Vai vēlaties iesniegt sūdzību par ES iestādi vai struktūru?

Meertaligheid in de EU-instellingen- Verslag van de openbare raadpleging

NB: De opvattingen in dit verslag geven de bijdragen aan de openbare raadpleging weer en vertolken niet het standpunt van de Europese Ombudsman.

Februari 2019

 

1. Inleiding

In juli 2018 heeft de Ombudsman een openbare raadpleging georganiseerd over het gebruik van talen in de instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de EU (hierna ‘de EU-organen’ genoemd).

De raadpleging was bedoeld om de discussie over dit onderwerp te stimuleren, tegen de achtergrond van de noodzaak om respect voor en ondersteuning van taalkundige diversiteit te verzoenen met administratieve en budgettaire beperkingen. De raadpleging had betrekking op vier hoofdonderwerpen:

I. regels en praktijken;

II. het gebruik van talen op websites;

III. het gebruik van talen bij openbare raadplegingen; en

IV. de behoefte aan nieuwe wetgeving, de vertaalkosten en de mogelijkheden die worden geboden door machinevertaling.

De Ombudsman heeft 286 antwoorden ontvangen. Sommige respondenten zijn slechts op enkele van de gestelde vragen ingegaan.

Drie antwoorden zijn ingestuurd door lidstaten, twee door EU-agentschappen, één door een regionale autoriteit, 33 door niet-gouvernementele organisaties of verenigingen en 247 door particulieren (zie bijlage).

De Ombudsman heeft reacties ontvangen in 19 officiële EU-talen, te weten Frans (95), Engels (57), Italiaans (32), Spaans (25), Duits (21), Nederlands (18), Slowaaks (14), Hongaars (3), Pools (3), Portugees (3), Iers (2), Zweeds (2), Tsjechisch (2), Bulgaars (1), Kroatisch (1), Deens (1), Fins (1), Grieks (1) en Roemeens (1). Er is één reactie ingestuurd in het Latijn, één in het Esperanto en één in het Catalaans.

2. Samenvatting

  •  Er is brede steun voor meertaligheid.
  •  Onder bepaalde omstandigheden kunnen beperkingen in het gebruik van talen worden toegestaan, maar deze moeten worden gemotiveerd in een taalbeleid dat op de website van elk van de EU-organen wordt bekendgemaakt. Dit beleid moet in alle officiële EU-talen beschikbaar zijn.
  •  Een beleid inzake ‘vertalingen op verzoek’ wordt beschouwd als een nuttige voorzorgsmaatregel.
  •  De websites van de EU-organen moeten, in elk geval tot op zekere hoogte, in alle officiële EU-talen beschikbaar zijn.
  •  Over het algemeen wordt de publicatie van samenvattingen van belangrijke kwesties in alle of de meeste officiële talen beschouwd als een goed compromis wanneer volledige meertaligheid niet haalbaar wordt geacht.
  •  Openbare raadplegingen moeten, gezien het karakter ervan, als algemene regel in zo veel mogelijk officiële EU-talen beschikbaar zijn.
  • Het zou nuttig zijn om het maximum uit het potentieel van machinevertaling te halen, op zijn minst als hulpmiddel voor menselijke vertalers.

3. Antwoorden

I. Regels en praktijken met betrekking tot beperkingen in het gebruik van talen

Gebrek aan transparantie (vraag 1)

Er is sprake van gebrek aan transparantie (en aan formele regels) betreffende de wijze waarop de verschillende onderdelen van het EU-bestuur informatie in de verschillende officiële talen van de EU beschikbaar maken. Dit betreft onder meer de criteria waarmee wordt bepaald welke taal of talen in een bepaalde context gebruikt worden. Wat kan aan deze lacunes worden gedaan? Moeten er aanvullende criteria worden toegepast, en zo ja, welke?

Verreweg de meeste respondenten vinden het huidige gebrek aan transparantie onwenselijk, omdat dit leidt tot willekeur, inconsistenties en discriminatie. Er moeten regels worden ingevoerd om de lacunes op te vullen. De meningen over de inhoud (vraag 2) en de vorm (vraag 8) van die regels lopen uiteen.

Veel respondenten verwijzen naar de beginselen van taalkundige diversiteit en gelijkwaardigheid van talen. Zij merken op dat taal een essentieel onderdeel vormt van de identiteit van burgers. Taalbarrières belemmeren de burgerparticipatie in discussies en besluitvorming op EU-niveau. De vrees bestaat dat beperkingen in het gebruik van talen leiden tot bevoorrechte toegang voor bepaalde lidstaten, burgers en marktdeelnemers en tot een vermindering van de algehele legitimiteit van de EU.

