvorens tot een besluit te komen; en dat de Commissie het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het gewettigd vertrouwen van bedrieglijke deposanten heeft geschonden.

Klager verwees ook naar het vereiste van artikel 253 EG-Verdrag dat de motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen[(10).](#(10)){#Footnote10}

Klager voerde aan dat de Commissie in haar besluit op frauduleuze wijze de volgende feiten niet heeft vermeld:

1. De rechtbank had de TSB een boete van 1 000 IEP opgelegd wegens twee gevallen van fraude. De rechtbank heeft dus het maximumbedrag opgelegd dat zij op grond van de ernst van de overtreding mocht opleggen.
2. De TSB stopte met het bedriegen van de meeste deposanten vanaf 21 februari 1993, maar ging in beroep en trok later besluit 2004/4490 stilletjes in.
3. De TSB had de geadverteerde rente tussen 1958 en 20 februari 1993 aan een aantal deposanten betaald.

Voorts voerde hij aan dat de Commissie het volgende criterium niet heeft toegepast:

1. Had de TSB, in strijd met de richtlijn, de meeste deposanten van 1958 tot 1993 bedrogen door aan de meeste deposanten minder dan de geadverteerde rentevoet te betalen?
2. Wisten de Ierse autoriteiten, waaronder CBI, DCA en het ministerie van Financiën, van het bedrog van de TSB?
3. Was de actieve goedkeuring van CBI, DCA en het ministerie van Financiën om de meeste deposanten te bedriegen een inbreuk op de richtlijn?
4. Was een vervolging tegen Ierland in het algemeen belang en in het belang van de meeste deposanten die waren bedrogen?

Klager bekritiseerde*de laissez-faire houding* van de Commissie ten opzichte van de nationale autoriteiten die in strijd waren met artikel 226 van het EG-Verdrag, als zijnde in strijd met het doel van de richtlijn. Klager was van mening dat beschikking 2004/4490 "een*jota van moraliteit of gezond verstand" ontbrak, politiek geïnspireerd was om de TSB te beschermen tegen liquidatie en rechtens* en feitelijk geen inhoud had. Daarom was hij van mening dat de Commissie verantwoordelijk was voor misstanden en misstanden in het openbaar ambt.

De klager betoogde dat de richtlijn kan worden geïnterpreteerd in de letterlijke betekenis ervan, of "als*een onheilsregel (d.w.z. welk onheil het beoogt te stoppen)*", of op basis van de bedoeling van de richtlijn. Volgens klager heeft de Commissie de richtlijn niet uitgelegd als een ondeugdelijke regel.

BESLUIT
-------

**1 Inleidende opmerkingen**   

1.1 In de eerste plaats neemt de Europese Ombudsman nota van de verklaring van de Europese Commissie in haar advies dat "haar*besluit om klacht 2004/4490 af te sluiten en de redenen voor dit besluit binnen de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie vielen op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag en derhalve "volledig++buiten het begrip wanbeheer" vallen (cursivering van++* mij).

De Ombudsman begrijpt uit deze verklaring niet dat de Commissie de bevoegdheid van de Ombudsman wilde betwisten om de huidige en andere klachten betreffende de behandeling door de Commissie van klachten uit hoofde van artikel 226 te behandelen, en om te beoordelen of de Commissie had voldaan aan haar wettelijke verplichting om haar besluiten te motiveren. De Ombudsman acht het echter nuttig eraan te herinneren dat er volgens hem ook sprake kan zijn van wanbeheer wanneer een communautaire instelling of communautair orgaan een rechtsregel niet naleeft en dat in een rechtsstaat ++elke overheidsinstantie de wet moet uitleggen en de wet correct moet++ volgen. In dit verband heeft de Ombudsman voortdurend benadrukt dat het Hof van Justitie de hoogste autoriteit is met betrekking tot de interpretatie van het Gemeenschapsrecht.

1.2 Ten tweede merkt de Ombudsman op dat klager in zijn opmerkingen de volgende punten naar voren heeft gebracht: i) de Commissie het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het gewettigd vertrouwen van bedrieglijke deposanten heeft geschonden; en ii) op politiek niveau werd getracht de TSB te beschermen tegen liquidatie.

