You have a complaint against an EU institution or body?

Besluit van de Europese Ombudsman ter afsluiting van het onderzoek inzake klacht 1552/2009/OV tegen de Europese Commissie

In november 1996 ontving klager een examenuitslag van de Technische Universiteit Delft. Uit dit document blijkt dat hij de eerste fase van zijn studie technische natuurkunde met goed gevolg heeft afgesloten. In maart 2001 ontving klager, na afronding van de tweede fase van zijn studie, het diploma Master of Science. In april 2007 werd klager door de Commissie als arbeidscontractant aangeworven. Hij werd ingedeeld in rang 14 van functiegroep IV. Deze rang komt overeen met een beroepservaring van ten minste vier jaar. De Commissie maakte een berekening van de beroepservaring van klager met diens masterdiploma als startpunt. Klager informeerde de Commissie vervolgens dat de kwalificatie die hij voor de eerste fase verkregen had, nu overeenkwam met een bachelordiploma als gevolg van een hervorming van het universitaire studiepakket in 2002. Daarom betoogde hij dat wanneer de Commissie bij haar berekening zou uitgaan van de examenuitslag, zijn beroepservaring op meer dan acht jaar zou uitkomen. Klager meende dat hij op grond hiervan in rang 15 moest worden ingedeeld. De Commissie wees zijn verzoek af. Zij redeneerde dat de examenuitslag geen diploma vormde maar slechts een verklaring waaruit bleek dat de eerste fase van de studie succesvol was afgerond, en dat het diploma Master of Science een ondeelbaar diploma was. De Commissie weigerde ook twee duidelijke verklaringen van het College van Bestuur van de Universiteit Delft dat de examenuitslag equivalent was aan het huidige bachelordiploma, te aanvaarden. Klager wendde zich daarom tot de Ombudsman. Hij beweerde dat de Commissie ten onrechte had geweigerd om het document waaruit bleek dat hij de eerste cyclus van zijn studie had afgerond, als diploma te erkennen en vorderde dat de instelling haar besluit zou herzien en hem zou indelen in rang 15.

De Ombudsman constateerde dat de Commissie had verzuimd naar behoren te onderzoeken of de examenuitslag als diploma zou kunnen worden beschouwd. Hij zond de Commissie daarom een ontwerpaanbeveling waarin hij haar vroeg (i) haar besluit te heroverwegen en (ii) uit te leggen waarom zij weigerde de duidelijke verklaringen van het College van Bestuur van de Universiteit Delft in aanmerking te nemen. In haar advies bleef de Commissie bij haar standpunt en zij stelde met name dat zij het er met de Universiteit Delft nog steeds niet over eens was dat de examenuitslag equivalent was aan een diploma. Zij voerde verder aan dat, zelfs als de Commissie de examenuitslag als referentiepunt voor haar berekening zou nemen, klager nog steeds niet op acht jaar beroepservaring zou uitkomen. De Ombudsman concludeerde dat dit argument, dat niet eerder was aangevoerd, juist was en dat het besluit van de Commissie om klager in te delen in rang 14, en niet in rang 15, eveneens juist was. Hij concludeerde daarom dat er geen reden was voor verder onderzoek. Gezien de herhaalde weigering van de Commissie om een duidelijke verklaring van een universiteit van een lidstaat in aanmerking te nemen, besloot de Ombudsman evenwel de Nederlandse autoriteiten over deze zaak in te lichten.

De achtergrond van de klacht

1. Klager heeft in de periode van 1992 tot 2000 Technische Natuurkunde (Applied Physics) gestudeerd aan de Technische Universiteit Delft in Nederland. Deze studie omvatte twee fasen, te weten Doctoraal I en Doctoraal II[1], met een duur van respectievelijk drie en twee jaar. Klager, die tijdens zijn studie tevens werkte, nam echter meer tijd om beide fasen af te sluiten[2]. Op 20 november 1996 ontving klager een examenuitslag, een document waaruit blijkt dat hij de eerste fase (doctoraal I) van zijn studie met goed gevolg had afgesloten. Vervolgens ontving hij op 6 maart 2001, na afronding van het doctoraal II, zijn diploma Master of Science in Technische Natuurkunde (Applied Physics).

2. Op 16 april 2007 trad klager als arbeidscontractant in dienst bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ('JRC') van de Europese Commissie. Hij werd aangeworven op basis van artikel 3a van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (CEOS) en werd ingedeeld in rang 14 van functiegroep IV. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder c) van de algemene uitvoeringsbepalingen van 7 april 2004 betreffende de procedures voor de aanwerving en de inzet van arbeidscontractanten bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen (de 'AUB') komt deze rang overeen met een beroepservaring van ten minste vier jaar. Voor de volgende hogere rang (rang 15) geldt een beroepservaring van ten minste acht jaar.

3. Volgens artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB geldt voor aanwerving in functiegroep IV de volgende vereiste: "een diploma van een volledige universitaire opleiding van ten minste drie jaar en relevante beroepservaring van ten minste één jaar" (nadruk toegevoegd). In artikel 7, lid 3 van de AUB wordt het volgende bepaald: "[o]m in aanmerking te worden genomen moet de beroepservaring zijn opgedaan in een activiteit die ten minste overeenkomt met het voor toegang tot de functiegroep vereiste kwalificatieniveau en verband houdt met één van de activiteitssectoren van de instelling. Deze ervaring telt mee vanaf de datum waarop betrokkene voldoet aan de uit hoofde van artikel 2 vereiste minimumkwalificaties voor aanstelling." (nadruk toegevoegd)

4. Op basis van bovenstaande bepalingen maakte de Commissie een berekening van de beroepservaring van klager met de datum waarop hij zijn masterdiploma ontving (6 maart 2001) als referentiepunt. De beroepservaring werd derhalve berekend vanaf 6 maart 2002, na aftrek van één jaar beroepservaring overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB. Aangezien klager op 16 april 2007 in dienst trad, concludeerde de Commissie dat zijn beroepservaring niet meer dan vijf jaar en één maand bedroeg.