Veel respondenten merken op dat toegang tot informatie in een taal die burgers begrijpen, essentieel is voor het vertrouwen in (de diensten van) de EU en om achterdocht, desinteresse en euroscepsis tegen te gaan.

Drie modellen voor een taalbeleid

De respondenten stellen drie algemene modellen voor een taalbeleid voor de EU-organen voor:

1. Beperkte meertaligheid

Het grootste deel van de respondenten die op deze vraag hebben gereageerd (102), is voorstander van een vorm van beperkte meertaligheid. Zij stellen dat informatie altijd in minimaal drie tot vijf veelgebruikte officiële talen beschikbaar moet zijn (Engels, Frans en Duits, en eventueel Italiaans en Spaans). De andere officiële talen hoeven alleen te worden gebruikt wanneer aan bepaalde criteria is voldaan. De volgende informatie moet altijd in alle officiële talen beschikbaar zijn:

  •  documenten/informatie met belangrijke financiële gevolgen voor burgers en kleine en middelgrote ondernemingen, zoals Erasmus+, kennisgevingen van vacatures, aanbestedingen of richtsnoeren voor EU-projecten;
  •  informatie die in het bijzonder van invloed is op het leven van burgers, bijvoorbeeld over onderwijs, gezondheid, de rechten van burgers en sociale zekerheid;
  •  documenten waaruit rechten en verplichtingen voor burgers voortvloeien;
  •  openbare raadplegingen;
  •  bepaalde persberichten.

De volgende aanvullende criteria worden genoemd:

  •  Indien informatie/een document specifiek betrekking heeft op/gericht is aan bepaalde lidstaten of burgers, moet deze informatie of dit document beschikbaar zijn in de officiële taal/talen van de betreffende lidstaten of burgers.
  •  Voor bepaalde specialistische gebieden, zoals wetenschappelijk onderzoek, kunnen beperkingen in het gebruik van talen gerechtvaardigd zijn.
  •  Er moet rekening worden gehouden met de urgentie en het politieke belang van informatie.
  •  In het geval van gedecentraliseerde EU-organen moet rekening worden gehouden met de taal van de lidstaat waar het orgaan gevestigd is.

2. Onbeperkte meertaligheid

18 respondenten willen volledige meertaligheid, waarbij altijd alle officiële EU-talen moeten worden gebruikt en alle vertalingen altijd tegelijk beschikbaar moeten zijn.

3. Op weg naar een ‘lingua franca’

46 respondenten pleiten voor een gemeenschappelijke taal die door alle EU-burgers wordt gesproken. Er zijn in dit verband twee benaderingen: vier respondenten beschouwen een van de huidige werktalen (het Engels) als de ideale optie. 41 respondenten zijn sterk voorstander van het gebruik van een gemeenschappelijke maar neutrale taal zoals het Esperanto.

Toezicht op meertaligheid

Een aantal respondenten stelt mechanismen voor om toezicht te houden op de inachtneming van meertaligheid door de EU-organen. Voorbeelden hiervan zijn:

  •  de oprichting van een ‘waarnemingscentrum voor meertaligheid’, dat permanent toezicht uitoefent op dit gebied;
  •  de aanstelling van een ‘pleitbezorger voor meertaligheid’, een soort ombudsman gespecialiseerd in meertaligheid, of een auditorgaan dat bevoegd is om sancties op te leggen in geval van niet-naleving;
  • statistieken over het gebruik van talen in de EU-organen ter verbetering van de transparantie.
Taalbeleid (vraag 2)

Moet iedere EU-instelling een taalbeleid hebben, en zo ja, wat moet een taalbeleid inhouden? Moet dit taalbeleid op de websites van de instellingen worden gepubliceerd? Hoe gedetailleerd moet zo’n beleid zijn met betrekking tot specifieke gevallen waarin de taalkeuze beperkt is?

Wenselijkheid van een taalbeleid

De meeste respondenten (175) zijn voorstander van een taalbeleid. Over de vraag of het beleid moet gelden voor alle EU-organen als geheel dan wel toegesneden moet zijn op elk orgaan afzonderlijk, lopen de meningen uiteen. Er komen drie hoofdopties naar voren:

1. Eén algemeen beleid: 52 respondenten zijn van mening dat één algemeen beleid de transparantie van en de duidelijkheid over het gebruik van talen in de EU-organen zou bevorderen. Over de vraag of het ook voor EU-agentschappen moet gelden, verschillen de meningen.

