# Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 140/2004/(BB)PB tegen het Europees Bureau voor fraudebestrijding
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: null
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/2070)
---
> Klager was een ambtenaar die een klacht had ingediend tegen OLAF met betrekking tot de behandeling van informatie die hij aan OLAF had verstrekt over vermoede onwettigheden bij een communautair orgaan waarvoor hij had gewerkt ("klokkenluidende" klacht). Klager beweerde onder meer dat OLAF onvoldoende informatie had verstrekt over de redelijke termijn die OLAF nodig had om het onderzoek naar zijn klacht uit te voeren. De destijds geldende bepaling bevatte de "klokkenluidende" voorwaarde dat de ambtenaar "de \[OLAF\] of de Commissie een redelijke termijn \[had\] gelaten om passende maatregelen te nemen" voordat de ambtenaar de hoofden van andere specifieke communautaire instellingen op de hoogte kon stellen van de vermeende overtredingen. Voorts werd bepaald dat "een redelijke termijn de termijn \[is\] die het Bureau of de Commissie, naar gelang van het geval, voor het verrichten van de onderzoeken noodzakelijk heeft geacht" en dat "\[d\]e ambtenaar of het personeelslid \[...\] naar behoren \[wordt\] geïnformeerd".
> 
> In zijn advies voerde OLAF in wezen aan dat deze bepaling niet aan de orde was, omdat klager niet had beweerd dat hij *nadelige gevolgen had ondervonden* van de openbaarmaking van de informatie buiten de Commissie of OLAF. Zij verklaarde ook dat, zelfs indien de bepaling van toepassing was, deze in dit geval volledig was nageleefd, aangezien klager nooit had aangegeven dat hij van mening was dat een redelijke termijn was verstreken.
> 
> De Ombudsman constateerde dat bovengenoemde bepaling bedoeld leek te zijn om de betrokken ambtenaar in staat te stellen te weten wanneer hij de informatie buiten de Commissie of OLAF kon bekendmaken zonder nadelige gevolgen te ondervinden. Volgens de Ombudsman bleek uit de bepaling niet te zijn vereist dat de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid reeds "nadelige gevolgen" had moeten ondervinden of dat de ambtenaar of het betrokken personeelslid de informatie over de "redelijke termijn" had moeten opvragen. Volgens de Ombudsman legde de bepaling OLAF duidelijk de verplichting op om de ambtenaar in alle gevallen informatie te verstrekken over de termijn waarbinnen hij verwachtte zijn onderzoek naar een "klokkenluidende" klacht af te ronden. De Ombudsman herinnerde eraan dat het Hof van Justitie de hoogste autoriteit is op het gebied van de betekenis en interpretatie van het Gemeenschapsrecht, maar maakte daarom een kritische opmerking tegen OLAF.
> 
> *Het gewijzigde Statuut (2004) bevat nu specifieke regels ter zake (titel II, "Rechten en plichten van de ambtenaren")*
> 
Straatsburg, 6 juni 2005   

Geachte heer X.,

Op 7 januari 2004 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) naar mogelijk illegale activiteiten binnen het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen ("OPOCE").

Op 11 februari 2004 heb ik de klacht doorgestuurd naar de directeur-generaal van OLAF. OLAF heeft op 7 april 2004 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 20 juni 2004 hebt toegezonden.

Op 21 oktober 2004 heb ik u meegedeeld dat ik had besloten nader onderzoek in te stellen. Op 30 november 2004 heeft OLAF op mijn verdere onderzoeken geantwoord en ik heb u zijn antwoord voor opmerkingen toegezonden. U heeft mij op 16 december 2004 uw opmerkingen toegezonden.

Op \[datum \] 2005 meldde het Publicatieblad dat u bij het Gerecht van eerste aanleg een beroep tegen de Europese Commissie had ingesteld. Uw beroep voor het Gerecht leek betrekking te hebben op een van de grieven die ik in de onderhavige zaak ter instructie had aangevoerd. Daarom heb ik u op 9 maart 2005 schriftelijk verzocht u in de gelegenheid te stellen uw mening te geven over de mogelijke betekenis van artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman[(1)](#(1)){#Footnote1} voor uw zaak. U hebt op 11 maart 2005 geantwoord.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Het KLACHT
----------

Klager was een ambtenaar die had gewerkt voor het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen ("OPOCE"), het Bureau voor publicaties van de Europese Unie. Hij klaagde tegen het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over de behandeling door OLAF van informatie die hij bij het Bureau had ingediend over vermoedelijke onwettigheden bij het Bureau voor fraudebestrijding (OPOCE).

Klager verklaarde dat hij tijdens zijn dienstverband bij het OPOCE redenen had gekregen om aan te nemen dat zijn meerderen bij het OPOCE een contract hadden behandeld dat in strijd was met de belangen van de Gemeenschappen. Op 31 juli 2002 heeft hij deze informatie per e-mail aan de directeur-generaal van OLAF verstrekt. OLAF heeft de ontvangst van deze informatie bevestigd en op 13 november 2002 een officieel onderzoek geopend.

