# Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 120/99/(PD)IP tegen de Europese Commissie
- Auteur: Europese Ombudsman
- Datum: 2000-03-28T00:00+02:00[Europe/Paris]
- [URL](https://www.ombudsman.europa.eu/nl/decision/nl/1154)
---
Straatsburg, 28 maart 2000
Geachte heer R.,
Op 6 februari 1999 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over uw uitsluiting van vergelijkend onderzoek EUR/B/136 omdat uw diploma niet voldeed aan de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek.
Op 9 maart 1999 heb ik de klacht voor commentaar doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft haar advies op 21 mei 1999 in het Italiaans vertaald en ik heb het u desgewenst toegezonden met het verzoek opmerkingen te maken. Op 26 juli 1999 heb ik uw opmerkingen over het standpunt van de Commissie ontvangen.
Aangezien een deel van de bij het advies van de Commissie gevoegde informatie als vertrouwelijk was aangemerkt, heb ik de Commissie op 9 juni 1999 om aanvullende informatie verzocht over de aard van deze informatie en de redenen waarom zij als vertrouwelijk moest worden beschouwd. Ik heb de opmerkingen van de Commissie van 9 augustus 1999 ontvangen.
Ik schrijf u nu om u het resultaat te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
----------
<br />
Klager heeft een aanvraag ingediend voor vergelijkend onderzoek EUR/B/136 (JO 1998 C 146 A/01) dat door de Europese Commissie is georganiseerd om een reservelijst op te stellen voor geassocieerde medewerkers (B5/B4) op het gebied van informatica/telecommunicatie.
Op 13 november 1998 werd klager door de jury ervan in kennis gesteld dat zijn kandidatuur was afgewezen op grond van het feit dat zijn kwalificaties niet in overeenstemming waren met de aankondiging van vergelijkend onderzoek, namelijk de *"twee jaar voortgezette opleiding op het gebied van gegevensverwerking en/of telecommunicatie",* zoals vastgesteld in punt III.B.2 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
Op 4 december 1999 verzocht klager, die zijn uitsluiting als oneerlijk en discriminerend beschouwde, de jury om zijn kandidatuur opnieuw te onderzoeken. Hij voerde aan dat het, na een voortgezette opleiding (vijf jaar) te hebben gevolgd en dus in het bezit te zijn van een *Diploma di Maturità Tecnica Industriale,* voor hem niet noodzakelijk of nuttig was om een specialisatieopleiding van twee jaar te volgen om zich aan te melden voor het vergelijkend onderzoek. Klager betwistte het feit dat alle soorten secundair diploma werden behandeld als dezelfde tegenprestatie voor de toelating tot het vergelijkend onderzoek. Volgens hem had er rekening mee moeten worden gehouden dat een soort van gespecialiseerde diploma's, zoals de zijne, een hogere kennis van de zaak verschafte in vergelijking met andere, meer algemene diploma's.
Hij wees er ook op dat bij het volgen van zijn studie in Italië geen cursussen met de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde kenmerken konden worden gevolgd. Voorts verklaarde klager verbaasd te zijn dat zijn werkervaring niet relevant genoeg was om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten.
Bij brief van 25 januari 1999 deelde de jury klager mee dat zij, na zijn sollicitatie opnieuw te hebben onderzocht, geen redenen had om haar oorspronkelijke besluit te herroepen.
Klager diende vervolgens een klacht in bij de Ombudsman, waarin hij aanvoerde dat zijn door de Europese Commissie georganiseerde niet-toelating tot vergelijkend onderzoek EUR/B/136 oneerlijk was.