2. Eén algemeen beleid dat echter op elk EU-orgaan afzonderlijk wordt afgestemd: Een tweede optie (17 respondenten) is een algemeen beleid waarin de basisbeginselen voor het talengebruik worden uiteengezet die voor alle EU-organen gelden. Dit algemene beleid zou dan op de specifieke taken en functie van ieder EU-orgaan worden afgestemd.

3. Afzonderlijk beleid: Vanwege de significante verschillen tussen de EU-organen qua taken en functies zou een algemeen taalbeleid niet praktisch zijn (7 respondenten).

Bekendmaking van een taalbeleid

De respondenten zijn het erover eens dat een taalbeleid moet worden bekendgemaakt op de websites van de EU-organen en beschikbaar moet zijn in alle officiële EU-talen. Volgens twintig respondenten is het nuttig om op de website de mogelijkheid te bieden op het taalbeleid te reageren, zodat het publiek feedback kan geven op de inhoud en uitvoering van het beleid.

Gedetailleerdheid van een taalbeleid

Er bestaat onder de respondenten brede overeenstemming dat in een taalbeleid moet worden vastgesteld welke talen de EU-organen in welke situaties gebruiken. Het beleid moet voor burgers eenvoudig te begrijpen zijn.

Wat de gedetailleerdheid betreft:

  •  geven sommige respondenten de voorkeur aan een (zeer) gedetailleerd taalbeleid, waarin beperkingen op basis van heldere criteria worden gemotiveerd, zodat willekeur wordt voorkomen;
  •  geven sommige respondenten de voorkeur aan een algemener en flexibel taalbeleid, waarin de basisbeginselen uiteengezet worden van de situaties waarin en de redenen waarom het gebruik van talen kan worden beperkt. Het taalbeleid moet beknopt, consistent en logisch zijn. Om het werkbaar te houden, moet het echter flexibel zijn en de mogelijkheid van beoordeling per geval bieden.
Vertalingen op verzoek (vraag 3)

Moet iedere instelling een beleid hebben betreffende de omstandigheden waaronder zij op verzoek vertalingen van informatie of van documenten kan verstrekken? Zo ja, hoe kan dit beleid zo worden vormgegeven dat buitensporige kosten worden vermeden?

Ja of nee?

Ja: 114 respondenten zeggen dat er een beleid moet zijn voor het leveren van vertalingen op verzoek om de toegang van burgers tot informatie te garanderen. Dat beleid moet onderdeel zijn van een (algemeen) taalbeleid.

Nee: 31 respondenten zeggen dat de EU-organen geen beleid moeten hebben voor het leveren van vertalingen op verzoek, om verschillende redenen:

  •  vertalingen op verzoek zijn onnodig, zolang beperkingen in het gebruik van talen voldoende worden gemotiveerd in een gedetailleerd taalbeleid;
  •  het risico van misbruik door aanvragers die niet te goeder trouw zijn;
  •  te duur;
  •  één respondent, het Europees Agentschap voor chemische stoffen, vreest dat het recht om op verzoek vertalingen te ontvangen ervoor zou kunnen zorgen dat het agentschap zijn wettelijk vastgelegde uiterste termijnen niet haalt.
Vermijding van buitensporige kosten

Een groep respondenten is het er niet mee eens dat een beleid voor vertalingen op verzoek tot ‘buitensporige kosten’ zou leiden. Eén respondent vat dit standpunt als volgt samen: "[a]an democratie hangt nou eenmaal een prijskaartje. En dat prijskaartje kan nooit te zwaar zijn."

Andere respondenten stellen de volgende maatregelen ter vermijding van buitensporige kosten voor (zie ook de antwoorden op vraag 9):

  •  alleen vertalingen op verzoek leveren van belangrijke documenten (bijvoorbeeld over de rechten van burgers) of documenten die minimaal een jaar geldig blijven;
  •  alleen vertalingen op verzoek leveren als de aanvrager de noodzaak ervan kan aantonen[1];
  •  (bewerkte) machinevertalingen leveren, eventueel voorzien van een disclaimer;
  •  (hulp)middelen beter benutten door een gemeenschappelijke pool van middelen voor alle EU-organen op te zetten, bijvoorbeeld in de vorm van een centrale vertaaldienst;
  •  de kans op misbruik beperken, bijvoorbeeld door EU-organen de mogelijkheid te geven bepaalde verzoeken af te wijzen;
  •  specifieke financiële middelen reserveren voor vertalingen op verzoek;
  •  vertalingen alleen digitaal leveren;
  •  een neutrale, gemeenschappelijke taal gebruiken om de vertaalkosten te verlagen;
  •  een ‘verzoekschriftmodel’ invoeren waarbij een document alleen wordt vertaald als een significant aantal personen om een vertaling vraagt;
  •  de taak van het vertalen op verzoek toevertrouwen aan de vertegenwoordigers van de EU in de verschillende EU-lidstaten;
  • de kosten in rekening brengen bij de betreffende EU-lidstaten;
  •  controleren of er al een vertaling beschikbaar is in een lidstaat, bijvoorbeeld door ‘een gemeenschappelijk vertaalplatform’ op te zetten om de uitwisseling van informatie tussen nationale vertaalbureaus te verbeteren;
  •  de lengte van documenten en informatie op internet verminderen.