De klacht bij de Ombudsman had betrekking op de bepalingen van Besluit C(2002) 845 van de Commissie van 4 april 2002. In dit besluit zijn de rechten en plichten vastgesteld ten aanzien van ambtenaren die voornemens zijn verslag uit te brengen over vermoedelijke overtredingen bij de Commissie (in de volksmond bekend als "klokkenluiders")[(2).](#(2)){#Footnote2}

De betwiste bepaling van dit besluit was artikel 2, dat als volgt luidde:
> *"1. Een ambtenaar of personeelslid die de in artikel 1 bedoelde informatie verder openbaar maakt buiten de Commissie of het Europees Bureau voor fraudebestrijding, ondervindt als gevolg daarvan geen nadelige gevolgen van de Commissie alleen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:*
> > *a. de ambtenaar of het personeelslid oprecht en redelijkerwijs van mening is dat de openbaar gemaakte informatie en alle daarin vervatte beweringen in wezen waarheidsgetrouw zijn;*
> >
> > *b) de ambtenaar of het personeelslid dezelfde informatie eerder aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding of de Commissie heeft verstrekt en het Bureau of de Commissie een redelijke termijn heeft gegund om passende maatregelen te nemen; en*
> >
> > *c) de openbaarmaking geschiedt aan de voorzitter van de Rekenkamer of van de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement; of de Europese Ombudsman.*
>
> *2. Voor de toepassing van lid 1, onder b), en behoudens lid 3, is een redelijke termijn de termijn die het Bureau of, in voorkomend geval, de Commissie heeft aangegeven nodig te zijn om de onderzoeken uit te voeren en, indien nodig, passende maatregelen te nemen. De ambtenaar of het personeelslid wordt hiervan naar behoren in kennis gesteld.*
>
> *3. Lid 2 is niet van toepassing wanneer de ambtenaar of het personeelslid kan aantonen dat de door het Bureau of de Commissie aangegeven termijn(en) gelet op alle omstandigheden van het geval onredelijk is (zijn)."*

Onder verwijzing naar het hierboven aangehaalde artikel 2, lid 2, verklaarde klager dat OLAF hem geen "redelijke termijn" had meegedeeld. Hij beschouwde dit als een schending van dat artikel.

Klager was voorts van mening dat OLAF zijn onderzoek niet snel genoeg had uitgevoerd. Na de opening van het onderzoek van OLAF op 13 november 2002 heeft de directeur-generaal van OLAF hem op 15 september 2003 geïnterviewd. Volgens klager heeft de directeur-generaal hem meegedeeld dat hij binnen korte tijd informatie over de zaak zou ontvangen. Aangezien klager geen verdere informatie had ontvangen, verzocht hij om in kennis te worden gesteld van hetzij een definitieve conclusie over het onderzoek van OLAF, hetzij een vastgestelde datum voor de afsluiting ervan. Hij vroeg om de informatie vóór 2 januari 2004. Aangezien klager geen antwoord op dit verzoek had ontvangen, diende hij zijn klacht in bij de Ombudsman.

Zo beweerde klager dat OLAF onnodige vertraging had opgelopen bij de behandeling van informatie die was verstrekt op grond van Besluit C (2002) 845 van de Commissie van 4 april 2002 betreffende onderzoek OF/\[referentienummer\]. Voorts beweerde hij dat er geen informatie was over de redelijke termijn die nodig was om de onderzoeken uit te voeren overeenkomstig artikel 2, lid 2, van het bovengenoemde besluit van de Commissie.

Het onderzoek
-------------

**Advies van OLAF**   

De klacht is voor advies voorgelegd aan OLAF.

In zijn advies maakte OLAF de volgende opmerkingen:

Met betrekking tot de eerste bewering van klager over vertraging merkte OLAF op dat in zijn rechtskader niet was gespecificeerd binnen welke termijn een onderzoek moest worden afgerond. Zij was van mening dat de zaak binnen een redelijke termijn was behandeld, met name in het licht van de werklast van OLAF in de betrokken periode. Zij gaf het volgende verslag van haar optreden naar aanleiding van de indiening door klager van zijn informatie over het OPOCE:

Op 18 oktober 2002 is een intern onderzoek geopend; de klager werd op 13 november 2002 geïnterviewd en in december 2002 werd relevante documentatie verzameld; tussen oktober 2002 en december 2003 werd de zaak tweemaal opnieuw toegewezen - de eerste keer omdat een besluit was genomen om een intern onderzoek in te stellen, waardoor de beoordelaar moest worden vervangen door een onderzoeker van het interne onderzoeksteam, en de tweede keer omdat de verantwoordelijke onderzoeker opnieuw werd toegewezen aan de "Eurostat Task Force", waardoor zijn zaken opnieuw moesten worden toegewezen.

In december 2003 stelde de toen voor de zaak verantwoordelijke onderzoeker een eindverslag op waarin hij aanbeval het onderzoek zonder follow-up af te sluiten. Op 17 december 2003 belde de onderzoeker klager om hem in kennis te stellen van de voorlopige conclusies. Tijdens het gesprek deed klager verdere aantijgingen tegen zijn meerderen bij het OPOCE, waardoor de onderzoeker nader onderzoek deed en het verzamelde bewijsmateriaal beoordeelde. Op 28 januari 2004 belde de onderzoeker klager opnieuw om hem mee te delen dat het verdere onderzoek was afgerond en dat de aanbeveling om de zaak zonder follow-up af te sluiten ongewijzigd bleef.

Op 5 februari 2004 werd de zaak zonder follow-up afgesloten. Klager werd hiervan op 16 februari 2004 formeel in kennis gesteld. De totale periode tussen de opening en de afsluiting van het onderzoek bedroeg derhalve ongeveer 15 maanden.

Naar aanleiding van dit verslag heeft OLAF verklaard dat het over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot de wijze waarop het met onderzoeken omgaat, en heeft het herhaald dat het niet verplicht is een bepaald onderzoek binnen een bepaalde termijn af te ronden. Bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid houdt zij rekening met de prioriteit van een bepaald onderzoek in vergelijking met de andere onderzoeken die worden verricht, en worden de middelen dienovereenkomstig toegewezen. De vertraging van enkele maanden als gevolg van de nieuwe toewijzing van de zaak kon in de gegeven omstandigheden niet als onredelijk worden beschouwd.

