You have a complaint against an EU institution or body?

Available languages:
  • NLNederlands

Besluit van de Europese Ombudsman ter afsluiting van het onderzoek inzake klacht 1671/2008/(SL)OV tegen het Europees Parlement

De achtergrond van de klacht

1. In 2004 nam klager, een jurist en ondernemer, deel aan selectieprocedure PE/87/S[1], die was georganiseerd door het Europees Parlement voor de werving van twee tijdelijke administrateurs (rang A*8/AD8) op het gebied van milieuwetenschappen voor het directoraat-generaal Intern beleid ("DG IPOL").

2. Klager slaagde voor de selectietoetsen op 6 december 2004 en kreeg de derde plaats op de reservelijst, die op 10 december 2004 werd vastgesteld. Hij werd hiervan in kennis gesteld bij brief van 6 januari 2005. De twee eerste personen op de lijst, de heer M. en mevrouw B., werden vervolgens aangeworven voor de posten in kwestie.

3. Per 1 september 2007 kwam de post van de heer M. vrij, hetgeen aanleiding was voor de inleiding van een procedure om de post te laten opvullen door de derde persoon, dat wil zeggen klager. Bij e-mail van 6 september 2007, en later bij brief van 10 oktober 2007, nodigde het Parlement klager uit voor een gesprek in Brussel.

4. Het gesprek vond plaats op 19 oktober 2007 met een aantal leidinggevenden binnen het DG IPOL, te weten de directeur-generaal van het DG IPOL, de directeur Economie en wetenschapsbeleid, het eenheidshoofd in de beleidsafdeling en het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie. Na het gesprek, en op zijn verzoek, had klager ook een kort gesprek met het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie.

5. Bij e-mail van 5 december, en bij brief van 6 december 2007, deed de eenheid Aanwerving van het DG IPOL klager een arbeidsaanbod toekomen waarin klager werd verzocht om uiterlijk op 16 december 2007 te reageren. In de weken daarna vond er een verdere briefwisseling plaats tussen klager en het Parlement over de details van het arbeidsaanbod. Ten slotte deelde klager de eenheid Aanwerving in een e-mail van 3 februari 2008 mee dat hij had besloten het arbeidsaanbod van het Parlement niet te aanvaarden.

Het voorwerp van het onderzoek

6. Op 5 juni 2008 diende klager bij de Ombudsman de voorliggende klacht in, waarin hij de gebeurtenissen beschreef waarop de klacht was gebaseerd.

7. Op 6 december 2004 begaf klager zich naar het Altiero Spinelli-gebouw van het Parlement (ASP) om deel te nemen aan de selectietoetsen op het tijdstip dat in zijn uitnodiging was vermeld, namelijk 13.30 uur. Twee Spaanse vrouwen deelden hem mee dat de toetsen reeds om 08.30 uur hadden plaatsgevonden. Hij kreeg te horen dat hij de toetsen niet meer kon maken, aangezien de mogelijkheid bestond dat hij inzage in de toetsen van de ochtendsessie had gehad. Uiteindelijk werd hem echter toegestaan de toetsen alsnog te maken.

8. Volgens klager bevatte de brief van het Parlement van 6 januari 2005, waarin hem werd meegedeeld dat hij op de reservelijst stond, verder geen informatie. Om die reden wist klager niet wat hem te doen stond. Hij wist bijvoorbeeld niet of hij moest gaan lobbyen.

9. Klager verklaarde voorts dat hij op 25 mei 2007 door het Parlement werd gebeld met de vraag of hij nog steeds belangstelling voor de post had. Klager antwoordde daarop positief en stuurde zijn geactualiseerde CV aan het Parlement. Aangezien hij de derde persoon op de reservelijst was, vroeg hij hoe de procedure verder zou verlopen, een vraag waar hij naar eigen zeggen geen antwoord op kreeg totdat hij bij e-mail van 6 september 2007 werd uitgenodigd voor een gesprek in Brussel.

10. Op 11 september 2007 nam klager contact op met het DG IPOL om te vragen wanneer het gesprek zou plaatsvinden. Nadat hij een aantal weken niets van het DG IPOL had vernomen, nam klager opnieuw contact op met het Parlement en werd hem gevraagd wanneer hij zou kunnen beginnen te werken. Klager noemde de datum van 1 januari 2008. Ook werd hem meegedeeld dat hij op de dag van het gesprek een medische test diende te ondergaan. Klager verwachtte dat de concrete aspecten van de post tijdens het gesprek aan de orde zouden komen, zodat hij daarna zou kunnen besluiten of hij de post zou aanvaarden of niet. Hij wees erop dat de enige informatie waarover hij op dat moment beschikte de inhoud van de aankondiging van aanwerving was, die in 2004 in het Publicatieblad was gepubliceerd. In zijn brief van 10 oktober 2007, waarin het Parlement klager voor een gesprek had uitgenodigd, had het vermeld dat dit zou worden gehouden met de directeur-generaal van het DG IPOL en de directeur Economie en wetenschapsbeleid.

