# Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1371/99/IP tegen het Europees Parlement
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: null
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/1313)
---
Straatsburg, 30 april 2002

Geachte mevrouw A.,

Op 12 november 1999 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen het Europees Parlement. De klacht, die ook door zes andere klagers werd ondertekend, betrof uw benoeming door het Parlement na uw succes in vergelijkend onderzoek EUR/C/22.

Op 20 december 1999 heb ik de klacht doorgestuurd naar het Parlement met het verzoek om vóór eind maart 2000 zijn opmerkingen te maken. Aangezien bleek dat het Parlement binnen de gestelde termijn geen antwoord had ontvangen, heb ik de instelling op 10 april 2000 schriftelijk verzocht om uiterlijk op 30 april 2000 advies uit te brengen over de klacht. Op 17 mei en 8 juni 2000 zijn verdere aanmaningsbrieven naar het Parlement gestuurd. Het Parlement heeft uiteindelijk op 3 juli 2000 zijn advies aan de Ombudsman toegezonden, dat ik u op 11 juli 2000 heb doen toekomen. Op 13 oktober 2000 heb ik uw opmerkingen over het advies van het Parlement ontvangen.

Op 18 mei 2001 heb ik een ontwerpaanbeveling[(1)](#(1)){#Footnote1} aan het Parlement gericht.

Op 10 oktober 2002 heb ik de instelling een brief gestuurd waarin ik erop wees dat het Parlement nog steeds geen uitvoerig gemotiveerd advies over de ontwerpaanbeveling had uitgebracht, ondanks het feit dat de termijn eind september 2001 was verstreken. Daarom heb ik het Parlement verzocht zo spoedig mogelijk te antwoorden.

Op 5 november 2001 heeft het Parlement zijn omstandig advies uitgebracht.

Op 23 januari 2002 heb ik nog een brief doorgestuurd naar de Voorzitter van het Parlement, de heer Pat COX. Een kopie van deze brief is ook toegezonden aan mevrouw Raquel de VICENTE, politiek adviseur.

Op 5 april 2002 heb ik het antwoord van de Voorzitter ontvangen.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Het KLACHT
----------

Op 12 november 1999 namen de klagers deel aan vergelijkend onderzoek EUR/C/22 dat gezamenlijk werd georganiseerd door het Europees Parlement en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Nadat zij waren geslaagd voor het vergelijkend onderzoek, werden hun namen opgenomen in de reservelijst van geslaagde kandidaten.

Van 1 december 1996 tot 1 november 1998 heeft het Parlement de klagers geleidelijk aangeworven[(2),](#(2)){#Footnote2} allemaal in rang C5, salaristrap 3 van de loopbaan.

In hun klacht bij de Ombudsman beweerden de klagers te zijn gediscrimineerd ten opzichte van andere kandidaten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek hadden deelgenomen en die waren aangeworven in rang C4, salaristrap 3.

Het onderzoek
-------------

De klacht is voor commentaar naar het Parlement gestuurd.

In zijn advies over de klacht wees het Parlement erop dat klagers beroep hadden kunnen aantekenen tegen het besluit van de instelling met betrekking tot hun aanwerving, door een klacht in te dienen op grond van artikel 90 van het Statuut. In mei 1998 dienden drie klagers een klacht in op grond van artikel 90, lid 1, waarin zij verzochten om met ingang van hun benoeming als ambtenaar in rang C 4 te worden ingedeeld. De klachten werden afgewezen.

Bovendien wees het Parlement erop dat, zelfs indien de klagers een klacht hadden ingediend op grond van artikel 90, lid 2, hun klachten als niet-ontvankelijk zouden zijn beschouwd omdat zij niet binnen de in het Statuut vastgestelde termijn, d.w.z. binnen drie maanden na het begin van de proeftijd van de ambtenaren, zouden zijn ingediend.

De instelling heeft beklemtoond dat volgens vaste rechtspraak van de gemeenschapsrechter alleen de aanwezigheid van nieuwe wezenlijke elementen de indiening van een klacht op grond van artikel 90, lid 2, kan rechtvaardigen voor het heronderzoek van een eerder besluit inzake aanwerving waartegen niet binnen de gestelde termijn beroep is ingesteld. Indien een arrest van het Hof tot nietigverklaring van een administratieve handeling echter een nieuw element zou kunnen vormen, is dit alleen *van toepassing op de personen* die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling worden geraakt. De jurisprudentie *van Monaco* [(3),](#(3)){#Footnote3} waarop de klagers zich beroepen, kan derhalve niet van toepassing zijn, aangezien zij niet aan dezelfde algemene vergelijkende onderzoeken hebben deelgenomen als de heer Monaco.

