You have a complaint against an EU institution or body?

Available languages:
  • NLNederlands

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1376/2000/OV tegen het Comité van de regio's


Straatsburg, 22 augustus 2001

Geachte heer I.,

Op 22 oktober 2000 diende u een klacht in bij de Europese Ombudsman betreffende de benoeming van een administrateur voor de Fractie Europese Alliantie in het Comité van de regio's.

Op 17 november 2000 zond ik de klacht door naar de voorzitter van het Comité van de regio's. Het Comité zond op 28 februari 2001 zijn standpunt toe, dat ik naar u doorzond met het verzoek desgewenst opmerkingen erover te maken. Op 30 april 2001 ontving ik uw opmerkingen over het standpunt van het Comité.

Met deze brief breng ik u op de hoogte van de resultaten van het verrichte onderzoek.


KLACHT

Volgens klager waren de relevante feiten als volgt:

Op 10 april 2000 werd op de website van het Comité van de regio's de benoeming meegedeeld van een administrateur (tijdelijk functionaris) voor de Fractie Europese Alliantie. Klager beweerde dat de benoemde administrateur niet voorkwam op de reservelijst die op 9 januari 1997 voor deze post voor onbepaalde tijd was opgesteld. Bovendien waren de op deze reservelijst opgenomen kandidaten niet op de hoogte gebracht van de vacature.

Op 14 mei 2000 schreef klager een brief aan de secretaris-generaal van het Comité van de regio's, waarop hij geen antwoord kreeg. Op 23 juni 2000 zond de secretaris-generaal een brief naar klager, waarin hij niet verwees naar de brief d.d. 14 mei 2000 van klager, maar meedeelde dat de reservelijst voor de betrokken post op 20 juni 2000 was verlopen.

Op 9 juli 2000 schreef klager opnieuw naar het Comité van de regio's, zeggende dat de brief van het Comité d.d. 23 juni 2000 geen antwoord gaf op zijn vragen in verband met onregelmatigheden bij de aanwervingsprocedure. Het Comité van de regio's antwoordde niet op de brief van klager.

Op 22 oktober 2000 schreef klager derhalve een brief aan de Ombudsman, waarin hij beweerde dat het Comité van de regio's:

  1. in april 2000 iemand tot administrateur voor de Fractie Europese Alliantie had benoemd die niet voorkwam op de in januari 1997 voor die post opgestelde reservelijst;
  2. klager, die op de (tot 20 juni 2000 geldige) reservelijst voorkwam, niet op de hoogte van de genoemde vacature had gebracht;
  3. de brieven d.d. 14 mei en 9 juli 2000 van klager niet had beantwoord.

ONDERZOEK

Standpunt Comité van de regio's

Met betrekking tot de eerste bewering verklaarde het Comité van de regio's dat het niet verplicht was de op de reservelijst voorkomende personen van de genoemde vacature op de hoogte te brengen, omdat de post "niet definitief werd bezet, maar slechts op voorlopige basis in afwachting van een definitieve aanwerving". Omdat het niet om een definitieve invulling van de post ging, stond het het Comité ook vrij een persoon te kiezen die niet op de reservelijst voorkwam.

Met betrekking tot de tweede bewering merkte het Comité op dat klager bij schrijven van 9 januari 1997 was meegedeeld dat zijn naam op de reservelijst stond. Het Comité wees er, ten tweede, op dat zijn besluit de reservelijst te laten verlopen geen willekeurige maatregel was, maar onder de discretionaire bevoegdheden viel waarover het tot aanstelling bevoegde gezag zowel krachtens het Statuut als volgens de communautaire rechtspraak beschikt. Ten derde verklaarde het Comité dat de informatie over het verlopen van de reservelijst (d.d. 23 juni 2000) pas kon worden verstrekt nadat het desbetreffende besluit van 20 juni 2000 was genomen. In de brief aan klager d.d. 23 juni 2000 stond voorts dat op 23 juni 2000 een vacature was gepubliceerd voor een aanwerving die per 16 oktober 2000 moest plaatsvinden.