11. Tot verrassing van klager werd het gesprek op 19 oktober 2007 echter gehouden met vier leidinggevenden binnen het DG IPOL. Voorafgaand aan het gesprek sprak klager met een ambtenaar van het DG IPOL, die, ook weer tot verrassing van klager, een negatief antwoord gaf op de vraag of de werkzaamheden van de post aangenaam waren. Volgens klager verliep het gesprek rommelig en was het slecht voorbereid. Zo merkte hij dat zijn CV kort voor het gesprek nog moest worden gekopieerd. Volgens klager waren de vragen die hem tijdens het gesprek werden gesteld algemeen, abstract en nogal onsamenhangend. Klager wees erop dat hij door de directeur-generaal van het DG IPOL werd gevraagd zijn actuele situatie weer te geven, omdat de directeur-generaal zijn oude CV voor zich had en niet de geactualiseerde versie die klager het Parlement had toegezonden. Ook verklaarde hij dat er tijdens het gesprek geen interactie met hem was. Hij kreeg geen enkele informatie over de follow-up van de procedure, de tijdslimiet voor het nemen van een besluit of de inhoud van de post. Klager stelde dat hij alleen te horen kreeg dat de post een tijdelijke betrekking was, die beschikbaar was voor vijf jaar, en dat nog een gesprek met een andere gegadigde zou worden gehouden. Hij wees erop dat hij voor een moeilijke keuze stond, aangezien zijn vrouw een goede baan had, met veelbelovende vooruitzichten, en aanvaarding van de post bij het Parlement voor hem als ondernemer in financieel opzicht een stap terug zou betekenen. Hij had daarom gehoopt dat zijn gesprekspartners hem enthousiast voor de post zouden proberen te maken. Volgens klager verliep het gesprek echter teleurstellend en kreeg hij nooit de kans om vragen te stellen. Klager vroeg zich af of hij echt voor een organisatie wilde werken die op deze manier met mensen omging.

12. Meteen na het gesprek vroeg klager of hij met het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie kon spreken, die ook bij het gesprek aanwezig was geweest, om antwoord te krijgen op vragen die hij tijdens het gesprek niet had kunnen stellen. Volgens klager deelde het hoofd van de betrokken eenheid hem tijdens hun korte gesprek mee dat aangezien het gesprek met de andere gegadigde pas in december 2007 zou plaatsvinden, aanwerving van een van hen pas in maart 2008 mogelijk zou zijn. Ook deelde ze klager mee dat werken in deeltijd pas kon worden geregeld nadat de benoeming had plaatsgevonden en dat werken in deeltijd tijdens de proefperiode niet mogelijk zou zijn.

13. Toen klager op 6 december 2007 het aanbod van het Parlement ontving, was hij verbijsterd dat het bleek te gaan om een tijdelijke post die tot eind 2008 zou bestaan, hetgeen hem tijdens het gesprek niet was meegedeeld. Klager benadrukte bovendien dat hij niet over gedetailleerde informatie met betrekking tot de post beschikte, aangezien het onderwerp milieu een breed terrein beslaat. Klager werd verzocht om uiterlijk 16 december 2007 te reageren. Op 6 december 2007 nam klager per e-mail contact op met het Parlement met het verzoek om aanvullende informatie over de duur van het contract, de mogelijkheid om in deeltijd te werken en de salaristrap waarin hij zou worden aangeworven. Klager wees erop dat aangezien hij een succesvol bedrijf met goede vooruitzichten leidde, hij graag van het Parlement wilde vernemen wat het Parlement hem te bieden had. Het Parlement reageerde dezelfde dag nog. Omdat klager van mening was dat de verstrekte informatie onvoldoende was om voor 16 december 2007 een weloverwogen besluit te nemen, reageerde hij niet op het aanbod.

14. Bij e-mail van 15 januari 2008 nam het Parlement opnieuw contact op met klager om hem te vragen of hij het aanbod wenste te aanvaarden. Bij e-mail van 18 januari 2008 deelde het Parlement klager mee dat werken in deeltijd niet mogelijk was. Klager antwoordde bij brief van 21 januari 2008, waarin hij het Parlement meedeelde dat het aanbod, dat hem ertoe zou dwingen zijn huidige positie op te geven en naar Brussel te verhuizen, in financieel opzicht niet kon concurreren met het inkomen dat hij op dat moment genoot en dat hij geen geïnformeerde keuze kon maken. Ook verklaarde hij dat hij een extra gesprek met de teamleider wenste om meer details over het aanbod te vernemen. Het Parlement reageerde bij e-mail van 24 januari 2008 en wees er in zijn antwoord op dat de details van de post waren vermeld in de aankondiging van aanwerving, die in het Publicatieblad was gepubliceerd. Klager stelde dat het antwoord van het Parlement, nog afgezien van enkele fouten met betrekking tot zijn naam en de datum van het gesprek, onjuiste informatie bevatte en dat het Parlement zelfs loog als het beweerde dat klager tijdens het gesprek de mogelijkheid was gegeven om vragen te stellen. Hij voegde daaraan toe dat hij ontsteld was door het antwoord van het DG IPOL.