Bovendien heeft de instelling verklaard dat het tot aanstelling bevoegde gezag, overeenkomstig het beleid dat het Parlement na de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen in mei 1995 op het gebied van aanwervingen heeft gevolgd, slechts in uitzonderlijke gevallen een ambtenaar in een hogere rang dan de beginrang van zijn categorie kan benoemen en gekwalificeerde kandidaten kan aantrekken wanneer uiterst complexe taken moeten worden uitgevoerd.
**Opmerkingen van klagers**   

In hun opmerkingen over het standpunt van het Parlement handhaafden de klagers in wezen hun oorspronkelijke klacht.

DE ONTWERP AANBEVELING
----------------------

Bij besluit van 18 mei 2001 heeft de Ombudsman overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman[(4)](#(4)){#Footnote4} een ontwerpaanbeveling tot het Parlement gericht. De basis van de ontwerpaanbeveling was de volgende:
**1. De aanwervingsprocedure van het Europees Parlement**   

1.1 De klagers zijn geslaagd voor vergelijkend onderzoek EUR/C/22, dat gezamenlijk werd georganiseerd door het Europees Parlement en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, en zijn aangeworven in rang C 5, salaristrap 3. In hun klacht bij de Ombudsman beweerden zij te zijn gediscrimineerd ten opzichte van andere kandidaten die aan hetzelfde vergelijkend onderzoek hadden deelgenomen en die waren aangeworven in rang C 4, salaristrap 3.

1.2 In zijn advies benadrukte het Parlement dat klagers de mogelijkheid zouden hebben gehad om in beroep te gaan tegen het besluit van de instelling door een klacht in te dienen op grond van artikel 90 van het Statuut. Degenen die een klacht hadden ingediend, deden dit echter toen de termijn al was verstreken.

1.3 Alleen de aanwezigheid van nieuwe wezenlijke elementen kan de indiening rechtvaardigen van een klacht op grond van artikel 90, lid 2, voor het heronderzoek van een eerder besluit inzake aanwerving waartegen niet binnen de gestelde termijn beroep is aangetekend. Indien een arrest van het Hof tot nietigverklaring van een administratieve handeling echter een nieuw element zou kunnen vormen, is dit alleen *van toepassing op de personen* die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling worden geraakt. Het Parlement wees erop dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in de zaak *Monaco,* waarop de klagers zich beroepen, niet van toepassing was op hun zaak, aangezien zij niet rechtstreeks werd geraakt door de nietig verklaarde handeling.

1.4 De Ombudsman merkte op dat het in deze zaak vooral ging om de vraag of de klagers bij hun aanwerving door het Europees Parlement waren gediscrimineerd en of er sprake was van wanbeheer door het Parlement.

1.5 Het beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling is een van de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht. Volgens vaste rechtspraak van de gemeenschapsrechter mogen vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is[(5).](#(5)){#Footnote5}

1.6 In zijn arrest in zaak T-92/96 (*Monaco-zaak)* oordeelde het Gerecht van eerste aanleg dat kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek in beginsel geacht moeten worden zich in een vergelijkbare situatie te bevinden. Bovendien heeft het Hof verklaard dat een instelling het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie schendt wanneer zij op een ambtenaar die voor een vergelijkend onderzoek is aangeworven, de bepalingen van de nieuwe interne richtlijnen toepast die voorzien in een striktere toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, terwijl andere ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen voor hetzelfde vergelijkend onderzoek door de instelling zijn aangeworven, volgens de eerdere interne richtlijnen zijn ingedeeld.

Het Hof was van oordeel dat de enige verwijzing naar nieuwe regels die inmiddels door het Parlement waren vastgesteld, geen toereikende rechtvaardiging vormde voor de aanwerving van kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek met verschillende contractuele voorwaarden.

1.7 De Ombudsman achtte het belangrijk eraan te herinneren dat het vergelijkend onderzoek waaraan de klagers hadden deelgenomen, gezamenlijk werd georganiseerd door het Parlement en het Hof van Justitie.

