Speciaal verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van de ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie inzake klacht 289/2005/(WP)GG

Available languages: bg.es.cs.da.de.et.el.en.fr.ga.it.lv.lt.hu.mt.nl.pl.pt.ro.sk.sl.fi.sv
  • Case: 0289/2005/(WP)GG
    Opened on 22 Feb 2005 - Draft recommendation on 27 Jul 2005 - Special report on 30 May 2006 - Decision on 01 Jun 2006
  • Institution(s) concerned: European Commission
  • Field(s) of law: Freedom of movement for workers and social policy
  • Types of maladministration alleged – (i) breach of, or (ii) breach of duties relating to: Reasonable time-limit for taking decisions [Article 17 ECGAB]

(Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van het Statuut van de Europese Ombudsman[1])

Inleiding

De Ombudsman is van mening dat in het onderhavige geval sprake is van een belangrijke principekwestie, namelijk de vraag of de Commissie de behandeling van klachten over een vermeende schending van Gemeenschapsrecht door een lidstaat voor onbepaalde tijd kan uitstellen, op grond van het feit dat zij geen politieke consensus over de procedure kan bereiken. Hoewel de Commissie bij de inbreukprocedure vrijheid van handelen bezit, meent de Ombudsman dat zij verplicht is om een inbreukklacht binnen een redelijke termijn te behandelen. In het onderhavige geval heeft de Commissie eigenlijk alleen maar verklaard (i) dat zij de klacht als "in potentie politiek zeer gevoelig en controversieel" beschouwt en (ii) dat voor een beslissing om een inbreukprocedure te starten de steun van het College van leden van de Commissie vereist is en dat de Commissie een dergelijke beslissing tot op heden niet heeft kunnen nemen. Volgens de Ombudsman ontheffen deze overwegingen de Commissie niet van haar plicht om naar behoren met dergelijke klachten om te gaan. De Ombudsman meent daarom dat de zaak moet worden voorgelegd aan het Europees Parlement.

De klacht

Klager bood in Neder-Saksen (Duitsland) diensten aan voor het wedden op sportwedstrijden. In zijn klacht, die in januari 2005 door zijn advocaat bij de Ombudsman is ingediend, gaf klager aan dat de Duitse autoriteiten hem hadden opgedragen te stoppen met het aanbieden van diensten voor sportweddenschappen en dat hij daardoor gedwongen werd om zijn bedrijf te sluiten. Klager meent dat het gedrag van de Duitse autoriteiten in strijd is met EU-recht in het algemeen en in het bijzonder met het vrij verrichten van diensten.

Volgens klager heeft zijn advocaat op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Berlijn een inbreukklacht tegen Duitsland en de Duitse autoriteiten ingediend. Klager zegt dat hem vervolgens, na een verzoek om inlichtingen, is verteld dat de klacht noch was behandeld, noch naar Brussel was gestuurd. De advocaat van klager heeft de klacht toen rechtstreeks naar de Commissie gestuurd, waar zij onder nummer 2004/4463 is geregistreerd.

In een brief van 30 november 2004 heeft de advocaat van klager bij de Commissie naar de stand van het onderzoek geïnformeerd. Volgens klager is er geen antwoord op deze brief gekomen.

De door klager bij de Ombudsman ingediende klacht houdt in essentie in dat de Commissie zijn inbreukklacht niet naar behoren heeft behandeld. Hij zegt dat een snelle reactie van de Commissie dringend noodzakelijk was, vanwege het verlies dat hij leed doordat hij zijn bedrijfsactiviteiten niet kon uitoefenen.

Het onderzoek

Het advies van de Commissie

In haar advies geeft de Commissie kort samengevat het volgende commentaar:

Tegen de tijd dat het advies werd verstuurd (juni 2005) had de Commissie, in verband met gokdiensten, zeven klachten tegen Duitsland ontvangen (2003/4350, 2003/5288, 2004/4054, 2004/4463, 2004/4899, 2004/4685 en 2005/4017). Deze klachten hadden betrekking op nationale beperkingen inzake de organisatie van gokdiensten, commerciële communicatie betreffende gokdiensten en de oprichting ervan.

De eerste klacht van een aanbieder van diensten voor sportweddenschappen is in april 2003 geregistreerd. De Commissie heeft toen niet het besluit genomen om een inbreukprocedure te starten, aangezien een arrest van het Europees Hof van Justitie in een soortgelijke zaak in Italië bij de beoordeling van deze beperkingen van cruciaal belang werd geacht. De uitspraak van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambelli e.a.)[2] had de Commissie richtsnoeren voor de beoordeling van dergelijke klachten verschaft.

