You have a complaint against an EU institution or body?

Besluit van de Europese Ombudsman ter afsluiting van het onderzoek inzake klacht 1144/2009/(KRK)OV tegen de Raad van de Europese Unie

Klager, een Belgisch schildersbedrijf, schreef in op een aanbesteding van de Raad van de EU voor de afwerking van het interieur in gebouwen van de Raad in Brussel. De opdracht zou worden gegund aan de geldige inschrijver die de laagste prijs had geoffreerd. De aan de geselecteerde kandidaten gezonden aanbestedingsdocumenten waren in het Frans gesteld. Tijdens een georganiseerd bezoek aan de gebouwen van de Raad heeft klager verscheidene vragen gesteld. Hij heeft zijn offerte vijf dagen voor de afloop van de inschrijvingstermijn ingediend, in het Frans. Toen klager op de hoogte was gesteld van het feit dat zijn offerte niet was gekozen, zond hij twee brieven aan de Raad met een aanzienlijk aantal vragen. De Raad beantwoordde beide brieven.

In zijn klacht aan de Ombudsman beschuldigde klager de Raad ervan (i) de aanbestedingsdocumenten niet in het Nederlands beschikbaar te hebben gesteld ondanks zijn verzoek daartoe, (ii) geen antwoord te hebben gegeven op zijn vragen, (iii) een onvolledig onderzoek naar de geoffreerde prijzen te hebben uitgevoerd en (iv) de opdracht te hebben gegund aan een bedrijf met bepaalde voorkennis van de aanbesteding.

In zijn standpunt betoogde de Raad dat (i) klager nooit had verzocht om ontvangst van de aanbestedingsdocumenten in het Nederlands, (ii) hij de vragen van klager had beantwoord en (iii) de opdracht was gegund aan de inschrijver met de laagste offerteprijs, conform de oproep tot inschrijving. Ook lichtte de Raad toe dat de winnende inschrijver in het verleden als onderaannemer had gewerkt voor bedrijven die eerder voor de Raad hadden gewerkt.

De Ombudsman vond geen bewijzen voor een uitdrukkelijk verzoek van klager om de aanbestedingsdocumenten in het Nederlands te ontvangen. Hij concludeerde tevens dat de verschillende vragen van klager, voor zover deze achterhaald konden worden, door de Raad waren beantwoord, hetzij in zijn antwoordbrieven, hetzij in zijn standpunt over onderhavige klacht. Op basis van inzage in het dossier van de Raad constateerde de Ombudsman voorts dat de offertes zorgvuldig waren bestudeerd en vergeleken door de beoordelingscommissie. Ten slotte constateerde de Ombudsman dat klager geen concrete bewijzen had overgelegd voor zijn beschuldiging dat de winnende inschrijver voorkennis over de aanbesteding bezat. De Ombudsman kwam derhalve tot de conclusie dat er geen sprake was van wanbestuur door de Raad en sloot de zaak.

De achtergrond van de klacht

1. Klager, een schildersbedrijf, heeft deelgenomen aan een openbare aanbesteding van de Raad van de Europese Unie, die optrad als aanbestedende dienst. De aanbesteding, waarvan de aankondiging werd gepubliceerd in het supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie, had betrekking op de afwerking van binnenwerken (schilderwerken, de plaatsing van vloerbedekkingen, muurbekledingswerken) in verschillende gebouwen van de Raad in Brussel.

2. Bij brief van 19 oktober 2007 deelde het secretariaat-generaal van de Raad klager mee dat zijn kandidatuurstelling was aanvaard en dat klager binnen enkele weken de aanbestedingsdocumenten zouden worden toegezonden.

3. Bij brief van 17 maart 2009 zond het secretariaat-generaal alle geselecteerde gegadigden de aanbestedingsdocumenten in de Franse taal toe. In punt 14 van de aanbestedingsdocumenten, dat betrekking had op de "Gunningscriteria", werd bepaald dat de opdracht zou worden gegund aan de inschrijver met de laagste prijs van alle in aanmerking komende inschrijvers, zoals beschreven in aanhangsel 3. De tijdslimiet voor het indienen van inschrijvingen was 28 april 2008.

4. Op 7 en 8 april 2008 organiseerde het secretariaat-generaal bezoeken aan de gebouwen voor de selecteerde gegadigden. De deelname aan de bezoeken was facultatief. Klager bezocht de gebouwen op 7 april 2008. Op 10 april 2008 zond het secretariaat-generaal alle gegadigden een brief die vergezeld ging van een samenvatting van alle vragen die tijdens de bezoeken waren gesteld, en de antwoorden die daarop waren gegeven.

5. Op 23 april 2008 diende klager zijn inschrijving in. De begeleidende brief bij de inschrijving bevatte een lijst van vijftien opmerkingen over bepaalde aspecten van de aanbestedingsdocumenten en een toelichting bij de inschrijving. Daarin verklaarde klager het te betreuren dat, hoewel de vragen die hij tijdens zijn bezoek op 7 april 2008 had gesteld in het Nederlands waren beantwoord, de aanbestedingsdocumenten niet in die taal beschikbaar waren. Klager stelde dat de technische specificaties zeer summier waren en dat daarin geen minimumkwaliteitseisen voor de te gebruiken materialen werden vermeld. Hij wees daarbij op het feit dat zijn prijzen waren berekend op basis van de kosten van kwalitatief hoogwaardige materialen en dat als de aanbestedende dienst bereid was materialen met een lagere kwaliteit te accepteren, dit een positief effect zou hebben op de prijs die hij kon bieden.

6. De beoordelingscommissie beoordeelde de inschrijvingen op 15 mei en 12 juni 2008. De inschrijving van klager werd als vierde van de vijf ingediende inschrijvingen geklasseerd. Een andere onderneming (‘firma A’) werd geselecteerd als de winnende inschrijver.

7. Op 17 juni 2008 zond klager een brief aan het secretariaat-generaal waarin hij het secretariaat-generaal vroeg een standpunt in te nemen over de opmerkingen die hij in zijn brief van 23 april 2008 had gemaakt.

8. Bij brief van 20 juni 2008 deelde het secretariaat-generaal klager mee dat zijn inschrijving niet was geselecteerd omdat deze niet de goedkoopste was. Voorts verklaarde het secretariaat-generaal dat de beoordelingscommissie rekening had gehouden met de opmerkingen die klager had gemaakt in zijn inschrijving en in zijn brief van 23 april 2008.