5. Op 16 oktober 2008 verzocht klager de Commissie om haar standpunt te heroverwegen. Hij refereerde aan het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken in de zaak F-68/06 Bakema/Commissie[3], waarin het gerecht erop wijst dat indien een universitaire opleiding twee fasen omvat, de Commissie moet onderzoeken of (i) het eerste behaalde diploma overeenkomt met een bachelordiploma en (ii) het tweede diploma overeenkomt met een masterdiploma. Hij stelde verder dat de opleiding die hij had gevolgd, inmiddels was gewijzigd in het kader van een hervorming bij de Technische Universiteit Delft. Zijn diploma’s Doctoraal I en Doctoraal II kwamen nu overeen met een bachelor- en masterdiploma. Klager gaf aan dat wanneer men bij de voormelde berekening uitgaat van de dag waarop hij zijn Doctoraal I ontving, 20 november 1996, zijn beroepservaring uitkomt op meer dan acht jaar. Hij deed op grond hiervan het verzoek om in rang 15 te worden ingedeeld.

6. In haar besluit van 19 februari 2009 wees de Commissie het verzoek van klager af. Zij wees erop dat het document van 20 november 1996 niet meer dan een examenuitslag was, d.w.z. niet meer dan een verklaring waaruit blijkt dat de eerste fase van de studie succesvol was afgerond. De Commissie stelde dat dit document daarom niet in aanmerking moest worden genomen. Het enige bewijs van de afronding van zijn studie was volgens de Commissie het diploma Master of Science in Technische Natuurkunde (Applied Physics), dat op 6 maart 2001 was uitgereikt; het betrof één ondeelbaar diploma. Volgens de Commissie werd haar standpunt over de ondeelbaarheid van een diploma bevestigd door het Gerecht voor ambtenarenzaken in zijn arrest in de zaak F-136/06 Reali/Commissie[4]. De Commissie wees er verder op dat de verzoeker in de Bakema-zaak een kandidaatsdiploma had behaald. De Commissie stelde dat het de verantwoordelijkheid van klager was om eventuele vóór zijn Doctoraal II behaalde diploma’s aan de Commissie te verstrekken.

7. Op 26 februari 2009 diende klager een interne klacht in tegen dit besluit. Hij hield vol dat het arrest in de Bakema-zaak op zijn zaak van toepassing was en stelde dat uit het antwoord van de Commissie niet bleek waarom de examenuitslag niet als universitair diploma zou kunnen worden beschouwd. Hij voegde een brief van 23 oktober 2008 bij van het college van bestuur van zijn universiteit, waarin werd vermeld dat "het Doctoraal I van de oude opleiding Technische Natuurkunde zoals door u is gevolgd voor de invoering van de bachelor-masterstructuur, equivalent is aan het huidige bachelorgetuigschrift van deze opleiding". Klager wees er verder op dat het de verzoeker in de Reali-zaak te doen was om één diploma in twee diploma’s te laten opdelen. Dit was echter volstrekt anders dan zijn situatie, aangezien hij al over twee diploma’s beschikte.

8. In haar besluit van 6 mei 2009 wees de Commissie de klacht van klager af. Hierin stelde de Commissie dat, in tegenstelling tot de situatie bij het arrest in de Bakema-zaak, waarbij een geldig eerder behaald diploma werd verstrekt, klager de administratie geen enkel diploma had overgelegd ten bewijze van het behalen van het Doctoraal I. De Commissie herhaalde haar standpunt dat de examenuitslag geen universitair diploma vormde, maar slechts een verklaring waaruit bleek dat de eerste fase van de studie succesvol was afgerond. De Commissie wees erop dat het diploma dat klager op 6 maart 2001 had ontvangen, een getuigschrift was en niet slechts een document waaruit blijkt dat hij een examen had gehaald. Verder wees zij erop dat het diploma van 6 maart 2001 door de Examencommissie was afgegeven, welke was aangesteld overeenkomstig de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de 'Nederlandse wet') met de bevoegdheid om de academische titel 'ingenieur’ toe te kennen. De examenuitslag was daarentegen afgegeven door de Examenadministratie namens de Examencommissie. Het verschil in waarde tussen de examenuitslag van 1996 en het getuigschrift van 2001 wordt onderstreept door het feit dat klager reeds op 2 september 1994, d.w.z. twee jaar na aanvang van zijn studie, ook een examenuitslag had ontvangen. De Commissie stelde verder dat de brief van de universiteit van 23 oktober 2008 niet van invloed was op haar conclusie dat de examenuitslag geen diploma was.