De Ombudsman is van mening dat een uitbreiding van de reikwijdte van zijn onderzoek tot de bovenstaande punten van klager een besluit over de oorspronkelijke klacht onnodig zou vertragen. De Ombudsman merkt bovendien op dat de aan de orde gestelde kwesties niet volledig verband houden met de reikwijdte van de oorspronkelijke klacht en herinnert eraan dat, voor zover zij nieuwe beschuldigingen kunnen vormen, artikel 2, lid 4, van zijn Statuut vereist dat een klacht "wordt*voorafgegaan door passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen en organen*". Voor zover de Ombudsman weet, lijkt klager geen contact te hebben opgenomen met de Commissie in verband met zijn nieuwe aantijgingen voordat hij zich tot de Ombudsman wendde.

De Ombudsman beperkt zijn huidige besluit derhalve tot de oorspronkelijke bewering van klager. De Ombudsman zal in zijn besluit echter verwijzen naar andere punten die klager in zijn opmerkingen naar voren heeft gebracht en die in de algemene context van de klacht niet aan de Commissie hoeven te worden voorgelegd voor haar afzonderlijke standpunten daarover. Deze punten zijn iii) dat de Commissie de beginselen van behoorlijk bestuur en procedurele correctheid heeft geschonden door de Ierse autoriteiten niet om opmerkingen over hun gedrag te verzoeken voordat zij haar besluit heeft genomen; en iv) dat zij de richtlijn verkeerd heeft uitgelegd.
**2 De vermeende onwettige redenen van de Commissie en haar schending van haar verplichting om een beschikking betreffende een klacht op grond van artikel 226 te motiveren**   

2.1 Klager diende bij de Commissie een klacht in op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag tegen Ierland wegens vermeende inbreuken op Richtlijn 84/450/EEG van 10 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame[(11)](#(11)){#Footnote11} ("de richtlijn") . De klacht is geregistreerd onder nummer 2004/4490. Klager voerde in zijn klacht bij de Commissie aan dat de Ierse autoriteiten hun toezichthoudende taak op het gebied van banken niet hadden vervuld door niet te reageren op de vermeende misleidende reclame van de TSB in Dublin. Volgens klager had deze laatste haar klanten tussen 1958 en 1993 bedrogen door de rente op deposito's op een andere wijze te berekenen dan was geadverteerd[(12).](#(12)){#Footnote12}

De Commissie kwam tot de voorlopige conclusie, kort samengevat, dat i) er geen sprake was van schending van het Gemeenschapsrecht in de banksector omdat de door banken gehanteerde criteria voor de betaling van rente op deposito's buiten de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht vielen, en ii) er in de mededelingen van klager geen melding werd gemaakt van enig handelen of nalaten van de Ierse autoriteiten dat in strijd zou zijn met de richtlijn.

De Commissie heeft de bovengenoemde redenen bij brieven van 28 mei 2005 en 14 juli 2005 aan klager meegedeeld en zijn zaak afgesloten.

In zijn klacht bij de Ombudsman voerde klager aan dat de door de Commissie ter ondersteuning van haar voorlopige conclusie over klacht 2004/4490 aangevoerde middelen onwettig waren en inbreuk maakten op de taken van de Commissie uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag.

In zijn opmerkingen heeft hij de bovenstaande bewering geconcretiseerd door te stellen dat de Commissie de beginselen van behoorlijk bestuur en "procedureel fatsoen" heeft geschonden door de Ierse autoriteiten niet om opmerkingen over hun gedrag te verzoeken alvorens tot een besluit te komen; dat zij geen bijzondere toets heeft verricht en dat zij het doel van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd en/of teniet heeft gedaan.

2.2 In haar standpunt over de klacht herhaalde de Commissie haar redenering in de eerder aan klager gestuurde brieven en handhaafde zij samenvattend dat deze juist was. Zij voegde daaraan toe dat de opmerkingen van klager over de betaling van rente op deposito's door de TSB, ongeacht of het een particuliere of een staatsbank betreft, niet binnen de werkingssfeer van het EU-bankrecht vallen[(13)](#(13)){#Footnote13} en dat het alle banken vrij staat dergelijke betalingscriteria vast te stellen. Voorts bevatte de klacht van klager bij de Commissie geen bewijs met betrekking tot een administratieve praktijk van de Ierse autoriteiten die in strijd was met de richtlijn.

2.3 Om te beginnen wijst de Ombudsman erop dat de onderhavige klacht alleen betrekking heeft op de vermeende inbreuk op de richtlijn en niet op het EU-bankrecht. Daarom zal de beoordeling van deze zaak door de Ombudsman alleen betrekking hebben op dit aspect.