Met betrekking tot de tweede bewering van klager verwees OLAF naar artikel 2 van het hierboven geciteerde besluit van de Commissie, waarin*staat dat "\[i\]n het onderhavige geval artikel 2 niet aan de orde is, omdat klager niet stelt dat hij nadelige gevolgen heeft ondervonden omdat hij de informatie buiten de Commissie of OLAF heeft bekendgemaakt".*

OLAF verklaarde ook dat, zelfs indien artikel 2 van toepassing zou zijn, in deze zaak volledig aan de vereisten ervan was voldaan en verklaarde dat "\[v\]oor*de opening van het onderzoek tot en met 31 juli 2003 \[...\] klager nooit te kennen heeft gegeven dat hij van mening was dat er een redelijke termijn was verstreken sinds hij de informatie voor het eerst aan OLAF had verstrekt en dat hij overwoog de informatie buiten de Commissie of OLAF bekend te maken \[...\]".*
**Opmerkingen van klager**   

Het advies van OLAF werd voor opmerkingen aan klager voorgelegd.

In zijn opmerkingen handhaafde klager zijn beweringen en maakte hij de volgende aanvullende opmerkingen:

Met betrekking tot zijn eerste bewering over vertraging gaf klager toe dat er geen specifieke wettelijke termijnen zijn voor het afronden van onderzoeken. Hij verwees echter naar artikel 11, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau*voor fraudebestrijding (OLAF)[(3)](#(3)){#Footnote3}, waarin het volgende is bepaald: "\[w\]anneer een onderzoek meer dan negen maanden loopt, stelt de directeur het Comité van toezicht in kennis van de redenen waarom het onderzoek nog niet kon worden afgesloten, en van de verwachte termijn voor voltooiing."* De klager verwees naar het jaarverslag van het Comité van toezicht van OLAF, dat in 2001 is gepubliceerd (d.w.z. voorafgaand aan het OLAF-onderzoek op basis*van de opmerkingen van de klager), waarin problemen in verband met vertragingen in het onderzoek werden opgemerkt en werd verklaard dat de in artikel 11, lid 7, bedoelde termijn van negen maanden met betrekking tot interne onderzoeken "in beginsel \[...\] in acht moet worden genomen".*

Klager ging ook in op de kwestie van de prioriteit. Samenvattend stelt hij dat OLAF de criteria voor de vaststelling van prioriteiten niet in acht heeft genomen. Hij verwees naar het handboek van OLAF dat in januari 2003 in werking is getreden en dat dergelijke criteria bevat. Volgens klager kon ervan worden uitgegaan dat soortgelijke criteria al vóór de inwerkingtreding van het handboek hadden moeten worden toegepast.

Met betrekking tot de tweede bewering (het niet meedelen van de duur van het onderzoek) voerde klager aan dat OLAF artikel 2 van Besluit C(2002) 845 van de Commissie verkeerd had uitgelegd. Klager voerde aan dat artikel 2 logischerwijs moet worden uitgelegd als een verplichting voor OLAF om de betrokken ambtenaar in kennis te stellen van de tijd die OLAF verwachtte dat een onderzoek zou duren. Hij was van mening dat de verplichting van artikel 2 in geen enkel opzicht gebonden was aan de voorwaarde dat de betrokken ambtenaar zelf OLAF had verzocht de informatie te verstrekken, noch dat de betrokken ambtenaar reeds negatieve gevolgen had ondervonden. Klager voerde aan dat zijn interpretatie werd ondersteund door artikel 22 ter van het nieuwe Statuut, dat in werking is getreden na het onderhavige besluit van de Commissie. Dit artikel luidt als volgt (cursivering van mij):
> *Artikel 22 ter*
>
> *1. Een ambtenaar die aan de voorzitter van de Commissie, aan de Rekenkamer, aan de Raad of aan het Europees Parlement of aan de Europese Ombudsman informatie als omschreven in artikel 22 bis verstrekt, mag geen nadelige gevolgen ondervinden van de instelling waartoe hij behoort, mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:*
> > *a) de ambtenaar oprecht en redelijkerwijs van mening is dat de openbaar gemaakte informatie en alle daarin vervatte beweringen in wezen waarheidsgetrouw zijn; en*
> >
> > b) *++de ambtenaar dezelfde informatie eerder aan OLAF of zijn eigen instelling heeft meegedeeld en het OLAF of die instelling de door het Bureau of de instelling vastgestelde termijn heeft toegestaan om, gezien de complexiteit van de zaak, passende maatregelen te nemen. De ambtenaar wordt binnen 60 dagen naar behoren van deze termijn in kennis gesteld.++*

De klager was van mening dat in de bepaling hier slechts wordt benadrukt dat een recht dat inherent is aan artikel 2 van Besluit C/2002)845 van de Commissie, nauwkeuriger is geformuleerd.

In zijn opmerkingen merkte klager ook op dat hij in zijn klacht opmerkingen had gemaakt over de *toereikendheid* van het onderzoek van OLAF. Hij legde de Ombudsman voor dat deze kwestie in het kader van dit onderzoek voor onderzoek kon worden behandeld. Hij stelde dat OLAF zijn onderzoek moest heropenen.
**Nadere inlichtingen**   

Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van OLAF en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.
*Verzoek van de Ombudsman aan OLAF*   

De Ombudsman verzocht OLAF aanvullende informatie te verstrekken over:
> Met betrekking tot de eerste bewering voert klager aan dat OLAF de richtsnoeren van het Comité van toezicht van OLAF niet in acht heeft genomen en de relevante criteria voor de vaststelling van prioriteiten niet in acht heeft genomen.
>
> Met betrekking tot de tweede bewering voert klager aan dat het nieuwe Statuut slechts in preciezere bewoordingen een verplichting heeft geformuleerd die inherent was aan artikel 2 van Besluit C/2002)845 van de Commissie.

