Speciaal verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van zijn ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie inzake klacht 3453/2005/GG

Available languages: bg.es.cs.da.de.et.el.en.fr.ga.it.lv.lt.hu.mt.nl.pl.pt.ro.sk.sl.fi.sv
  • Case: 3453/2005/GG
    Opened on 15 Nov 2005 - Draft recommendation on 12 Sep 2006 - Special report on 10 Sep 2007 - Decision on 14 Sep 2007
  • Institution(s) concerned: European Commission
  • Field(s) of law: People's Europe
  • Types of maladministration alleged – (i) breach of, or (ii) breach of duties relating to: Lawfulness (incorrect application of substantive and/or procedural rules) [Article 4 ECGAB]

(Opgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 7 van het Statuut van de Europese Ombudsman[1])

Inleiding

De Ombudsman meent dat de onderhavige zaak een belangrijke beginselvraag opwerpt over de behandeling door de Europese Commissie van door burgers ingediende klachten, waarbij sprake is van vermeende inbreuk op het Gemeenschapsrecht door lidstaten. De vraag is of de Commissie, in plaats van inbreukprocedures in te leiden of de klacht af te wijzen, eenvoudigweg kan afzien van het ondernemen van actie. De Ombudsman is van mening dat dit strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

De klacht

Klacht 2333/2003/GG (Vertrouwelijk)

In november 2001 verzocht klager, een Duitse arts, de Commissie een inbreukprocedure tegen Duitsland in te leiden. Hij betoogde dat Duitsland inbreuk maakte op Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd[2] ("Richtlijn 93/104") ten aanzien van de werkzaamheden van artsen in ziekenhuizen, met name wat betreft de aanwezigheidsdiensten van deze artsen. Volgens klager leidde dit tot een aanzienlijk risico voor personeel en patiënten. De klager beriep zich hierbij op de uitspraak van het Hof van Justitie in de Simap-zaak (Zaak C-303/98 Simap, Jurispr. 2000, blz. I-7963).

De klacht is door de Commissie geregistreerd onder nummer 2002/4298.

In een in december 2003 bij de Ombudsman ingediende klacht (klacht 2333/2003/GG), voerde de klager aan dat de Commissie had verzuimd zijn klacht over de inbreuk binnen een redelijke termijn te behandelen.

De Ombudsman stelde vervolgens een onderzoek in naar de zaak. In zijn besluit van 19 mei 2004 tot sluiting van dit onderzoek concludeerde de Ombudsman dat in de onderhavige zaak bijna vijftien maanden waren verstreken voordat de Commissie was begonnen met de behandeling van de bezwaren van de klager door het sturen van een verzoek om informatie aan de betrokken lidstaat. De Ombudsman was van mening dat de Commissie in dit geval had verzuimd de ingediende klacht over de inbreuk binnen een redelijke termijn te behandelen. Hij oordeelde dat hier sprake was van een geval van wanbeheer.

De Ombudsman merkte echter op dat Duitsland intussen een nieuwe wet had aangenomen om de Duitse wetgeving in overeenstemming te brengen met Richtlijn 93/104 zoals geïnterpreteerd door het Hof, en dat de Commissie op 6 februari 2004 van deze nieuwe wet op de hoogte was gesteld. De Commissie moest dus eerst de verenigbaarheid van deze nieuwe wet met het Gemeenschapsrecht onderzoeken om de ingediende klacht over de inbreuk te kunnen behandelen. Ten tijde van het besluit van de Ombudsman was dit onderzoek nog niet afgerond. Omdat de Commissie kennelijk accepteerde dat de betreffende wettelijke kwesties in een volgende uitspraak (Zaak C-151/02 Jaeger , Jurispr. 2003, blz. I-8389) waren opgehelderd, had de Ombudsman geen redenen om aan te nemen dat behandeling van de ingediende klacht over de inbreuk door de Commissie verdere vertraging zou oplopen.

De Ombudsman was daarom van mening dat het opstellen van een conclusie van wanbeheer met betrekking tot de vertraging die zich in het verleden had voorgedaan, in de onderhavige zaak de beste handelswijze was. Hij informeerde de klager echter dat deze het recht had opnieuw een klacht bij de Ombudsman in te dienen als de behandeling van zijn klacht over de inbreuk door de Commissie verdere vertraging zou oplopen.

