Speciaal verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van zijn ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie inzake klacht 185/2005/ELB

Available languages: bg.es.cs.da.de.et.el.en.fr.ga.it.lv.lt.hu.mt.nl.pl.pt.ro.sk.sl.fi.sv
  • Case: 0185/2005/ELB
    Opened on 16 Feb 2005 - Draft recommendation on 31 Mar 2008 - Special report on 04 Dec 2008 - Decision on 04 Dec 2008
  • Institution(s) concerned: European Commission
  • Field(s) of law: General, financial and institutional matters
  • Types of maladministration alleged – (i) breach of, or (ii) breach of duties relating to: Absence of discrimination [Article 5 ECGAB]
  • Subject matter(s): Competition and selection procedures (including trainees)

(Opgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 7 van het Statuut van de Europese Ombudsman[1])

Inleiding

1. De Ombudsman is van oordeel dat in deze klacht een belangrijke principekwestie aan de orde is. Hij is van mening dat de Commissie met haar absolute verbod op het inhuren van freelance-hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder inbreuk maakt op het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd. Dit is een dermate belangrijk geval van wanbeheer dat een speciaal verslag aan het Parlement gerechtvaardigd is.

Achtergrond van de klacht

2. Klager heeft meer dan 35 jaar voor de Europese instellingen gewerkt als freelance-hulpconferentietolk, waarbij hij tolkte naar het Frans uit het Nederlands, Engels, Duits, Italiaans en Spaans. Freelance-tolken worden ingehuurd voor specifieke conferenties en vergaderingen. De tolken worden gedurende korte tijd ingezet voor specifieke opdrachten, doorgaans maximaal enkele dagen.

3. Op 13 juli 1999 heeft het Bureau van het Europees Parlement regels opgesteld voor het inhuren van hulpconferentietolken ("het Reglement van 1999"). Op 28 juli 1999 hebben de Commissie en het Europees Parlement een overeenkomst ondertekend inzake de arbeidsomstandigheden en financiële voorwaarden voor hulpconferentietolken ("de Overeenkomst van 1999"). Vervolgens zijn in Verordening nr. 628/2000[2] van de Raad bepalingen vastgelegd voor de werving van hulpconferentietolken als "hulpfunctionarissen".

4. Tegen deze achtergrond hebben de Europese Commissie en het Europees Parlement besloten geen hulpconferentietolken meer in te huren die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Hun respectieve besluiten zijn gebaseerd op artikel 74 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (de "RAP").[3] Naar aanleiding daarvan heeft een aantal hulpconferentietolken[4] een rechtszaak aangespannen bij het Gerecht van eerste aanleg tegen de Commissie en het Parlement (gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01,[5] zaak T-275/01[6] en zaak T-276/01[7]).

5. In gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 heeft het Gerecht van eerste aanleg onder meer het volgende gesteld:

"(...) arbeidscontracten voor conferentietolken (...) worden gekenmerkt door het feit dat zij voor specifieke dagen worden aangegaan, zodat de begin- en einddatum van het contract essentiële elementen vormen voor de aanwerving van genoemde hulpfunctionarissen.

(...) aangezien de einddatum van het contract altijd wordt vastgelegd in de vermelding van de specifieke werkdagen in het contract, behoeft het einde van de aanstelling niet te worden bepaald op grond van artikel 74, lid 1, sub b van de RAP (...)

Hieruit vloeit voort dat artikel 74 van de RAP een van de bepalingen van Titel III van de RAP is waarvan het Parlement is uitgegaan bij de goedkeuring van het Reglement van 1999.

De Commissie is dan ook ten onrechte van oordeel dat artikel 74, lid 1, sub b van de RAP van toepassing is op de indiener (...)

(...) de leeftijd van de tolk is geen relevant element voor de uitvoering van de taken in kwesties. Hieruit volgt dat de vaststelling van een leeftijdsgrens geen essentieel element vormt van een contract voor tolken waarop artikel 74 van de RAP van toepassing dient te zijn."[8] (nadruk toegevoegd)

6. Op 27 augustus 2004 heeft de Commissie beroep aangetekend bij het Hof van Justitie (zaak C-373/2004 P[9]) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01.

Onderwerp van het onderzoek

7. Klager stelde dat de Commissie weigerde hem als hulpconferentietolk in te huren, zelfs na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg. Tegen deze achtergrond stelde hij dat de Commissie artikel 21 van het Handvest van de grondrechten[10] en artikel 5, lid 3 van de Europese code van goed administratief gedrag, [11] niet naleefde. Krachtens beide artikelen is onder meer discriminatie op grond van leeftijd verboden.