Het onderzoek
-------------
<br />
**Het advies van de Commissie**
De opmerkingen van de Europese Commissie over de klacht luiden als volgt:
De Commissie wees erop dat klager niet was toegelaten tot het schriftelijk examen omdat hij niet in het bezit was van het vereiste diploma, zoals aangegeven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
De in punt III.B.2 bedoelde kennisgeving:
:
*"2. Certificaten, diploma's en ervaring*
:
*Kandidaten moeten een voortgezette opleiding hebben gevolgd (en een certificaat hebben behaald) en ten minste twee jaar bijscholing op het gebied van gegevensverwerking en/of telecommunicatie hebben gevolgd (en een door een bevoegde instantie erkend diploma hebben behaald) en ten minste twee jaar beroepservaring hebben opgedaan op de gebieden waarop het vergelijkend onderzoek betrekking heeft."*
Met betrekking tot de vermeende onmogelijkheid om dergelijke cursussen in Italië bij te wonen, heeft de Commissie aangegeven dat dit inderdaad mogelijk was, waarbij zij verschillende voorbeelden heeft gegeven.
Bovendien benadrukte de Commissie dat de beroepservaring een van de vereisten van de aankondiging van vergelijkend onderzoek was, die echter niet in de plaats kon komen van de gevraagde diploma's.
In een afzonderlijk deel van haar antwoord heeft de Commissie de Ombudsman een aantal als vertrouwelijk aangemerkte informatie bijgevoegd. De informatie betrof het totale aantal ontvangen sollicitaties voor vergelijkend onderzoek EURO/B/136 en het aantal kandidaten van elke nationaliteit dat tot de examens was toegelaten.
**Opmerkingen van klager De**
Ombudsman zond het standpunt van de Commissie door aan klager met een uitnodiging om opmerkingen te maken.
Met betrekking tot het gevraagde diploma voerde klager aan dat het belangrijke diploma uit zijn interpretatie van de aankondiging van vergelijkend onderzoek dat van het secundair onderwijs was, aangezien dat de basis van zijn kennis vormt, terwijl de tweejarige aanvullende studie geenszins noodzakelijk was, rekening houdend met de volledige cursussen die hij reeds had gevolgd en zijn relevante beroepservaring.
Andere onderzoeken
------------------
<br />
Om de redenen te verduidelijken waarom de Commissie een deel van haar advies als vertrouwelijk had beschouwd, schreef de Ombudsman de instelling op 9 juni 1999 een brief.
In het antwoord van de instelling van 9 augustus 1999 werd uiteengezet dat de als vertrouwelijk aangemerkte statistische informatie over de resultaten van het vergelijkend onderzoek aan de Ombudsman was toegezonden om hem alle relevante aspecten van de zaak te verschaffen, zoals in soortgelijke zaken voor de communautaire rechterlijke instanties het geval is.
De Commissie voegde daaraan toe dat noch de kandidaten noch derden toegang hebben tot deze statistische informatie, aangezien deze nauw verband houdt met de selectieprocedure van de jury, die vertrouwelijk moet zijn om invloed van buitenaf te voorkomen. Een deel van deze statistische informatie is opgenomen in driejaarlijkse verslagen die de Commissie overeenkomstig artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut aan het Parlement en de Raad toezendt.
BESLUIT
-------
<br />
**1 Vermeende oneerlijke uitsluiting van concurrentie**
1.1. Klager voerde aan dat de afwijzing door de jury van zijn sollicitatie naar deelname aan vergelijkend onderzoek EURO/B/136 op grond van het feit dat hij niet in het bezit was van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gevraagde diploma's, oneerlijk was.
1.2. De Commissie heeft verklaard dat de jury haar besluit uitsluitend heeft gebaseerd op de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde voorwaarden. Aangezien klager hieraan niet voldeed, kon zijn verzoek niet worden ingewilligd.