De Commissie heeft de rechtvaardiging voor en de proportionaliteit van een aantal nationale verboden op diensten voor sportweddenschappen in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie beoordeeld. In een zaak in verband met diensten voor sportweddenschappen is op 30 maart 2004 een schriftelijke aanmaning naar Denemarken gestuurd.

De Commissie heeft echter op haar vergaderingen van 13 oktober en 14 december 2004 besloten om nog geen besluiten te nemen omtrent het starten van inbreukprocedures in soortgelijke gevallen van beperkingen als die van klager in zijn inbreukklacht, namelijk zaken in Duitsland (2003/4350), Italië (2003/4616) en Nederland (2002/5443). Deze klachten moesten nog nader onderzocht worden.

De inbreukklacht van klager is op 26 april 2004 ontvangen. De Commissie heeft de advocaat van klager in een brief van 27 mei 2004 laten weten dat de klacht was geregistreerd.

In een fax van 30 november 2004 heeft klager gevraagd om hem kopieën te sturen van de correspondentie van de Commissie met de Duitse autoriteiten. De Commissie had op dat moment nog helemaal geen contact gehad met de Duitse autoriteiten inzake diensten voor sportweddenschappen in het algemeen of met betrekking tot een bepaald geval in het bijzonder.

De Commissie was nog bezig met een onderzoek met betrekking tot bepaalde aspecten van de inbreukklacht. Op 30 mei 2005 heeft zij de advocaat van klager een brief gestuurd waarin werd verteld wat de stand van zaken was en waarin klager werd gevraagd een kopie van zijn bookmakersvergunning over te leggen.

Met betrekking tot de eis van klager dat de Commissie snel moest handelen, moest worden opgemerkt dat de Commissie noch de bevoegdheid had om in te grijpen en acties te stoppen, noch om een strafrechtelijk onderzoek van een lidstaat te voorkomen.

In haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002 C 244, blz. 5), heeft de Commissie aangegeven dat zij zich in het algemeen bij het onderzoek van een klacht ten doel stelt dat er binnen een termijn van uiterlijk een jaar na de registratie van de klacht, wordt besloten een aanmaning te verzenden of de klacht te seponeren. De Commissie was zich er echter van bewust dat deze regel misschien niet in alle gevallen zou kunnen worden gerespecteerd. Dit zou vooral het geval zijn wanneer de Commissie te maken zou hebben met zaken waarin de rechtvaardiging en proportionaliteit van de desbetreffende nationale maatregel, op grond van redenen van openbare orde, moeilijk te onderzoeken is. Dit was in de onderhavige zaak het geval. In dergelijke gevallen verplicht de Commissie zich ertoe "de klager hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen". In dit geval is dat gedaan door middel van de brief van 30 mei 2005.

De Commissie heeft een kopie van haar brief van 30 mei 2005 overgelegd. In deze brief verwees de Commissie naar de inbreukklacht van klager die op 5 april 2004 zou zijn ingediend en naar andere brieven van klager of zijn advocaat van 15 juni 2004, 30 november 2004 en 18 april 2005. De Commissie verklaarde dat zij bezig was met een "intensieve" behandeling van de klacht van klager en andere klachten met betrekking tot diensten voor sportweddenschappen in Duitsland. Wat de reactietermijn betreft, werd in de brief verklaard "dat een standpuntbepaling van de Commissie waarschijnlijk niet op korte termijn te verwachten is vanwege de speciale procedurele termijnen voor onderzoek die de Commissie met betrekking tot schendingen van het Verdrag in acht moet nemen."

Het commentaar van klager

Klager zei in zijn commentaar dat het advies van de Commissie op het punt van de datums niet klopte en niet compleet was, aangezien hij zijn klacht al op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn had ingediend. Volgens klager was deze klacht niet behandeld en ook niet doorgegeven. De advocaat van klager is er alleen door een telefoongesprek met de vertegenwoordiging achter gekomen dat de klacht nog steeds in Berlijn lag. Volgens klager is daardoor kostbare tijd verloren. Klager zei verder dat hij niet begreep welke procedure de Commissie verder wilde volgen en wanneer zij eindelijk aan Duitsland zou vragen wat het Duitse standpunt was.