De Ombudsman verzocht OLAF voorts een *aanvullend advies* uit te brengen waarin hij inging op de bewering van klager dat er geen grondig onderzoek was ingesteld en dat OLAF geen doeltreffend antwoord had gegeven in zaak OF/\[referentienummer\] en op de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen.
*Antwoord van OLAF op de verdere onderzoeken*   

In zijn antwoord op de verdere onderzoeken van de Ombudsman merkte OLAF op dat zijn Comité van toezicht geen wettelijke bevoegdheid heeft om termijnen vast te stellen voor de voltooiing van onderzoeken. Het verwierp derhalve het standpunt dat het de richtsnoeren van het Comité niet in acht had genomen.

Wat de vaststelling van prioriteiten betreft, verklaarde OLAF dat klager niet in staat was te beoordelen of OLAF zijn beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het onderhavige onderzoek correct had uitgeoefend in het licht van de honderden andere zaken die OLAF op dat moment behandelde. Het verklaarde dat "\[e\]ndien*hij over dergelijke kennis beschikte, \[...\] de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van OLAF niet onder het begrip wanbeheer \[valt\] en derhalve niet naar behoren door de Ombudsman \[wordt\] getoetst".*

Wat de tweede grief betreft, heeft OLAF samengevat gesteld dat artikel 22 ter van het gewijzigde Statuut niet relevant was voor de uitlegging van artikel 2 van besluit C(2002) 845 van de Commissie.

Met betrekking tot de bewering van klager dat OLAF geen grondig onderzoek had ingesteld en geen doeltreffend antwoord had gegeven in zaak OF/\[referentienummer\] en de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen, was OLAF van mening dat dit aspect van de klacht niet onder de bevoegdheid van de Ombudsman viel om te toetsen. Onder verwijzing naar de rechtsgrondslagen van de Ombudsman maakte zij de volgende opmerkingen:
> *"... "wanbeheer" verwijst naar de vorm en de procedure waarin een administratief besluit is genomen, en niet naar de inhoud ervan. De Ombudsman is derhalve bevoegd om na te gaan of de onderzoeksprocedure van OLAF correct, eerlijk en met inachtneming van alle toepasselijke procedurele waarborgen was. De uitoefening door OLAF van zijn discretionaire bevoegdheid en zijn oordeel over materiële aangelegenheden zoals die welke door klager aan de orde zijn gesteld, vallen daarentegen buiten de toetsingsnorm van wanbeheer. De Ombudsman kan een dergelijke inhoudelijke controle alleen uitvoeren in uitzonderlijke gevallen, wanneer de inhoud van een OLAF-besluit kennelijk willekeurig, beledigend of "ultra vires" is. Een dergelijke aantijging wordt hier echter niet geuit. De beweringen hebben veeleer betrekking op tekortkomingen in de kwaliteit van het eindverslag van de zaak, de vraag of verdere onderzoeksactiviteiten hadden moeten worden ondernomen, de vraag of verschillende wettelijke normen in aanmerking hadden moeten worden genomen, de vraag of de besluiten van OLAF om de zaak af te sluiten en het feit dat er geen follow-up nodig was, gerechtvaardigd waren, en een groot aantal andere, meer algemene vragen. Dergelijke aangelegenheden hebben allemaal betrekking op de inhoud van de besluiten van OLAF ter zake en vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van "wanbeheer".*
*Opmerkingen van klager*   

Het antwoord van OLAF op de verdere onderzoeken van de Ombudsman werd toegezonden aan klager, die zijn klacht handhaafde.
*Gerechtelijk beroep van de klager*   

Op \[datum\] 2005 meldde het Publicatieblad dat klager bij het Gerecht van eerste aanleg beroep had ingesteld tegen de Europese Commissie. Klager werd verzocht a) het besluit van 5 februari 2004 tot afsluiting van het OLAF-onderzoek OF/\[referentienummer\] en het eindverslag van de zaak waarop dat besluit was gebaseerd, nietig te verklaren, en b) de Commissie te gelasten het onderzoek te heropenen. Het beroep van klager bij het Gerecht van eerste aanleg leek dus betrekking te hebben op de nieuwe bewering die in het onderzoek was opgenomen via de verdere onderzoeken van de Ombudsman (betreffende de toereikendheid van het onderzoek van OLAF). De Ombudsman schreef klager daarom op 9 maart 2005 een brief om hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken over de mogelijke betekenis van artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman[(4)](#(4)){#Footnote4} voor zijn zaak.

Klager antwoordde op 11 maart 2005. Hij stelde voor dat de Ombudsman zijn onderzoek naar alle beschuldigingen en zijn beweringen zou voortzetten. Met betrekking tot de bewering en de vordering in het kader van het verdere onderzoek van de Ombudsman verklaarde klager dat "er een verband bestaat" met zijn zaak voor het Hof. Hij voerde echter twee hoofdargumenten aan op grond waarvan de Ombudsman het onderzoek naar die bewering moest voortzetten en stelde: i) het Hof had nog geen uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van zijn zaak en er was derhalve geen rechterlijke beslissing waartegen de toetsing door de Ombudsman zich kon mengen; ii) de bij het Hof aanhangige zaak was tegen de Commissie en niet tegen OLAF.