15. Op 25 januari 2008 schreef klager een nieuwe e-mail, waarin hij zijn ontevredenheid uitte over het verloop van de aanwervingsprocedure. Klager vroeg waarom het niet mogelijk was geweest om het gesprek te regelen waarom hij had verzocht, en hij verklaarde dat hij een definitief besluit zou nemen zodra dat gesprek zou hebben plaatsgevonden.

16. Op 1 februari 2008 zond het Parlement klager als reactie op zijn verzoek een beschrijving van post 10695 toe, in het Frans. Deze beschrijving was identiek aan de algemene beschrijving in de aankondiging van aanwerving die in het Publicatieblad was gepubliceerd en bevatte geen aanvullende informatie. Klager verklaarde dat de algemene beschrijving van de post duidelijk was, maar dat hij wilde weten wat zijn taken zouden zijn voordat hij de post zou accepteren. Volgens klager antwoordde het Parlement niet op zijn verzoek om een extra gesprek om een aantal zaken op te helderen. Klager besloot daarom de post niet te aanvaarden.

17. Op grond van het bovenstaande beweerde klager dat:

1) de diensten van het Parlement onprofessioneel hadden gehandeld in de selectieprocedure, wat tot uiting kwam in de slechte planning en uitvoering van de procedure;

2) de diensten van het Parlement onprofessioneel hadden gehandeld in de aanwervingsprocedure, omdat ze weigerden essentiële informatie te verstrekken over de post zelf, namelijk over de inhoud en de arbeidsvoorwaarden, en over het aanbod. Als gevolg hiervan was het in de ogen van klager onmogelijk om een weloverwogen besluit over het aanbod te nemen.

Klager stelde dat het Parlement ervoor moest zorgen dat de kwaliteit en de duidelijkheid van dit soort selectieprocedures beter zouden worden gegarandeerd.

18. In zijn brief van 9 juli 2008, waarmee hij het voorliggende onderzoek opende, deelde de Ombudsman klager mee dat de eerste bewering niet ontvankelijk was op grond van artikel 2, lid 4, van het Statuut, aangezien de feiten van 2004 dateerden. De Ombudsman verzocht het Parlement daarom alleen om een standpunt over de tweede bewering en de stelling. Hij merkte daar echter bij op dat hoewel de eerste bewering niet ontvankelijk was, het Parlement wellicht toch commentaar wenste geven op de door klager aan de orde gestelde vermeende verwarring over het tijdstip van de selectietoetsen op 6 december 2004.

19. In zijn opmerkingen over het standpunt van het Parlement beweerde klager dat het Parlement had gelogen toen het verklaarde dat hem de mogelijkheid was gegeven om vragen te stellen en dat hij daar tijdens het gesprek toe was uitgenodigd door de directeur-generaal van het DG IPOL. De Ombudsman besloot deze aanvullende bewering in zijn onderzoek op te nemen.

Het onderzoek

20. De klacht werd doorgestuurd aan het Parlement voor een standpunt. Op 15 juli 2008 schreef klager de Ombudsman met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de eerste bewering. De Ombudsman antwoordde klager op 17 augustus 2008. Het Europees Parlement zond zijn standpunt toe op 3 november 2008. Dit standpunt werd doorgestuurd aan klager, zodat deze opmerkingen kon indienen.

21. Op 1 december 2008 schreef klager de Ombudsman en vroeg hij om een kopie van de meest recente kennisgeving van vacature met betrekking tot posten voor juristen in het bureau van de Ombudsman. Bij brief van 11 december 2008 stuurde de Ombudsman klager een kopie van kennisgeving van vacature OMB/1/2007 van 24 oktober 2007. Op 28 december 2008 diende klager zijn opmerkingen over het standpunt van het Parlement in.

22. Op 15 oktober 2009 vroeg de Ombudsman het Parlement om aanvullende informatie en om een standpunt over de aanvullende bewering van klager. Het Europees Parlement zond zijn standpunt toe op 20 januari 2010. Het antwoord werd doorgestuurd aan klager, die op 29 juni 2010 aanvullende opmerkingen indiende.

De analyse en conclusies van de Ombudsman

Voorafgaande opmerkingen

23. De Ombudsman deelde het Parlement mee dat de eerste bewering van klager niet ontvankelijk was, maar wees erop dat het Parlement wellicht toch commentaar op de kwestie wenste geven. De eerste bewering had betrekking op de wijze waarop de selectieprocedure was uitgevoerd. Meer specifiek beweerde klager dat hij op 6 december 2004, toen hij naar het Parlement ging om op het afgesproken tijdstip, namelijk 13.30 uur, de selectietoetsen te maken, te horen kreeg dat de toetsen reeds hadden plaatsgevonden om 8.30 uur.