Klager heeft kopieën gestuurd van twee aan de Commissie gerichte brieven van 5 april 2004 en 4 juli 2005. In zijn brief aan de Commissie van 5 april 2004 wees de advocaat van klager op het feit dat hij de klacht al op 20 februari 2004 bij de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn had ingediend.

De ontwerpaanbeveling van de Ombudsman

De ontwerpaanbeveling

Op 27 juli 2005 heeft de Ombudsman, overeenkomstig artikel 3, lid 6 van zijn Statuut, de volgende ontwerpaanbeveling naar de Commissie gestuurd:

"De Commissie moet de inbreukklacht zorgvuldig en zonder onnodig oponthoud behandelen."

Deze ontwerpaanbeveling is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1 Inleidende opmerking

1.1 In zijn aan de Ombudsman gerichte klacht zegt klager dat zijn advocaat zijn inbreukklacht al op 20 februari 2004 naar de vertegenwoordiging van de Commissie in Berlijn heeft gestuurd. Volgens klager is hem vervolgens, na een verzoek om inlichtingen, verteld dat de klacht noch was behandeld, noch naar Brussel was gestuurd. Klager heeft zich vervolgens in een brief van 5 april 2004 met zijn klacht rechtstreeks tot de Commissie gewend.

1.2 In haar advies is de Commissie niet ingegaan op de opmerking van klager dat zijn inbreukklacht reeds op 20 februari 2004 was ingediend, maar in eerste instantie niet was behandeld.

1.3 De Ombudsman heeft opgemerkt dat in de klacht die klager in januari 2005 bij hem heeft ingediend, duidelijk wordt verwezen naar het vermeende in gebreke blijven van de Commissie ten aanzien van het naar behoren behandelen van de brief die klager naar zijn zeggen aan de vertegenwoordiging van de Commissie had gestuurd. Gezien deze omstandigheden begreep de Ombudsman niet waarom de Commissie deze kwestie niet in haar advies heeft behandeld. Voor opheldering van deze kwestie zou echter nader onderzoek nodig zijn geweest. Een dergelijk nader onderzoek zou onvermijdelijk hebben geleid tot nog meer oponthoud in deze zaak die volgens klager urgent was. Met het oog op zijn conclusies met betrekking tot de overige aspecten van de zaak (zie punt 2 hieronder), meende de Ombudsman daarom dat het beter was om bovenstaande kwestie niet in het huidige onderzoek te betrekken, opdat hij zo snel mogelijk de kern van de zaak zou kunnen behandelen. Het stond klager echter vrij om de genoemde kwestie in een afzonderlijke klacht opnieuw aan hem voor te leggen.

2 Het vermeende niet naar behoren behandelen van een inbreukklacht

2.1 Klager beweerde dat de Commissie zijn inbreukklacht 2004/4463 niet naar behoren heeft behandeld. Hij benadrukte dat hij in een brief van 30 november 2004 naar de stand van zaken heeft geïnformeerd, zonder daarop een antwoord te krijgen.

2.2 In haar advies wees de Commissie erop dat zij, tegen de tijd dat dit advies werd verstuurd (juni 2005), in verband met gokdiensten zeven klachten tegen Duitsland had ontvangen (2003/4350, 2003/5288, 2004/4054, 2004/4463, 2004/4899, 2004/4685 en 2005/4017). De Commissie verklaarde dat zij in april 2003 de eerste klacht heeft geregistreerd en dat zij toen niet het besluit had genomen om een inbreukprocedure te starten, aangezien een arrest van het Europees Hof van Justitie in een soortgelijke zaak in Italië van cruciaal belang werd geacht bij de beoordeling van deze beperkingen. Volgens de Commissie had de uitspraak van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambelli e.a.) haar richtsnoeren voor de beoordeling van dergelijke klachten verschaft.

De Commissie voegde hieraan toe dat zij de rechtvaardiging voor en de proportionaliteit van een aantal nationale verboden op diensten voor sportweddenschappen in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie had beoordeeld en dat er op 30 maart 2004, in een zaak met betrekking tot sportweddenschappen, een schriftelijke aanmaning naar Denemarken was gestuurd.

De Commissie had echter op haar vergaderingen van 13 oktober en 14 december 2004 besloten om nog geen besluiten te nemen omtrent het starten van inbreukprocedures in soortgelijke gevallen van beperkingen als die klager beschrijft in zijn inbreukklacht, namelijk zaken in Duitsland (2003/4350), Italië (2003/4616) en Nederland (2002/5443). Deze klachten werden nu nader onderzocht.