Wat het derde punt betreft was het Comité van oordeel dat de nieuwe aanwervingsprocedure klager voldoende mogelijkheden bood om genoegdoening te krijgen. Het Comité had er dan ook de voorkeur aan gegeven niet te reageren op de brieven van klager d.d. 14 mei en 9 juli 2000.

Opmerkingen klager

Klager merkte op dat de argumentatie van het Comité in verband met de voorlopige aanwerving niet overtuigend was, omdat ze niet werd weerspiegeld in mededeling op de website. Het leek derhalve veeleer op een achteraf opgezette constructie.

Klager verklaarde dat het vertrek van de vorige administrateur voorzienbaar was en de vacature dus niet onverwacht kwam. Het Comité had derhalve de nodige tijd gehad om de reservelijst te consulteren en om de gerechtvaardigde verwachtingen van de personen op de reservelijst niet te beschamen. Wat de gerechtvaardigde verwachtingen betreft merkte klager op dat het Comité in zijn brief d.d. 9 januari 1997 had verklaard dat het "as soon as a possibility for recruitment arises" contact zou opnemen met klager. Nog in verband met gerechtvaardigde verwachtingen vestigde klager tevens de aandacht op een brief van het Comité d.d. 17 juli 1997, waarin stond dat zijn kandidatuur, aangezien hij op de reservelijst stond, opnieuw in overweging zou worden genomen indien een nieuwe functie zou worden gecreëerd of de bestaande functie vacant zou worden.

Klager wees erop dat de reservelijst nog altijd geldig was toen de genoemde post in maart 2000 vacant werd en dat hij derhalve had moeten worden geconsulteerd. Klager concludeerde dat uit de opeenvolgende gebeurtenissen bleek dat het Comité de normale gang van zaken niet wenste te volgen, omdat het zijn bedoeling was deze post aan iemand te geven die niet had deelgenomen aan de initiële aanwervingsproef.

BESLUIT

1 Benoeming van een niet op de reservelijst voorkomende kandidaat

1.1 Klager beweerde dat het Comité van de regio's in april 2000 iemand tot administrateur voor de Fractie Europese Alliantie benoemde die niet voorkwam op de reservelijst voor deze post die in januari 1997 was opgesteld. In zijn standpunt merkte het Comité van de regio's op dat de post niet definitief werd bezet, maar slechts voorlopig in afwachting van een definitieve aanwerving. Omdat het Comité niet overging tot een definitieve bezetting van de post, had het derhalve de vrijheid een persoon te kiezen die niet op de reservelijst stond.

1.2 De Ombudsman is van oordeel dat het tot aanstelling bevoegde gezag het recht heeft een post op voorlopige basis te bezetten als het daar goede redenen voor heeft. In dit geval voerde het Comité aan dat de post dringend moest worden bezet en dat het, aangezien het niet tot een definitieve bezetting van de post overging, derhalve de vrijheid had iemand te kiezen die niet op de reservelijst voorkwam. Volgens de Ombudsman gaf het Comité aldus een aanvaardbare verklaring voor het bezetten van de betrokken post op een voorlopige basis. Aangezien deze beslissing onder de discretionaire bevoegdheden van de administratie valt, heeft de Ombudsman niet het recht er zijn eigen oordeel over naar voren te schuiven.

1.3 Klager beweerde dat uit de opeenvolgende gebeurtenissen bleek dat het Comité de normale gang van zaken niet wenste te volgen, omdat het de post wilde geven aan iemand die niet aan de initiële selectieprocedure had deelgenomen. De Ombudsman is evenwel van mening dat klager geen bewijzen heeft aangedragen om deze bewering te staven. Op basis van het bovenstaande blijkt er geen sprake te zijn geweest van een geval van wanbeheer door het Comité van de regio's.

