You have a complaint against an EU institution or body?

Available languages:
  • NLNederlands

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1476/2000/(HC)/GG tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 18. juli 2001

Geachte heer A.,

Op 8 november 2000 diende u een klacht in bij de Europese Ombudsman betreffende de wijze waarop de Europese Commissie uw klacht met betrekking tot een vermeende schending van de regels inzake staatssteun en concurrentie van het EG-Verdrag had behandeld.

Op 6 december 2000 zond ik de klacht door naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie maakte op 16 februari 2001 haar standpunt bekend, dat ik op 27 februari 2001 naar u doorzond, samen met een uitnodiging om vóór 31 maart 2001 uw opmerkingen ter zake te formuleren. Op 5 april 2001 deelde u mijn diensten telefonisch mee dat u geen opmerkingen wenste in te dienen.

Met dit schrijven deel ik u de resultaten van het onderzoek mee.


KLACHT

Klager, een Belgisch huisarts, diende in november 1998 en januari 1999 een klacht in bij het Directoraat-generaal Concurrentie van de Europese Commissie betreffende de invoering van het zogenaamde "Globaal Medisch Dossier" (GMD) in België. Dit systeem, dat in België bij wet werd ingevoerd, is volgens klager ten uitvoer gelegd op basis van afspraken tussen de Belgische staat, de ziekenfondsen en de artsenverenigingen. In het kader van dit systeem krijgen personen die 60 jaar of ouder zijn de mogelijkheid zich bij een huisarts in te schrijven. Deze inschrijving is geldig voor één jaar en kan worden verlengd. De ziekenfondsen betalen de betrokken artsen een jaarlijkse vergoeding van 505 BEF voor de administratiekosten. Aldus ingeschreven patiënten betalen minder voor een raadpleging bij hun huisarts aangezien de ziekenfondsen meer terugbetalen. Klager vond dit systeem nadelig voor nieuwe huisartsen en strijdig met de regels inzake staatssteun en concurrentie van het EG-Verdrag.

Bij brief van 8 maart 1999 antwoordde de Europese Commissie op deze klacht. Zij nam het standpunt in dat er wat betreft de regels inzake staatssteun rekening moest worden gehouden met het feit dat de betrokken bedragen worden toegekend door de ziekenfondsen, die zelf worden gefinancierd door bijdragen van werkgevers en werknemers. Het was derhalve moeilijk vast te stellen of, en zo ja in welke mate, deze regeling met staatssteun te maken had. Met betrekking tot de vermeende concurrentieverstorende afspraken tussen de Belgische ziekenfondsen en artsenverenigingen stelde de Commissie dat de Belgische mededingingsautoriteit de meest geschikte instantie was om deze klacht te behandelen, aangezien de betrokken afspraken enkel in België van toepassing waren. De Commissie voerde tevens aan dat het niet altijd duidelijk is of instanties zoals de ziekenfondsen als 'ondernemingen' in de zin van de concurrentieregels van het EG-Verdrag kunnen worden beschouwd. De Commissie wees er in dit verband tevens op dat de vermeende afspraken kennelijk tot doel hadden de Belgische wet tot invoering van het GMD uit te voeren. Ten slotte wees de Commissie erop dat de Belgische wet, en derhalve ook het optreden van de ziekenfondsen en de artsenverenigingen in deze, kennelijk tot doel hadden de kosten van de gezondheidszorg te verminderen. Volgens de Commissie kon dit op zich een gewettigde doelstelling zijn.

In zijn tot de Ombudsman gerichte klacht uitte klager om twee redenen kritiek op dit standpunt. Ten eerste, de Belgische regeling leidt ook tot oneerlijke concurrentie in de grensgebieden, ten nadele van buitenlandse huisartsen. Ten tweede, de Commissie is in het verleden reeds in zuiver nationale aangelegenheden geïntervenieerd.

Klager beweerde derhalve dat de Commissie zijn klacht niet adequaat had behandeld.

ONDERZOEK

De klacht werd ter fine van een standpunt naar de Commissie doorgezonden.

Standpunt van de Commissie

In haar standpunt maakte de Commissie de volgende opmerkingen.

De Commissie had de 8 januari 1999 gedateerde klacht pas op 11 februari 1999 ontvangen. Zij had klager tijdig, op 8 maart 1999, een met redenen omkleed antwoord toegezonden, waarin zij hem meedeelde waarom zij weinig of geen grond zag om gevolg te geven aan zijn klacht. De Commissie had klager tevens meegedeeld hoe hij contact kon opnemen met de Belgische mededingingsautoriteit, die hem wellicht in het kader van het nationale mededingingsrecht kon helpen.

De Commissie had op 19 december 2000 bij de Belgische mededingingsautoriteit geïnformeerd of deze door klager was benaderd. Op 21 december 2000 werd de Commissie ervan op de hoogte gebracht dat dit inderdaad het geval was, maar dat de procedure nog hangende was.