De Commissie verklaarde dat klager in een fax van 30 november 2004 had gevraagd om hem kopieën te sturen van de correspondentie van de Commissie met de Duitse autoriteiten. De Commissie benadrukte dat zij op dat moment nog helemaal geen contact had gehad met de Duitse autoriteiten inzake diensten voor sportweddenschappen in het algemeen of met betrekking tot een bepaald geval in het bijzonder.

Volgens de Commissie was zij nog bezig met een onderzoek met betrekking tot bepaalde aspecten van de inbreukklacht. Op 30 mei 2005 had zij de advocaat van klager een brief gestuurd waarin werd verteld wat de stand van zaken was en waarin de klager werd gevraagd een kopie van zijn bookmakersvergunning over te leggen.

De Commissie wees erop dat zij in haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002 C 244, blz. 5), heeft aangegeven dat zij zich in het algemeen bij het onderzoek van een klacht ten doel stelt dat er binnen een termijn van uiterlijk een jaar na de registratie van de klacht wordt besloten een aanmaning te verzenden of de klacht te seponeren. Volgens de Commissie werd hiermee echter niet de mogelijkheid uitgesloten dat haar onderzoek meer tijd zou vergen. De Commissie gaf aan dat dit vooral het geval zou zijn wanneer zij te maken zou hebben met zaken waarin de rechtvaardiging en proportionaliteit van de desbetreffende nationale maatregel, op grond van redenen van openbare orde, moeilijk te onderzoeken is. Volgens de Commissie was hiervan sprake in de onderhavige zaak. De Commissie merkte op dat zij zich in dergelijke omstandigheden ertoe verplicht "de klager hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen". Volgens de Commissie is dat in dit geval gedaan door middel van de brief van 30 mei 2005.

2.3 Het is een goede administratieve praktijk om brieven van burgers binnen een redelijke termijn te beantwoorden. In het onderhavige geval heeft de Commissie de brief van klager van 30 november 2004 beantwoord op 30 mei 2005, dat wil zeggen zes maanden nadat hij was verstuurd. De Ombudsman wees erop dat er geen enkele verklaring of verontschuldiging voor deze aanzienlijke vertraging is gegeven. Dat de Commissie de brief van klager van 30 november 2004 niet binnen een redelijke termijn heeft beantwoord, was dus een voorbeeld van wanbeheer.

2.4 De Ombudsman wees erop dat de Commissie zich in haar "Mededeling" van 2002 ertoe heeft verplicht om bij het onderzoek van klachten binnen een termijn van uiterlijk een jaar na de registratie van de klacht te besluiten om een aanmaning te verzenden of de klacht te seponeren. Uit de formulering van de mededeling ("in het algemeen") kon worden opgemaakt dat hiermee niet de mogelijkheid werd uitgesloten dat een onderzoek langer dan een jaar zou vergen, in het bijzonder wanneer in een klacht moeilijke of ingewikkelde kwesties aan de orde werden gesteld. Zoals de Commissie terecht opmerkte, is in de "Mededeling" van 2002 bepaald dat de klager in dergelijke gevallen schriftelijk op de hoogte moet worden gesteld.

De Ombudsman was echter van mening dat de informatie die de klager in dergelijke gevallen wordt gegeven alleen van nut kan zijn als hierin ten minste wordt uitgelegd waarom de behandeling van de klacht meer dan een jaar zal duren.

Echter, in de brief van 30 mei 2005 aan klager verklaarde de Commissie slechts "dat een standpuntbepaling van de Commissie waarschijnlijk niet op korte termijn te verwachten is vanwege de speciale procedurele termijnen voor onderzoek die de Commissie met betrekking tot schendingen van het Verdrag in acht moet nemen."

De Ombudsman vindt deze 'verklaring' absoluut ontoereikend, aangezien hierin niet wordt verwezen naar bijzondere omstandigheden die een rechtvaardiging zouden kunnen vormen voor het feit dat het onderzoek van de Commissie langer dan een jaar zou duren, de periode die volgens de "Mededeling" van 2002 "in het algemeen" niet mag worden overschreden. Omdat de Commissie de klager geen afdoende redenen heeft gegeven voor haar onvermogen om het onderzoek naar zijn inbreukklacht binnen een jaar na registratie af te ronden, is er sprake van wanbeheer.