24. In zijn standpunt betwistte het Parlement deze gang van zaken niet. Het Parlement wees er echter op dat het niet kon vaststellen of de opgetreden verwarring het gevolg was van een fout van zijn kant of van een misverstand bij klager, aangezien de documenten met betrekking tot de organisatie van vergelijkende onderzoeken en selectieprocedures vanwege gegevensbeschermingsregels slechts worden bewaard voor een periode van tweeënhalf jaar nadat de desbetreffende toetsen zijn gehouden. Het Parlement verontschuldigde zich echter voor het ongemak dat klager had ervaren. Het Parlement voegde daaraan toe dat klager in elk geval was toegelaten deel te nemen in de selectietoetsen en dat de verandering van tijdstip zijn kansen derhalve niet negatief had beïnvloed.

25. In zijn opmerkingen wees klager erop dat het dossier van zijn klacht een e-mail bevatte waarin werd vermeld dat hij werd uitgenodigd om de toetsen om 13.30 uur te maken. De verklaringen van het Parlement waren derhalve onjuist. Klager verklaarde desondanks dat hij de verontschuldigingen van het Parlement aanvaardde en dat de Ombudsman dit gedeelte van de klacht verder niet hoefde te beoordelen.

26. De Ombudsman heeft waardering voor de positieve reactie van het Parlement op zijn uitnodiging om in te gaan op de kwestie die in de eerste bewering aan de orde werd gesteld, ondanks het feit dat deze bewering niet ontvankelijk was. Hij merkt op dat het Parlement zijn verontschuldigingen aan klager heeft aangeboden en dat deze door klager zijn geaccepteerd. Er is derhalve geen noodzaak om met betrekking tot dit aspect van de zaak verdere actie te ondernemen.

27. In zijn opmerkingen over het standpunt van het Parlement deed klager een aanvullende bewering, namelijk dat het Parlement had gelogen door te verklaren dat hem de mogelijkheid was gegeven om vragen te stellen en dat hij daar tijdens het gesprek van 19 oktober 2007 toe was uitgenodigd door de directeur-generaal van het DG IPOL. De Ombudsman zal deze bewering hieronder afzonderlijk onderzoeken.

A. Bewering van onprofessioneel gedrag in de aanwervingsprocedure

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

28. Klager beweerde dat de diensten van het Parlement onprofessioneel hadden gehandeld in de aanwervingsprocedure omdat ze hadden geweigerd essentiële informatie te verstrekken over de post zelf, namelijk wat de post inhield en wat de arbeidsvoorwaarden waren, en over het aanbod. Als gevolg hiervan was het voor hem onmogelijk om een weloverwogen besluit te nemen over het al dan niet aanvaarden van het aanbod. Klager beklaagde zich er ook over dat hij tijdens het gesprek niet werd geïnformeerd over het vervolg van de procedure, de tijdslimiet voor het nemen van een besluit en de inhoud van de post. Klager verklaarde dat hem slechts werd meegedeeld dat dit een tijdelijke post betrof en dat er een andere gegadigde was.

29. In zijn standpunt verklaarde het Parlement dat het DG IPOL contact had opgenomen met klager en hem had uitgenodigd voor een informeel gesprek om vast te stellen of hij belangstelling had om de in de aankondiging van aanwerving PE/87/S genoemde tijdelijke post te vervullen. De aankondiging van aanwerving was gepubliceerd in het Publicatieblad in 2004, en in de aankondiging werden de door de gegadigde uit te voeren taken gedetailleerd beschreven. Het Parlement wees erop dat het profiel van de post en de beschrijving van de uit te voeren taken in de aankondiging van aanwerving de gegadigden al van basisinformatie voorzag. Het gesprek concentreerde zich op de vraag wat er van een gegadigde werd verwacht om de taken van een parlementair administrateur op het gebied van onderzoek te kunnen vervullen. Het Parlement verklaarde dat het DG IPOL het ook passend had geacht om te verifiëren of het profiel van klager overeenkwam met de specifieke kenmerken van de post, om te bepalen hoe geïnteresseerd hij in de post was en wat zijn redenen waren geweest om te solliciteren.

30. Wat betreft de informatie over de arbeidsvoorwaarden verklaarde het Parlement dat uit de e-mailwisseling tussen klager en de eenheid Aanwerving van het DG IPOL duidelijk bleek dat klager informatie was verstrekt over de praktische implicaties van het aanvaarden van de post. Wat betreft de kwestie van de werktijden en de mogelijkheid van een vierdaagse werkweek wees het Parlement erop dat in het aanbod dat op 6 december 2007 aan klager was gedaan een salaris werd vermeld dat behoorde bij een volledige werkweek. Bovendien was het Parlement van mening dat pas nadat klager in dienst zou zijn getreden het moment zou aanbreken om de werkregelingen gedetailleerd te bespreken, hoewel het nemen van een definitief besluit daarover uitsluitend een zaak van het management zou zijn geweest en dat besluit zou zijn genomen in het licht van de behoeften en belangen van de dienst.