9. Bij brief van 4 juli 2008 deelde klager het secretariaat-generaal mee dat hij het volledig oneens was met het genomen besluit, aangezien de redenen waarop het was gebaseerd, onvoldoende waren toegelicht. Klager verklaarde het te betreuren dat hij, ondanks dat hij daar tijdens zijn bezoek op 7 april 2008 om had verzocht, geen Nederlandse versie van de aanbestedingsdocumenten had ontvangen. Klager stelde verder dat het bezit van deze taalversie mogelijk een positief effect op zijn prijsofferte zou hebben gehad. Klager legde het secretariaat-generaal daarna de volgende dertien vragen voor: "1) Welk bedrijf heeft de goedkoopste bieding neergelegd? 2) Werden de werken aan dit bedrijf gegund? 3) Welke totaalprijs per jaar heeft dit bedrijf aangeboden? 4) Welke totaalprijzen per hoofdstuk werden er door dit bedrijf neergelegd? 5) Hoeveel procent zijn wij duurder ten opzichte van de goedkoopste bieding? 6) Heeft het goedkoopste bedrijf vóór juni 2008 reeds rechtstreeks voor de Raad van de Europese Unie gewerkt? 7) Heeft het goedkoopste bedrijf vóór juni 2008 reeds onrechtstreeks voor de Raad van de Europese Unie gewerkt (bijvoorbeeld in onderaanneming)? 8) Kunt u ons details bezorgen van alle inschrijvingen, met inachtneming van de anonimiteit van de inschrijvers? 9) Op welke manier hebt u onderzocht dat de goedkoopste bieder geen overlapping voorziet in de uit te voeren werken als voorzien in hoofdstuk I en II? 10) Op welke manier hebt u een controle – conform PC 124 – gedaan op de arbeidslonen, zoals gevraagd in hoofdstuk II? 11) Op welke manier hebt u mijn opmerkingen – integraal deel uitmakend van onze inschrijving – onderzocht? 12) Hoe hebt u mijn voorstel inzake kwaliteit en prijsvermindering geanalyseerd? 13) Waarom hebben wij geen kopie ontvangen van een eventuele vraagstelling die u hebt gedaan aan onze concurrenten ingevolge onze opmerkingen?"

10. Het secretariaat-generaal antwoordde klager bij brief van 8 juli 2008. Het secretariaat-generaal herinnerde er in deze brief aan dat de opdracht in overeenstemming met punt 14 van de aanbestedingsdocumenten zou worden gegund aan de inschrijver die de laagste prijs zou bieden. Het secretariaat-generaal deelde klager mee dat de opdracht was gegund aan firma A. Het secretariaat-generaal voegde bij zijn antwoord een tabel bij waarin het de prijsofferte van klager (EUR 1 652 338) vergeleek met de prijsofferte van de winnende inschrijver (EUR 1 097 920,90). Het secretariaat-generaal verklaarde voorts dat als bedrag het "totale bedrag van de offerte" als bedoeld in aanhangsel 3 ("Prijzen en andere financiële voorwaarden") in aanmerking was genomen. Het secretariaat-generaal wees erop dat voor klager dit bedrag (EUR 1 603 293) licht verschilde van het bedrag dat in zijn prijsofferte werd genoemd. Ook herinnerde het secretariaat-generaal eraan dat, aangezien de opdracht was gegund op basis van de laagste prijs, alleen dit bedrag in aanmerking was genomen en geen enkel ander element, zoals kwaliteit. Voorts verklaarde het secretariaat-generaal dat geen van de opmerkingen van klager, of van de andere inschrijvers, de Raad had genoodzaakt om aanvullende vragen te stellen en dat geen van deze opmerkingen had geleid tot niet-overeenstemming van de offertes. Het secretariaat-generaal wees erop dat het geen aanvullende details kon verstrekken over de inhoud van de offertes van de concurrenten van klager (bijvoorbeeld met betrekking tot de prijs per hoofdstuk), omdat de inschrijvingen vertrouwelijk waren en een eerlijke concurrentie tussen de ondernemingen moest worden gehandhaafd. Ook deelde het secretariaat-generaal klager mee dat het contract met de winnende inschrijver zou worden getekend na de wachttermijn van veertien kalenderdagen vanaf de dag van de gelijktijdige kennisgeving van de gunnings- en afwijzingsbesluiten. Wat betreft de aanbestedingsdocumenten stelde het secretariaat-generaal dat het van klager nooit een uitdrukkelijk verzoek om toezending van een Nederlandse taalversie had ontvangen.