Klacht 3453/2005/GG

Op 2 november 2005 wendde de klager zich opnieuw tot de Ombudsman. In zijn nieuwe klacht stelde de klager dat hij geen verdere informatie had ontvangen over het door de Commissie in zijn zaak in te nemen standpunt. De klager was van mening dat de Commissie de zaak vertraagde en de Ombudsman negeerde.

In essentie herhaalde hij de beweringen van zijn eerdere klacht, namelijk dat de Commissie had verzuimd zijn klacht over de inbreuk binnen een redelijke termijn te behandelen.

Het onderzoek

Standpunt van de Commissie

In haar standpunt maakte de Commissie de volgende opmerkingen:

De Commissie had de klager op 6 december 2004 geschreven. In haar brief stelde zij de klager ervan op de hoogte op 22 september 2004 een voorstel te hebben aangenomen tot wijziging van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd[3] ("Richtlijn 2003/88"). De Commissie stelde dat zij de ingediende klacht over de inbreuk zou onderzoeken in het licht van dit voorstel en haar huidige besprekingen met de overige communautaire instellingen.

De klager stuurde de Commissie vervolgens verschillende brieven met opmerkingen over de voorgestelde wijziging. In haar antwoorden bevestigde de Commissie de ontvangst van de brieven van de klager en stelde zij kennis te hebben genomen van zijn opmerkingen.

In twee brieven, op 7 en 9 november 2005, had de klager de Commissie gevraagd een inbreukprocedure tegen Duitsland te beginnen wegens verzuim tot naleving van Richtlijn 2003/88.

In haar antwoord van 22 november 2005 stelde de Commissie dat zij geen toevoegingen kon doen aan wat door haar was gesteld in de brief van 6 december 2004. De Commissie wees erop dat de besprekingen betreffende herziening van Richtlijn 2003/88 nog niet waren afgerond. De Commissie benadrukte opnieuw dat zij de klacht zou onderzoeken in het licht van het wijzigingsvoorstel. De Commissie voegde hieraan toe dat zij volgens vaste jurisprudentie over de discretionaire bevoegdheid beschikt om een inbreukprocedure in te leiden of voort te zetten.

In tegenstelling tot wat de klager stelde in zijn klacht aan de Ombudsman, had de Commissie hem bij twee gelegenheden (op 6 december 2004 en op 22 november 2005) geïnformeerd over het standpunt van de Commissie in de door hem ingediende klacht over de inbreuk. Hoewel de Commissie nog geen besluit had genomen over het al dan niet inleiden van een inbreukprocedure tegen de betrokken lidstaat, had zij de klager op de hoogte gehouden van de manier waarop zijn klacht over de inbreuk werd behandeld en van de motivering van de stappen die de Commissie ondernam.

Opmerkingen van de klager

In zijn opmerkingen stelde de klager het volgende:

De brieven die hij van de Commissie had ontvangen, waren niet meer dan ontvangstbevestigingen. Uit deze brieven bleek niet dat de Commissie het doel van de betreffende Richtlijn serieus overwoog of dat zij redelijke voorstellen tot wijzigingen had gedaan die in gelijke mate billijk zouden zijn voor werknemers en werkgevers.

De kwesties die hij in zijn brieven had besproken, gingen verder dan hetgeen aan de orde kwam in de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken Simap en Jaeger.

Naar zijn beste weten voorziet het EU-recht niet in de mogelijkheid wetten en uitspraken te veronachtzamen op grond van het feit dat de Commissie nieuwe wetgeving voorstelt. Als de indiening van dergelijke voorstellen het veronachtzamen van bestaande wetgeving rechtmatig zou maken, zou de rechtsorde van de Europese Gemeenschappen naar het oordeel van klager een farce zijn.

Door haar handelwijze bracht de Commissie de juridische vrede in gevaar en verdraaide zij opzettelijk het recht.

Ontwerpaanbeveling van de Ombudsman

De ontwerpaanbeveling

Op 12 september 2006 deed de Ombudsman aan de Commissie de volgende ontwerpaanbeveling[4] toekomen overeenkomstig artikel 3, lid 6 van dit statuut:

De Commissie moet de ingediende klacht over de inbreuk zo snel en zorgvuldig mogelijk behandelen.