9. Op 2 juni 2009 verzocht klager de Commissie om haar besluit te heroverwegen in het licht van twee nieuwe bewijsstukken. Het eerste bewijsstuk betrof uittreksels van de Nederlandse wet met betrekking tot het getuigschrift. Het tweede betrof een aanvullende brief van het college van bestuur van de universiteit van 19 mei 2009, waarin opnieuw werd meegedeeld dat de bachelor-masterstructuur in 2002 was ingevoerd en dat de voorgaande opleiding (doctoraal) was opgedeeld in een bachelor- en een masteropleiding. In de brief werd het volgende meegedeeld: “Ik verklaar hierbij dat het aan u uitgereikte Doctoraal I diploma van de oude doctoraalopleiding Technische Natuurwetenschappen equivalent is aan het huidige bachelordiploma .... Met andere woorden, indien de Bachelor-Masterstructuur reeds in 1996 had bestaan, zou dit diploma zijn uitgereikt als bachelordiploma."

10. In haar besluit van 5 juni 2009 wees de Commissie het verzoek om heroverweging van klager af. In het besluit werd aangegeven dat klager geen enkel nieuw bewijs had verstrekt, aangezien (i) de Commissie al op de hoogte was van de Nederlandse wet toen het besluit op 6 mei 2009 werd genomen, en (ii) in de brief van 19 mei 2009 dezelfde verklaring stond als in de brief van 23 oktober 2008, waarop de Commissie al was ingegaan in haar besluit van 6 mei 2009.

11. Op 15 april 2010 liep het contract van klager als arbeidscontractant bij de Commissie af, waarna het niet werd vernieuwd.

Het voorwerp van het onderzoek

12. Klager bracht in zijn klacht aan de Ombudsman de volgende bewering en vordering naar voren:

Bewering:

De Commissie weigerde ten onrechte om de examenuitslag van 20 november 1996 als diploma te erkennen en heeft verzuimd voldoende gronden aan te voeren voor haar besluit van 6 mei 2009.

Vordering:

De Commissie moet haar besluit van 6 mei 2009 herzien en klager indelen in rang 15, salaristrap 1, van functiegroep IV.

Het onderzoek

13. De klacht werd op 12 juni 2009 ingediend. Op 15 juli 2009 verzocht de Ombudsman de Commissie om haar standpunt in te dienen.

14. De Commissie stuurde de Ombudsman haar standpunt op 18 september 2009. Dit standpunt werd doorgestuurd aan klager, die op 6 oktober 2009 zijn opmerkingen stuurde.

15. Op 24 maart 2010 deed de Ombudsman een ontwerpaanbeveling aan de Commissie. De Commissie stuurde de Ombudsman haar omstandig advies op 9 juli 2010. Dit omstandig advies werd doorgestuurd aan klager, die op 11 augustus 2010 zijn opmerkingen stuurde.

De analyse en conclusies van de Ombudsman

A. Vermeende onterechte weigering om het document van 20 november 1996 als diploma te erkennen en de bijbehorende vordering

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

16. Klager stelde dat de Commissie ten onrechte weigerde om zijn examenuitslag van 20 november 1996 als diploma te erkennen en heeft verzuimd voldoende gronden aan te voeren voor haar negatieve besluit van 6 mei 2009. Hij eiste daarom dat de Commissie haar besluit van 6 mei 2009 zou herzien en hem zou indelen in rang 15 van functiegroep IV.

17. In haar standpunt verwierp de Commissie de bewering en vordering van klager. Daarbij wees de Commissie de Ombudsman op de drie besluiten van 19 februari, 6 mei en 5 juni 2009. De Commissie stelde met name dat, in tegenstelling tot klagers bewering, in het besluit van 6 mei 2009 uitvoerig is uitgelegd waarom de examenuitslag van 20 november 1996 volgens de Commissie geen universitair diploma vormt.

18. In zijn opmerkingen stelde klager dat hij zeer teleurgesteld was over het standpunt van de Commissie aangezien hij ervan uitging dat zijn zaak heroverwogen zou worden op een grondige, onafhankelijke en respectvolle wijze. Hij benadrukte dat in de relevante Nederlandse wet en in Richtlijn 89/48/EEG van de Raad[5] duidelijke definities zijn opgenomen van wat een universitair diploma, afgegeven in een EU-lidstaat, inhoudt. De Commissie heeft deze definities echter verzuimd toe te passen en heeft gebruikgemaakt van onjuiste, foutieve en onprofessionele argumenten. Bovendien was de vertaling en interpretatie van de Commissie van de examenuitslag van 20 november 1996 incorrect. Klager wees erop dat universitaire diploma’s volgens de Nederlandse wet uitsluitend door de Examencommissie kunnen worden afgegeven. Op de examenuitslag wordt duidelijk vermeld dat deze is afgegeven door de Examencommissie. Klager voerde verder aan dat de Commissie in haar verklaring dat het arrest in de Bakema-zaak niet op zijn zaak van toepassing zou zijn, de term “kwalificatie” (alinea 42 van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken) ten onrechte veranderde in “diploma”.

19. Klager benadrukte dat de Technische Universiteit Delft, die het diploma in 1996 uitreikte, hem twee brieven had toegestuurd met een zeer duidelijke boodschap, die echter genegeerd werd.