De respondenten zijn het oneens over de vraag of er kosten in rekening moeten worden gebracht voor vertalingen op verzoek. De voorstanders stellen dat een vergoeding niet alleen de vertaalkosten zou dekken maar ook afschrikkend zou werken tegen misbruiken. Tegenstanders stellen dat het discriminerend zou zijn om sommige burgers te laten betalen, terwijl andere burgers gratis toegang tot dezelfde informatie hebben in hun moedertaal.

II. EU-websites

Algemene taalbeginselen (vraag 4)

Welke algemene taalbeginselen moeten voor de websites van EU-instellingen gelden? Welke delen van EU-websites in het bijzonder moeten volgens u in alle of de meeste EU-talen beschikbaar zijn?

De respondenten zijn verdeeld waar het gaat om onbeperkte of beperkte meertaligheid voor EU-websites. Eén groep respondenten (81) is van mening dat alle onderdelen van EU-websites in alle officiële talen beschikbaar moeten zijn, zodat de democratische legitimiteit en de gelijkwaardigheid van talen zijn gewaarborgd. Een kleinere groep is van oordeel dat alle EU-websites ten minste in het Engels, Duits en Frans en eventueel in andere talen beschikbaar moeten zijn. Weer een andere groep wil alles in één gemeenschappelijke, neutrale taal.

Zeventig respondenten zijn van mening dat de onderdelen van EU-websites die voor het ‘grote publiek’ van belang zijn, in alle officiële EU-talen beschikbaar moeten zijn, bijvoorbeeld:

  •  de ‘Over ...’-rubriek, waarin de functie en het doel van een EU-orgaan worden beschreven, inclusief contactgegevens;
  •  rubrieken met nieuws, persberichten en recente ontwikkelingen;
  •  websites:
    •  over volksgezondheid, onderwijs, economie, rechten van reizigers, voedselveiligheid, veiligheid op het werk of rechten van burgers;
    •  met informatie over subsidies, aanbestedingen en andere inkoop- of financieringsprogramma's;
    •  in verband met belangrijke beleidsinitiatieven, juridische kwesties en richtsnoeren voor het naleven van verplichtingen op grond van EU-wetgeving;
    •  met vacatures;
    •  van het EU-voorzitterschap.

Voor de overige onderdelen van EU-websites, die op een specifieker publiek zijn gericht, kan een beperkter gebruik van talen gerechtvaardigd zijn[2].

Samenvattingen in alle of de meeste officiële talen (vraag 5)

Is het nuttig om samenvattingen van belangrijke kwesties in alle of de meeste officiële talen te laten publiceren?

Ongeveer twee derde van de respondenten vindt het nuttig om in alle of de meeste officiële talen samenvattingen van belangrijke kwesties te publiceren.

Veel van de respondenten die voorstander van samenvattingen zijn, vinden dit een goed compromis. 62 respondenten zijn van mening dat de samenvattingen in alle officiële EU-talen beschikbaar moeten zijn. Een aantal respondenten vindt samenvattingen in de drie, vier of vijf meest gesproken talen voldoende. Andere respondenten stellen dat het samenvatten van informatie het risico meebrengt dat de boodschap van de informatie mogelijk deels verloren gaat en dat het een vorm van discriminatie is van degenen die alleen toegang hebben tot de samengevatte tekst.

Beperkingen in het gebruik van talen (vraag 6)

Is het aanvaardbaar om in bepaalde omstandigheden materiaal in een klein aantal talen in plaats van in alle officiële talen te verstrekken? Zo ja, aan de hand van welke criteria moeten deze talen dan worden gekozen (bijvoorbeeld aantal sprekers van de desbetreffende taal, niveau van taalkundige diversiteit onder de bevolking...)?

Ja of nee?

Ja: De meeste (119) respondenten die op deze vraag hebben gereageerd, vinden het, onder bepaalde omstandigheden en om pragmatische redenen, acceptabel om materiaal slechts in een klein aantal talen aan te bieden. Een aantal respondenten verbindt daar voorwaarden aan, bijvoorbeeld dat beslissingen hierover helder worden toegelicht en onderbouwd, of dat de beperkingen gepaard gaan met de mogelijkheid van vertalingen op verzoek.

