Brief: van de Europese Ombudsman aan de Voorzitter van het Europees Parlement betreffende het Europees Aanwervingsbureau

Nyelvek :  es.da.de.el.en.fr.it.nl.pt.fi.sv
  • Ügy :  EPSO/2002
    Vizsgálat megindítása

Straatsburg, 7 maart 2002

De heer Pat Cox
Voorzitter van het
Europees Parlement
Wiertzstraat
B - 1040 Brussel

Mijnheer de Voorzitter,

Onlangs heb ik de tekst van de ontwerpbesluiten inzake de oprichting, organisatie en werkwijze van een Europees Aanwervingsbureau ontvangen. Tot mijn verbazing en ontzetting bevatten deze een bepaling die de raad van bestuur van het bureau de mogelijkheid biedt leeftijdsgrenzen te hanteren(1).

Artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de Unie de grondrechten als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht eerbiedigt. Op 7 december 2000 kondigden de Voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tezamen het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie af(2). Deze maatregel, die is genomen in naam van de hoogste autoriteiten van de Europese Unie, geeft de burgers het recht aan te nemen dat de grondrechten die de Unie in voornoemd artikel 6, lid 2, belooft te zullen eerbiedigen, dezelfde zijn als die waarop het Handvest betrekking heeft.

Het voorzitterschap van de Europese Raad van Nice sprak in zijn conclusies zijn instemming uit met de afkondiging van het Handvest en merkte op dat de burgerlijke, de politieke, de economische, de sociale en de maatschappelijke rechten, die tot nu toe in diverse internationale, Europese of nationale bronnen waren neergelegd, in één tekst zijn samengebracht(3).

De toenmalige Voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine, verklaarde:

"Een handtekening betekent een verbintenis. Laat het alle burgers van de Unie duidelijk zijn dat het Handvest van nu af aan de wet van het Parlement is. Het zal als referentie dienen voor alle handelingen van het Parlement die directe of indirecte gevolgen hebben voor het dagelijks bestaan van de burgers in de gehele Unie."

De voorzitter van de Commissie, de heer Romano Prodi, verklaarde:

"In de ogen van de Europese Commissie hebben de Instellingen van de Unie zich er door de afkondiging van het Handvest van de grondrechten toe verplicht dit Handvest te eerbiedigen bij alles wat zij doen en bij ieder beleid dat zij voorstaan. De burgers van Europa kunnen erop vertrouwen dat de Commissie erop toeziet dat het Handvest wordt geëerbiedigd."

In een mededeling aan het personeel van de Commissie van maart 2001 betreffende de afkondiging van het Handvest verklaarden de heer Prodi en de bevoegde Commissaris, de heer Vitorino:

"De Commissie moet evenals de overige Instellingen toezien op de praktische implicaties van deze historische gebeurtenis en eerbiediging van de in het Handvest opgenomen rechten tot toetssteen van haar handelingen maken.

Dit moet het opperste gebod zijn in de dagelijkse praktijk van de Commissie, zowel in haar betrekkingen met het publiek en degenen voor wie onze besluiten zijn bestemd, als in onze interne regels en procedures."(4)

Deze verklaringen hebben de burger het gevoel gegeven erop te kunnen vertrouwen dat het Handvest zal worden geëerbiedigd door de Instellingen wier voorzitters het hebben ondertekend.

De Europese Ombudsman heeft een aantal initiatieven genomen om het Handvest bekendheid te geven en ertoe bij te dragen dat de Instellingen van de Europese Unie het Handvest bij al hun handelingen eerbiedigen. Tot mijn teleurstelling waren de meeste reacties vrij lauw en weinig belangstellend. Mijn grootste zorg is evenwel dat sommige Instellingen en organen zich openlijk vijandig opstellen ten aanzien van het Handvest in verband met de toepassing van leeftijdsgrenzen bij aanwerving.

Artikel 13 van het EG-Verdrag, dat bij het Verdrag van Amsterdam is toegevoegd, machtigt de Raad passende maatregelen te nemen om discriminatie op grond van onder meer leeftijd te bestrijden. Het Handvest van de grondrechten gaat verder. In artikel 21, lid 1, ervan wordt discriminatie ronduit verboden:

"Elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, is verboden." (onderstreping toegevoegd)

Artikel 21 van het Handvest is de eerste van verschillende tot de Instellingen en organen van de Unie gericht bepalingen waarin leeftijd als verboden reden van discriminatie wordt genoemd. De burger mag dan ook verwachten dat de Instellingen en organen van de Unie een einde maken aan het traditionele gebruik om leeftijdsgrenzen te hanteren bij aanwerving, tenzij er objectieve redenen en een rechtsgrondslag voor een dergelijke beperking bestaan.

Uit een op eigen initiatief door de Ombudsman uitgevoerd onderzoek is gebleken dat moderne organen zoals de Europese Centrale Bank, Europol en het merendeel van de agentschappen nooit leeftijdsgrenzen hebben gebruikt. Mogelijk is dit omdat zij nooit deel uitgemaakt hebben van de ouderwetse administratieve cultuur die zo moeilijk te veranderen blijkt.