8. Klager stelde dat de Commissie een einde diende te maken aan de discriminatie jegens zijn persoon sinds hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Hij eiste tevens een schadevergoeding van 14 619 EUR van de Commissie (10 932 EUR wegens verlies van inkomen en 3 687 EUR voor zijn bijdragen aan de "Caisse de prévoyance des interprètes de conférence" (pensioenkas voor conferentietolken)) en stelde een immateriële schade te hebben geleden van 20 000 EUR.

9. Klager stelde tevens dat de Commissie artikel 19 van de Europese code van goed administratief gedrag (met betrekking tot de vermelding van de beroepsmogelijkheden) niet had nageleefd. Aangezien dit aspect van de klacht geen principekwestie behelst, zal de Ombudsman dit behandelen in het besluit waarmee zijn onderzoek naar deze klacht wordt afgesloten. Het besluit zal naar de klager worden gestuurd.

Het onderzoek

10. Klager heeft de klacht op 16 januari 2005 ingediend. Op 8 juni 2005 heeft de Commissie haar advies gestuurd, dat voor commentaar tevens naar klager werd gestuurd. Op 13 juli 2005 stuurde klager zijn commentaar.

11. Op 13 december 2005 heeft de Ombudsman de Commissie om nadere informatie verzocht. Op 20 maart 2006 heeft de Commissie dit verzoek beantwoord. Op 2 april 2006 en 19 mei 2006 heeft klager zijn commentaar gestuurd.

12. Op 1 december 2006 heeft de Ombudsman schriftelijk contact opgenomen met de Commissievoorzitter voor een minnelijke schikking van de klacht. De Commissie heeft hierop op 16 maart 2007 gereageerd en klager heeft op 5 mei 2007 zijn commentaar gestuurd.

13. Op 31 maart 2008 heeft de Ombudsman een ontwerpaanbeveling gestuurd aan de Commissie. Op 26 juni 2008 heeft de Commissie haar gedetailleerde advies met betrekking tot deze ontwerpaanbeveling gestuurd. Klager heeft op 31 juli 2008 zijn commentaar gestuurd naar aanleiding van het advies van de Commissie.


Analyse en conclusies van de Ombudsman

A. Beschuldiging van algemene discriminatie tegen hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder en de klacht terzake

Argumenten die aan de Ombudsman zijn voorgelegd

14. De Commissie stelt dat er vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst van 1999 inzake de arbeidsomstandigheden en financiële voorwaarden voor hulpconferentietolken geen officiële leeftijdsgrens voor hulpconferentietolken bestond. Niettemin huurde het Directoraat-generaal Tolken (DG Tolken) alleen hulpconferentietolken boven de 65 jaar in als hiervoor specifieke eisen waren. Dit was het geval bij zogeheten "ambulante missies" of wanneer de inzet van deze tolken noodzakelijk was voor bepaalde talen. Met dit beleid werd beoogd een adequate opdrachtenstroom te garanderen voor pas afgestudeerde, jonge tolken, wat ruimte bood voor nieuwkomers.

15. De Commissie stelt dat hulpconferentietolken met de inwerkingtreding van de overeenkomst van 1999 onder de RAP kwamen te vallen. Zij was van mening dat artikel 74 van de RAP daarom op hen van toepassing was.[12] Als gevolg daarvan werd de werving van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder geleidelijk afgeschaft. Ook werd hun de toegang tot het online wervingssysteem ("Web Calendar") ontzegd.

16. De interpretatie dat de RAP gold voor hulpconferentietolken, werd aangevochten in gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 Alvarez Moreno/Commissie. Het Gerecht van eerste aanleg oordeelde dat de leeftijdsgrens in de RAP niet van toepassing was op hulpconferentietolken. Naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg bood het DG Tolken hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder (op individueel verzoek) toegang tot het wervingssysteem. Hulpconferentietolken die na het arrest de leeftijd van 65 jaar bereikten, behielden hun toegang tot de webkalender. Het wervingsbeleid dat na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg was ingevoerd, was hetzelfde als het beleid dat vóór 1999 werd gevoerd. De Commissie stelde dat zij dit beleid zou blijven naleven in afwachting van de uitspraak in hoger beroep bij het Hof van Justitie, waarmee werd getracht het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ongedaan te maken.