2.5 Met betrekking tot de behandeling van de inbreukklacht als zodanig, kon gezegd worden dat het een goede administratieve praktijk is om dergelijke klachten zorgvuldig en zonder onnodig oponthoud te onderzoeken. De Ombudsman merkte op dat de Commissie in haar advies had beweerd dat zij nog bezig was met een onderzoek met betrekking tot bepaalde aspecten van de inbreukklacht. Hij merkte voorts op dat de Commissie in haar brief aan klager van 30 mei 2005 had geschreven dat zij bezig was met een "intensieve" behandeling van de klacht van klager en van andere klachten in verband met diensten voor sportweddenschappen in Duitsland.

Volgens de Ombudsman echter, bleken deze beweringen niet te worden ondersteund door de informatie die de Ombudsman had gekregen.

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Commissie benadrukte dat de uitspraak van het Hof van 6 november 2003 in zaak C-243/01 (Gambelli e.a.) haar richtsnoeren had verschaft voor de beoordeling van klachten zoals die van klager. Deze uitspraak was echter al meer dan anderhalf jaar voordat het advies werd voorgelegd, gedaan. Verder zij erop gewezen dat de Commissie beweerde dat klager haar met zijn inbreukklacht had geconfronteerd met een zaak waarin de rechtvaardiging en proportionaliteit van de desbetreffende nationale maatregel, op grond van redenen van openbare orde, moeilijk te onderzoeken is. De Ombudsman merkte echter op dat de Commissie zelf in haar advies had erkend dat zij tot op dat moment nog helemaal geen contact had gehad met de Duitse autoriteiten inzake diensten voor sportweddenschappen in het algemeen of met betrekking tot een bepaald geval in het bijzonder. Het viel moeilijk te begrijpen hoe de Commissie de rechtvaardiging en proportionaliteit van de relevante bepalingen van de Duitse wet kon beoordelen, zonder ten minste eerst de Duitse autoriteiten om informatie en uitleg te hebben gevraagd omtrent de "redenen van openbare orde" waarop deze bepalingen gebaseerd waren.

2.6 Met het oog op het bovenstaande was de Ombudsman van mening dat de Commissie de inbreukklacht van klager niet naar behoren heeft behandeld.

Het gedetailleerde advies van de Commissie

Na ontvangst van de ontwerpaanbeveling en overeenkomstig artikel 3, lid 6 van het Statuut van de Europese Ombudsman, heeft de Commissie op 5 januari 2006 een gedetailleerd advies gestuurd.

In haar gedetailleerde advies gaf de Commissie het volgende commentaar:

Klager beschikte niet over een in Duitsland benodigde vergunning, maar wilde zijn diensten aanbieden aan providers van onlinediensten met een vergunning in een andere lidstaat (om als tussenpersoon actief te zijn en diensten te verlenen). Tussen april 2003 en januari 2005 heeft de Commissie in verband met gokdiensten zeven klachten (inclusief die van klager) tegen Duitsland geregistreerd. Deze klachten hadden allemaal betrekking op dezelfde beperkingen. De Commissie heeft daarom besloten (op 16 maart en 2 september 2005) om al deze klachten gezamenlijk te behandelen.

Klachten met betrekking tot diensten voor sportweddenschappen waren "politiek zeer gevoelig en controversieel" (ondanks bestaande jurisprudentie op dit gebied). De klachten tegen Duitsland in verband met de beperkingen op diensten voor sportweddenschappen zijn op vier interne vergaderingen over inbreuken aan de orde gesteld (13 oktober 2004, 14 december 2004, 16 maart 2005 en 5 juli 2005). Tot op heden is de Commissie niet in staat geweest om de nodige beslissing te nemen.

De Commissie heeft erkend dat zij de brief van klager van 30 november 2004 niet heeft beantwoord, en zij heeft hierover haar spijt betuigd. Zij heeft eveneens erkend dat de in haar brief van 30 mei 2005 gegeven 'uitleg' ontoereikend was. De Commissie had erop kunnen wijzen dat zij bezig was met een onderzoek van een aantal klachten tegen Duitsland en dat deze klachten op drie interne vergaderingen over inbreuken (13 oktober 2004, 14 december 2004 en 16 maart 2005) aan de orde waren gekomen. Zij betreurde het dat zij binnen een jaar na registratie van de klacht nog geen beslissing over dit politiek gevoelige onderwerp had kunnen nemen. De Commissie was echter van mening dat de afhandeling van de klacht niet zou worden versneld door openbaarmaking van verdere details over de interne discussies.