Deze ontwerpaanbeveling was gebaseerd op de volgende overwegingen:

1 De Ombudsman merkte op dat de ingediende klacht over de inbreuk, die door de Commissie was geregistreerd onder nummer 2002/4298, betrekking had op een vermeende inbreuk op Richtlijn 93/104. Deze richtlijn was naderhand vervangen door Richtlijn 2003/88 en in zijn correspondentie met de Commissie stelde de klager nu dat er sprake was van inbreuk op deze richtlijn door Duitsland. Deze wetswijziging had kennelijk geen substantiële gevolgen voor de ingediende klacht over de inbreuk en de behandeling daarvan door de Commissie. In zijn brief van 7 november 2005 verwees de klager naar een vermeende inbreuk op Richtlijn 2003/88. In haar antwoord van 22 november 2005 stelde de Commissie dat zij niets had toe te voegen aan de brief die zij de klager op 6 december 2004 had gestuurd betreffende de klacht over de inbreuk met nummer 2002/4298. De Ombudsman meende daarom dat het vervangen van Richtlijn 93/104 door Richtlijn 2003/88 niet relevant was voor de onderhavige klacht.

2 De Ombudsman concludeerde dat de Commissie de klager in haar brieven van 6 december 2004 en 22 november 2005 had geïnformeerd. Uit deze brieven bleek dat de Commissie de klacht over de inbreuk zou behandelen in het licht van haar voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/88 en haar lopende besprekingen met de overige communautaire instellingen. In haar brief van 22 november 2005 aan de klager wees de Commissie erop dat de besprekingen betreffende herziening van Richtlijn 2003/88 nog niet waren afgerond. Naar oordeel van de Ombudsman volgde hieruit dat de Commissie kennelijk aannam dat zij op grond van artikel 211 van het EG-Verdrag niet hoefde toe te zien op de toepassing van een richtlijn die onderwerp was van een wetgevingsproces dat zou kunnen leiden tot wijziging van de richtlijn. De Ombudsman concludeerde daarom dat de Commissie, hoewel niet bijzonder gedetailleerd, de klager over haar standpunt had geïnformeerd.

3 Met betrekking tot de aard van de zaak moest worden opgemerkt dat de Commissie er krachtens artikel 211 van het EG-Verdrag op dient toe te zien dat de bepalingen van dit Verdrag en de door de instellingen ter uitvoering daarvan genomen maatregelen worden toegepast. De rol die derhalve aan de Commissie wordt toegekend, is die van een 'hoedster' van het Verdrag. De Commissie had zelf benadrukt dat deze rol essentieel is voor de belangen van de Europese burgers.[5] Binnen deze context erkende zij ook het belang van de rechtsstaat.[6] Klachten van burgers vormen een van de belangrijkste informatiebronnen over vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht en stellen de Commissie derhalve in staat de rol te vervullen die haar in artikel 211 van het EG-Verdrag wordt toegekend. De Ombudsman overwoog daarom dat het getuigt van goed administratief gedrag dergelijke klachten over inbreuk zo snel en zorgvuldig mogelijk te behandelen.

4 Het was duidelijk dat door de communautaire instellingen aangenomen richtlijnen op basis van het EG-Verdrag behoren tot de door de instellingen genomen maatregelen ter uitvoering van het EG-Verdrag waar artikel 211 naar verwijst en die ook wel handelingen van afgeleid recht worden genoemd. Naar oordeel van de Ombudsman bleek uit de bewoordingen en het doel van deze bepaling bovendien duidelijk dat artikel 211 verwijst naar de handelingen van afgeleid recht die op enig moment van kracht zijn.

5 De Commissie bestreed niet dat Richtlijn 93/104 van kracht was totdat deze werd vervangen door Richtlijn 2003/88 en dat deze laatstgenoemde richtlijn van kracht was en bleef. De Ombudsman was zich niet bewust van een regel of beginsel op grond waarvan de Commissie haar taak krachtens artikel 211 van het EG-Verdrag mocht veronachtzamen omdat zij een voorstel had ingediend tot wijziging van een bepaalde handeling van afgeleid recht. Zolang de voorgestelde wijziging van Richtlijn 2003/88 niet door de gemeenschapswetgever was aangenomen, vertegenwoordigde Richtlijn 2003/88 in zijn bestaande vorm de geldende wet.