Nee: 84 respondenten verklaren zich voorstander van onbeperkte meertaligheid, waarbij alle vormen van beperking in het gebruik van talen discriminerend en dus onaanvaardbaar zijn.

Criteria voor de taalkeuze

De respondenten verschillen van mening over de criteria die moeten worden gebruikt voor de keuze van officiële talen.

Veel respondenten vinden het effect, de relevantie of het belang van de informatie voor een bepaalde groep burgers, lidstaten of het grote publiek het belangrijkste criterium. Naar hun mening moeten de talen zo worden gekozen dat iedereen op wie de informatie van toepassing is, deze kan begrijpen. Dat zou betekenen dat bepaalde, zeer specifieke informatie, die vaak aan deskundigen is gericht, slechts in een beperkt aantal talen beschikbaar zou hoeven te zijn.

Een aantal respondenten is van mening dat het aantal sprekers van de gekozen talen een geschikt criterium vormt, op basis van een minimumpercentage van de Europese bevolking[3] dat door de gekozen officiële talen moet worden bestreken, of op basis van de meest gesproken officiële talen. Andere respondenten zijn fel tegen het aantal sprekers als criterium, omdat dit per definitie discriminatie van kleinere bevolkingsgroepen en hun talen zou betekenen.

Een aantal respondenten vindt dat voorkeur moet worden gegeven aan de werktalen van de diensten van de EU (voor sommige EU-organen zijn dat Engels, Frans en Duits) of de talen die in meer dan één lidstaat een officiële taal zijn.

III. Openbare raadplegingen

Beleid van de Commissie (vraag 7)

Volgens nieuwe interne regels die de Europese Commissie in april 2017 heeft vastgesteld, moeten documenten die verband houden met openbare raadplegingen omtrent “prioritaire initiatieven” in het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie, in alle officiële EU-talen worden vertaald. Alle overige openbare raadplegingen moeten ten minste in het Engels, Frans en Duits beschikbaar worden gemaakt. Openbare raadplegingen van “algemeen openbaar belang” moeten in aanvullende talen beschikbaar worden gemaakt. Bovendien “moeten raadplegingspagina’s of samenvattingen daarvan in alle officiële EU-talen worden vertaald”.

Wordt met dit beleid naar uw mening het juiste evenwicht aangehouden tussen enerzijds het respecteren en in stand houden van taalkundige diversiteit, en anderzijds administratieve en budgettaire beperkingen? Is dit het type beleid dat redelijkerwijs door andere EU-instellingen overgenomen kan worden?

Ongeveer de helft van de respondenten (124) zegt dat een juiste balans ontbreekt in het beleid van de Commissie. Verreweg de meesten van deze respondenten vinden het huidige beleid van de Commissie ontoereikend, om de volgende redenen:

  •  Veel respondenten (50) betreuren de vage definitie van bepaalde kernbegrippen, zoals ‘algemeen openbaar belang’, ‘extra talen’ en ‘prioritaire initiatieven’. Dit laat de Commissie veel speelruimte, wat zou kunnen leiden tot een willekeurige toepassing van het beleid.
  •  Veel respondenten (49) zijn van mening dat raadplegingen in alle officiële EU-talen beschikbaar moeten zijn. Hun argument is dat de EU-organen, gelet op het karakter van de openbare raadplegingen, ervoor moeten zorgen dat alle burgers op voet van gelijkheid eraan kunnen deelnemen. Beperkingen zouden de uitzondering moeten vormen, niet andersom.
  •  Veel respondenten (46) zien niet in waarom Engels, Frans en Duits een bevoorrechte status zouden moeten hebben bij openbare raadplegingen. Deze status werkt ongelijkwaardigheid van talen in de hand.
  •  Een aantal respondenten (9) vindt dat het minimumaantal van drie talen moet worden uitgebreid met andere officiële talen (waaronder Spaans en Italiaans).
  •  Enkele respondenten (6) maken zich zorgen over de praktische kant. In hoeverre wordt het beleid van de Commissie uit 2017 in de praktijk toegepast? Op welk moment in de raadplegingsperiode komen de verschillende vertalingen beschikbaar?

64 respondenten zijn van mening dat het taalbeleid van de Commissie uit 2017 voor openbare raadplegingen geschikt is. Sommigen noemen het beleid een belangrijke eerste stap en stellen zelfs voor om het door andere EU-organen te laten overnemen. Op dit punt merkt één respondent, het Europees Agentschap voor chemische stoffen, op dat het lastig is om exact hetzelfde beleid over te nemen bij andere organen, omdat openbare raadplegingen van de Commissie kunnen verschillen van die van andere EU-organen, bijvoorbeeld wat de doelgroep betreft.