2.4 Voorts onderzocht de Ombudsman de antwoorden die de Commissie in haar brieven van 28 mei 2005 en 14 juli 2005 aan klager had gegeven. Hij merkt op dat de Commissie pas in haar brief van 14 juli 2005 heeft verwezen naar de inbreuk op de richtlijn en heeft uitgelegd dat een inbreuk op deze richtlijn veronderstelt dat is aangetoond dat i) het nationale systeem ter bestrijding van misleidende reclame niet voldoet aan de normen van de richtlijn, of ii) de richtlijn anderszins onjuist in nationaal recht is omgezet. Zij voegde daaraan toe dat individuele gevallen van misleidende reclame (zoals het geval van de TSB, zoals beschreven door de klager) alleen door de bevoegde nationale autoriteiten kunnen worden onderzocht en niet door de Commissie kunnen worden getoetst. Bovendien kan de beslissing van de High Court of Ireland om geen voorlopig bevel toe te kennen, op *zich* niet worden opgevat als een schending van artikel 4, lid 2, van die richtlijn.

2.5 De Ombudsman merkt op dat het Hof van Justitie heeft benadrukt dat de richtlijn zich beperkt tot een gedeeltelijke harmonisatie van de nationale wetgevingen inzake misleidende reclame door objectieve minimumcriteria vast te stellen om te bepalen of reclame misleidend is en minimumeisen vast te stellen voor de middelen om bescherming tegen dergelijke reclame te bieden[(14).](#(14)){#Footnote14} Artikel 2, lid 2, van de richtlijn definieert "misleidende reclame" en artikel 3 bepaalt welke factoren in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of reclame misleidend is. Bovendien staat artikel 7 van de richtlijn de lidstaten toe bepalingen te handhaven of vast te stellen die een ruimere bescherming van de consument beogen dan die waarin de richtlijn voorziet[(15).](#(15)){#Footnote15} Meer in het bijzonder heeft het Hof van Justitie duidelijk benadrukt dat "\[h\]et*\[...\] aan de nationale rechterlijke instanties \[staat\] om in de omstandigheden van elk afzonderlijk geval en rekening houdend met de consumenten tot wie de reclame is gericht, na te gaan of deze misleidend kan zijn* "[(16)](#(16)){#Footnote16}.

In het licht van het bovenstaande begrijpt de Ombudsman dat de Commissie geen handhavingsbevoegdheden heeft en niet kan optreden in individuele gevallen met betrekking tot misleidende reclame. Wat voorts de beoordeling van vermeende inbreuken op de richtlijn betreft, heeft het Hof van Justitie, bij gebreke van bepalingen van gemeenschapsrecht ter zake, benadrukt dat het aan de nationale rechter staat om, in het licht van zijn eigen nationale recht, vast te stellen welk percentage van de consumenten door deze beschrijving of vermelding wordt misleid, hetgeen hem voldoende significant lijkt om een verbod op het gebruik ervan te rechtvaardigen[(17).](#(17)){#Footnote17} Om tot zijn conclusie te komen, kan de nationale rechter het noodzakelijk achten een deskundig advies of een opiniepeiling in te winnen om te verduidelijken of een reclamebenaming of -uiting al dan niet misleidend is.

De Ombudsman is van mening dat de redenering van de Commissie en derhalve haar interpretatie van de richtlijn redelijk en juridisch correct lijken. Er is dus geen sprake van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht.

2.6 Wat betreft de vermeende schending van de verplichtingen van de Commissie uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag, begrijpt de Ombudsman dat dit aspect van de klacht neerkwam op een bewering dat de Commissie klacht 2004/4490 niet heeft behandeld. De Ombudsman neemt in dit verband met name nota van de opmerkingen van klager dat de Commissie i) de Ierse autoriteiten had moeten verzoeken opmerkingen in te dienen alvorens tot een besluit te komen, en ii) een bepaalde test had moeten uitvoeren.

In dit verband merkt de Ombudsman op dat de Commissie heel goed kan besluiten een zaak te sluiten indien zij tot de conclusie komt dat er geen sprake is van schending van het Gemeenschapsrecht door een lidstaat. De Ombudsman erkent ook dat de Commissie volgens de jurisprudentie van de communautaire rechterlijke instanties, zelfs nadat zij tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een schending van het Gemeenschapsrecht, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te beslissen of het passend is een beroep tegen de lidstaat in te stellen bij het Hof dan wel of zij van mening is dat er geen communautair belang is om dit beroep in te stellen, omdat de nationale rechterlijke instanties of autoriteiten beter in staat zouden zijn de zaak te behandelen[(18)](#(18)){#Footnote18}. De Ombudsman merkt op dat de Commissie in de onderhavige zaak heeft besloten de zaak te sluiten omdat zij van oordeel was dat a) er geen sprake was van schending van het Gemeenschapsrecht door de lidstaat, b) er dus geen redenen waren om een procedure wegens schending van artikel 2, lid 2, en artikel 4, lid 2, van de richtlijn in te leiden en c) zij de klacht niet verder mocht behandelen.