31. Wat betreft de vragen met betrekking tot de salaristrap waarin klager zou worden aangeworven en de proefperiode verklaarde het Parlement dat in de eerste paragraaf van het arbeidsaanbod duidelijk werd gesteld dat de voorwaarden van het voorgestelde contract consistent waren met de bepalingen van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Daarnaast was klager gewezen op de mogelijkheid om de desbetreffende bepalingen te raadplegen via een hyperlink.

32. Met betrekking tot de vraag van klager over de looptijd van het contract wees het Parlement erop dat in aankondiging van aanwerving PE/87/S werd vermeld dat het een tijdelijke post betrof voor een periode van vijf jaar. Het contract zou dus van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2008 lopen, en niet, zoals klager leek te hebben aangenomen, voor een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het arbeidsaanbod werd gedaan.

33. Op grond van het bovenstaande concludeerde het Parlement dat het alle vragen had beantwoord die klager tijdens de aanwervingsprocedure had gesteld, dat klager voldoende informatie over de post had gekregen om een besluit te kunnen nemen en dat het zijn zorgplicht jegens klager had vervuld. In de visie van het Parlement leidde nauwgezette bestudering van het dossier tot de conclusie dat de vragen van klager voortkwamen uit een wens om de voorwaarden van het contract te herzien in plaats van uit de wens om specifieke informatie van de betrokken diensten te verkrijgen. Het Parlement betreurde het feit dat klager een verkeerde indruk van de instelling had gekregen.

34. In zijn opmerkingen verklaarde klager dat hij niet beweerde dat hij geen concrete informatie had gekregen, maar dat hij niet de specifieke informatie had gekregen waarom hij had verzocht. Daar voegde hij aan toe dat tijdens het gesprek nooit was gezegd dat de post voor nog hoogstens een jaar beschikbaar was. Klager stelde dat het normaal was dat in een kennisgeving van vacature enkele details met betrekking tot een post kunnen ontbreken en dat een gesprek daarom de perfecte manier was om de ontbrekende informatie snel te verkrijgen. Het was de weigering van het Parlement om deze aanvullende informatie te verstrekken die de grondslag van zijn klacht vormde.

Aanvullend onderzoek

35. Op 15 oktober 2009 verrichte de Ombudsman aanvullend onderzoek. Hij vroeg het Parlement toe te lichten waarom het feit dat de post in kwestie slechts tot december 2008 beschikbaar was, pas onder de aandacht van klager werd gebracht toen hem de post werd aangeboden in december 2007.

Verdere argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

36. In zijn aanvullende standpunt lichtte het Parlement toe dat het de gangbare praktijk was om de aan te werven persoon officieel in kennis te stellen van de duur van het contract door middel van het arbeidsaanbod. Bovendien had klager contact gehad met een medewerker van de eenheid Aanwerving van het DG IPOL, die zijn best had gedaan om hem praktische informatie te verstrekken. Het Parlement herhaalde dat de termijn voor het reageren op het arbeidsaanbod bij wijze van uitzondering was verlengd tot 8 februari 2008 om klager de mogelijkheid te bieden een besluit te nemen met volledige kennis van alle feiten.

37. In zijn aanvullende opmerkingen verklaarde klager dat uit de reactie van het Parlement bleek dat het onvoldoende aandacht had besteed, zoals een moderne werkgever wel behoort te doen, aan vragen die voor klager belangrijk waren, zoals of hij naar Brussel zou moeten verhuizen en enige tijd gescheiden van zijn gezin zou moeten leven. Dit was extra belangrijk gezien de korte duur van het contract.

De evaluatie van de Ombudsman

38. De Ombudsman merkt op dat het vermeende onprofessioneel gedrag in de aanwervingsprocedure alleen betrekking heeft op het vermeende verzuim van het Parlement om essentiële informatie over de post en het aanbod te verstrekken. In zijn opmerkingen over het standpunt van het Parlement wees klager erop dat hij niet beweerde dat hij geen concrete informatie had gekregen, maar dat hij niet de specifieke informatie had gekregen waarom hij had verzocht. Het voorliggende besluit zal derhalve uitsluitend betrekking hebben op de bewering dat klager niet de specifieke informatie had gekregen waarom hij had gevraagd. Het argument van klager dat hem tijdens het gesprek nooit was verteld dat de post slechts tot eind 2008 beschikbaar was, hoeft door de Ombudsman derhalve niet te worden beoordeeld. Het kan echter dienstig zijn om daaraan toe te voegen dat dit feit van bijzonder belang voor de gegadigde was. De Ombudsman is daarom van mening dat het bijzonder dienstig zou zijn geweest als het Parlement klager onmiddellijk nadat het contact met klager had opgenomen om na te gaan of hij belangstelling voor de post had, namelijk in mei 2007, op dit feit had gewezen.