11. De aanbestedingsprocedure werd op 5 augustus 2008 afgesloten. Op 15 oktober 2008 zond klager een nieuwe brief aan het secretariaat-generaal, waarin hij stelde dat het secretariaat-generaal niet had geantwoord op de vragen 6 en 7 in de brief van 4 juli 2008 van klager en dat het antwoord op de vragen 8, 9, 10, 11, 12 en 13 onvoldoende was. Klager stelde in deze brief ook de volgende aanvullende vragen: "1) Wij stellen vast dat de inschrijving van firma A abnormaal laag is ten opzichte van onze inschrijving. Op welke manier heeft de Raad rekening gehouden met artikel 110, lid 4, van het Koninklijk Besluit van 1.8.1996 (Belgisch Staatsblad van 26.1.1996)? Dit Koninklijk Besluit laat slechts een afwijking van 15 % toe op het gemiddelde van de inschrijvingen. 2) Op basis van voorgaand punt stellen wij vast dat firma A abnormale eenheidsprijzen heeft ingediend. Heeft firma A deze eenheidsprijzen mogen herzien? Heeft deze herziening een impact gehad op de rang van de offerte? 3) Wat bedoelt u met "laagste regelmatige offerte"? Op welke wijze hebt u de verhouding tussen de kwaliteit en de minimale uurlonen onderzocht?[…] We verwijzen ter zake naar ons schrijven van 23 april 2008 […] waarin wij duidelijk hebben gesteld dat er bepaalde afwerkingsgraden en kwaliteitseisen ontbraken in uw bestek. U zult begrijpen dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de afwerkingsgraad van de gevraagde werken en de aangeboden eenheidsprijzen. Welke afwerkingsgraad biedt firma A in zijn offerte aan? Tegen welke eenheidsprijzen? Zoals duidelijk gesteld in ons schrijven van 23 april 2008 konden onze eenheidsprijzen positief worden beïnvloed (lagere prijs) indien u een minimale kwaliteitseis in uw bestek zou hebben gevraagd. 4) Op welke manier zult u controleren of firma A alle technische specificaties van het bestek, alsmede alle wettelijke verplichtingen (PC124) zal naleven, zoals u aangeeft in uw schrijven? 5) Wordt er in [de aanbesteding] enkel nog over afwerkingswerken gesproken of wordt er overwogen om volledige gebouwen te laten schilderen, aangezien naar onze mening de prijzen van firma A abnormaal laag zijn? […] 6) Kunt u ons een overzicht bezorgen van alle bieders en hun inschrijvingsbedragen? 7) Op welke manier hebt u een inschatting gemaakt van de hoeveelheden als vermeld in uw samenvattende inschrijvingstabel? […] 8) Waarom werden er, met betrekking tot behang- en vloerbedekkingswerken, product- en/of merknamen opgelegd? Dit in tegenstelling tot bij de schilderwerken … Werd de aanbieding van een gelijkwaardig product overwogen?" Klager betwistte tevens de verklaring van het secretariaat-generaal dat klager niet om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had gevraagd. Klager wees erop dat de heer T., die namens klager optrad, tijdens zijn bezoek van 7 april 2008 deze vraag uitdrukkelijk had gesteld in aanwezigheid van de concurrenten.

12. Op 5 november 2008 gaf het secretariaat-generaal antwoord aan klager, waarin het verwees naar de vorige briefwisseling en erop wees dat het Belgisch recht inzake overheidsopdrachten niet van toepassing was op dit geval, dat uitsluitend moest worden beoordeeld op basis van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappenen[1] (het 'Financieel Reglement') en de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement[2] (de 'uitvoeringsvoorschriften'). Het secretariaat-generaal besloot met de opmerking dat het geen verdere informatie kon verstrekken.

Het voorwerp van het onderzoek

13. In zijn klacht aan de Ombudsman wees klager erop dat hij de indiening van zijn inschrijving op 23 april 2008 vergezeld had laten gaan van een aantal technische en administratieve opmerkingen met betrekking tot i) onduidelijke omschrijvingen van de precieze technische kwaliteitscriteria van de Raad voor de schilderwerken, ii) het feit dat zijn eenheidsprijzen lager hadden kunnen zijn als de kwaliteitseisen duidelijker zouden zijn geweest, iii) de verplichting om minimumlonen uit te betalen, en iv) de verplichting om producten (tapijt, vinyl) van bepaalde producenten aan te bieden.

14. Klager wees erop dat de reden voor zijn klacht was dat de Raad had ontkend een verzoek om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten te hebben ontvangen. Daar voegde klager aan toe dat volgens de informatie waarover hij beschikte, de winnende inschrijver al meer dan tien jaar voor de Raad had gewerkt en voorkennis met betrekking tot de aanbesteding zou hebben gehad, namelijk dat de te leveren hoeveelheden lager zouden uitvallen dan in de aanbestedingsdocumenten werd vereist.

15. Klager verwees in zijn klacht onder meer naar het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 5, lid 3, van de Europese Code van goed administratief gedrag, het beginsel van objectiviteit (artikel 9 van de Code) en het recht op behoorlijk bestuur (artikel 41 van het Handvest van de grondrechten)[3].

16. Klager verklaarde dat zijn klacht betrekking had op de volgende vermeende "inbreuken": i) "ontsteltenis" en "ontkenning van de taalzekerheid", ii) niet of onvoldoende antwoord op gestelde vragen, iii) onvolledig onderzoek van de prijsoffertes, en iv) voorkennis bij de winnende inschrijver. Met betrekking tot punt ii) voerde klager aan dat de Raad niet of onvolledig had geantwoord op vragen met betrekking tot, specifiek: 1) de "Nederlandse taal van de aanbesteding", 2) de "voorgeschiedenis goedkoopst bedrijf" [sic] van firma A, 3) de "details van de conformiteit", 4) de opmerkingen in de prijsofferte van klager, en 5) het bestaan van eventuele gestelde vragen aan andere inschrijvers. Klager merkte op dat hij vermoedde dat hem bepaalde informatie werd onthouden.

17. In zijn brief waarin hij de Raad verzocht standpunt uit te brengen over de klacht, legde de Ombudsman de opmerkingen van klager uit als inhoudende dat klager wenste te beweren dat de Raad:

1) de aanbestedingsdocumenten niet in het Nederlands beschikbaar had gesteld, ondanks een verzoek daartoe van klager;

2) niet had geantwoord op de vragen van klager;

3) de prijsoffertes onvolledig had onderzocht; en

4) de opdracht aan een bedrijf had gegund dat over bepaalde kennis met betrekking tot de aanbesteding beschikte die andere bedrijven niet hadden.

Het onderzoek

18. De klacht werd doorgestuurd aan de Raad voor een standpunt. De Raad zond zijn standpunt op 22 september 2009 aan de Ombudsman, waarna deze werd doorgestuurd aan klager. Klager diende zijn opmerkingen in op 30 oktober 2009.

19. Op 21 april 2010 besloot de Ombudsman dat het dossier van de Raad diende te worden geïnspecteerd. De inspectie werd door de diensten van de Ombudsman uitgevoerd op 16 juni 2010. Op 28 juni 2010 zond de Ombudsman een afschrift van het inspectieverslag aan klager, met een uitnodiging om opmerkingen in te dienen. Klager diende op 30 juni 2010 opmerkingen in.

20. In zijn opmerkingen over het standpunt van de Raad verklaarde klager dat als geconcludeerd zou worden dat er sprake was van wanbeheer, hij een passende compensatie wenste te ontvangen ten belope van 10 % van het bedrag van zijn inschrijving. Gezien zijn conclusies met betrekking tot de oorspronkelijke klacht (zie de paragrafen 28, 37 tot en met 42, 52 en 57 hieronder), oordeelde de Ombudsman dat er geen noodzaak bestond om deze nieuwe vordering te onderzoeken.