De evaluatie van de Ombudsman die leidde tot de ontwerpaanbeveling

20. Om te kunnen worden ingedeeld in rang 15 van functiegroep IV, moet een kandidaat ten minste acht jaar relevante beroepservaring hebben. Volgens artikel 7, lid 3 van de AUB telt alleen de beroepservaring mee die is opgedaan vanaf de datum dat een kandidaat voldoet aan de uit hoofde van artikel 2 vereiste minimumkwalificaties voor aanwerving. Volgens artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB geldt voor aanwerving in functiegroep IV de volgende vereiste: "een diploma van een volledige universitaire opleiding van ten minste drie jaar en relevante beroepservaring van ten minste één jaar". Het besluit over welk document als diploma moet worden beschouwd volgens de bepalingen van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB was dus van doorslaggevende betekenis om de duur van de relevante beroepservaring te kunnen bepalen. De zaak van klager was gestoeld op de veronderstelling dat als de examenuitslag van 20 november 1996 als diploma zou worden erkend in de zin van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB, zijn beroepservaring meer dan acht jaar zou bedragen. De Ombudsman merkte op dat de Commissie deze veronderstelling niet heeft betwist.

21. De Ombudsman merkte verder op dat het besluit van de Commissie om de examenuitslag van klager van 20 november 1996 niet als diploma te erkennen in de zin van artikel 2, lid 1, onder d van de AUB, was gebaseerd op twee hoofdargumenten: (i) de Commissie stelt in wezen dat klager heeft getracht zijn diploma Master of Science in Technische Natuurkunde (Applied Physics) van 6 maart 2001 op te delen in twee diploma’s; en (ii) de Commissie stelt dat de examenuitslag niet relevant was, aangezien daaruit slechts bleek dat de eerste fase van zijn studie succesvol was afgerond en het document niet was afgegeven door de Examencommissie, maar door de Examenadministratie.

22. Wat betreft punt (i) van bovenstaande argumenten heeft klager niet voorgesteld om zijn masterdiploma van 6 maart 2001 te beschouwen als twee aparte diploma’s. Hij vertrouwde daarentegen op de examenuitslag en stelde dat dit document als diploma erkend zou moeten worden.

23. Ter ondersteuning van haar standpunt verwees de Commissie naar het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken in de Reali-zaak en stelde dat hierin het beginsel van de ondeelbaarheid van diploma’s werd bevestigd.

24. Er zij op gewezen dat de verzoeker in de Reali-zaak, na afronding van een vierjarige studie, een Laurea in Scienze Agrarie (diploma in landbouwwetenschappen) behaalde bij de Universiteit van Florence. Hij beweerde dat dit diploma volgens de Italiaanse wet en op basis van de hem verstrekte informatie equivalent was aan een 'Laurea' (gelijk aan bachelordiploma na afronding van driejarige studie) en een 'Laurea Magistrale' (gelijk aan masterdiploma na afronding van tweejarige studie volgend op het behalen van een 'Laurea'). De situatie in deze zaak is duidelijk anders dan die in de onderhavige zaak. Kreeg de verzoeker in de Reali-zaak na afronding van een vierjarige studie één diploma uitgereikt, klager ging uit van twee stukken die hij beschouwde als twee diploma’s, elk waarvan was uitgereikt na afronding van vier jaar studie[6].

25. Wat betreft punt (ii) van bovenstaande argumenten was de constatering van de Commissie dat de examenuitslag zou zijn afgegeven door de Examenadministratie, feitelijk onjuist. Gebleken is dat de examenuitslag, hoewel daarop rechtsboven "Examenadministratie" vermeld staat, was afgegeven en ondertekend door de Examencommissie van de Technische Universiteit Delft. Het was dus de Examencommissie die verklaarde dat klager het “doctoraalexamen deel 1” had gehaald.

26. Het is waar dat de titel van het document waarop klager zich baseert (examenuitslag) er louter op wijst dat het document betrekking heeft op de uitslag van een examen. Deze titel deed niet vermoeden dat het document als diploma zou kunnen of moeten worden beschouwd.

27. De Ombudsman stelde echter dat niet de titel van een document, maar de status ervan krachtens nationaal recht maatgevend was. Hij wees in dit verband op de vaste rechtspraak, waarin bepaald is dat men bij de evaluatie van een universitair diploma in het kader van een vergelijkend selectieonderzoek – en dus met het oog op de indeling in rang – dient uit te gaan van de nationale wetgeving van de lidstaat waarin het diploma is behaald[7]. In dit verband had klager de Commissie kopieën verstrekt van twee brieven die hij op 23 oktober 2008 en 19 mei 2009 van het college van bestuur van de universiteit had ontvangen inzake de in 1996 ontvangen examenuitslag. In deze brieven werd door de Technische Universiteit Delft ondubbelzinnig bevestigd dat de examenuitslag van 20 november 1996 een diploma was (een "Doctoraal I diploma") en dat dit diploma equivalent was aan het huidige bachelordiploma. De Commissie heeft verzuimd uit te leggen waarom zij deze informatie als irrelevant beschouwde.

28. Ook in dit opzicht wijkt de situatie in onderhavige zaak duidelijk af van die in de Reali-zaak. In die zaak verklaarde het Gerecht voor ambtenarenzaken dat het door de verzoeker verstrekte bewijs niet aantoonde dat zijn Laurea equivalent zou zijn aan het behalen van twee diploma’s.

29. Gelet op het bovenstaande leek de situatie van klager sterk overeen te komen met die van de verzoeker in de Bakema-zaak. In die zaak ontving de verzoeker in 1983 een diploma bij de Landbouwhogeschool in Wageningen nadat hij het doctoraalexamen had gehaald. Daaraan voorafgaand had hij na drie jaar studie het tussentijdse kandidaatsexamen gehaald. Het Gerecht voor ambtenarenzaken uitte kritiek op het feit dat de Commissie niet had onderzocht of het kandidaatsexamen overeen zou kunnen komen met het huidige bachelordiploma en een bewijs zou kunnen vormen van de afronding van een universitaire studie in de betekenis van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB.