6 In haar brief aan de klager op 22 november 2005 verwees de Commissie naar haar discretionaire bevoegdheden op dit gebied. Uit vaste jurisprudentie bleek dat, mocht de Commissie de klacht onderzoeken en concluderen dat er sprake was van een inbreuk, de Commissie de discretionaire bevoegdheid zou hebben de zaak al dan niet aanhangig te maken bij het Hof van Justitie. Niets in het standpunt van de Commissie of de documenten die zij had ingediend wees er echter op dat de Commissie die fase van het onderzoek al had bereikt. De Ombudsman was van mening dat de discretionaire bevoegdheid waar de Commissie ongetwijfeld over beschikt, haar niet het recht geeft om het bereiken van een conclusie over een klacht tot in het oneindige uit te stellen omdat de toepasselijke wetgeving in de toekomst wellicht ooit kan worden gewijzigd.

7 Deze overwegingen in ogenschouw nemende, oordeelde de Ombudsman dat het verzuim van de Commissie om de ingediende klacht over de inbreuk binnen een redelijke termijn te behandelen een geval van wanbeheer betrof. In deze context was het goed te vermelden dat de klacht over de inbreuk in april 2002 werd geregistreerd, meer dan twee jaar voordat de Commissie haar voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/88 indiende. Toen de onderhavige klacht in november 2005 werd ingediend, was er ruim drieëneenhalf jaar verstreken sinds de klacht over de inbreuk was geregistreerd.

Gedetailleerd standpunt van de Commissie

Na ontvangst van de ontwerpaanbeveling en overeenkomstig artikel 3, lid 6 van het Statuut van de Europese Ombudsman, verzond de Commissie op 10 januari 2007 een gedetailleerd standpunt met de volgende opmerkingen:

De Commissie hecht grote waarde aan haar rol en plichten als hoedster van het Verdrag. De in richtlijnen vastgelegde gemeenschapsrechtelijke bepalingen staan echter niet permanent vast, maar kunnen worden gewijzigd.

Richtlijn 93/104, die ten tijde van de oorspronkelijk ingediende klacht over de inbreuk van kracht was, was met ingang van 2 augustus 2004 vervangen door Richtlijn 2003/88. Waar deze richtlijnen betrekking hebben op de door de klager naar voren gebrachte kwesties, verschillen ze niet wezenlijk van elkaar.

In 2004 had de Commissie bij het Parlement en de Raad echter een voorstel ingediend tot wijziging van Richtlijn 2003/88 betreffende verschillende aspecten die voor de zaak van de klager van wezenlijk belang waren.

De Commissie erkende dat het indienen van een voorstel tot wijziging van regelgeving geen gevolgen had voor de rechtsgeldigheid van de bestaande Richtlijn 2003/88. De Commissie bezat echter vastgestelde discretionaire bevoegdheden met betrekking tot het inleiden van inbreukprocedures tegen lidstaten en met betrekking tot de wijze waarop zij dergelijke procedures toepast.[7] Bij het uitoefenen van deze discretionaire bevoegdheden had de Commissie besloten de inbreukprocedure niet voort te zetten in afwachting van de resultaten van het wetgevingsproces betreffende haar eigen voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/88.

De Commissie voegde hieraan toe dat deze discretionaire bevoegdheid zich uitstrekt tot alle fasen van klachten en procedures, met inbegrip van de precontentieuze fase.[8] In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht [9] (de "Mededeling"), had de Commissie als algemene regel gesteld dat zij binnen een termijn van een jaar na de registratie van de klacht zou besluiten een inbreukprocedure in te leiden of het dossier te sluiten. Dit betekende echter geen beperking van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie wanneer het gerechtvaardigd leek een andere aanpak te kiezen die beter paste bij de bijzondere feiten van de zaak, zoals in de onderhavige zaak.

Zoals de Ombudsman had geconcludeerd, bezit de Commissie volgens vaste jurisprudentie een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het al dan niet aanhangig maken van de kwestie bij het Hof van Justitie, zelfs als uit haar onderzoek naar een klacht was gebleken dat er sprake was van een inbreuk op het Gemeenschapsrecht.