17. Naar aanleiding van het bovenstaande begon de Commissie hulpconferentietolken weer te werven op grond van de "behoeften van de dienst", waarbij rekening werd gehouden met hun talencombinatie, woonplaats en algemene vakbekwaamheid. Het beleid van het DG Tolken was erop gericht om jonge tolken wervingsmogelijkheden te bieden voor zover dat mogelijk was, aldus de Commissie. Zij wees erop dat de demografische ontwikkelingen voor het vak onrustbarend waren en er daarom stappen waren ondernomen om een adequate en goed opgeleide pool van freelance-tolken te onderhouden, zodat de werving van personeel op de langere termijn was gegarandeerd. Ter illustratie lichtte de Commissie toe dat de gemiddelde leeftijd in de drie grootste tolkcabines (Engels, Frans en Duits) circa 50 jaar was. De Commissie stelde dat zij dit beleid ook met andere argumenten kon staven. Deze waren onder meer:

(a) de instelling bood al lange tijd en op diverse manieren financiële ondersteuning voor de opleiding van jonge tolken;

(b) jonge collega's moesten voldoende praktijkervaring opdoen om in de toekomst met een redelijke kans van slagen te kunnen deelnemen aan vergelijkende examens, en zo kon de leeftijdspiramide worden verbeterd;[13] en

(c) jonge tolken hadden betere kansen om hun talencombinaties uit te breiden met nieuwe talen die de dienst nodig had.

18. Op verzoek van de Ombudsman heeft de Commissie statistische gegevens verstrekt waaruit het aantal contractdagen voor hulpconferentietolken ouder dan 65 jaar in absolute zin blijkt, en als percentage van de totale contractdagen per jaar van de hulpconferentietolk in de periode 1987-2006.

Preliminaire overwegingen van de Ombudsman die hebben geleid tot een voorstel voor een minnelijke schikking

19. De Ombudsman merkte allereerst op dat het Hof van Justitie heeft gesteld dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals verankerd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht vormt.[14] Op grond van dit beginsel moet de Commissie kandidaten bij de werving van hulpconferentietolken gelijk behandelen, behalve wanneer zij kan aantonen dat een ongelijke behandeling gerechtvaardigd is doordat hiermee op passende wijze een legitiem en voldoende belangrijk gemeenschapsbelang is gediend.

20. In het kader van het onderzoek van de Ombudsman naar onderhavige klacht heeft de Commissie duidelijk toegegeven dat zij bij de inschakeling van hulpconferentietolken tolken van 65 jaar en ouder benadeelt en dus anders behandelt. Ongelijke behandeling op grond van leeftijd komt neer op discriminatie op grond van leeftijd, tenzij de verschillende behandeling objectief gerechtvaardigd is. Daarom werd de Commissie verzocht aan te tonen dat deze ongelijke behandeling adequaat was gerechtvaardigd.

21. De Ombudsman stelde vast dat de Commissie in haar antwoord aan de Ombudsman benadrukte dat de demografische ontwikkelingen in het tolkvak onrustbarend waren. De Commissie stelde daarom dat de ongelijke behandeling gerechtvaardigd was, omdat er jonge tolken dienden te worden aangeworven en opgeleid, zodat er een adequate en goed opgeleide pool freelance-tolken kon worden behouden, die op de lange termijn als bron van tolken zou fungeren. De ongelijke behandeling zou de leeftijdspiramide van de ambtenaren die als tolk werkzaam waren, ten goede komen. Bovendien konden jonge tolken voldoende praktijkervaring opdoen, zodat zij later met succes konden deelnemen aan vergelijkende examens.

Tegen deze achtergrond kon de Ombudsman zich erin vinden dat het door de Commissie aangehaalde belang, namelijk de vorming en opleiding van een nieuwe generatie vakbekwame tolken, een legitiem gemeenschapsbelang was. Niettemin stelde de Ombudsman dat de Commissie hem geen adequate gegevens en bewijzen had verstrekt om haar argumenten te staven.[15] Bovendien had de Commissie geen noodzakelijk evenwicht weten te creëren tussen de belangen van tolken van 65 jaar en ouder en bovengenoemd belang. De Ombudsman stelde vast dat de beleidsdoelstelling, namelijk de vorming en opleiding van een nieuwe generatie vakbekwame tolken, op een wijze kon worden bereikt die aanzienlijk minder gevolgen had voor tolken van 65 jaar en ouder. Zo kon het aantal contractdagen voor alle andere "niet jonge" kandidaten op een evenwichtige manier worden teruggebracht, los van de vraag of zij jonger of ouder dan 65 waren, zodat "jonge" tolken de gelegenheid kregen om werkervaring op te doen.

22. In het licht van het voorgaande was de Ombudsman van oordeel dat de Commissie haar behandeling van tolken die ouder dan 65 waren, zoals klager, niet adequaat had weten te rechtvaardigen. Dit kon een geval van wanbeheer zijn. De Ombudsman heeft daarom een voorstel voor een minnelijke schikking voorgelegd met betrekking tot dit aspect van de zaak, die als volgt luidde:

De Ombudsman stelde dat de Commissie de volgende stappen kon ondernemen:

  1. afzien van haar discriminerende beleid jegens tolken van 65 jaar en ouder; en
  2. klager een redelijke financiële schadevergoeding bieden wegens discriminatie tegen zijn persoon.