Enkele respondenten (5) vinden het beleid van de Commissie uit 2017 te kostbaar en zijn van mening dat publicatie in alleen het Engels of in het Engels, Frans en Duits voldoende is.

IV. Overige onderwerpen

Nieuwe EU-wetgeving (vraag 8)

De enige specifieke wetgeving betreffende taalgebruik voor het EU-bestuur stamt uit 1958, toen er vier lidstaten en vier officiële talen waren. Is in de huidige omstandigheden nieuwe wetgeving naar uw mening nuttig? Of bent u van mening dat taalkwesties het best buiten een gedetailleerd juridisch kader kunnen worden behandeld?

De meeste respondenten (126) op deze vraag zijn van mening dat nieuwe wetgeving of een evaluatie van de bestaande Verordening 1/1958 nuttig zou zijn. In een aantal antwoorden wordt aangegeven dat dergelijke herziene wetgeving meertaligheid moet ondersteunen door de taalrechten van burgers uitvoerig te beschrijven. Een aantal respondenten licht hun antwoord toe door te stellen dat nieuwe wetgeving weliswaar wenselijk is, maar dat een herziening van Verordening 1/1958 weleens een ‘doos van Pandora’ zou kunnen zijn.

De respondenten stellen de volgende wijzigingen in Verordening 1/1958 voor:

  •  EU-instellingen niet slechts de mogelijkheid geven maar verplichten om interne regels over het gebruik van talen vast te stellen (artikel 6);
  •  het recht op het ontvangen van vertalingen op verzoek toevoegen;
  •  Verordening 1/1958 aanpassen op basis van artikel 11 van het Verdrag betreffende de werking van de EU, op grond waarvan de Commissie verplicht is brede openbare raadplegingen te organiseren en EU-instellingen verplicht zijn een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld te onderhouden;
  •  een neutrale, gemeenschappelijke taal invoeren.

34 respondenten zijn tegen nieuwe wetgeving of herziening van Verordening 1/1958. Zij zijn van mening dat Verordening 1/1958 op zich toereikend en actueel is en dat de gelijkwaardigheid van alle 24 officiële talen behouden moet blijven. De uitdaging is eerder gelegen in het feit dat de bestaande wetgeving op de juiste manier moet worden toegepast.

Een aantal respondenten stelt voor om taalkwesties af te handelen zonder gedetailleerd rechtskader. Er worden verschillende suggesties gedaan:

  •  vaststelling van (algemene) richtsnoeren door EU-organen;
  •  bijwerking van de mededeling van de Commissie over vertaling als onderdeel van het besluitvormingsproces van de Commissie (2016);
  •  een gedragscode op het gebied van meertaligheid;
  •  een interinstitutioneel akkoord op basis waarvan elk EU-orgaan zijn eigen taalbeleid vaststelt; en
  •  aanbevelingen van de Europese Ombudsman.
Vertaalkosten (vraag 9)

Iedere toename in het volume van informatie en documenten die in alle EU-talen worden gepubliceerd, zal extra vertaalkosten met zich meebrengen. Hoe zou dit volgens u bekostigd moeten worden? Door elders in de EU-begroting te snijden? Door middel van aanvullende gereserveerde middelen die de lidstaten in kwestie bijdragen? Via andere middelen?

De antwoorden op deze vraag lopen uiteen, afhankelijk van het taalbeleidsmodel waarvan de respondenten voorstander zijn.

Volgens sommige respondenten zijn de vertaalkosten niet buitensporig en moet de vraag worden omgedraaid: “Wat zijn de kosten van niet vertalen?” Meer bepaald: “Vertalen, ofwel informatie en de mogelijkheid voor elke burger om te begrijpen wat er aan de hand is, lijkt mij geen secundaire uitgave maar een democratische verplichting in een context waarin de Unie vaak verkeerd wordt begrepen en wordt afgewezen” (antwoord in het Frans ingestuurd).