Het speet de Commissie dat de Raad nog geen besluit had genomen over het voorstel van de Commissie. De vertraging was het gevolg van verschillen van mening tussen de Raad en het Parlement en tussen lidstaten binnen de Raad, waar de Commissie geen invloed op had. Het voorstel was opnieuw besproken tijdens een bijzondere zitting van de Raad op 7 november 2006, maar er was geen overeenstemming bereikt.

De Ombudsman werd verzocht rekening te houden met bovenstaande opmerkingen met betrekking tot de reikwijdte van de discretionaire bevoegdheden van de Commissie en zijn ontwerpaanbeveling te heroverwegen.

Opmerkingen van de klager

In zijn opmerkingen handhaafde de klager zijn bezwaren. Hij benadrukte dat zijn klacht over de inbreuk die hij had ingediend bij de Commissie ook aspecten bevatten die niet afhankelijk waren van jurisprudentie van het Hof, namelijk (i) het feit dat ziekenhuizen artsen opdroegen zelfs in het geval van normale werkzaamheden 'oproepdiensten' te draaien en (ii) het feit dat onder druk van werkgevers daadwerkelijk gewerkte uren niet werden geregistreerd. De klager stelde verder dat de Commissie de uitspraken van het Hof van Justitie bleef negeren. De klager was van oordeel dat, gezien het feit dat de Commissie en commissaris Špidla er zelfs na vier jaar nog niet in waren geslaagd een redelijke wetgeving in te stellen inzake arbeidstijd en arbeidsvoorwaarden in de EU, laatstgenoemde zou moeten aftreden.

Oordeel van de Ombudsman over het gedetailleerde standpunt van de Commissie

1 De Ombudsman concludeert dat de Commissie zichzelf in haar Mededeling van 2002 bepaalde verplichtingen heeft opgelegd met betrekking tot de behandeling van klachten over inbreuk.

2 Onder punt 8 van de Mededeling wordt als algemene regel gesteld, dat Commissiediensten klachten zullen onderzoeken met het doel binnen een jaar na de registratie van de klacht bij het secretariaat-generaal te besluiten een bericht van ingebrekestelling uit te geven of de zaak te sluiten. De Ombudsman is van mening dat de Commissie zich hiermee de verplichting heeft opgelegd zich tot het uiterste in te spannen om haar onderzoek binnen een jaar af te ronden, maar dat niet wordt uitgesloten dat er in bepaalde gevallen meer tijd nodig is. Dit wordt bevestigd in de laatste zin van punt 8, volgens welke de Commissie de klager schriftelijk zal informeren indien deze tijdslimiet wordt overschreden. Naar oordeel van de Ombudsman behoort het duidelijk tot de mogelijkheden dat het onderzoek van de Commissie in moeilijke of gecompliceerde zaken langer dan een jaar duurt. De Ombudsman concludeert echter dat het overschrijden van de tijdslimiet van een jaar uitsluitend is toegestaan indien de Commissie een zaak nog daadwerkelijk onderzoekt.

3 In de onderhavige zaak informeerde de Commissie de klager dat zij zijn klacht over inbreuk zou behandelen in het licht van het voorstel van de Commissie voor wijziging van Richtlijn 2003/88 en de besprekingen met de overige communautaire instellingen over deze wijziging. Opgemerkt moet echter worden dat dit voorstel al in september 2004 was ingediend. Het lijkt erop dat de Commissie sindsdien geen verdere stappen heeft ondernomen om het onderzoek voort te zetten.

4 Uit punt 8 van de Mededeling blijkt dat het onderzoek van de Commissie naar een klacht over inbreuk erop is gericht tot één van twee mogelijke besluiten te komen. De Commissie kan besluiten een bericht van ingebrekestelling uit te geven, d.w.z, formele inbreukprocedures in te leiden tegen een lidstaat, of de zaak te sluiten. De Ombudsman concludeert echter dat de Commissie in de onderhavige zaak noch het een, noch het ander heeft gedaan. Feitelijk komt het erop neer dat de Commissie, in plaats van een van de twee besluiten te nemen die worden genoemd in punt 8 van de Mededeling, eenvoudigweg heeft afgezien van het nemen van verdere stappen met betrekking tot het onderzoek.