De diensten van de Commissie waren bereid klager te ontmoeten om hem hun standpunt persoonlijk mee te delen en nodigden klager derhalve uit voor een onderhoud op 4 januari 2001. Klager had deze uitnodiging aanvaard en de Commissie meegedeeld dat hij haar diensten zou meedelen wanneer hij naar Brussel zou kunnen komen.

Opmerkingen klager

Klager diende geen schriftelijke opmerkingen in, maar deelde de diensten van de Ombudsman telefonisch mee dat hij geen opmerkingen wenste te maken, daar dit volgens hem niets aan de zaak zou veranderen. Hij deelde de diensten van de Ombudsman tevens mee dat hij nog niet naar Brussel was gegaan om de zaak met de Commissie te bespreken.

BESLUIT

1 Niet-adequate behandeling van de klacht

1.1 Klager beweerde dat de Commissie zijn klacht betreffende een vermeende schending van de regels inzake mededinging en staatssteun van het EG-Verdrag met betrekking tot de invoering van het zogenaamd "Globaal Medisch Dossier" (GMD) in België niet op adequate wijze had behandeld. Dit systeem was in België bij wet ingevoerd. Volgens klager werd het ingevoerd op grond van afspraken tussen de Belgische staat, de ziekenfondsen en de artsenverenigingen.

1.2 De Commissie wees erop dat haar diensten aan klager een gemotiveerd en tijdig antwoord hadden doen toekomen, waarin zij uiteenzetten dat zij weinig of geen grond zagen om gevolg te geven aan de klacht van klager. Zij wees er tevens op dat zij klager had meegedeeld hoe hij contact kon opnemen met de Belgische mededingingsautoriteit, die misschien kon helpen de mededingingsaspecten van zijn klacht op te helderen en dat zij zelf contact had opgenomen met deze autoriteit om te informeren of klager haar had geraadpleegd. Ten slotte wees de Commissie erop dat haar diensten klager hadden verzocht deze zaak persoonlijk te komen bespreken.

1.3 Het lijkt passend een onderscheid te maken tussen de aspecten van de klacht die te maken hebben met de concurrentieregels en de aspecten die de regels inzake staatssteun betreffen.

1.4 De Ombudsman vestigt er de aandacht op dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie de concurrentieregels van de EU de Commissie niet uitdrukkelijk verplichten een onderzoek te openen wanneer er bij haar een klacht wegens concurrentieverstorend gedrag wordt ingediend(1). De Commissie is evenwel gehouden in dergelijke procedures de door het Gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten te eerbiedigen. Artikel 6 van Verordening 2842/98 van de Raad van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 [nu artikelen 81 en 82] van het EG-Verdrag(2) bepaalt dat de Commissie als zij oordeelt dat er onvoldoende gronden zijn om gevolg te geven aan een klacht, de verzoeker of de klager haar redenen hiervoor meedeelt en een termijn vaststelt waarbinnen de verzoeker of de klager schriftelijk zijn standpunt kenbaar kan maken.

1.5 Op grond van de aan de Ombudsman verstrekte informatie is het duidelijk dat de Commissie geen termijn heeft vastgesteld waarbinnen klager zijn standpunt schriftelijk kenbaar kon maken.

1.6 De Ombudsman stelt evenwel vast dat de diensten van de Commissie klager hebben verzocht de zaak persoonlijk te komen bespreken. Het is derhalve duidelijk dat de Commissie de zaak nog niet heeft gesloten en zich bereid heeft getoond klager vóór de sluiting te horen.

1.7 Op grond van deze bevindingen is er geen sprake van wanbeheer, wat betreft de behandeling door de Commissie van de mededingingsaspecten van de klacht.

1.8 Wat betreft de behandeling door de Commissie van de klacht met betrekking tot de regels inzake staatssteun, stelt de Ombudsman vast dat de Commissie in haar brief van 8 maart 1999 de redenen heeft uiteengezet waarom ze geen onderzoek had ingesteld. De Ombudsman is van oordeel dat de door de Commissie naar voren gebrachte argumenten redelijk zijn.

1.9 In het licht van het bovenstaande blijkt er derhalve geen sprake te zijn van wanbeheer wat betreft de behandeling door de Commissie van de aspecten van de klacht die betrekking hebben op de regels inzake staatssteun.

2 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman met betrekking tot deze klacht blijkt er geen sprake te zijn geweest van een geval van wanbeheer door de Europese Commissie en heeft de Ombudsman de zaak derhalve gesloten.

De voorzitter van de Europese Commissie zal van dit besluit op de hoogte worden gebracht.

Hoogachtend,

 

Jacob SÖDERMAN


(1) Zaak T-24/90, Automec tegen Commissie, Jurispr. 1992, blz. II-2223, punt 76

(2) PB L 354 van 30.12.1998, blz. 18-21