De analyse en conclusies van de Ombudsman

A. Bewering van verzuim om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingdocumenten ter beschikking te stellen

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

21. Klager stelde dat de Raad had verzuimd de aanbestedingsdocumenten in het Nederlands beschikbaar te stellen, ondanks zijn verzoek daartoe.

22. In zijn standpunt voerde de Raad aan dat de bewering van klager niet met de werkelijkheid strookte, aangezien het dossier geen enkel document bevatte waaruit bleek dat het secretariaat-generaal ooit een dergelijk verzoek zou hebben ontvangen. De Raad voerde aan dat klager in geen enkele fase voorafgaand aan de indiening van zijn inschrijving op 23 april 2008 in het Nederlands vragen had gesteld over of had gereageerd op de toezending van de Franse versie van de aanbestedingsdocumenten. Tussen 10 april 2008 (de datum waarop het verslag van de bezoeken van 7 en 8 april 2008 aan de inschrijvers werd verzonden) en 28 april 2008 (de tijdslimiet voor het indienen van inschrijvingen) heeft geen enkele gegadigde gevraagd om een vertaling van de aanbestedingsdocumenten in een andere taal. De Raad wees erop dat klager een firma is die in Wallonië, Frankrijk en Luxemburg actief is, waardoor hij gewoon is om in twee talen te werken en derhalve perfect in staat was om de documentatie die het secretariaat-generaal aan alle gegadigden had toegezonden, te begrijpen. Dit werd bevestigd door de gedetailleerde punten die klager in de begeleidende brief bij zijn inschrijving opwierp en het feit dat hij zijn prijsofferte in het Frans indiende. Het was pas bij de indiening van zijn inschrijving dat klager verklaarde het te betreuren dat hij geen Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had ontvangen. Zelfs als deze verklaring als een impliciet verzoek om vertaling van de aanbestedingsdocumenten in het Nederlands zou worden beschouwd, quod non, en afgezien van het feit dat het secretariaat-generaal op basis van artikel 141, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften niet verplicht is te antwoorden op verzoeken om toezending van documenten die minder dan vijf werkdagen voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van inschrijvingen worden ingediend, zou een dergelijk verzoek ook overbodig zijn geweest, aangezien klager net zijn inschrijving had ingediend op basis van de Franse versie van de aanbestedingsdocumenten, die hij had ontvangen, begrepen en geanalyseerd. De Raad concludeerde dat hij geen enkele onregelmatigheid had begaan, noch wat betreft de toezending van de documenten in het Frans, noch wat betreft de "taalzekerheid".

23. In zijn opmerkingen verklaarde klager dat de Raad ten onrechte had geweigerd het impliciete verzoek om een vertaling van de aanbestedingsdocumenten in het Nederlands, dat hij had gedaan in zijn brief van 23 april 2008, als een echte vraagstelling te erkennen. Hij wees erop dat dit verzoek tijdig was gedaan, namelijk vijf dagen voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van inschrijvingen. Klager bleef ook bij zijn standpunt dat hij tijdens het bezoek op 7 april 2008 om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had gevraagd. Hij verduidelijkte dat dit verzoek was gedaan aan een ambtenaar van de Raad wiens moedertaal Nederlands was, en dat die had geantwoord dat het document aan klager zou worden verstrekt. Klager stelde dat het verslag van het bezoek derhalve onvolledig was. Klager verwierp het argument van de Raad dat klager de Franse taal machtig was en in Franstalige gebieden werkzaam was en derhalve de aanbestedingsdocumenten kon begrijpen, als irrelevant. Klager stelde dat de eerste officiële taal van België, het gastland van de Raad, het Nederlands was. Voorts wees hij erop dat in punt IV.3.6 van de aankondiging van de opdracht werd bepaald dat in de aanbestedingsprocedure de Nederlandse taal kon worden gebruikt. In de visie van klager konden inschrijvers er derhalve van uitgaan dat de aanbestedingsdocumenten ook in andere talen dan het Frans beschikbaar zouden zijn.

24. Klager concludeerde, gezien het feit dat hij tijdens het bezoek van 7 april 2008 om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had gevraagd en hij zijn verzoek in zijn brief van 23 april 2008 had herhaald, dat de Raad inbreuk had gepleegd op artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten betreffende "taalzekerheid".

De evaluatie van de Ombudsman

25. De Ombudsman merkt op dat klager als argument aanvoerde dat hij twee verzoeken om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had gedaan, namelijk i) tijdens het bezoek van 7 april 2008, en ii) een tweede keer in zijn brief van 23 april 2008. Wat betreft het verzoek dat zou zijn gedaan tijdens het bezoek van 7 april 2008 merkt de Ombudsman op dat klager geen enkel document heeft ingediend om zijn bewering te staven. Het is waar dat klager beweerde dat zijn verzoek mondeling was gedaan. In het verslag van het bezoek van 7 april 2008, dat werd doorgestuurd aan klager, werd echter geen melding gemaakt van een dergelijk verzoek. Indien een dergelijk verzoek tijdens dat bezoek is gedaan en aanvaard, rijst de vraag waarom klager de Raad niet heeft geschreven om diens aandacht te vragen voor het feit dat genoemd verslag onvolledig was. Deze stap lijkt echter niet te zijn gezet.

26. Met betrekking tot het verzoek dat zou zijn gedaan in de brief van 23 april 2008, merkt de Ombudsman op dat klager in zijn brief slechts verklaarde het te betreuren dat de aanbestedingsdocumenten niet in het Nederlands beschikbaar waren. De Ombudsman is van mening dat deze brief moeilijk kan worden opgevat, zoals klager stelt, als een impliciet verzoek om een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten, vooral gezien het feit dat de brief van 23 april 2008 de brief was waarmee klager zijn inschrijving indiende. De Ombudsman is van oordeel dat dit feit laat zien dat klager geen problemen lijkt te hebben gehad met het indienen van zijn inschrijving op basis van de Franstalige aanbestedingsdocumenten. Ook merkt hij op dat toen klager bij brief van 23 april 2008 zijn inschrijving indiende, klager de Raad bedankte voor het in het Nederlands antwoorden op de vragen van klager tijdens het bezoek van 7 april 2008. In het licht van deze omstandigheden had klager een expliciet verzoek moeten indienen als hij alsnog een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten had willen ontvangen. In de brief van 23 april 2008 van klager is een dergelijk verzoek echter niet gedaan.