5 De Ombudsman concludeert dat een dergelijke benadering strijdig is met de verplichtingen die de Commissie zichzelf in haar Mededeling heeft opgelegd.

6 In haar gedetailleerde standpunt benadrukt de Commissie haar discretionaire bevoegdheden op dit gebied en stelt zij dat haar discretionaire bevoegdheid zich uitstrekt tot alle fasen van klachten en inbreukprocedures, met inbegrip van de precontentieuze fase. De Commissie voegde hieraan toe dat de verplichtingen gesteld in punt 8 van de Mededeling haar discretionaire bevoegdheid niet beperkt wanneer het gerechtvaardigd lijkt een andere aanpak te kiezen. De Ombudsman kan dit standpunt niet accepteren. Zoals in de inleiding ervan wordt bevestigd, worden in de Mededeling de administratieve maatregelen ten gunste van de klager vastgesteld die de Commissie zal naleven tijdens de behandeling van de ingediende klacht en het onderzoek van het desbetreffende inbreukdossier. De in deze Mededeling vastgelegde bepalingen houden volledig rekening met de discretionaire bevoegdheden van de Commissie op dit gebied. Als de Commissie desondanks mag afwijken van haar in deze Mededeling vastgestelde verplichtingen wanneer zij dit gerechtvaardigd acht, zou de Mededeling betekenisloos worden. Niet vergeten mag worden dat de Commissie met deze Mededeling reageert op een aantal door de Ombudsman uitgevoerde onderzoeken en op de opmerkingen ten aanzien van de procedures van de Commissie in inbreukzaken, die de Ombudsman in deze zaken heeft gemaakt.

7 De Ombudsman merkt verder op dat in punt 9 van de Mededeling het onderstaande wordt gesteld: Nadat functionarissen van de Commissie de klacht hebben onderzocht, kunnen zij het college van leden van de Commissie vragen een bericht van ingebrekestelling uit te geven om procedures tegen de betrokken lidstaat in te leiden of de zaak definitief te sluiten. De Commissie neemt naar eigen goeddunken een besluit over de kwestie. (...)".

8 De Ombudsman respecteert de discretionaire bevoegdheid van de Commissie met betrekking tot klachten over inbreuk volledig. Hij concludeert echter dat uit de Mededeling in het algemeen en de punten 8 en 9 daarvan in het bijzonder duidelijk blijkt dat deze discretionaire bevoegdheid moet worden uitgeoefend binnen het raamwerk van de Mededeling. Dit betekent dat de Commissie bij de behandeling van een klacht over inbreuk de keuze heeft tussen het uitgeven van een bericht van ingebrekestelling en het sluiten van de zaak. Zoals hiervoor al werd opgemerkt, heeft de Commissie in de onderhavige zaak echter noch het een, noch het ander gedaan. De Ombudsman is daarom van mening dat het verzuim van de Commissie om tot een besluit te komen inzake de ingediende klacht over inbreuk, niet kan worden gerechtvaardigd op basis van de discretionaire bevoegdheden van de Commissie.

9. In zijn opmerkingen met betrekking tot het gedetailleerde standpunt van de Commissie benadrukte de klager dat zijn klacht over de inbreuk ook aspecten bevat die niet afhankelijk zijn van jurisprudentie van het Hof, namelijk (i) het feit dat ziekenhuizen artsen opdroegen zelfs in het geval van normale werkzaamheden 'oproepdiensten' te draaien en (ii) het feit dat onder druk van werkgevers daadwerkelijk gewerkte uren niet werden geregistreerd. De Ombudsman heeft geen kopieën ontvangen van alle correspondentie tussen de Commissie en de klager in deze zaak. Kennelijk heeft de klager echter in ieder geval de eerste van bovengenoemde kwesties naar voren gebracht in zijn brief van 7 november 2005. De benadering van de Commissie in de onderhavige zaak is gebaseerd op het feit dat een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/88 ter tafel is gebracht en dit is onvoldoende reden voor het verzuim van de Commissie de kwesties te behandelen die geen betrekking hebben op de voorgestelde wijzigingen. Omdat de Ombudsman echter meent dat de Commissie de ingediende klacht over de inbreuk sowieso moet behandelen, is het niet nodig deze kwesties hier nader te bespreken.