Zelfs de voorstanders van leeftijdsdiscriminatie lijken te erkennen dat er geen rechtsgrondslag is voor leeftijdsgrenzen, daar het voorstel van de Commissie tot wijziging van het Statuut voor het eerst een bepaling bevat die bij wijze van uitzondering toestaat dat er bij aanwerving voor de Europese ambtenarij leeftijdsdiscriminatie wordt toegepast. Deze ontwerpbepaling lijkt ontworpen om de EU-Instellingen en -organen carte blanche te geven om te doen wat zij willen, door te bepalen dat toepassing van leeftijdsgrenzen niet als discriminatie geldt.

Naast discriminerende opmerkingen over ouderen zijn de redenen die worden opgegeven voor de voortgezette toepassing van leeftijdsgrenzen hoofdzakelijk van economische aard. Dergelijke argumenten kunnen discriminatie niet rechtvaardigen, of deze nu is gebaseerd op ras, geslacht, leeftijd of een andere verboden reden(5). Er is verwezen naar de personeelscomités, maar ik geloof niet dat het legitiem is eerbiediging van grondrechten afhankelijk te stellen van onderhandelingen met personeelsvertegenwoordigers. Ook zijn er opmerkingen uit een rechterlijke uitspraak van 1972 geciteerd. Het vasthouden aan opmerkingen van 30 jaar geleden vormt niet alleen een hinderpaal bij de totstandbrenging van een moderne en servicegerichte administratie, maar geeft ook blijk van een verontrustend gebrek aan begrip van de ontwikkeling van het Gemeenschapsrecht op het gebied van de grondrechten.

De Instellingen die nooit gebruik hebben gemaakt van leeftijdsgrenzen lijken goed functionerende administraties te hebben, met gemotiveerd personeel. Vele hiervan hebben hun bewondering uitgesproken voor de ervaring, wijsheid en stabiliteit die oudere werknemers in hun werkkring meebrengen.

Het spijt mij u te moeten meedelen, mijnheer de Voorzitter, dat de administratie van de Instelling die u leidt nog steeds leeftijdsgrenzen hanteert. Uw Instelling geeft daarmee het voorbeeld aan werkgevers in de gehele EU en de kandidaatlanden dat het legaal is mensen boven de 45 jaar (de meest toegepaste leeftijdsgrens) te discrimineren en van de arbeidsmarkt uit te sluiten, en aldus het Handvest van de grondrechten te schenden.

Leeftijdsgrenzen vormen ook een handicap voor vrouwen die (weer) aan het werk willen nadat zij hun kinderen hebben grootgebracht.

Is dit de juiste boodschap, een humane boodschap, die de Europese Unie op de arbeidsmarkt wil uitdragen?

Hoge ambtenaren hebben de huidige praktijk tegenover mij verdedigd met het argument dat het Handvest van Nice niet bindend is voor wie dan ook, maar slechts een politieke verklaring. Dit houdt dus in dat de Europese burger dient te weten dat zelfs de meest plechtige verklaringen van politici niet serieus mogen worden genomen. Deze houding wijst naar mijn mening op minachting voor het democratisch proces.

In mijn ogen gaat het in dit geval om een essentieel principe. Er is in december 2000 in Nice onder het Franse voorzitterschap een belangrijke verbintenis aangegaan ten opzichte van de Europese burger. Deze moet worden geëerbiedigd en toegepast door degenen die de macht hiertoe hebben. Indien zij in gebreke blijven zal dit een ondermijnend effect hebben op de toch al slechte betrekkingen tussen de Europese Unie en de burgers.

Het Europees Aanwervingsbureau kan alleen worden opgericht als u en ik tezamen met de voorzitters van de overige betrokken Instellingen en organen het besluit hiertoe ondertekenen.

Om voornoemde redenen kan ik geen besluit ondertekenen dat niet duidelijk stelt dat het Europees Aanwervingsbureau niet mag discrimineren op de gronden, waaronder leeftijd, die worden genoemd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat in december 2000 te Nice plechtig is afgekondigd.

Ik verzoek u dan ook, mijnheer de Voorzitter, maatregelen te treffen om het volgende te bewerkstelligen:

  • schrapping van de bepaling betreffende leeftijdsgrenzen bij vergelijkende onderzoeken in par. 2.6.2 van de ontwerpovereenkomst tussen de secretarissen-generaal over de gemeenschappelijke beginselen inzake een gezamenlijk selectie- en aanwervingsbeleid
  • opneming in het ontwerpbesluit tussen de secretarissen-generaal over de organisatie en werking van het Aanwervingsbureau van de Europese Gemeenschappen van een verwijzing naar artikel 21 van het Handvest van de grondrechten.

U beschikt over de macht om zulks tot stand te brengen. Ik hoop dat u deze macht aanwendt om de retoriek over de grondrechten om te zetten in een tastbare realiteit voor de Europese burgers.

Hoogachtend,

 

Jacob SÖDERMAN


(1) SB D (2002) D/8487 27 februari 2002.

(2) PB C 364 2000, blz. 1.

(3) Conclusies van het voorzitterschap, Europese Raad van Nice van 7, 8 en 9 december 2000, par. 2.

(4) SEC (2001) 380/3.

(5) Wat betreft discriminatie op grond van geslacht zie Zaak C-343/92 De Weerd e.a. [1994] ECR I-571 par. 36; Zaak C-226/98 Jørgensen [2000] ECR I-2447, par. 29.