BESLUIT
-------

**1 Inleidende opmerkingen**   

1.1 Klager was een ambtenaar die had gewerkt voor het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen ("OPOCE"), het publicatiebureau van de Europese Unie. Hij klaagde tegen het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over de behandeling door OLAF van informatie die hij bij het Bureau had ingediend over vermoedelijke onwettigheden bij het Bureau voor fraudebestrijding (OPOCE). Hij heeft hierover op 31 juli 2002 informatie verstrekt aan de directeur-generaal van OLAF. OLAF heeft op 13 november 2002 een officieel onderzoek geopend \[referentienummer\]. De klacht bij de Ombudsman had betrekking op de bepalingen van Besluit C(2002) 845 van de Commissie van 4 april 2002. In dit besluit zijn de rechten en plichten vastgelegd ten aanzien van ambtenaren die voornemens zijn verslag uit te brengen over vermoedelijke overtredingen bij de Commissie (in de volksmond bekend als "klokkenluiders"). De betwiste bepaling van dit besluit was artikel 2, dat als volgt luidde:
> *"1. Een ambtenaar of personeelslid die de in artikel 1 bedoelde informatie verder openbaar maakt buiten de Commissie of het Europees Bureau voor fraudebestrijding, ondervindt als gevolg daarvan geen nadelige gevolgen van de Commissie alleen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:*
> > *a. de ambtenaar of het personeelslid oprecht en redelijkerwijs van mening is dat de openbaar gemaakte informatie en alle daarin vervatte beweringen in wezen waarheidsgetrouw zijn;*
> >
> > *b) de ambtenaar of het personeelslid dezelfde informatie eerder aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding of de Commissie heeft verstrekt en het Bureau of de Commissie een redelijke termijn heeft gegund om passende maatregelen te nemen; en*
> >
> > *c) de openbaarmaking geschiedt aan de voorzitter van de Rekenkamer of van de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement; of de Europese Ombudsman.*
>
> *2. Voor de toepassing van lid 1, onder b), en behoudens lid 3, is een redelijke termijn de termijn die het Bureau of, in voorkomend geval, de Commissie heeft aangegeven nodig te zijn om de onderzoeken uit te voeren en, indien nodig, passende maatregelen te nemen. De ambtenaar of het personeelslid wordt hiervan naar behoren in kennis gesteld.*
>
> *3. Lid 2 is niet van toepassing wanneer de ambtenaar of het personeelslid kan aantonen dat de door het Bureau of de Commissie aangegeven termijn(en) gelet op alle omstandigheden van het geval onredelijk is (zijn)."*

Klager beweerde dat OLAF onnodige vertraging had opgelopen bij de behandeling van informatie die was verstrekt op grond van Besluit C (2002) 845 van de Commissie van 4 april 2002 betreffende onderzoek OF/\[referentienummer\]. Voorts beweerde hij dat er geen informatie was over de redelijke termijn die nodig was om de onderzoeken uit te voeren overeenkomstig artikel 2, lid 2, van het bovengenoemde besluit van de Commissie.

1.2 In zijn advies verwees OLAF naar artikel 2 van het hierboven aangehaalde besluit van de Commissie, waarin het stelde dat "\[i\]n*het onderhavige geval artikel 2 niet aan de orde is, omdat klager niet stelt dat hij nadelige gevolgen heeft ondervonden omdat hij de informatie buiten de Commissie of OLAF heeft bekendgemaakt".* OLAF verklaarde ook dat, zelfs indien artikel 2 van toepassing zou zijn, in deze zaak volledig aan de vereisten ervan was voldaan en verklaarde dat "\[v\]oor*de opening van het onderzoek tot en met 31 juli 2003 \[...\] klager nooit te kennen heeft gegeven dat hij van mening was dat er een redelijke termijn was verstreken sinds hij de informatie voor het eerst aan OLAF had verstrekt en dat hij overwoog de informatie buiten de Commissie of OLAF bekend te maken \[...\]".*

1.3 In zijn opmerkingen gaf klager toe dat de relevante bepalingen van het Gemeenschapsrecht geen specifieke termijnen voor de afronding van de onderzoeken van OLAF bevatten. Hij wijst er echter op dat het Comité van toezicht van OLAF heeft aangegeven dat een termijn van negen maanden in acht moet worden genomen. Klager suggereerde ook dat OLAF geen prioriteit had gegeven aan zijn zaak. Hij verwees naar de prioriteitscriteria in een nieuw handboek van OLAF. Met betrekking tot zijn tweede bewering voerde klager in wezen aan dat OLAF artikel 2, lid 2, van Besluit C(2002) 845 van de Commissie onjuist had uitgelegd. Klager merkte ook op dat hij opmerkingen had gemaakt over de inhoudelijke *toereikendheid* van het onderzoek van OLAF. Hij legde de Ombudsman voor dat deze kwestie in het kader van dit onderzoek voor onderzoek kon worden behandeld. Hij stelde dat OLAF zijn onderzoek moest heropenen.

1.4 De Ombudsman besloot nader onderzoek te verrichten. Hij verzocht OLAF een *aanvullend advies uit te brengen* waarin hij inging op de bewering van klager dat OLAF geen grondig onderzoek had ingesteld en geen doeltreffend antwoord had gegeven in zaak OF/\[referentienummer\] en op de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen.

1.5 In zijn antwoord op de verdere onderzoeken van de Ombudsman verklaarde OLAF dat zijn Comité van toezicht geen wettelijke bevoegdheid heeft om termijnen vast te stellen voor de voltooiing van onderzoeken. Het verwierp derhalve het standpunt dat het de richtsnoeren van het Comité niet in acht had genomen.