10 Ter voorkoming van enige twijfel wordt duidelijk gesteld dat het geval van wanbeheer dat door de Ombudsman in de onderhavige zaak is vastgesteld betrekking heeft op het verzuim van de Commissie een definitief standpunt in te nemen inzake de ingediende klacht over de inbreuk. Zoals de Ombudsman in zijn ontwerpvoorstel al erkent, zou de Commissie, indien zij de klacht zou onderzoeken en zou concluderen dat er sprake was van een inbreuk, de discretionaire bevoegdheid hebben om de zaak al dan niet aanhangig te maken bij het Hof van Justitie. Omdat de Commissie een dergelijk besluit nog niet heeft genomen, hoeft de Ombudsman zich niet te buigen over de vraag of deze discretionaire bevoegdheid wel door hem kan worden onderzocht. Een dergelijk onderzoek zou in elk geval uitsluitend betrekking kunnen hebben op de vraag of de Commissie de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid op het betreffende terrein aantoonbaar heeft overschreden. De Ombudsman kan echter de mogelijkheid niet uitsluiten dat het Parlement in het kader van de uitoefening van zijn soevereine rechten zich ook over deze kwestie zal willen uitspreken. Het Parlement heeft daarom mogelijk belang bij een door de Commissie op 20 september 2006 uitgegeven persbericht, waarin de Commissie reageerde op de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman in de onderhavige zaak.[10]

11. De Ombudsman is van mening dat de onderhavige zaak een belangrijke beginselvraag opwerpt over de behandeling door de Europese Commissie van door burgers ingediende klachten, waarbij sprake is van vermeende inbreuk op het Gemeenschapsrecht door lidstaten. De vraag is of de Commissie, in plaats van inbreukprocedures in te leiden of de klacht af te wijzen, eenvoudigweg kan afzien van het ondernemen van actie. De Ombudsman stelt dat dit strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Aanbeveling van de Ombudsman

De Ombudsman handhaaft derhalve zijn ontwerpaanbeveling en doet zijn aanbeveling aan de Commissie als volgt:

De Commissie moet de ingediende klacht over de inbreuk zo snel en zorgvuldig mogelijk behandelen.

Het Europees Parlement kan overwegen overeenkomstig een resolutie aan te nemen.

Straatsburg, 10 september 2007

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


[1] Besluit 94/262 van 9 maart 1994 van het Europees Parlement inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt, PB L 113, 1994, blz. 15.

[2] PB L 307, 1993, blz. 18.

[3] PB L 299, 2003, blz. 9. Deze richtlijn, die op 2 augustus 2004 van kracht werd, vervangt Richtlijn 93/104 (die hierdoor komt te vervallen).

[4] De tekst van de ontwerpaanbeveling is beschikbaar op de website van de Ombudsman (http://www.ombudsman.europa.eu).

[5] Zie de mededeling van de Commissie over de verbetering van de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (COM(2002) 725 definitief van 16 mei 2003, blz. 3.

[6] Zie punt 3.1 van de genoemde Mededeling.

[7] Zaak C-200/88 Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4299; Zaak C-317/92 Commissie/Duitsland, Jurispr. 1994, blz. I-2039; Zaak C-422/92 Commissie/Duitsland, Jurispr. 1995, blz. I-1097; Zaak C-207/97 Commissie/België, Jurispr. 1999, blz. I-275.

[8] Zaak C-207/97 Commissie/België, Jurispr. 1999, blz. I-275, bij paragraaf 24.

[9] COM(2002) 141; PB C 244, 2002, blz. 5.

[10] Dit persbericht bevat de volgende [uit het Engels vertaalde] verklaringen: "(...) Omdat bijna alle lidstaten inbreuk lijken te maken op de uitspraken van het Hof, heeft commissaris Špidla de Raad gewezen op de noodzaak een evenwichtige oplossing te vinden voor dit probleem. (...) Het is niet acceptabel dat burgers het slachtoffer worden van de politieke impasse. Als ministers het de komende maanden niet eens kunnen worden, rest mij in deze kwestie geen andere keuze dan de lidstaten voor het gerecht te brengen. Ik vertrouw er echter op dat voorzitter Finland de komende weken een oplossing tot stand zal brengen."