30. Op basis van het voorgaande concludeerde de Ombudsman dat de Commissie had verzuimd naar behoren te onderzoeken of de examenuitslag van klager van 20 november 1996 als diploma zou kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 2, lid 1, onder d van de AUB. Dat betekende dat er op dit punt van wanbeheer sprake was. De Ombudsman deed derhalve de volgende ontwerpaanbeveling aan de Commissie:

"De Commissie dient, met het oog op de berekening van klagers beroepservaring, haar besluit om de examenuitslag van 20 november 1996 niet te erkennen als diploma op grond waarvan hij kon worden aangeworven in functiegroep IV op basis van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB, te heroverwegen. De Commissie dient voorts in dit kader uit te leggen waarom zij weigerde de verklaring van de Technische Universiteit Delft in beschouwing te nemen, in welke verklaring ondubbelzinnig werd bevestigd dat de examenuitslag van 20 november 1996 een diploma is (een "Doctoraal I diploma") en dat dit diploma equivalent is aan het huidige bachelordiploma".

31. Wat betreft het andere punt in klagers bewering, namelijk dat de Commissie had verzuimd voldoende gronden aan te voeren voor haar besluit van 6 mei 2009, was de Ombudsman van mening dat het, gezien de bevindingen over de hoofdkwestie, niet noodzakelijk was om hier verder onderzoek naar te doen.

32. De Ombudsman was gezien het bovenstaande van mening dat de Commissie tevens klagers vordering tot herindeling moest heroverwegen.

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling

33. In haar omstandig advies verklaarde de Commissie dat zij conform het verzoek van de Ombudsman opnieuw zou nagaan of klager met zijn examenuitslag van 20 november 1996 zou kunnen worden aangeworven in functiegroep IV. Naar aanleiding van deze herbeoordeling voerde de Commissie de volgende argumenten aan:

34. Volgens artikel 82, lid 2, onder c) van de CEOS en artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB geldt voor aanwerving als arbeidscontractant in functiegroep IV als vereiste een opleidingsniveau dat gelijk staat aan "een diploma van een volledige universitaire opleiding van ten minste drie jaar ". De Commissie stelde dat de "Studiefase: Doctoraal examen 1e gedeelte" geen bewijs vormde van een diploma van een volledige universitaire opleiding. Met andere woorden, klager had met de examenuitslag van 20 november 1996 het eerste deel van de in totaal tweedelige studiefase doctoraal gehaald, hetgeen ook duidelijk op het document werd aangegeven. Klagers volledige opleiding was pas afgerond na het behalen van het tweede deel van het doctoraalexamen, waarvoor hij een getuigschrift ontving waarin werd bevestigd dat hij het afsluitend examen van de opleiding met goed gevolg had afgelegd.

35. De Commissie voerde verder aan dat het verschil tussen de examenuitslag en het getuigschrift tevens werd bevestigd door de Nederlandse wet ten tijde van klagers studie in Delft. Op grond van artikel 7, lid 11, punt 2, onder f) van deze wet hadden universiteiten de mogelijkheid om de geldigheid van gehaalde examens tot een bepaalde termijn te beperken. Als de opleiding na het verstrijken van deze termijn inhoudelijk was gewijzigd, konden studenten worden verplicht deze examens opnieuw af te leggen. Met andere woorden, als klager niet zou zijn doorgegaan met het tweede deel van zijn opleiding, dat werd afgesloten met een getuigschrift, zou klager het risico hebben gelopen dat de gehaalde examens voor het eerste deel van de studiefase doctoraal ongeldig zouden worden verklaard.

36. Om bovenstaande redenen bleef de Commissie bij haar standpunt dat het getuigschrift van 6 maart 2001 het diploma was op grond waarvan klager kon worden aangeworven in functiegroep IV.

37. De Commissie verwierp voorts het argument van klager dat, als zijn examenuitslag van 20 november 1996 als het relevante diploma zou worden geaccepteerd, alle daaropvolgende studiejaren als beroepservaring zouden moeten worden meegeteld, waardoor deze zou uitkomen boven de vereiste acht jaar om in rang 15 te kunnen worden ingedeeld.

38. De Commissie stelde dat zelfs als de examenuitslag van klager van 20 november 1996 zou worden erkend als het diploma voor aanwerving in functiegroep IV, de beroepservaring van klager na het behalen van dit diploma niet voldoende zou zijn om hem te kunnen indelen in rang 15. Op grond van artikel 7, lid 4 van de AUB telt voor andere diploma’s dan de graad van doctor de wettelijk voorgeschreven duur van de studie. De wettelijk voorgeschreven duur van de studie Technische natuurkunde (Applied Physics) bedroeg destijds vijf jaar in totaal. Stel dat men de redenering van klager zou volgen dat de examenuitslag van 20 november 1996 daadwerkelijk een bachelordiploma is, dan zou de beroepservaring hypothetisch de volgende duur hebben:

- Masteropleiding (1996-1997): één jaar;

- Van 1997 tot 1 december 2000: geen beroepservaring. De Commissie wijst erop dat klager van juli 1999 tot oktober 2000 weliswaar voor Shell heeft gewerkt, maar dat deze arbeidsperiode deel uitmaakte van zijn masteropleiding en dus niet meetelt als beroepservaring;