Wat de vaststelling van prioriteiten betreft, verklaarde OLAF dat klager niet in staat was te beoordelen of OLAF zijn beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het onderhavige onderzoek correct had uitgeoefend in het licht van de honderden andere zaken die OLAF op dat moment behandelde. Het verklaarde dat "\[e\]ndien*hij over dergelijke kennis beschikte, \[...\] de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van OLAF niet onder het begrip wanbeheer \[valt\] en derhalve niet naar behoren door de Ombudsman \[wordt\] getoetst".*

Wat de tweede grief betreft, heeft OLAF samengevat gesteld dat artikel 22 ter van het gewijzigde Statuut niet relevant was voor de uitlegging van artikel 2 van besluit C(2002) 845 van de Commissie.

Met betrekking tot de bewering van klager dat OLAF geen grondig onderzoek had ingesteld en geen doeltreffend antwoord had gegeven in zaak OF/\[referentienummer\] en de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen, was OLAF van mening dat dit aspect van de klacht in dit geval niet onder de bevoegdheid van de Ombudsman viel om te toetsen.

1.6 In zijn opmerkingen over het antwoord van OLAF op de verdere onderzoeken van de Ombudsman handhaafde klager zijn klacht.

1.7 Op \[datum\] 2005 meldde het Publicatieblad dat klager bij het Gerecht van eerste aanleg beroep had ingesteld tegen de Europese Commissie. Klager werd verzocht a) het besluit van 5 februari 2004 tot afsluiting van het OLAF-onderzoek OF/\[referentienummer\] en het eindverslag van de zaak waarop dat besluit was gebaseerd, nietig te verklaren, en b) de Commissie te gelasten het onderzoek te heropenen. Het beroep van klager bij het Gerecht van eerste aanleg leek dus betrekking te hebben op de nieuwe bewering die in het onderzoek was opgenomen via de verdere onderzoeken van de Ombudsman (betreffende de toereikendheid van het onderzoek van OLAF). De Ombudsman schreef klager daarom op 9 maart 2005 een brief om hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken over de mogelijke betekenis die artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman[(5)](#(5)){#Footnote5} voor zijn zaak kunnen hebben. In zijn antwoord aanvaardde klager dat er "een verband" was met zijn zaak voor het Hof. Hij voerde echter aan dat de Ombudsman desalniettemin het onderzoek naar die bewering en bewering moest voortzetten (i) omdat het Hof nog geen beslissing had genomen over de ontvankelijkheid van zijn zaak, en omdat er derhalve geen rechterlijke beslissing was waarmee de toetsing door de Ombudsman zich kon mengen, en (ii) omdat de zaak voor het Hof tegen de Commissie en niet tegen OLAF was. Hij stelde voor dat de Ombudsman zijn onderzoek naar alle beschuldigingen en zijn beweringen zou voortzetten.

1.8 De Ombudsman acht het noodzakelijk om in deze inleidende opmerkingen twee kwesties aan de orde te stellen: het eerste is het beroep van de klager bij het Gerecht van eerste aanleg; het tweede is het standpunt van OLAF over de reikwijdte van de bevoegdheid van de Ombudsman.

1.9 Wat het beroep van klager bij het Gerecht van eerste aanleg betreft, lijkt het erop dat de bij het Gerecht aanhangige kwesties en de nieuwe beweringen in het onderzoek in het kader van de verdere onderzoeken van de Ombudsman (betreffende de toereikendheid van het onderzoek van OLAF) in wezen dezelfde kwestie betreffen. De Ombudsman is derhalve van mening dat het in strijd zou zijn met artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman om die nieuwe bewering te herzien. Het feit dat het beroep van klager gericht is tegen de Commissie in plaats van tegen OLAF, kan niet tot een andere conclusie leiden. De Ombudsman wijst erop dat gerechtelijke beroepen met betrekking tot handelingen van OLAF worden behandeld als beroepen tegen de Commissie door de communautaire rechtbanken[(6).](#(6)){#Footnote6} Er zou hoe dan ook sprake zijn van een onvermijdelijke overlapping van toetsing indien de Ombudsman en het Hof beide de toereikendheid van hetzelfde onderzoek zouden toetsen, ongeacht of de gerechtelijke actie tegen de Commissie dan wel tegen OLAF is gericht. De Ombudsman heeft derhalve besloten a) de nieuwe bewering dat OLAF geen grondig onderzoek had ingesteld en geen doeltreffend antwoord had gegeven in geval van OF/\[referentienummer\] niet te herzien, en b) de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen, niet te herzien. Indien het beroep van klager bij het Gerecht van eerste aanleg echter wordt ingetrokken of door het Gerecht niet-ontvankelijk wordt verklaard, staat het klager vrij opnieuw een klacht in te dienen bij de Ombudsman.

1.10 Wat betreft de opmerkingen van OLAF over de reikwijdte van de bevoegdheid van de Ombudsman om de uitoefening van discretionaire bevoegdheden te toetsen, lijkt OLAF te aanvaarden dat de Ombudsman bevoegd is om zowel procedurele kwesties als kwesties van willekeur, misbruik van bevoegdheid en "ultra vires" te toetsen. OLAF leek echter van mening te zijn dat klager dergelijke kwesties in de onderhavige zaak niet aan de orde had gesteld.