In het licht van zijn bevinding in punt 2.5 is de Ombudsman van mening dat deze redenering in het onderhavige geval in overeenstemming is met de taken van de Commissie uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag en stelt hij ook geen wanbeheer vast met betrekking tot dit aspect van de klacht.

2.7 Wat ten slotte het argument van klager betreft dat het verzuim van de High Court of Ireland om een voorlopig bevel uit te vaardigen dat de TSB verbiedt zijn klanten te misleiden, een inbreuk op de richtlijn vormde, merkt de Ombudsman op dat de Commissie in het onderhavige geval heeft verklaard dat er geen sprake kon zijn van een inbreuk op de richtlijn alleen omdat een autoriteit in een lidstaat had besloten in een individueel geval geen bevel uit te vaardigen. Vervolgens heeft de Commissie, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, geconcludeerd dat klager zich niet had beroepen op het bestaan van een "*administratieve praktijk van consistente en algemene aard*" in strijd met de richtlijn, noch waren er andere elementen in het dossier op grond waarvan de Commissie had kunnen concluderen dat de Ierse autoriteiten een dergelijke praktijk toepasten.

De Ombudsman herinnert eraan dat hij in zijn eerdere besluit over klacht 480/2004/TN het argument van de Commissie heeft erkend dat het doel van de procedure van artikel 226 niet is om te dienen als aanvullend middel om beroep in te stellen tegen of beroep in te stellen tegen de uitspraken van nationale rechterlijke instanties en dat de lidstaten alleen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de rechtspraak van hun rechterlijke instanties indien wordt vastgesteld dat de niet-handhaving van het Gemeenschapsrecht een algemene praktijk is die in strijd is met het Gemeenschapsrecht[(19).](#(19)){#Footnote19} Wat dit aspect betreft, is de Ombudsman van mening dat de benadering van de Commissie met betrekking tot het gebruik van de procedure van artikel 226 redelijk is, met name in het licht van het fundamentele beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

Ook met betrekking tot dit aspect van de klacht wordt geen wanbeheer vastgesteld.
**3 Conclusie**   

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

P. Nikiforos DIAMANDOUROS

*** ** * ** ***

[(1)](#Footnote1){#(1)} e-mails aan de Ombudsman van 11, 13, 19, 24 en 29 augustus 2005; 7, 9, 13, 26 September 2005; 9 en 16 oktober 2005; 7, 15, 16 en 18 november 2005; en 5 december 2005.

[(2)](#Footnote2){#(2)} Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame , PB 1984 L 250, blz. 17.

[(3)](#Footnote3){#(3)} Volgens klager werd rente berekend over het maandelijkse minimumsaldo op de rekening; gelden, ongeacht het bedrag, kunnen tot 60 dagen op de rekening worden aangehouden, zonder enige rente te verdienen; en gelden die zijn ingediend of ingetrokken, hebben slechts 11/12e van de duidelijk geadverteerde rentevoet aangetrokken, behalve gelden die op de 21e dag van een maand zijn ingediend of ingetrokken. Klager beweerde dat hij was opgelicht voor een bedrag van 8,80 IEP.

[(4)](#Footnote4){#(4)} Zie voetnoot 2.

[(5)](#Footnote5){#(5)} In artikel 2, lid 2, van Richtlijn 84/450/EG*is bepaald dat onder "misleidende reclame" wordt verstaan elke reclame die op enigerlei wijze, met inbegrip van de presentatie ervan, de personen tot wie zij is gericht of tot wie zij zich richt, misleidt of kan misleiden en die, wegens het misleidende karakter ervan, hun economische gedrag kan beïnvloeden of die om die redenen een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen."*

[(6)](#Footnote6){#(6)} Artikel 4, lid 2, van Richtlijn 84/450/EG bepaalt:

"*2. Krachtens de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden aan de hand waarvan zij, in gevallen waarin zij deze maatregelen, rekening houdend met alle betrokken belangen en met name het algemeen belang, noodzakelijk achten:*
> *de stopzetting van misleidende reclame te gelasten of een passende gerechtelijke procedure in te leiden met het oog op de stopzetting van misleidende reclame, of*
>
> *- indien er nog geen misleidende reclame is gepubliceerd, maar de publicatie op handen is, een verbod op te leggen of een passende gerechtelijke procedure in te leiden met het oog op een verbod op een dergelijke publicatie, zelfs zonder bewijs van daadwerkelijk verlies of schade of van opzet of nalatigheid van de adverteerder. De lidstaten bepalen tevens dat de in de eerste alinea bedoelde maatregelen volgens een versnelde procedure worden genomen:*
>
> *hetzij met voorlopige, hetzij met definitieve werking, met dien verstande dat het aan elke lidstaat is om te beslissen welke van de twee te kiezen opties. Voorts kunnen de lidstaten de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden verlenen om, met het oog op de opheffing van de voortdurende gevolgen van misleidende reclame waarvan de stopzetting bij definitieve beslissing is gelast:*
>
> *- te eisen dat dit besluit geheel of gedeeltelijk en in een door hen passend geachte vorm wordt bekendgemaakt,*
>
> *- bovendien de publicatie van een correctieve verklaring te eisen."*

[(7)](#Footnote7){#(7)} Zie zaak C-387/99, *Commissie/Duitsland,* Jurispr. 2004, blz. I-3751, en zaak C-494/01, *Commissie/Ierland,* Jurispr. 2005, blz. I-3331. Deze rechtspraak verwijst naar het beginsel dat een inbreuk kan bestaan in een administratieve praktijk die in strijd is met het gemeenschapsrecht, wanneer die praktijk tot op zekere hoogte een samenhangend en algemeen karakter heeft.

[(8)](#Footnote8){#(8)} Zaak C-200/88, *Commissie/Griekenland,* Jurispr. 1990, blz. I-4299, punt 9.

[(9)](#Footnote9){#(9)} Volgens de klager was TSB weliswaar nominaal eigendom van de trustees ten behoeve van de deposanten daarin, maar was de werkelijke eigenaar ervan het ministerie van Financiën, zoals blijkt uit het feit dat het ministerie van Financiën TSB in 2000/2001 aan Irish Life \& Permanent heeft verkocht. TSB was tussen 1958 en 1993 *de *facto* en de jure* een overheidsinstantie. Ondanks het feit dat TSB een overheidsinstantie was, heeft zij de meeste deposanten tijdens bovengenoemde periode opzettelijk en kwaadwillig bedrogen, hetgeen in strijd was met de richtlijn.

[(10)](#Footnote10){#(10)} In dit verband verwees klager naar zaak T-93/02, *Confédération nationale du Crédit Mutuel/Commissie,* Jurispr. 2005, blz. II-143, punt 68 en de daarin aangehaalde rechtspraak.

[(11)](#Footnote11){#(11)} Zie voetnoot 2.

[(12)](#Footnote12){#(12)} Zie voetnoot 3.

[(13)](#Footnote13){#(13)} Volgens de Commissie is het belangrijkste rechtsinstrument op dit gebied richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126, blz. 1).

[(14)](#Footnote14){#(14)} Zie zaak C-238/89, *Pall,* Jurispr. 1990, blz. I-4827, punt 22, en zaak C-315/92, *Verband Sozialer Wettbewerb ("Clinique"),* Jurispr. 1994, blz. I-317, punt 10.

[(15)](#Footnote15){#(15)} Zie zaak C-71/02, *Karner,* Jurispr. 2004, blz. I-3025, punten 32-33.

[(16)](#Footnote16){#(16)} Zie met name zaak C-373/90, *X,* Jurispr. 1992, blz. I‑131, punten 15 en 16, en zaak C-356/04, *Lidl Belgium,* Jurispr. 2006, blz. I-8501, ,, punt 77.

[(17)](#Footnote17){#(17)} Zaak C-210/96, *Gut Springenheide en Tusky,* Jurispr. 1998, blz. I-4657, punten 35 en 36.

[(18)](#Footnote18){#(18)} Zie bijvoorbeeld de besluiten van de Ombudsman inzake klachten 962/2006/OV, 3453/2005/GG 995/98/OV, 480/2004/TN en 493/2000/ME, die te vinden zijn op de website van de Ombudsman (http://www.ombudsman.europa.eu).[](http://www.ombudsman.europa.eu)

[(19)](#Footnote19){#(19)} Zie het besluit van de Europese Ombudsman over klacht 480/2004/TN, dat te vinden is op de website van de Ombudsman ([http://www.ombudsman.europa.eu).](http://www.ombudsman.europa.eu)