39. Voordat zal worden onderzocht of het Parlement klager de specifieke informatie heeft verstrekt waarom hij vroeg, acht de Ombudsman het dienstig erop te wijzen dat zowel de aankondiging van aanwerving als het arbeidsaanbod van 6 december 2007 reeds gedetailleerde informatie over de post en het aanbod bevatte. Punt A.1 van de aankondiging van aanwerving in het Publicatieblad bevatte de volgende informatie met betrekking tot de post in kwestie:

"Het [tijdelijke] contract zal worden gesloten voor een vaste periode van drie jaar en kan worden verlengd met een maximale totale periode van vijf jaar. De aanwerving zal plaatsvinden in rang A*8/AD8, eerste salaristrap, waarvoor het basissalaris 5 519,42 EUR bedraagt. Op dit salaris wordt Gemeenschapsbelasting geheven en worden de andere in de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen neergelegde inhoudingen verricht; het is vrijgesteld van nationale belastingen. De salaristrap waarin de succesvolle gegadigde wordt aangeworven kan echter worden aangepast overeenkomstig zijn of haar beroepservaring. Bovendien zullen in bepaalde omstandigheden toelagen worden betaald naast het basissalaris.

De uit te voeren taken vragen om een zeer hoge mate van betrokkenheid, het ondernemen van reizen tussen de werkplekken van het Europees Parlement, het onderhouden van contact met mensen binnen en buiten het Parlement, waaronder externe dienstverleners, en nauwe samenwerking met leden van het Europees Parlement.

De tijdelijk aangeworven functionaris zal tevens worden gevraagd om een proefperiode van niet meer dan zes maanden te volbrengen".

40. In de aankondiging van aanwerving wordt onder punt A.2 vermeld dat de standplaats Brussel zou zijn, maar dat de aangeworven persoon regelmatig reizen zou moeten ondernemen, met name naar Straatsburg. Wat betreft de vraag wat de post precies inhield, bevatte punt A.3 van de aankondiging van aanwerving een gedetailleerde beschrijving van de post, met een overzicht, bestaande uit zeven punten, van de verschillende door de tijdelijke functionaris uit te voeren taken.

41. Daarnaast was klager in het arbeidsaanbod van 6 december 2007 meegedeeld dat hem een contract als tijdelijk functionaris in het DG IPOL werd aangeboden, in overeenstemming met de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (waarvan de hyperlink aan klager was verstrekt), onder de volgende voorwaarden:

"Post: Administrateur

Functiegroep, rang, salaristrap: AD 8, salaristrap 1 [met informatie over de mogelijkheid om in een hogere salaristrap in te stromen]

Contractperiode: tot en met 31 december 2008 […]

Proeftijd: vier maanden

Standplaats: Brussel. U kunt worden gevraagd om ten behoeve van het werk reizen te ondernemen, met name naar Straatsburg of Luxemburg.

Aanvangsdatum: Zo spoedig mogelijk. De indiensttreding dient echter plaats te vinden binnen drie maanden na de ontvangst van dit arbeidsaanbod […]

Het maandelijkse basissalaris behorend bij bovenstaande rang en salaristrap bedraagt 5 810,99 EUR, dat, onder de in de bijlage bij deze brief vermelde voorwaarden en na overlegging van ondersteunende documenten, kan worden aangevuld met:

- een kostwinnerstoelage,

- een kinderbijslag,

- een ontheemdingstoelage".

42. Het arbeidsaanbod van 6 december 2007 bevatte ook nadere informatie over de verplichte medische keuring, de Gemeenschapsbelasting, de ziektekostenregeling, de pensioenregeling en de 100% aanpassingscoëfficiënt voor de kosten van levensonderhoud in Brussel. Ook werd klager meegedeeld dat zijn nettomaandsalaris, exclusief alle toelagen, 4 420 EUR zou bedragen, en inclusief de ontheemdingstoelage circa 5 350 EUR.

43. Uit het bovenstaande blijkt dat de aankondiging van aanwerving, en met name het arbeidsaanbod, klager reeds van uitvoerige informatie over verschillende aspecten van het werk voorzag.

44. Met betrekking tot de bewering van klager dat hij de specifieke informatie waarom hij had gevraagd niet had ontvangen, merkt de Ombudsman op dat klager een lijst met vragen heeft verstrekt die hij had meegenomen naar het gesprek op 19 oktober 2007[2]. Niet vastgesteld is echter of alle vragen uit de lijst daadwerkelijk aan het Parlement zijn voorgelegd. De Ombudsman is daarom van mening dat hij alleen de vragen hoeft te beoordelen die klager in zijn brieven en e-mails aan het Parlement heeft voorgelegd, alsmede de antwoorden van het Parlement op die vragen, teneinde vast te stellen om welke informatie over de post klager heeft verzocht en of het Parlement deze informatie heeft verstrekt. Uit dit onderzoek komt het volgende naar voren.