1.3. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikt de jury van een vergelijkend onderzoek op basis van kwalificaties en toetsen weliswaar over een beoordelingsmarge bij de beoordeling van de kwalificaties en de praktische ervaring van de kandidaten, maar is zij niettemin gebonden aan de bewoordingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. De basisfunctie van een aankondiging van vergelijkend onderzoek is volgens het Statuut de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk te informeren over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het ambt, zodat zij kunnen beoordelen of zij daarvoor moeten solliciteren en welke bewijsstukken van belang zijn voor de werkzaamheden van de jury en derhalve bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd[(1).](#(1)){#Footnote1}
Bovendien moet de jury, wanneer zij besluit een kandidaat niet tot de examens toe te laten, nauwkeurig aangeven aan welke voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek de kandidaat geacht wordt niet te hebben voldaan[(2).](#(2)){#Footnote2}
1.4. In de aankondiging van vergelijkend onderzoek EURO/B/136 werden alle noodzakelijke voorwaarden vermeld waaraan de aanvragers moesten voldoen. Een van de voorwaarden van titel III, deel B, punt 2, van de kennisgeving was dat de betrokkene een voortgezette opleiding en ten minste twee jaar bijscholing op het gebied van gegevensverwerking en/of telecommunicatie had gevolgd en een door een bevoegde instantie erkend diploma had behaald. Klager heeft niet aangetoond dat hij over dergelijke kwalificaties beschikt.
1.5. De Ombudsman merkt op dat uit de door klager en de Commissie verstrekte informatie blijkt dat de jury in overeenstemming met de aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft gehandeld door te besluiten dat de sollicitatie van klager niet kon worden aanvaard omdat hij niet aan de vereiste voldeed.
1.6. Met betrekking tot de verplichting van de jury om nauwkeurig aan te geven aan welke voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek de kandidaat geacht wordt niet te hebben voldaan, merkt de Ombudsman op dat de jury in haar brieven van 25 januari 1999 en 2 maart 1999 specifiek heeft verwezen naar punt III.B 2 en klager de redenen heeft gegeven voor zijn uitsluiting van het vergelijkend onderzoek.
**2 Conclusie Het**
onderzoek van de Europese Ombudsman naar deze klacht heeft geen bewijs van wanbeheer door de Europese Commissie aan het licht gebracht. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
VERDERE OPMERKINGEN
-------------------
<br />
Om de redenen te verduidelijken die de Commissie ertoe hadden gebracht een deel van haar advies als vertrouwelijk te beschouwen, schreef de Ombudsman de instelling een brief. In haar antwoord verklaarde de Commissie dat alle informatie aan de Ombudsman was toegezonden om hem alle relevante aspecten van de zaak te verstrekken. De Commissie voegde daaraan toe dat noch de kandidaten noch derden toegang hebben tot deze statistische informatie, aangezien deze nauw verband houdt met de selectieprocedure van de jury, die vertrouwelijk moet zijn om invloed van buitenaf te voorkomen.
Zoals de Ombudsman reeds heeft verklaard in de zaken 1108/98/BB en 1276/98/(PD)JMA, kan hij, gelet op de inhoud van de door de Commissie verstrekte informatie, de redenering die de Commissie tot een dergelijke indeling heeft gebracht, niet begrijpen. De Ombudsman is het niet eens met het standpunt van de Commissie dat de openbaarmaking van statistische informatie over het aantal kandidaten dat tot het vergelijkend onderzoek is toegelaten of die uiteindelijk op de reservelijst zijn geplaatst, afbreuk zou kunnen doen aan de geheimhouding van de werkzaamheden van de jury of enige invloed zou kunnen hebben op haar kandidatenkeuze.
De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
Jacob SÖDERMAN
*** ** * ** ***
[(1)](#Footnote1){#(1)} Zaak T-158/89, *Van Hecken/Economisch en Sociaal Comité,* Jurispr. 1991, blz. II-1341.
[(2)](#Footnote2){#(2)} Gevoegde zaken 4, 19 en 29/78, *Salerno e.a./Commissie,* Jurispr. 1978, blz. 2403; zaak T-108/84, *De Santis/Rekenkamer,* Jurispr. 1985, blz. 947.