27. Klager verwees naar het recht op behoorlijk bestuur, en met name naar artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten, dat volgens klager "taalzekerheid" garandeert. De Ombudsman wijst erop dat in dit artikel het volgende wordt bepaald: "Eenieder kan zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen van de Unie wenden en moet ook in die taal antwoord krijgen". Dit artikel heeft derhalve betrekking op de taal die moet worden gebruikt bij de beantwoording van correspondentie van burgers. Het artikel zou in de huidige context derhalve alleen relevant zijn als de Raad klager niet in dezelfde taal zou hebben geantwoord als de taal die klager in zijn correspondentie met de Raad had gebruikt. De Ombudsman merkt echter op dat de Raad op 20 juni, 8 juli en 5 november 2008 in het Nederlands heeft geantwoord op de in het Nederlands geschreven brieven van klager.

28. Gelet op het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat er geen sprake was van wanbeheer door de Raad met betrekking tot dit aspect van de zaak.

B. Bewering van verzuim om op vragen te antwoorden

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

29. Klager beweerde dat de Raad had verzuimd antwoord te geven op zijn vragen. Specifiek voerde hij aan dat de Raad niet of onvolledig had geantwoord op vragen met betrekking tot 1) de "Nederlandse taal van de aanbesteding", 2) de "voorgeschiedenis goedkoopst bedrijf" [sic] van firma A, 3) de "details van de conformiteit", 4) de opmerkingen in de prijsofferte van klager, en 5) het bestaan van eventuele gestelde vragen aan andere inschrijvers.

30. In zijn standpunt verklaarde de Raad dat hij van mening was passende antwoorden te hebben gegeven op alle vragen van klager. De Raad stelde dat bepaalde vragen niet inhoudelijk konden worden beantwoord omdat ze de door het Financieel Reglement opgelegde beperkingen overschreden (bijvoorbeeld de vragen met betrekking tot informatie over concurrenten) of omdat ze niet meer binnen het kader van de op 5 augustus 2008 afgesloten aanbestedingsprocedure vielen (bijvoorbeeld de vragen in de brief van 15 oktober 2008). De Raad stelde dat de klacht de algemene indruk wekte dat klager gebruik wilde maken van zijn recht om zich tot de Ombudsman te wenden in de hoop op die manier toegang te krijgen op informatie waar hij geen recht op had.

31. Met betrekking tot het vermeende verzuim om op de in zijn brief van 4 juli 2008 vervatte vraag van klager te antwoorden en de "voorgeschiedenis goedkoopst bedrijf" [sic] van firma A, wees de Raad erop dat deze brief behoorde tot de categorie contacten tussen een afgewezen inschrijver en de aanbestedende dienst. Artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement bepaalt in dit verband dat de aanbestedende dienst op schriftelijk verzoek van een afgewezen inschrijver alle gegadigden of inschrijvers van wie de offerte of inschrijving is afgewezen, in kennis dient te stellen van de redenen waarom een inschrijving niet in aanmerking werd genomen, de kenmerken en de voordelen van de gekozen offerte en de naam van de inschrijver aan wie de opdracht werd gegund. De door klager gevraagde informatie met betrekking tot de "voorgeschiedenis" van firma A behoort duidelijk niet tot de informatie als omschreven in artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement. Het secretariaat-generaal was derhalve niet bevoegd om deze vraag te beantwoorden.

32. Met betrekking tot het vermeende verzuim om te antwoorden op de vraag of de ingediende inschrijvingen in overeenstemming met de minimumkwaliteitseisen waren, wees de Raad erop dat de beoordelingscommissie alle inschrijvingen had beoordeeld op hun overeenstemming met de minimumeisen, aangezien dit een voorafgaande voorwaarde was voor de financiële evaluatie van de inschrijvingen. De Raad verklaarde dat alle inschrijvingen in overeenstemming met de minimumeisen waren bevonden en dat hij klager daarvan in zijn brief van 8 juli 2008 in kennis had gesteld.

33. Met betrekking tot het vermeende verzuim om antwoord te geven op de vraag van klager in zijn brief van 4 juli 2008 of aan andere bedrijven vragen waren gesteld, wees de Raad er ook hier weer op dat de gevraagde informatie niet behoorde tot de informatie die het secretariaat-generaal krachtens artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement verplicht was aan klager mee te delen. De Raad verklaarde dat het secretariaat-generaal op 5 juni 2008 een brief had gezonden aan firma A met het verzoek om verduidelijking en bevestiging van bepaalde prijsvoorstellen, maar dat dit geen inbreuk op de aanbestedingsregels vormde. Het secretariaat-generaal was niet verplicht om klager in kennis te stellen van toelichtingen die het had ontvangen op de inschrijvingen van diens concurrenten, daar dit hun handelsbelangen zou kunnen schaden en een eerlijke concurrentie tussen de inschrijvers in gevaar zou kunnen brengen.

34. In zijn opmerkingen wees klager erop dat het vermeende verzuim om te antwoorden meer specifiek betrekking had op de antwoorden van de Raad ten aanzien van de onvoldoende duidelijke kwaliteitsomschrijving in de aanbestedingsdocumenten en het punt van de minimumlonen. Klager stelde dat de Raad niet betwistte dat klager tijdig, dat wil zeggen vijf dagen voor het verstrijken van de tijdslimiet voor het indienen van inschrijvingen, het gebrek aan duidelijkheid in de aanbestedingsdocumenten had bekritiseerd. Voorts wees klager erop dat hij in zijn brief van 23 april 2008 had opgemerkt dat de aanbestedingsdocumenten enkele onduidelijke technische specificaties bevatten, in het bijzonder met betrekking tot de schilder- en vloerbedekkingswerken. Daarnaast verklaarde klager dat de Raad in zijn standpunt had erkend aan firma A vragen te hebben gesteld teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de prijsvoorstellen van firma A. In de visie van klager bleek hieruit dat er problemen waren met de technische en prijsspecificaties. In zijn opmerkingen over het inspectieverslag verklaarde klager tevens dat de Raad zich verschool achter het argument dat het dossier slecht was vertaald.