1.11 In het licht van zijn besluit (a) om de nieuwe bewering dat OLAF geen grondig onderzoek had ingesteld en geen doeltreffend antwoord had gegeven op zaak OF/\[referentienummer\] niet te heroverwegen, en (b) om de bewering van klager dat OLAF het onderzoek moest heropenen (zie paragraaf 1.9 hierboven) niet te heroverwegen, is de Ombudsman van mening dat het niet nodig is verder commentaar te leveren op dit aspect van de zaak.
**2 Bewering van onnodige vertraging**   

2.1 Klager beweerde dat OLAF onnodige vertraging had opgelopen bij de behandeling van informatie die was verstrekt op grond van Besluit C (2002) 845 van de Commissie van 4 april 2002 betreffende onderzoek OF/\[referentienummer\]. OLAF verwierp deze bewering en gaf een overzicht van zijn onderzoek.

2.2 Uit het rechtskader van OLAF blijkt dat de communautaire wetgever geen specifieke termijnen heeft vastgesteld voor de voltooiing van onderzoeken als de onderhavige. Klager heeft opgemerkt dat het Comité van toezicht van OLAF de kwestie van de vertraging heeft aangepakt. Het lijkt er echter op dat het Comité van toezicht niet bevoegd is om specifieke procedureregels voor de onderzoeken van OLAF vast te stellen. OLAF is derhalve niet wettelijk verplicht de door het Comité van toezicht in zijn verslagen voorgestelde termijnen in acht te nemen.

2.3 Het onderzoek van de Ombudsman heeft dus tot doel vast te stellen of er sprake was van onredelijke of ongerechtvaardigde vertragingen in het onderzoek van OLAF in kwestie.

2.4 Uit de klacht, het standpunt van OLAF en de opmerkingen van klager blijkt dat OLAF na ontvangst van de aantijgingen van klager tegen het Publicatiebureau op 31 juli 2002 op 18 oktober 2002 een onderzoek heeft geopend; de klager werd op 13 november 2002 door OLAF geïnterviewd en in december 2002 werd relevante documentatie verzameld; tussen oktober 2002 en december 2003 werd de zaak twee keer opnieuw toegewezen - volgens OLAF de eerste keer omdat een besluit was genomen om een intern onderzoek in te stellen, waardoor de beoordelaar moest worden vervangen door een onderzoeker van het interne onderzoeksteam, en de tweede keer omdat de verantwoordelijke onderzoeker opnieuw werd toegewezen aan de "Eurostat Task Force", waardoor zijn zaken opnieuw moesten worden toegewezen. Op 31 juli 2003 nam klager contact op met de directeur van OLAF omdat hij de behandeling van zijn dossier onbevredigend achtte. De directeur van OLAF heeft klager op 15 september 2003 geïnterviewd. In december 2003 stelde de toen voor de zaak verantwoordelijke onderzoeker van OLAF een eindverslag op waarin hij aanbeval het onderzoek zonder follow-up af te sluiten. Op 17 december 2003 belde de onderzoeker klager om hem in kennis te stellen van de voorlopige conclusies. Tijdens het gesprek heeft klager verdere beschuldigingen geuit tegen zijn meerderen bij het OPOCE, waardoor de onderzoeker nader onderzoek heeft verricht en het verzamelde bewijsmateriaal nader heeft beoordeeld. Op 28 januari 2004 belde de onderzoeker klager opnieuw om hem mee te delen dat het verdere onderzoek was afgerond en dat de aanbeveling om de zaak zonder follow-up af te sluiten ongewijzigd bleef. Op 5 februari 2004 werd de zaak zonder follow-up afgesloten. Klager werd hiervan op 16 februari 2004 formeel in kennis gesteld. In zijn opmerkingen heeft klager verklaard dat er tussen december 2002 en augustus 2003 geen onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden.

2.5 Uit het advies van OLAF blijkt dat OLAF erkent dat er sprake was van een vertraging van enkele maanden. OLAF lijkt van mening te zijn dat deze vertraging voldoende wordt verklaard door het feit dat het dossier tweemaal is toegewezen en door de aanzienlijke werklast op dat moment. Klager heeft erop gewezen dat zijn beweringen betrekking hadden op een complexe aangelegenheid in een groot dossier. De Ombudsman is van mening dat de twee overplaatsingen die in deze complexe zaak hebben plaatsgevonden, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel het ontbreken van een eerdere afronding van het onderzoek zouden kunnen verklaren. De Ombudsman heeft bovendien geen reden om aan te nemen dat OLAF het onderzoek op ongepaste gronden heeft herplaatst.

2.6 Op grond van het bovenstaande lijkt de eerste bewering van klager niet te zijn onderbouwd.
**3 Niet informeren**   

3.1 De klager beweerde dat er geen informatie was over de redelijke termijn die nodig was om het onderzoek uit te voeren overeenkomstig artikel 2, lid 2, van bovengenoemd besluit van de Commissie.

3.2 OLAF verwierp de bewering en verklaarde dat "\[i\]n*het onderhavige geval artikel 2 niet aan de orde is, omdat klager niet beweert dat hij nadelige gevolgen heeft ondervonden doordat hij de informatie buiten de Commissie of OLAF heeft bekendgemaakt".* OLAF verklaarde ook dat, zelfs indien artikel 2 van toepassing zou zijn, in deze zaak volledig aan de vereisten ervan was voldaan en verklaarde dat "\[v\]oor*de opening van het onderzoek tot en met 31 juli 2003 \[...\] klager nooit te kennen heeft gegeven dat hij van mening was dat er een redelijke termijn was verstreken sinds hij de informatie voor het eerst aan OLAF had verstrekt en dat hij overwoog de informatie buiten de Commissie of OLAF bekend te maken \[...\]".*

3.3 Klager was in zijn opmerkingen van mening dat OLAF artikel 2, lid 2, verkeerd had uitgelegd. Hij verwees naar artikel 22 ter van het nieuwe Statuut, dat bepaalt dat de instelling de betrokken ambtenaar binnen 60 dagen informatie moet verstrekken over het verwachte onderzoektijdvak. In zijn antwoord op de verdere onderzoeken van de Ombudsman verwierp OLAF dit argument.