De respondenten hebben meerdere suggesties gedaan om de (extra) vertaalkosten te dekken:

  •  62 respondenten stellen dat de vertaalkosten uit de algemene EU-begroting moeten worden betaald. Anders zouden de kleinere lidstaten meer voor vertalingen moeten betalen dan de grotere lidstaten.
  •  Een aantal respondenten (22) gaat nog verder en eist dat de lidstaten waar een van de ‘bevoorrechte talen’ wordt gesproken, meer betalen om dit voordeel te compenseren.
  •  Aan de andere kant is een aantal respondenten (24) van mening dat de lidstaten die extra vertalingen in hun officiële taal willen, de kosten daarvan voor hun rekening moeten nemen.
  •  Veel respondenten doen suggesties voor het verlagen van de vertaalkosten:
    •  één pool maken van alle vertaal(hulp)middelen van alle EU-organen;
    •  meer gebruikmaken van machinevertaling (zie ook vraag 10);
    •  de hoeveelheid teksten verlagen;
    •  de kwaliteit van de teksten verhogen;
    •  vertalingen uitbesteden aan externe vertalers;
    •  de concurrentie tussen vertaalbureaus bevorderen door middel van transparante aanbestedingen;
    •  de vertaaltarieven van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie verlagen om deze in overeenstemming te brengen met de tarieven in de particuliere vertaalsector;
    •  het reviseren van reeds vertaalde documenten vermijden;
    •  spoedvertalingen voorkomen;
    •  samenwerken met nationale vertaaldiensten, bijvoorbeeld door een gemeenschappelijk vertaalplatform op te zetten om dubbel werk te voorkomen.
Machinevertalingen (vraag 10)

In hoeverre kunnen vertalingen tussen de verschillende EU-talen worden verzorgd door middel van technologie? Zijn “machinevertalingen”, zelfs als die niet altijd nauwkeurig zijn, aanvaardbaar als hiermee documenten sneller en tegen lagere kosten in vertaling beschikbaar komen dan anders het geval zou zijn?

De respondenten zien een uitdaging in het vinden van de juiste balans tussen het potentieel van machinevertalingen en het risico van onnauwkeurigheden: “Soms zijn machinevertalingen beter dan niets, maar soms ook slechter dan niets.

Voor bijna de helft van de respondenten (134) slaat de balans door naar de kant van machinevertalingen. Hoewel de huidige problemen in verband met het gebruik ervan duidelijk worden onderkend, zijn verschillende respondenten (17) van mening dat er meer moet worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van vertaaltechnologieën. Tegelijkertijd stellen de meeste respondenten voorwaarden aan het gebruik van machinevertalingen op dit moment, bijvoorbeeld dat machinevertalingen:

  •  alleen als hulpmiddel mogen worden gebruikt[4] of wanneer ze door een menselijke vertaler worden gereviseerd of gecorrigeerd;
  •  niet mogen worden gebruikt voor documenten die de hoogst mogelijke mate van nauwkeurigheid vereisen, zoals juridische of financiële documenten;
  •  alleen met een disclaimer mogen worden gebruikt, zodat duidelijk is dat de tekst door een machine is vertaald en mogelijk niet nauwkeurig is;
  • alleen als overgangsoplossing mogen worden gebruikt, totdat een ‘echte’ vertaling beschikbaar is;
  •  gepaard moeten gaan met de mogelijkheid om op verzoek ‘echte’ vertalingen te ontvangen.

Een aantal respondenten geeft voorbeelden van situaties waarin machinevertalingen vaker zouden kunnen worden gebruikt, zoals voor webcontent, eenvoudige of korte teksten, interne documenten of vertalingen naar niet-officiële talen.

Voor ongeveer een kwart van de respondenten (73) slaat de balans door naar niet-gebruik van machinevertalingen. Een deel van de respondenten (28) benadrukt de onbetrouwbaarheid en ontoereikende kwaliteit ervan. Het gebruik van machinevertaling brengt een risico van discriminatie van EU-burgers mee, als een aantal officiële talen ‘echt’ wordt vertaald en de andere niet. Een aantal respondenten waarschuwt voor de circulatie van ‘grijze’ vertalingen, waarbij het risico bestaat dat er ‘nepnieuws’ wordt geproduceerd. Als machinevertaling al mag worden gebruikt, mag dat alleen als hulpmiddel bij menselijke vertalingen (14 respondenten).

4. Overzicht van overige naar voren gebrachte punten

Gebruik van regionale of minderheidstalen door EU-organen

Een aantal respondenten vermeldt het belang van regionale en minderheidstalen in de EU-lidstaten die niet de status van officiële taal hebben maar wel veel gesproken worden of een essentieel onderdeel van de identiteit uitmaken. Er worden suggesties gedaan om dergelijke talen meer erkenning te geven op EU-niveau:

  •  op EU-websites plaats inruimen voor deze talen;
  •  kwesties met betrekking tot minderheden in de betreffende taal/talen publiceren;
  •  samenvattingen van belangrijke kwesties en openbare raadplegingen in regionale of minderheidstalen beschikbaar maken;
  • Verordening 1/1958 zo aanpassen dat regionale of minderheidstalen worden beschermd.
Gevolgen van de Brexit

Een aantal respondenten merkt op dat het Engels als gevolg van de Brexit in maart 2019 minder dominant en minder belangrijk moet worden binnen de interne en externe communicatie van de (diensten van de) EU.