De evaluatie van de Ombudsman

35. De Ombudsman merkt op dat klager in zijn opmerkingen het brandpunt van zijn beweringen lijkt te verschuiven van het vermeende verzuim van de Raad om antwoord te geven op zijn specifieke vragen naar de kritiek dat de aanbestedingsdocumenten onvoldoende duidelijk waren met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden en dat dit van invloed was geweest op zijn prijsofferte. De Ombudsman is echter van mening dat wat in deze zaak moet worden onderzocht de oorspronkelijke bewering van verzuim om te antwoorden is, zoals vervat in de klacht van 28 april 2009, waarover de Raad gevraagd werd standpunt uit te brengen. Wat betreft het vermeende gebrek aan duidelijkheid van de aanbestedingsdocumenten wenst de Ombudsman er simpelweg op te wijzen dat het vermeende gebrek aan duidelijkheid klager er niet van lijkt te hebben weerhouden om op 23 april 2008 een geldige en volledige inschrijving in te dienen. Ook lijkt het dat klager de kwestie van het vermeende gebrek aan duidelijkheid van de aanbestedingsdocumenten niet aan de orde heeft gesteld voordat hij zijn inschrijving indiende.

36. De oorspronkelijke bewering van klager was dat de Raad had verzuimd antwoord te geven op zijn vragen. De Ombudsman merkt op dat klager een groot aantal vragen heeft gesteld, namelijk dertien in zijn brief van 4 juli 2008 en acht aanvullende in zijn brief van 15 oktober 2008. In zijn klacht aan de Ombudsman stelde klager echter dat het hem voornamelijk te doen was om de reactie van de Raad op zijn vragen met betrekking tot de vijf punten die in paragraaf 29 hierboven worden genoemd. De Ombudsman merkt tevens op dat klager in zijn brief van 15 oktober 2008 uitdrukkelijk beweerde dat de vragen 6 en 7 in zijn brief van 4 juli 2008 niet waren beantwoord. De Ombudsman is derhalve van mening dat zijn onderzoek moet worden beperkt tot de reactie van de Raad op genoemde vragen, voor zover deze kunnen worden vastgesteld op basis van de beschrijving van klager.

37. In de vragen 6 en 7 in de brief van klager van 4 juli 2008 vroeg klager of de winnende inschrijver reeds direct of indirect voor de Raad van de Europese Unie had gewerkt. De Ombudsman merkt op dat de Raad in zijn brieven van 8 juli en 5 november 2008 geen antwoord op deze vragen gaf. In het kader van zijn standpunt over de bewering dat de winnende inschrijver over bepaalde voorkennis beschikte (zie punt D hieronder), legde de Raad echter uit dat firma A als onderaannemer had gewerkt voor ondernemingen die eerder voor de Raad hadden gewerkt. Aangezien de Raad deze twee vragen in zijn standpunt derhalve afdoende heeft beantwoord, is de Ombudsman van mening dat van zijn kant geen verder onderzoek naar dit gedeelte van de zaak nodig is.

38. Met betrekking tot het vermeende verzuim om te antwoorden op de punten 1) toe met 5) in paragraaf 29 hierboven merkt de Ombudsman het volgende op. Met betrekking tot punt 1), de "Nederlandse taal van de aanbesteding", merkt de Ombudsman op dat er in de brieven van klager van 4 juli en 15 oktober 2008 geen vragen werden gesteld over de taal van de aanbesteding. De Ombudsman neemt daarom aan dat klager doelde op het beschikbaar stellen van een Nederlandstalige versie van de aanbestedingsdocumenten. Dit punt is echter al behandeld in de context van het onderzoek van de eerste bewering, dat tot de conclusie leidde dat klager voorafgaand aan of bij de indiening van zijn inschrijving niet om een vertaling had verzocht. Bij ontstentenis van een dergelijk verzoek kan de Raad niet worden verweten dat hij verzuimd heeft te antwoorden. Er is daarom geen geval van wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

39. Punt 2) had betrekking op de "voorgeschiedenis goedkoopst bedrijf" [sic] van firma A. De Ombudsman merkt op dat in de brieven van klager van 4 juli en 15 oktober 2008 geen vragen met deze bewoording werden gesteld. Voor zover deze enigszins onduidelijke uitdrukking kan worden begrepen als een vraag of firma A in het verleden reeds eerder voor de Raad had gewerkt, is de inhoud van deze opmerking gelijk aan die van de vragen 6 en 7 in de brief van klager van 4 juli 2008. De Ombudsman verwijst daarom naar zijn conclusie in paragraaf 37 hierboven.

40. Met betrekking tot het vermeende verzuim om te antwoorden op het in paragraaf 29 genoemde punt 3) aangaande de "details van de conformiteit", merkt de Ombudsman op dat niet duidelijk is welke specifieke vragen klager wilde stellen. In elk geval heeft de Raad in zijn standpunt gedetailleerd beschreven hoe hij de overeenstemming van de ingediende inschrijvingen heeft geanalyseerd. De Ombudsman is daarom van mening dat, bij ontstentenis van aanvullende details die duidelijk maken welke specifieke vragen niet waren beantwoord, geen verder onderzoek naar dit gedeelte van de bewering nodig lijkt te zijn.

41. Wat betreft punt 4), waarin klager beweerde dat de Raad had verzuimd te antwoorden op opmerkingen die klager in zijn prijsofferte had gemaakt, is opnieuw niet helemaal duidelijk op welke vragen klager doelde. De brief van 23 april 2008, bij welke klager zijn inschrijving indiende (met inbegrip van zijn prijsofferte), bevatte feitelijk geen vragen. De brief bevatte slechts een lijst van vijftien punten waarin klager verschillende aspecten van zijn inschrijving nader toelichtte. Bij ontstentenis van precieze vragen met betrekking tot deze vijftien punten heeft de Ombudsman geen wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