- Van 1 december 2000 tot 1 december 2001: één jaar ervaring (berekend in het voordeel van klager aangezien hij tot 1 november 2001 eigenlijk parttime werkte);

Volgens artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB moest klager een relevante beroepservaring van één jaar aantonen om te kunnen worden aangeworven in functiegroep IV. De beroepservaring voor het bepalen van de rang begon dus op 1 december 2001:

- 1 december 2001 tot 30 november 2004 (wetenschappelijk fellow): drie jaar;

- 1 december 2004 tot 31 maart 2005 (hulpfunctionaris): vier maanden;

- 1 april 2005 tot 31 maart 2006 (idem): één jaar;

- 1 april 2006 tot 15 april 2007 (idem): één jaar en 15 dagen.

39. De Commissie kwam tot de conclusie dat indien men de examenuitslag van 20 november 1996 als het relevante diploma zou beschouwen, de totale beroepservaring van klager zou uitkomen op vijf jaar, vier maanden en 15 dagen. Als hieraan het jaar tussen het zogenoemde bachelordiploma en het masterdiploma zou worden toegevoegd, zou de beroepservaring in totaal zes jaar, vier maanden en 15 dagen bedragen. Ook als voor het einddiploma of masterdiploma van klager twee jaar zou worden gerekend, aangezien de masterfase van de studie Technische Natuurkunde (Applied Physics) volgens de huidige regels twee jaar duurt, komt klagers thans relevante beroepservaring, na aftrek van één jaar zoals vereist voor aanwerving in functiegroep IV, uit op zeven jaar, vier maanden en 15 dagen en voldoet dus niet aan de voorwaarde "ten minste acht jaar".

40. Wat betreft de weigering om de verklaring van de Technische Universiteit Delft in beschouwing te nemen, wijst de Commissie erop dat de universiteit in haar eerste brief van 23 oktober 2008 de term "diploma" niet vermeld had, maar slechts verklaarde dat het Doctoraal I van het oude programma equivalent was aan het huidige bachelordiploma. In haar tweede brief van 19 mei 2009 refereerde de universiteit aan een "Doctoraal I diploma" (onderstreept door Commissie). De Commissie was het echter nog steeds niet met de universiteit eens dat een examenuitslag gelijk aan een diploma zou zijn. Bovendien vermeldde de universiteit niet dat met de afronding van de fase Doctoraal I van de examens een volledige fase van de universitaire studie zou zijn afgesloten. De Commissie was het daarom niet eens met de opvatting dat het eerste deel van een tweedelige studiefase gelijk zou zijn aan een volledige universitaire opleiding.

41. Op grond van de bovenstaande redenen concludeerde de Commissie dat de indeling van klager in rang 14 van functiegroep IV correct was.

42. Klager bestempelde het omstandig advies van de Commissie als "belachelijk en schandalig" en stelde dat daarin tal van fouten en onjuiste argumenten waren opgenomen. Hij wees erop dat de Commissie helemaal niet was ingegaan op het arrest in de zaak F-68/06, en het zelfs niet genoemd had.

43. Klager gaf aan dat de argumentatie van de Commissie met betrekking tot de Nederlandse wet eenvoudigweg niet klopte. Hij wees er ten eerste op dat de Nederlandse wet voorschrijft wat er op het getuigschrift vermeld moet worden wanneer er meer dan een instantie bij het examen betrokken is; ten tweede dat de wet geen onderscheid maakt tussen "examenuitslag" en "getuigschrift", zoals de Commissie beweert; en ten derde dat de betreffende bepaling ten tijde van zijn studie in Delft nog niet eens bestond. De passage in de Nederlandse wet waarnaar de Commissie verwijst, werd pas op 4 februari 2010 ingevoerd. De Commissie handelde dus onjuist door de meest recente versie van de Nederlandse wet toe te passen. Voorts voerde klager aan dat het op grond van artikel 7, lid 11, van de in 1996 geldende Nederlandse wet duidelijk was dat alleen de Examencommissie een getuigschrift/diploma kon afgeven nadat een bepaald aantal examens gehaald waren.

44. Klager protesteerde tegen het feit dat, hoewel de Commissie in eerste instantie nooit in twijfel had getrokken dat hij over het vereiste aantal jaren beroepservaring beschikte om in rang 15 te worden ingedeeld indien de examenuitslag van 20 november 1996 als het vereiste diploma werd beschouwd, zij nu stelde dat dit niet het geval was. De Commissie had moeten weten dat klager haar directoraat-generaal Personeel en Administratie (DG ADMIN) al had gevraagd naar de berekening van zijn jaren beroepservaring in een e-mail van 7 mei 2009, maar dat hij daarop nooit een antwoord had ontvangen. Klager vond het bovendien zorgwekkend dat de Commissie in haar "hypothetische" berekening een jaar ervaring tussen 1 december 2000 en 1 december 2001 had vergeten mee te rekenen. Zijn inziens was de berekening hoe dan ook onjuist. Klager voegde een tabel bij met een overzicht van zijn beroepservaring, op grond waarvan hij concludeerde dat hij na de examenuitslag van 20 november 1996 in totaal negen jaar en bijna vier maanden beroepservaring had.