2 Niet op de hoogte brengen van de op de reservelijst voorkomende personen

2.1 Klager beweerde dat het Comité van de regio's hem niet op de hoogte bracht van de vacature, hoewel hij op de (tot 20 juni 2000 geldige) reservelijst stond. In zijn standpunt stelde het Comité dat het niet verplicht was de op de reservelijst opgenomen personen van de genoemde vacature op de hoogte te brengen. Het Comité wees er, ten tweede, op dat zijn besluit de reservelijst te laten verlopen geen arbitraire maatregel was, maar zowel krachtens het Statuut als overeenkomstig de communautaire rechtspraak onder de discretionaire bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag viel.

2.2 Overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur moeten de communautaire instellingen en organen zich houden aan de beloften die zij de burgers doen. In dit geval deelde het Comité klager in zijn brief d.d. 9 januari 1997 mee dat het contact met hem zou opnemen zodra er zich een mogelijkheid tot aanwerving voordeed. In zijn brief d.d. 17 juli 1997 herhaalde het Comité dat de kandidatuur van klager opnieuw in overweging zou worden genomen indien er een nieuwe functie werd gecreëerd of een vacature ontstond. Door klager niet van de vacature op de hoogte te brengen, kwam het Comité zijn belofte derhalve niet na. Dit is een geval van wanbeheer, waarbij de Ombudsman de onderstaande kritische opmerking plaatst.

3 Niet-beantwoording van de brieven d.d. 14 mei en 9 juli 2000 van klager

3.1 Klager beweerde dat het Comité van de regio's zijn brieven d.d. 14 mei en 9 juli 2000 niet beantwoordde. Het Comité van de regio's zei dat het er de voorkeur aan had gegeven niet te reageren op de brieven van klager d.d. 14 mei en 9 juli 2000, omdat het van mening was dat klager in de nieuwe aanwervingsprocedure alle mogelijkheden kreeg om genoegdoening te krijgen.

3.2 Overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur zijn de communautaire instellingen en organen verplicht brieven van burgers te beantwoorden. In dit geval beantwoordde het Comité van de regio's de brieven d.d. 14 mei en 9 juli 2000 van klager niet. Het door het Comité aangevoerde argument met betrekking tot een mogelijke genoegdoening in een toekomstige aanwervingsprocedure rechtvaardigt de niet-beantwoording van de brieven van klager niet. De niet-beantwoording van de brieven is derhalve een geval van wanbeheer, waarbij de Ombudsman de onderstaande kritische opmerking plaatst.

4 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Europese Ombudsman met betrekking tot de delen 2 en 3 van deze klacht bleek het noodzakelijk de navolgende twee kritische opmerkingen te maken:

Overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur moeten de communautaire instellingen en organen de aan burgers gedane beloften houden. In dit geval deelde het Comité klager in zijn brief d.d. 9 januari 1997 mee dat het contact met hem zou opnemen zodra er zich een mogelijkheid tot aanwerving voordeed. In zijn brief d.d. 17 juli 1997 herhaalde het Comité dat de kandidatuur van klager opnieuw in overweging zou worden genomen als er een nieuwe functie werd gecreëerd of een bestaande functie vacant werd. Door klager niet van de vacature op de hoogte te brengen, hield het Comité zijn gedane belofte niet. Dit is een geval van wanbeheer.

Overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur zijn de communautaire instellingen verplicht de brieven van burgers te beantwoorden. In dit geval beantwoordde het Comité van de regio's de brieven d.d. 14 mei en 9 juli 2000 van klager niet. Het door het Comité aangevoerde argument in verband met een mogelijke genoegdoening in een toekomstige aanwervingsprocedure was geen geldige reden voor het niet beantwoorden van de brieven van klager. De niet-beantwoording van de brieven was derhalve een geval van wanbeheer.

Omdat het bij deze aspecten van de zaak ging om procedures betreffende specifieke gebeurtenissen die in het verleden hadden plaatsgevonden, was het niet opportuun om met betrekking tot deze zaak een minnelijke schikking na te streven. De Ombudsman besloot derhalve de zaak te sluiten.

De voorzitter van het Comité van de regio's zal op de hoogte worden gebracht van dit besluit.

Hoogachtend,

 

Jacob SÖDERMAN