3.4 Volgens de Ombudsman had artikel 2 van Besluit C(2002) 845 van de Commissie tot doel de voorwaarden vast te stellen waaraan een ambtenaar of personeelslid moet voldoen om zonder nadelige gevolgen informatie buiten de Commissie of OLAF te kunnen verstrekken. Artikel 2, lid 1, onder b), bevatte een dergelijke voorwaarde, namelijk dat de ambtenaar *"het Bureau \[dat wil zeggen OLAF\] *of de Commissie een redelijke termijn \[had\] gelaten* om passende maatregelen te nemen".* In artikel 2, lid 2, is het volgende bepaald: "\[...\]*een redelijke termijn is de termijn die het Bureau of de Commissie, naar gelang van het geval, ++heeft aangegeven++* \[nadruk toegevoegd\] *als noodzakelijk voor het verrichten van de onderzoeken \[...\]"* en "\[d\]e*ambtenaar of het personeelslid wordt naar behoren in kennis gesteld".* In artikel 2, lid 3, wordt verwezen naar *"\[...\] de door het Bureau of de Commissie aangegeven termijn(en) \[...\]"* (onderstreping toegevoegd). Deze bepalingen lijken er dus op gericht te zijn de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid in staat te stellen te weten wanneer hij of zij de informatie buiten de Commissie of OLAF zou kunnen bekendmaken. Volgens de Ombudsman blijkt uit artikel 2 niet te zijn vereist dat de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid "nadelige gevolgen" had moeten ondervinden of dat de ambtenaar of het betrokken personeelslid de informatie over de "redelijke termijn" had moeten opvragen. Volgens de Ombudsman legde artikel 2 OLAF duidelijk de verplichting op om in ieder geval de ambtenaar of het personeelslid informatie te verstrekken over de termijn waarbinnen het verwachtte zijn onderzoek af te ronden. Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof de hoogste autoriteit is op het gebied van de betekenis en de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
**4 Conclusie**   

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt:
> Artikel 2 van besluit C(2002) 845 van de Commissie had tot doel de voorwaarden vast te stellen waaraan een ambtenaar of personeelslid moet voldoen om zonder nadelige gevolgen informatie buiten de Commissie of OLAF te kunnen bekendmaken. Artikel 2, lid 1, onder b), bevatte een dergelijke voorwaarde, namelijk dat de ambtenaar *"het Bureau \[dat wil zeggen OLAF\] of de Commissie een redelijke termijn \[had\] gelaten om passende maatregelen te nemen".* Artikel 2, lid 2, bepaalde dat "\[...\]*een redelijke termijn \[...\] de termijn \[is\] die het Bureau of de Commissie, naargelang van het geval, noodzakelijk heeft geacht voor het verrichten van de onderzoeken \[...\]"* en dat "\[d\]e*ambtenaar of het personeelslid \[...\] naar behoren \[wordt\] geïnformeerd".* In artikel 2, lid 3, wordt verwezen naar "\[...\] *de door het Bureau of de Commissie aangegeven termijn of termijnen \[...\]".* Deze bepalingen lijken er dus op gericht te zijn de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid in staat te stellen te weten wanneer hij of zij de informatie buiten de Commissie of OLAF zou kunnen bekendmaken. Volgens de Ombudsman blijkt uit artikel 2 niet te zijn vereist dat de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid "nadelige gevolgen" had moeten ondervinden of dat de ambtenaar of het betrokken personeelslid de informatie over de "redelijke termijn" had moeten opvragen. Volgens de Ombudsman legde artikel 2 OLAF duidelijk de verplichting op om in ieder geval de ambtenaar of het personeelslid informatie te verstrekken over de termijn waarbinnen het verwachtte zijn onderzoek af te ronden. Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof de hoogste autoriteit is op het gebied van de betekenis en de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
>
> Gezien het bovenstaande is de Ombudsman tot de conclusie gekomen dat het verzuim van OLAF om klager informatie te verstrekken over de termijn waarbinnen het verwachtte zijn onderzoek af te ronden, een geval van wanbeheer was.

Aangezien dit aspect van de zaak betrekking heeft op procedures met betrekking tot specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend om een minnelijke schikking van de zaak na te streven. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De directeur-generaal van OLAF zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

P. Nikiforos DIAMANDOUROS

*** ** * ** ***

[(1)](#Footnote1){#(1)} Deze artikelen beperken de onderzoeksbevoegdheid van de Ombudsman met betrekking tot zaken die door rechtbanken worden behandeld.

[(2)](#Footnote2){#(2)} De desbetreffende regels zijn nu opgenomen in het gewijzigde Statuut, zie verderop.

[(3)](#Footnote3){#(3)} Publicatieblad 1999 L 136 blz. 1.

[(4)](#Footnote4){#(4)} Deze artikelen beperken de onderzoeksbevoegdheid van de Ombudsman met betrekking tot zaken die door rechtbanken worden behandeld.

[(5)](#Footnote5){#(5)} Deze artikelen beperken de onderzoeksbevoegdheid van de Ombudsman met betrekking tot zaken die door rechtbanken worden behandeld.

[(6)](#Footnote6){#(6)} Zie bijvoorbeeld zaak T-193/04 R, Tillack tegen Commissie, beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 15 oktober 2004 (nog niet gepubliceerd).