42. Wat betreft, tot slot, het vermeende verzuim om te antwoorden op de kwestie die werd opgeworpen in punt 5) van paragraaf 29 hierboven, aangaande vragen die eventueel aan andere inschrijvers zijn gesteld, merkt de Ombudsman op dat de Raad op deze vraag is ingegaan in zijn brief van 8 juli 2008. In deze brief legde de Raad uit dat hij het niet nodig had gevonden om aanvullende vragen te stellen met betrekking tot opmerkingen die waren gemaakt in de offerte van klager of in die van andere inschrijvers. In zijn standpunt wees de Raad er echter op dat hij firma A had gevraagd om een verduidelijking en bevestiging van bepaalde prijsvoorstellen. Tijdens de inspectie van het dossier, die plaatsvond op 16 juni 2010, verklaarden vertegenwoordigers van de Raad dat de verklaring in zijn brief van 8 juli 2008 niet werd weergesproken door wat de Raad in zijn standpunt had verklaard, en dat de schijnbare tegenspraak te wijten was aan een probleem met de bewoording van de brief aan klager van 8 juli 2008, die was vertaald uit het Frans. De vertegenwoordigers van de Raad verklaarden dat, hoewel het inschrijvers niet is toegestaan om na de tijdslimiet voor het indienen van inschrijvingen aanvullingen op hun offertes in te dienen, de Raad om een bevestiging van prijzen kan vragen en dat dit detail in de brief aan klager verkeerd was verwoord. Het is waar dat de Raad firma A geen aanvullende vragen heeft gesteld, maar firma A in plaats daarvan heeft gevraagd zijn prijsofferte te bevestigen. De Raad heeft de vraag van klager derhalve beantwoord en heeft een redelijke verklaring gegeven voor wat op het eerste gezicht een tegenstrijdigheid in zijn antwoorden leek te zijn. De Ombudsman is derhalve van mening dat er geen sprake was van wanbeheer wat betreft dit aspect van het vermeende verzuim om te antwoorden.

43. De Ombudsman merkt op dat de Raad in zijn standpunt verschillende keren verwees naar artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en daarbij aanvoerde dat bepaalde informatie niet viel binnen de categorie informatie die hij krachtens die bepaling aan andere inschrijvers moest meedelen. Artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement bepaalt in dit verband het volgende: "De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mede waarom zijn inschrijving of offerte niet in aanmerking werd genomen, en stelt elke inschrijver die een geldige offerte heeft ingediend op zijn schriftelijk verzoek in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte en van de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund. De mededeling van bepaalde gegevens kan echter achterwege worden gelaten wanneer zulks aan de toepassing van de wetten in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen van openbare of particuliere ondernemingen of een eerlijke concurrentie tussen hen onmogelijk zou maken". De Ombudsman is van mening dat dit artikel bezwaarlijk kan worden uitgelegd als implicerend dat de Raad geen enkele andere informatie dan de in deze bepaling genoemde informatie mag verstrekken. Artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement stelt de verstrekking van bepaalde informatie verplicht. Wanneer een verzoek om aanvullende informatie wordt gedaan, dient dat verzoek niet te worden getoetst aan artikel 100, lid 2, maar op zijn eigen merites, waarbij naar behoren rekening dient te worden gehouden met de uitdrukkelijke beperkingen die in genoemde bepaling zijn neergelegd. De Ombudsman merkt echter op dat de Raad weliswaar aanvoerde dat hij genoemde informatie niet kon verstrekken vanwege het bepaalde in artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement, maar dat de Raad de vragen van klager niettemin voldoende heeft beantwoord. Er bestaat derhalve geen noodzaak om de relevantie van artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement in gevallen als deze aan een gedetailleerder onderzoek te onderwerpen.

C. Bewering van onvolledig onderzoek van de prijsoffertes

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

44. Klager beweerde dat het onderzoek van de prijsoffertes door de Raad onvolledig was.

45. In zijn standpunt verwees de Raad naar punt IV.2.1 van de aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad en naar punt 14 van de aanbestedingsdocumenten, waarin werd bepaald dat de opdracht zou worden gegund op basis van het criterium van de laagste prijs, namelijk aan de inschrijver wiens inschrijving aan de minimumkwaliteitseisen beantwoordde en die de laagste prijs bood. Dit betekent dat het feit dat in een inschrijving werd uitgegaan van materialen met een hogere kwaliteit dan de vereiste minimumkwaliteit, geen invloed kon hebben op de rangschikking van die inschrijving, aangezien de enige parameter die in aanmerking werd genomen, de prijs was. Toen klager op 23 april 2008 zijn inschrijving indiende, deelde hij het secretariaat-generaal mee dat hij had gekozen voor materialen van een hoge kwaliteit en dat een lagere kwaliteit van de materialen van invloed kon zijn op zijn prijsofferte. De Raad verklaarde dat het niet meer dan logisch was dat (wat klager beschouwde als) de hogere kwaliteit van de materialen die in zijn inschrijving werd geboden resulteerde in een hogere prijsofferte. De beoordelingscommissie nam kennis van de aanvullende informatie die klager bij zijn inschrijving verstrekte, maar kon deze aanvullende informatie niet in aanmerking nemen bij het rangschikken van de gegadigden, aangezien de rangschikking was gebaseerd op de laagste prijs.

46. In zijn opmerkingen stelde klager dat de nadruk die de Raad legde op het feit dat het beslissende criterium voor de gunning van de opdracht de laagste prijs was, vragen opriep. Hij verklaarde dat in de aanbestedingsdocumenten geen duidelijke omschrijving van de uit te voeren schilderwerken werd gegeven. Klager had er daarom in zijn brief van 23 april 2008 op gewezen dat als de kwaliteit van de materialen lager mocht zijn dan de kwaliteit die hij bood, dit een positieve invloed kon hebben op zijn prijsofferte.

De inspectie

47. Op 16 juni 2008 verrichtten vertegenwoordigers van de Ombudsman een inspectie van het dossier van de Raad. Tijdens de inspectie legden vertegenwoordigers van de Raad uit dat krachtens het Financieel Reglement inschrijvers ingeval van een abnormaal lage offerte konden worden gevraagd om bevestiging, en dat in het voorliggende geval, gezien het feit dat bepaalde door firma A voorgestelde prijzen bijzonder laag waren, het secretariaat-generaal om bevestiging van de prijzen had gevraagd. Voorts legden zij uit dat de beoordeling door de beoordelingscommissie op 12 juni 2008 was afgerond en dat het dossier vervolgens was voorgelegd aan de Commission Consultative des Achats et Marchés (CCAM), die op 20 juni 2008 een positief advies uitbracht.