45. In zijn e-mail van 21 oktober 2007 aan het Parlement, die hij twee dagen na het gesprek stuurde, informeerde klager naar de mogelijkheid om te worden aangeworven voor een permanente post, aangezien hij met succes aan een algemeen vergelijkend onderzoek (COM/A/1/02) had deelgenomen. Hoewel het Parlement niet expliciet op deze vraag antwoordde, werd in het arbeidsaanbod van 6 december 2007 duidelijk gemaakt dat klager een contract als tijdelijke functionaris kreeg aangeboden en niet een permanente post.

46. Na ontvangst van het arbeidsaanbod stelde vrager bij e-mail van 6 december 2007 aanvullende vragen met betrekking tot de duur van het contract, de mogelijkheid om in deeltijd te werken en de salaristrap waarin hij zou worden geplaatst. De Ombudsman merkt op dat het Parlement dezelfde dag nog per e-mail antwoord gaf op deze drie vragen en klager meedeelde dat, zoals in het arbeidsaanbod was vermeld, de duur van het contract was beperkt tot 31 december 2008 en dat er geen mogelijkheid van verlenging bestond, aangezien het een post betrof die in januari 2004 was gecreëerd voor een duur van vijf jaar. In de tweede plaats deelde het Parlement klager mee dat hij de mogelijkheid om in deeltijd te werken na zijn indiensttreding met de betrokken dienst zou moeten bespreken, en in de derde plaats dat volgens het Statuut de hoogst mogelijke salaristrap salaristrap 2 was. Wat betreft de vraag van klager met betrekking tot de mogelijkheid om in deeltijd te werken lijkt het erop dat hij al een antwoord had gekregen, aangezien klager zelf in zijn klacht verklaarde dat hem tijdens het korte gesprek met het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie op 19 oktober 2007 was verteld dat werken in deeltijd pas kon worden geregeld na de benoeming en dat dit tijdens de proefperiode niet mogelijk was.

47. In zijn brief van 21 januari 2008 aan het Parlement vergeleek klager zijn positie van dat moment met de post die het Parlement hem aanbood en verklaarde hij dat het voor hem moeilijk was om een besluit te nemen, met name omdat het contract dat het Parlement hem aanbood op 31 december 2008 zou aflopen. Hij vroeg daarom een gesprek met de teamleider aan om meer over de post te weten te komen. Het Parlement antwoordde bij e-mail van 1 februari 2008 en zond klager een kopie van de beschrijving van de post in de kennisgeving van vacature 10695. Deze kennisgeving van vacature bevatte een beschrijving van de door de houder van een post van administrateur te verrichten taken, welke post gelijkwaardig was aan de post die aan klager werd aangeboden.

48. Op grond van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat het Parlement alle vragen die klager aan het Parlement heeft voorgelegd lijkt te hebben beantwoord en hem relevante informatie heeft verstrekt. De Ombudsman merkt op dat klager van mening is dat het Parlement hem meer gedetailleerdere informatie had moeten verstrekken. Op grond van de informatie die het Parlement heeft verstrekt, is de Ombudsman echter van oordeel dat klager zijn bewering dat het Parlement onprofessioneel heeft gehandeld in de aanwervingsprocedure niet heeft gestaafd. Er is daarom geen geval van wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

B. Bewering dat het Parlement gelogen heeft

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

49. In zijn klacht stelde klager dat het gesprek werd beëindigd zonder dat hem de mogelijkheid was gegeven om ook maar één vraag te stellen. Klager beweerde dat de verklaring van het Parlement dat het Parlement hem de mogelijkheid had geboden om vragen te stellen en dat de directeur-generaal van het DG IPOL hem daar in het gesprek van 19 oktober 2007 toe had uitgenodigd, derhalve een leugen was. In de visie van klager was dit ook een blijk van gebrek aan respect voor de instelling van de Ombudsman.

50. In zijn standpunt voerde het Parlement aan dat de directeur-generaal van het DG IPOL, die veel belang hecht aan het correct naleven van de procedures, gegadigden altijd de gelegenheid geeft om aan het eind van een gesprek vragen te stellen en dat daar in het geval van klager geen uitzondering op was gemaakt. Het Parlement verklaarde dat klager de kans was geboden om zo veel vragen te stellen als hij wenste over de aard van de post. Bovendien verklaarde het Parlement dat het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie, die bij het gesprek aanwezig was geweest, klager op diens verzoek onmiddellijk na het gesprek in haar kantoor had ontvangen om al zijn vragen met betrekking tot de post te beantwoorden. Zij deelde hem tevens de naam van zijn toekomstige eenheidshoofd mee, voor het geval hij verdere vragen mocht hebben.

51. In zijn aanvullende standpunt herhaalde het Parlement dat klager de mogelijkheid had gehad om vragen te stellen tijdens het gesprek.