Desalniettemin heeft de Commissie opnieuw een brief naar klager gestuurd met verdere informatie over de stand van zaken. In deze brief van 10 oktober 2005 liet het directoraat-generaal Interne markt en diensten ("DG MARKT") klager weten dat het had besloten om een aantal klachten met betrekking tot de relevante kwesties gezamenlijk te behandelen en legde het uit dat voor een beslissing om inbreukprocedures tegen Duitsland te starten de steun van het College van leden van de Commissie vereist was. DG MARKT wees er ook op dat de Commissie een dergelijke beslissing nog niet had kunnen nemen en dat de klachten nog nader onderzocht moesten worden.

Het commentaar van klager

Er is van klager geen commentaar ontvangen.

De evaluatie van de Ombudsman van het gedetailleerde advies van de Commissie

De Ombudsman is van mening dat het gedetailleerde advies van de Commissie geen blijk geeft van aanvaarding van zijn ontwerpaanbeveling. Hoewel de Commissie erkent dat zij de brief van klager van 30 november 2004 niet binnen een redelijke termijn heeft beantwoord en dat zij geen geldige verklaring heeft gegeven voor het feit dat het onderzoek naar deze zaak meer dan een jaar in beslag zou nemen, heeft de Commissie niet aangetoond dat de inbreukklacht zorgvuldig en zonder onnodig oponthoud zal worden behandeld, zoals door de Ombudsman is aanbevolen.

In plaats daarvan heeft de Commissie gewezen op het feit dat zij diensten voor sportweddenschappen als politiek zeer gevoelig en controversieel beschouwt. De Commissie heeft ook uitgelegd dat de kwestie op vier interne vergaderingen over inbreuken aan de orde is gekomen (13 oktober 2004, 14 december 2004, 16 maart 2005 en 5 juli 2005), maar dat zij nog geen beslissing heeft kunnen nemen. In een brief aan klager van 10 oktober 2005, waarnaar in het gedetailleerde advies wordt verwezen, legde DG MARKT verder uit dat voor een beslissing om een inbreukprocedure tegen Duitsland te starten de steun van het College van leden van de Commissie vereist is en dat de Commissie een dergelijke beslissing tot op dat moment nog niet had kunnen nemen.

De Ombudsman stelt het op prijs dat de Commissie eerlijk toegeeft dat de reden voor de trage behandeling van de inbreukklacht van klager is, dat de Commissie om politieke redenen niet in staat blijkt te zijn om te besluiten welke procedure in deze zaak (en verschillende andere zaken) moet worden gevolgd. Hij meent echter dat dit geen geldige reden is om deze inbreukklacht niet binnen een redelijke termijn te behandelen.

De Ombudsman is zich ervan bewust dat de Commissie bij de inbreukprocedure vrijheid van handelen bezit. Er moet echter worden opgemerkt dat het in de onderhavige zaak gaat om het administratieve stadium van die procedure. De Ombudsman is van mening dat het voor de Commissie een goede administratieve praktijk is om inbreukklachten binnen een redelijke termijn te behandelen en dat de Commissie daarom niet het recht heeft om haar beslissing over een bepaalde inbreukklacht voor onbepaalde tijd uit te stellen. Het blijkt dat de Commissie de kwestie in de onderhavige zaak in vier interne vergaderingen over inbreuken (13 oktober 2004, 14 december 2004, 16 maart 2005 en 5 juli 2005) heeft behandeld, zonder tot een beslissing over de procedure te kunnen komen. Bovendien heeft de Commissie in haar gedetailleerde advies van 5 januari 2006 geen enkele aanwijzing gegeven voor het moment waarop een beslissing verwacht zou kunnen worden.

De aanbeveling van de Ombudsman

Met het oog op het bovenstaande herhaalt de Ombudsman zijn ontwerpaanbeveling als een aanbeveling aan de Commissie:

De Commissie moet de inbreukklacht van klager zorgvuldig en zonder onnodig oponthoud behandelen.

Het Europees Parlement zou kunnen overwegen om deze aanbeveling als resolutie aan te nemen.

Straatsburg,

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


[1] Besluit nr. 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt, PB 1994 L 113, blz.15.

[2] Zaak C-243/01 Gambelli e.a. [2003] ECR I-13031.