Na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in bovengenoemde zaak heeft het Hof van Justitie echter op eigen initiatief de ambtenaren geherkwalificeerd die na de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen werden aangeworven onder minder gunstige voorwaarden dan die welke golden voor kandidaten die op grond van de vorige interne richtlijnen waren aangeworven.

1.8 De Ombudsman was van mening dat het tot aanstelling bevoegde gezag, ook al was het *Monaco-arrest* niet van toepassing op de klagers als nieuw element, de mogelijkheid had om de aanwervingsvoorwaarden van de klagers te wijzigen, zoals het Hof van Justitie heeft gedaan.

1.9 Op basis van deze overwegingen concludeerde de Ombudsman dat het besluit van het Parlement om klagers aan te werven die de nieuwe interne richtlijnen op hen toepasten, toen andere kandidaten die op dezelfde reservelijst waren aangeworven, werden ingedeeld volgens de vorige interne richtlijnen, resulteerde in een discriminerende behandeling van klager. Het feit dat de instelling niet heeft gehandeld in het licht van het door het Gerecht in zaak T-92/96 geformuleerde beginsel en haar weigering om haar beschikking te heroverwegen, vormde dus een geval van wanbeheer.

Gezien het standpunt van het Parlement leek het niet mogelijk een minnelijke schikking te treffen. De Ombudsman achtte het derhalve passend de volgende ontwerpaanbeveling te doen, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van zijn Statuut.

De ontwerpaanbeveling luidt als volgt:
> Het Parlement dient het voorbeeld van het Hof van Justitie te volgen en klagers met ingang van de datum van hun aanstelling als ambtenaar opnieuw in te delen in rang C 4, salaristrap 3.

De Ombudsman deelde het Europees Parlement mee dat hij overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut uiterlijk op 30 september 2001 een omstandig advies moest toezenden en dat het omstandig advies kon bestaan uit de aanvaarding van de aanbeveling van de Ombudsman en een beschrijving van de wijze waarop deze was uitgevoerd.
**Omstandig advies van het Parlement**   

Het uitvoerig gemotiveerde advies van het Parlement, dat de Ombudsman op 7 november 2001 heeft ontvangen, luidt als volgt:

*De instelling kan uw ontwerpaanbeveling om de volgende redenen niet aanvaarden.*

*In de eerste plaats blijft deze instelling van mening dat de grieven op grond van niet-ontvankelijkheid moeten worden afgewezen. De klachten werden ingediend lang na het besluit waarover werd geklaagd. Zelfs indien zou worden erkend dat het besluit in de zaak Monaco een nieuw feit was 8 bis dat deze instelling met betrekking tot de onderhavige zaak niet heeft erkend, op grond dat zij dit alleen kon doen voor personen die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling werden geraakt, zou het zo blijven dat de klachten buiten de in artikel 90 van het Statuut gestelde termijn werden ingediend. Dit aspect van de zaak - dat wil zeggen de ontvankelijkheid van de klacht - lijkt volledig te worden genegeerd in uw ontwerpaanbeveling (...).*

*In de tweede plaats is het duidelijk dat besluiten over het tot aanstelling bevoegde gezag van een instelling niet bindend zijn voor het tot aanstelling bevoegde gezag van een ander gezag. Het Hof van Justitie en het Parlement zijn twee afzonderlijke instellingen van de Europese Unie. Desalniettemin verklaarde u in uw ontwerpaanbeveling dat "(...) zelfs als het Monaco-arrest niet als nieuw element op klager van toepassing is, het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid heeft om de aanwervingsvoorwaarden van klager te wijzigen door het voorbeeld van het Hof van Justitie te volgen. Het feit dat het Hof van Justitie bepaalde klagers heeft geherkwalificeerd, verplicht het tot aanstelling bevoegde gezag van het Europees Parlement geenszins hetzelfde te doen. De ruime beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag is herhaaldelijk erkend in talrijke gevallen (...) waarin het recht van een gemeenschapsinstelling om in dit verband interne regels voor de indeling in rang vast te stellen, werd erkend.*

*Om deze redenen kan de instelling de bovengenoemde ontwerpaanbeveling niet aanvaarden.*
++Aanvullende brief van de Ombudsman van 23 januari 2002++   

Na zorgvuldig onderzoek van de uitvoerig gemotiveerde mening van het Parlement achtte de Ombudsman het noodzakelijk zijn standpunt hierover kenbaar te maken en zich te concentreren op enkele punten die aan de basis lagen van zijn ontwerpaanbeveling. Op 23 januari 2002 heeft hij derhalve een nieuwe brief gericht aan de Voorzitter van het Parlement, de heer Pat COX.