52. In zijn opmerkingen herhaalde klager dat hem niet de mogelijkheid was geboden om tijdens het gesprek vragen te stellen. Hij stelde dat het Parlement geen overtuigend antwoord had gegeven op zijn bewering dat het had gelogen, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer, hoe en door wie hem de mogelijkheid was geboden om vragen te stellen. Hij voegde daaraan toe dat het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie, die hem na het gesprek had ontvangen, haar verontschuldigingen had aangeboden voor de wijze waarop alles was gegaan, waaruit bleek dat het gesprek niet naar behoren was verlopen. Klager concludeerde dat het Parlement de zaak niet serieus had genomen en hem niet met respect had behandeld.

De evaluatie van de Ombudsman

53. De Ombudsman merkt op dat het Parlement in zijn eerste standpunt van 3 november 2008 verklaarde dat "de directeur-generaal [...], die veel belang hecht aan het correct naleven van de procedures, gegadigden altijd de gelegenheid geeft om aan het eind van een gesprek vragen te stellen. In het geval van [klager] was daarop geen uitzondering gemaakt en hem was de kans geboden om zo veel vragen te stellen als hij wenste over de aard van de post" (onderstreping toegevoegd). In zijn aanvullende standpunt verklaarde het Parlement slechts dat het bevestigde "dat klager tijdens het gesprek de mogelijkheid had gehad om vragen te stellen". Deze verklaring lijkt minder stellig dan wat het Parlement in zijn eerste standpunt had verklaard. De Ombudsman merkt op dat klagers versie van de feiten in deze kwestie blijft verschillen van die van het Parlement, ook al beweert klager niet dat hem de mogelijkheid om vragen te stellen was geweigerd nadat hij dat had geprobeerd. Op grond van artikel 3, lid 2, van het Statuut van de Ombudsman zou de Ombudsman natuurlijk kunnen proberen om meer duidelijkheid in deze kwestie te scheppen door de functionarissen die bij het gesprek aanwezig waren te horen. Het is echter onzeker of dat enig doel zou dienen, aangezien het gesprek bijna drie jaar geleden heeft plaatsgevonden en klager waarschijnlijk niet de enige persoon is met wie de functionarissen in de tussenliggende jaren een sollicitatiegesprek hebben gevoerd. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat de betrokken personen zich voldoende duidelijk zouden herinneren wat er tijdens het gesprek is gebeurd om antwoord te kunnen geven op een vraag met betrekking tot een kwestie waarover ten tijde van het gesprek geen geschil bestond. Anderzijds wordt niet betwist dat het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie, die bij het gesprek aanwezig was, klager op diens verzoek onmiddellijk na het gesprek in haar kantoor ontving om al zijn vragen met betrekking tot de post te beantwoorden. De Ombudsman is derhalve van oordeel dat het niet gerechtvaardigd is om nader onderzoek te verrichten om vast te stellen of klager inderdaad is uitgenodigd om vragen te stellen tijdens het gesprek, omdat klager in elk geval de mogelijkheid heeft gehad om vragen te stellen, en dat ook heeft gedaan, in zijn gesprek met het hoofd van de eenheid Algemene coördinatie.

C. Conclusies

Op grond van zijn onderzoek naar de tweede en derde bewering sluit de Ombudsman deze zaak af met de volgende conclusies:

Er was geen wanbeheer door het Europees Parlement wat betreft de tweede bewering.

Wat betreft de derde bewering is nader onderzoek niet gerechtvaardigd.

Klager en het Parlement zullen in kennis worden gesteld van dit besluit.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 13 december 2010


[1] PB C 138 A van 18.5.2004, blz. 14.

[2] Uit deze lijst blijkt dat klager de volgende vragen had willen stellen over de post: "Uit welke werkzaamheden bestaat het werk over het algemeen? Wat is/zijn de werktaal/werktalen? Welke werkzaamheden voert een assistent over het algemeen uit? Hoeveel ruimte is er voor een persoonlijke aanpak? Hoe zou u de sfeer op het werk omschrijven? Uit hoeveel dagen bestaat een week in Straatsburg? Wat zijn de werktijden in Brussel? Krijg ik een coach/leidinggevende of is dit zeer individueel werk?" De lijst bevatte ook de volgende vragen met betrekking tot de procedure: "Hoeveel tijd heb ik om een besluit te nemen? Gaat het om een contract voor een vaste periode van drie jaar vanaf nu? Bestaat de mogelijkheid van verlenging van het contract of doorstroming naar een nieuwe post? Wat is onderhandelbaar? Verschilt de status van die van andere ambtenaren?". Daarnaast had klager de volgende vragen over de arbeidsvoorwaarden: "Bestaat de mogelijkheid om in deeltijd te werken (vrijdag vrij om op dochter te passen)? Is het mogelijk om vier keer negen uur te werken? Beschouwen collega’s dit als een zware baan? Hoeveel betaalt het (goed betaald advieswerk)? Zijn er naast het salaris aanvullende betalingen? Worden de kosten van naar het buitenland verhuizen vergoed? Bestaan er regelingen voor de situatie dat de echtgenote werkt?"