Bijkomende argumenten voorgelegd aan de Ombudsman na de inspectie

48. In zijn opmerkingen over het inspectieverslag verklaarde klager dat de inhoud van het aanbestedingsdossier en de antwoorden van de Raad niet met elkaar in overeenstemming waren. In de visie van klager bevestigde het verslag dat de winnende inschrijver abnormaal lage prijzen had voorgesteld. Ook verklaarde klager dat hij niet op de hoogte was van de details van het Financieel Reglement. Tot slot verzocht klager om inzage in het dossier van de Raad om aanvullend bewijs te kunnen verkrijgen ter ondersteuning van zijn klacht.

De evaluatie van de Ombudsman

49. Punt IV.2.1 van de aankondiging van de opdracht bepaalde dat het gunningscriterium de "laagste prijs" was. Punt 14 ("Gunningscriteria") van de aanbestedingsdocumenten bevatte aanvullende details en bepaalde dat de opdracht zou worden gegund aan de inschrijver die van de reguliere inschrijvers de minst dure offerte zou indienen. Voorts werd in dit punt bepaald dat de prijs die in aanmerking zou worden genomen voor de berekening, de prijs was die het totale bedrag van de offerte vertegenwoordigde. Klagers argument dat men zich kon afvragen waarom de Raad zo sterk de nadruk op de laagste prijs legde, is daarom moeilijk te begrijpen, aangezien dit in de aankondiging en in de aanbestedingsdocumenten uitdrukkelijk werd voorzien.

50. Uit de inspectie bleek dat de beoordelingscommissie een zeer gedetailleerd, acht pagina’s beslaand vergelijkend Excel-document had opgesteld waarin de prijsoffertes van de vijf inschrijvers met elkaar werden vergeleken voor elk hoofdstuk en vervolgens werden gerangschikt vanaf de goedkoopste tot de duurste offerte.

51. Voorts bleek dat tijdens de eerste beoordeling van 15 mei 2008 was geconstateerd dat bepaalde door firma A voorgestelde eenheidsprijzen bijzonder laag waren, en dat de beoordelingscommissie daarom had besloten firma A te vragen deze prijzen te bevestigen. In de brief die de Raad hiertoe op 5 juni 2008 aan firma A verzond, werd firma A speciaal gewezen op het feit dat de te verstrekken verduidelijkingen geen wijzigingen van de voorwaarden van zijn offerte met zich mee konden brengen. De beoordelingscommissie kwam vervolgens voor een tweede keer bijeen op 12 juni 2008 en bevestigde bij die gelegenheid de rangschikking die ze op 15 mei 2008 had vastgesteld, om vervolgens voor te stellen de opdracht aan firma A te gunnen.

52. Op basis van zijn onderzoek concludeert de Ombudsman dat de prijsoffertes door de beoordelingscommissie zorgvuldig zijn onderzocht en met elkaar zijn vergeleken. De bewering van klager is derhalve ongegrond. Er is daarom geen geval van wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

53. Voor wat betreft het verzoek van klager om inzage in het dossier van de Raad, tenslotte, wil de Ombudsman klager meedelen dat hij zijn verzoek in overeenstemming met verordening (EG) nr. 1049/2001/EG[4] rechtstreeks tot de Raad dient te richten.

D. Bewering van voorkennis bij de winnende inschrijver

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

54. Klager beweerde dat de Raad de opdracht had gegund aan een bedrijf dat over bepaalde voorkennis met betrekking tot de aanbesteding beschikte die andere bedrijven niet hadden.

55. De Raad wees erop dat firma A in het verleden uitsluitend als onderaannemer had gewerkt voor ondernemingen die eerder voor de Raad hadden gewerkt, maar nooit een van de contractanten van de Raad was geweest of aan eerdere aanbestedingsprocedures had deelgenomen. De Raad verwierp de bewering van klager en wees er ook op dat de bewering niet door concreet bewijs werd ondersteund.

56. In zijn opmerkingen stelde klager dat hoewel firma A niet rechtstreeks onder contract van de Raad had gestaan, de Raad niet had aangevochten dat firma A reeds gedurende vele jaren als onderaannemer voor de Raad had gewerkt. Dit werd ook bevestigd door informatie op de website van firma A. Daaruit kon worden afgeleid dat firma A op basis van zijn jarenlange ervaring perfect op de hoogte was van de vereiste kwaliteit van het werk en van de relevante procedures. Klager stelde dat dit een belangrijk feit was, aangezien er een oorzakelijk verband bestond tussen het gebrek aan duidelijkheid in de aanbestedingsdocumenten enerzijds en de gunning van de opdracht aan een onderneming die al bekend was met de eisen van de Raad anderzijds. Ook stelde klager dat firma A, gezien het feit dat de Raad deze firma had gevraagd om verduidelijking en bevestiging van zijn prijsofferte, een duidelijk voordeel in de aanbestedingsprocedure had gehad. Klager concludeerde dat er geen sprake was geweest van een objectieve en gelijke behandeling en dat er inbreuk was gepleegd op de artikelen 5, lid 3, en 9 van de Europese Code van goed administratief gedrag.

De evaluatie van de Ombudsman

57. De Ombudsman merkt op dat klager geen enkel concreet bewijs heeft ingediend waaruit blijkt dat firma A over voorkennis met betrekking tot de opdracht beschikte die andere inschrijvers niet hadden. De bewering van klager lijkt voornamelijk te zijn gebaseerd op veronderstellingen. Het feit dat firma A als onderaannemer heeft gewerkt voor ondernemingen die eerder voor de Raad hebben gewerkt, betekent niet dat deze firma over voorkennis met betrekking tot de aanbesteding in kwestie beschikte. Bij ontstentenis van enig tastbaar bewijs concludeert de Ombudsman dat klager zijn bewering niet heeft gestaafd. Er is daarom geen geval van wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

E. Conclusies

Op grond van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze zaak af met de volgende conclusie:

Er was geen wanbeheer door de Raad.

Klager en de Raad zullen op de hoogte worden gesteld van dit besluit.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 9 december 2010


[1] Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

[2] Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 357 van 31.12.2002.

[3] Artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten bepaalt het volgende: "Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld".

[4] Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PB L 145 2001, blz. 43.