45. Wat betreft het standpunt van de Commissie over de brieven van de Technische Universiteit Delft noemde klager de argumenten van de Commissie beledigend voor zowel de universiteit als de lidstaat in kwestie. Het was nochtans interessant dat de Commissie concludeerde dat zijn Doctoraal I-diploma equivalent was aan het huidige bachelordiploma.

46. Klager stelde dat het onmogelijk was om te bewijzen of er sprake was geweest van "oneerlijkheid" of alleen maar "geblunder". Hij benadrukte evenwel dat, hoewel de Commissie de Ombudsman tweemaal had medegedeeld dat zijn zaak opnieuw beoordeeld was, de uitkomst telkens alleen maar een herhaling was geweest van haar eerdere standpunt met een paar belachelijke aanvullende argumenten. Klager vond het onaanvaardbaar dat de Commissie de wet van een lidstaat onjuist interpreteerde en delen ervan die in zijn voordeel pleitten, negeerde. Hij vroeg zich af of het Europees Parlement van deze zaak op de hoogte gesteld moest worden.

De evaluatie van de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling

47. Het doet de Ombudsman genoegen dat de Commissie, overeenkomstig zijn verzoek in zijn ontwerpaanbeveling, haar besluit om de examenuitslag van klager d.d. 20 november 1996 niet te erkennen als een diploma op grond waarvan hij kon worden aangeworven in functiegroep IV, heeft heroverwogen. Hij merkt echter ook op dat de Commissie nog altijd meent dat haar oorspronkelijke besluit correct was. De Ombudsman acht de argumenten die de Commissie in dit verband aanvoert, niet overtuigend, en wel om twee redenen:

48. Ten eerste is het argument van de Commissie dat uit de examenuitslag niet zou blijken dat klager zijn universitaire studie had afgerond zoals vereist in artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB, overdreven formalistisch en vormt dit inderdaad een cirkelredenering. Ten tijde van klagers studie in Delft vormden beide fasen van zijn programma (Doctoraal I en Doctoraal II) één geheel, uitlopend op de toekenning van een masterdiploma. Zo bezien kon de examenuitslag natuurlijk geen bewijs zijn van het feit dat klager al "een volledige universitaire opleiding van ten minste drie jaar" had afgerond in de betekenis van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB. Maar zoals de Ombudsman al aanvoerde in zijn ontwerpaanbeveling: het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft heeft in zijn brieven d.d. 23 oktober 2008 en 19 mei 2009 ondubbelzinnig bevestigd dat de examenuitslag van 20 november 1996 een diploma was (een "Doctoraal I-diploma"), en dat het equivalent was aan het huidige bachelorgetuigschrift.

49. Ten tweede herinnert de Ombudsman eraan dat hij de Commissie uitdrukkelijk verzocht heeft bovenstaande verklaringen van de Technische Universiteit Delft opnieuw in overweging te nemen. Het antwoord van de Commissie kwam erop neer dat zij zich niet kon vinden in de visie van de universiteit dat de examenuitslag equivalent was aan een diploma. De Ombudsman vindt de herhaalde weigering van de Commissie om de duidelijke verklaring van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft in beschouwing te nemen, zeer zorgwekkend. De opstelling van de Commissie getuigt van een betreurenswaardig gebrek aan respect voor een respectabele universiteit. Bovendien wekt de Commissie de indruk dat zij zich beter in staat acht de nationale wetgeving te interpreteren dan de autoriteiten van de betrokken lidstaat. Dat is natuurlijk niet het geval. Het is de Ombudsman dan ook een raadsel waarom de Commissie zich zo opstelt. Er had toch ten minste van de Commissie verwacht mogen worden dat ze contact had opgenomen met de autoriteiten van de betrokken lidstaat om zich ervan te vergewissen dat ze de regels van de lidstaat correct geïnterpreteerd had. Daartoe lijkt in de onderhavige zaak echter geen enkele poging te zijn ondernomen.

50. De Ombudsman merkt op dat de Commissie bovendien stelde dat, zelfs als de examenuitslag van 20 november 1996 zou worden beschouwd als het diploma op grond waarvan hij kon worden aangeworven in functiegroep IV, klager niet de vereiste beroepservaring zou hebben voor indeling in rang 15.

51. In zijn laatste opmerkingen voerde klager aan dat dit een nieuw argument was. Hij wees erop dat de Commissie voordien niet betwist had dat hij de benodigde beroepservaring zou hebben voor indeling in rang 15 als de examenuitslag van 20 november 1996 zou worden beschouwd als het vereiste diploma. De Ombudsman geeft klager hierin gelijk. Hij merkt evenwel op dat de Commissie in haar berekening van de beroepservaring van klager voordien uitging van de veronderstelling dat deze beroepservaring moest zijn opgedaan nadat klager op 6 maart 2001 zijn masterdiploma had verworven. Hoewel het natuurlijk de voorkeur had verdiend als de Commissie de argumenten die zij in haar omstandig advies aanvoerde, al in een eerder stadium te berde had gebracht, is de Ombudsman niet van oordeel dat deze argumenten in dit stadium als niet-ontvankelijk moeten worden beschouwd. De Commissie kreeg namelijk pas oog voor de mogelijkheid dat de beroepservaring van klager bekeken zou moeten worden vanaf 20 november 1996, de datum van zijn examenuitslag, in haar omstandig advies naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling.

52. De Ombudsman merkt op dat de Commissie en klager het erover eens zijn dat de relevante beroepservaring van klager vanaf 1 december 2000 zes jaar, vier maanden en vijftien dagen beliep. Waar het hier om gaat, is dus de periode tussen 20 november 1996 en 1 december 2000.