In zijn brief herinnerde de Ombudsman eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat de hoogste autoriteit is op het gebied van de betekenis en de uitlegging van het Gemeenschapsrecht, consequent heeft verklaard dat het algemene gelijkheidsbeginsel een van de fundamentele beginselen van het recht van het ambtenarenapparaat van de Gemeenschap is. Het Hof heeft erkend dat bij de communautaire aanwerving het gelijkheidsbeginsel in acht moet worden genomen. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek in beginsel moeten worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden. Volgens het Hof schendt een instelling het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie wanneer zij op een ambtenaar die voor een vergelijkend onderzoek is aangeworven, de bepalingen van de nieuwe interne richtlijnen toepast die voorzien in een striktere toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, terwijl andere ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe interne richtlijnen voor hetzelfde vergelijkend onderzoek door de instelling zijn aangeworven, volgens de eerdere interne richtlijnen zijn ingedeeld. Het Hof was van oordeel dat de enige verwijzing naar nieuwe regels die inmiddels door het Parlement waren vastgesteld, geen toereikende rechtvaardiging vormde voor de aanwerving van kandidaten van hetzelfde vergelijkend onderzoek met verschillende contractuele voorwaarden.

De Ombudsman wees erop dat het erop leek dat dit was gebeurd met klager in de onderhavige zaak.

De Ombudsman was echter van mening dat het Parlement nog steeds de mogelijkheid had om dit geval van schijnbare discriminatie te verhelpen en maatregelen te nemen om een onrechtvaardigheid recht te zetten. Hij verzoekt de instelling derhalve haar standpunt te heroverwegen in het licht van het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie en de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman te behandelen.
++Aanvullend antwoord van het Parlement++   

Op 5 april 2002 ontving de Ombudsman het aanvullende antwoord van het Parlement. Het Parlement benadrukte dat zijn secretariaat de zaken waarop de ontwerpaanbeveling betrekking heeft, in detail had heroverwogen en had besloten, ondanks enig voorbehoud van juridische en administratieve aard, aan het verzoek van de Ombudsman te voldoen.

Het Parlement heeft zich ertoe verbonden de situatie van klager te herzien op basis van de regels die vóór de in 1995 ingevoerde wijzigingen van kracht waren.

BESLUIT
-------

Op 18 mei 2001 richtte de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling tot het Europees Parlement:
"Het Parlement moet het voorbeeld van het Hof van Justitie volgen en klagers herindelen in rang C 4, salaristrap 3, met ingang van de datum van hun aanstelling als ambtenaar".

Op 5 april 2002 deelde het Parlement de Ombudsman mee dat het ermee instemde gevolg te geven aan de ontwerpaanbeveling en legde het uit dat de situatie van klager zou worden herzien.

De Ombudsman is van mening dat het Parlement zijn ontwerpaanbeveling heeft aanvaard en besluit derhalve de zaak te sluiten.

De Voorzitter van het Europees Parlement zal van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

Jacob SÖDERMAN

*** ** * ** ***

[(1)](#Footnote1){#(1)} Dezelfde ontwerpaanbeveling werd ook aan het Parlement gedaan in de gevoegde zaken 545 en 547/2000/IP.

[(2)](#Footnote2){#(2)} De data van voordracht van de klagers waren de volgende: mevrouw A. op 01.09.1997; mevrouw A. op 16.06.1997; de heer S. op 1 mei 1998; mevrouw R. op 1.12.1996; mevrouw C. op 01.04.1998; mevrouw N. op 01.05.1998; Mevrouw P. op 01.11.1998.

[(3)](#Footnote3){#(3)} Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 juli 1997, Roberto Monaco/Europees Parlement, zaak T-92/96. Jurisprudentie 1997, blz. IA-0195; II-0573

[(4)](#Footnote4){#(4)} Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 betreffende het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB 1994, L 113, blz. 15).

[(5)](#Footnote5){#(5)} - Zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563, r.o. 25, en zaak C-15/95, EARL de Kerlast, Jurispr. 1997, blz. I-1961, r.o. 35 - Zaak C-150/94, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr. 1998, blz. I-7235, r.o. 97.