Bijlage: Lijst van bijdragen

Lidstaten

Frankrijk - Secrétariat Général des Affaires Européennes

Italië - Permanent Representation of Italy to the EU

Spanje - Secretaría de Estado para la Unión Europea

Instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de EU

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)

Regionale overheden

Vlaamse Overheid

Organisaties

European Language Equality Network

Kotimaisten kielten keskus (Finnish Centre of Domestic Languages)

Oifig an Choimisinéara Teanga, Ireland

Conradh na Gaeilge (Gaelic League), Ireland

Europa Esperanto Unio (2 contributions)

Esperanto France

Europe-Démocratie-Esperanto (2 contributions)

Comité Pauvreté et Politique, France

DLF Bruxelles-Europe

Internacia Scienca Instituto "Ivo Lapenna"

Matris lingua, I want my language back

Observatoire européen du plurilingualisme

Panhellenic Association of Translators

Délégation des Barreux de France (au nom du Conseil national des Barreux, du Barreau de Paris et de la Conférence des Bâtonniers)

Centre d'Etudes Jacques Georgin

GEM+ "Pour une gouvernance européenne multilingue" asbl

AlumISIT

Plataforma per la Llengua

Česká esperantská mládež, z.s. (Czech Esperanto Youth)

Wirtschaftskammer Österreich

Irish Translators' and Interpreters' Association

FIT Europe, Regional Centre of the International Federation of Translators

International Certificate Conference Languages (ICC)

Cornish Language Board

Stiftung Lichterfeld

Zentralverband des Deutschen Handwerks e.V.

Exilio - Hilfe für Migranten, Flüchtlinge und Folterüberlebende e.V.

Interkultura Centro Herzberg (Esperanto-Gesellschaft Südharz)

EsperantoLand e.V.

Verein Deutsche Sprache e.V.

Budapesti Orvos-Egészségügyi Eszperantó Szakcsoport

Academische wereld

Eòghann Dickson, University of Glasgow

Federico Gobbo, University of Amsterdam

Angelo Ariemma, Università degli Studi "La Sapienza" di Roma

Daniel Gonçalves, University of Lisbon

Jean-Claude Barbier, Université Paris 1 Panthéon Sorbonne

Universitat Rovira i Virgili

Michele Gazzola, Ulster University

Universidade do Algarve

François Grin, Université de Genève

Christoph Knabe, Beuth-Hochschule für Technik Berlin

Robert Phillipson, Copenhagen Business School

Isabelle Pingel, Université Paris 1 Panthéon Sorbonne

Victor Ginsburgh, Université Libre de Bruxelles / Université catholique de Louvain & Juan D. Moreno-Ternero, Universidad Pablo de Olavide

Particulieren

Er zijn 234 bijdragen van particulieren ontvangen.

 

[1] De noodzaak moet per geval worden beoordeeld. De respondenten stellen verschillende varianten van deze eis voor: aanvragers moeten i) een reden geven, ii) een ‘rechtmatig belang’ aantonen, of iii) aantonen dat het document op een of andere manier gevolgen voor hen heeft.

[2] Eén variant van dit idee is het invoeren van een regeling op basis van een onderscheid tussen hoofdwebsites van de EU (zogeheten niveau 1-websites) en meer gedetailleerde of technische EU-websites (niveau 2-websites). Binnen deze groep respondenten komen verschillen naar voren met betrekking tot het aantal officiële talen dat voor elk type website moet worden gebruikt. In dit verband worden met name de volgende twee mogelijkheden genoemd:

· alle officiële EU-talen gebruiken voor de hoofdwebsites van de EU en een minimumaantal talen voor de overige, meer gedetailleerde of technische websites (Engels, Frans, Duits en eventueel Italiaans en/of Spaans) of deze websites door middel van machinevertaling naar alle officiële talen vertalen;

· een beperkt aantal officiële EU-talen gebruiken voor de hoofdwebsites (Engels, Frans, Duits en eventueel Italiaans en/of Spaans) en minder talen (bijvoorbeeld Engels, Frans en Duits of alleen Engels) voor de meer gedetailleerde of technische websites.

[3] De respondenten noemen 60, 75, 80 of 90 % van de Europese bevolking.

[4] Eén respondent vernoemt het potentieel van computerondersteund vertalen (zogeheten ‘CAT-tools’), die door een menselijke vertaler worden gebruikt om het vertaalproces te vergemakkelijken.