53. Wat deze periode betreft merkt de Ombudsman op dat de informatie die klager in zijn laatste opmerkingen verstrekt heeft, niet precies overeenkomt met wat hij eerder had ingediend. In zaken die verband houden met arbeidsbetrekkingen tussen de bestuursorganen van de EU en haar personeel, kan de Ombudsman klachten pas in behandeling nemen, nadat een klager alle mogelijkheden om de zaak intern op te lossen heeft benut. Hieruit volgt dat het besluit van de Commissie in de onderhavige zaak beoordeeld moet worden in het licht van de informatie die klager haar had doen toekomen voordat zij tot een besluit kwam over de interne klacht van klager. In zijn e-mail van 9 april 2009 aan de administrateur die deze interne klacht behandelde, gaf klager een overzicht van de perioden van beroepservaring waarvan hij wilde dat ze in aanmerking zouden worden genomen. Voor de periode tot 30 november 2000 stelde klager dat zijn masteropleiding, die hij op 20 november 1996 begon, overeenkwam met twee jaar beroepservaring. In totaal concludeerde klager dat hij vanaf 20 november 1996 acht jaar, vier maanden en vijftien dagen beroepservaring had opgedaan.

54. Er zij evenwel aan herinnerd dat volgens artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB de volgende vereiste geldt voor aanwerving in functiegroep IV: "een diploma van een volledige universitaire opleiding van ten minste drie jaar en relevante beroepservaring van ten minste één jaar". Er zij bovendien op gewezen dat voor indeling in rang 15 nog eens acht jaar beroepservaring vereist is. Dit betekent dat kandidaten in totaal ten minste negen jaar beroepservaring moesten hebben om in aanmerking te komen voor indeling in rang 15. Zoals hierboven opgemerkt was klager destijds zelf van mening dat hij slechts over acht jaar, vier maanden en vijftien dagen beroepservaring beschikte.

55. Op grond van het bovenstaande lijkt het erop dat, zelfs als de examenuitslag van 20 november 1996 wordt beschouwd als een diploma op grond waarvan klager kan worden aangeworven in functiegroep IV, het besluit van de Commissie om klager in rang 14 in te delen, en niet in rang 15, niettemin juist is.

56. Gezien het bovenstaande, concludeert de Ombudsman dat de Commissie gedaan heeft wat hij haar in zijn ontwerpaanbeveling verzocht had te doen, namelijk om (i) haar besluit om de examenuitslag van klager van 20 november 1996 niet te erkennen als diploma op grond waarvan hij kon worden aangeworven in functiegroep IV op basis van artikel 2, lid 1, onder d) van de AUB, te heroverwegen, en (ii) uit te leggen waarom zij weigerde de verklaring van de Technische Universiteit Delft met betrekking tot voornoemde examenuitslag in beschouwing te nemen. Echter, zoals hierboven vermeld, de argumenten die de Commissie in dit verband heeft aangevoerd, zijn niet overtuigend. Daarom is de Ombudsman van oordeel dat hij niet kan concluderen dat de Commissie zijn ontwerpaanbeveling heeft aanvaard.

57. Anderzijds heeft de Ombudsman vastgesteld dat, op basis van de argumenten die zij voor het eerst heeft aangevoerd in haar antwoord op de ontwerpaanbeveling, het besluit van de Commissie om klager in te delen in rang 14 en niet in rang 15 juist is.

58. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat er geen reden is voor verder onderzoek in deze zaak.

B. Conclusies

Op grond van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze zaak af met de volgende conclusie:

Er is geen reden voor verder onderzoek.

Klager en de Commissie zullen op de hoogte worden gesteld van dit besluit. In het licht van zijn bevindingen in punt 49 hierboven, acht de Ombudsman het bovendien opportuun om de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU een kopie van dit besluit toe te zenden.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 20 december 2010


[1] Dit behelst volgens klager het "doctoraalexamen deel 1" en het "doctoraalexamen deel 2", waarbij het tweede examen ook wel wordt aangeduid als het "afsluitend examen" of het "ingenieursexamen".

[2] In zijn opmerkingen over het omstandig advies van de Commissie naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling, wees klager erop dat de Ombudsman in zijn ontwerpaanbeveling ten onrechte had aangevoerd dat voor beide fasen van deze studie een duur van vier jaar stond. Van belang is dat deze verklaring gebaseerd was op de door klager verstrekte informatie dat hij van 1992 tot 2000 had gestudeerd en in november 1996 de examenuitslag en in maart 2001 het masterdiploma ontving. Pas in zijn opmerkingen op het omstandig advies maakte klager duidelijk dat de normale duur van de betreffende opleiding respectievelijk drie en twee jaar bedraagt.

[3] Zaak F-68/06 Bakema/Commissie, arrest van 3 april 2008, nog niet verschenen in de jurisprudentie.

[4] Zaak F-136/06 Reali/Commissie, arrest van 11 december 2008, nog niet verschenen in de jurisprudentie. Een hogere voorziening tegen dit arrest werd op 27 oktober 2010 door het Gerecht afgewezen (zaak T-65/09 P).

[5] Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB L 19 van 24.1.1989, blz. 16).

[6] Zie punt 1 en voetnoot 2 hierboven.

[7] Zaak T-299/97 Morales/Commissie [1999] JurAmbt, blz. IA-249 en II-1227, punt 60.