De argumenten die na het voorstel voor een minnelijke schikking aan de Ombudsman werden voorgelegd

23. In haar reactie op het voorstel voor een minnelijke schikking lichtte de Commissie toe dat er een nieuwe ontwikkeling in aanmerking diende te worden genomen. Zij wees erop dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 Alvarez Moreno/Commissie onlangs nietig was verklaard door het Hof van Justitie.[16] De Commissie voerde in het licht daarvan aan dat haar oorspronkelijke interpretatie van de regels correct was en dat zij juist had gehandeld door hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder geen werk aan te bieden. Deze interpretatie zou juist blijven totdat een besluit op basis van die interpretatie door een uitspraak van een Gemeenschapsrechter teniet zou worden gedaan. De Commissie stelde op grond daarvan dat zij het voorstel voor een minnelijke schikking van de Ombudsman niet kon accepteren.

24. Voorts wees de Commissie erop dat het Gerecht van eerste aanleg het volgende had geconcludeerd:

"de Commissie was niet verplicht [indiener] opnieuw te werven. Een instelling mag zelf bepalen of zij een tolk die zij reeds eerder heeft geworven, al dan niet een nieuw contract als hulpfunctionaris aanbiedt, ongeacht de leeftijd van de persoon en de redenen die eraan ten grondslag liggen."[17]

25. Voorts benadrukte de Commissie dat zij beleid voerde waarmee de vernieuwing van haar tolkenbestand werd gewaarborgd. Met dat beleid werd de opleiding van jonge tolken bevorderd en werden de arbeidskansen voor deze tolken gewaarborgd.

26. In zijn commentaar op de reactie van de Commissie gaf klager aan dat de Commissie enkele dagen na de afwijzing van het voorstel van de Ombudsman een informatieve nota had opgesteld (d.d. 29 maart 2007) inzake de werving van freelance-tolken boven de 65 jaar. De nota bevatte de volgende verklaring:

"De Commissie is dan ook voornemens haar voormalige standpunt weer in te nemen en geen hulpconferentietolken boven de 65 jaar meer in te huren."

De beoordeling van de Ombudsman die ten grondslag lag aan een ontwerpaanbeveling

27. De afwijzing van het voorstel voor een minnelijke schikking van de Ombudsman was gebaseerd op het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-373/04 P. De Ombudsman merkt op dat het Hof van Justitie het arrest van het Gerecht van eerste aanleg nietig heeft verklaard op grond van het feit dat het Gerecht de indiening niet ontvankelijk had moeten verklaren. Het Hof van Justitie heeft geen uitspraak gedaan over de inhoud van de zaak en heeft dan ook geen standpunt ingenomen met betrekking tot de juridische interpretatie in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg.

28. Het Gerecht van eerste aanleg had beslist dat artikel 74 van de RAP niet van toepassing was op hulpconferentietolken, in hoofdzaak omdat de regels voor hulpconferentietolken werden uiteengezet in een specifiek Reglement dat op 13 juli 1999 was goedgekeurd door het Bureau van het Europees Parlement, en in een overeenkomst die op 28 juli 1999 was ondertekend (zie paragraaf 3 van dit speciale verslag). De opvatting van de Commissie dat zij door de nietigverklaring van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg geen juridische verplichting meer had, was weliswaar correct, maar de Ombudsman is van oordeel dat de Commissie niet had uitgelegd waarom zij er op basis van de relevante feiten en de toepasselijke juridische bepalingen niet voor had gekozen om voor wat betreft de inhoudelijke kant van de zaken tot een identieke conclusie te komen als die van het Gerecht van eerste aanleg.

29. Met betrekking tot de relevante feiten erkende de Ombudsman dat de Commissie niet alleen verwees naar de uitspraak van het Hof van Justitie, maar in haar reactie op het voorstel voor een minnelijke schikking van de Ombudsman opnieuw toelichtte dat haar beleid was gericht op "vernieuwing" van haar bestand van beschikbare tolken. Zij stelde tevens dat haar beleid inzake de werving van hulpconferentietolken haar diensten de mogelijkheid biedt in te spelen op een wisselende werklast. In dit opzicht erkende de Ombudsman dat de Commissie inderdaad een ruime vrijheid had bij de werving van personeel. In bijzonder kon zij niet verplicht worden om specifieke hulpconferentietolken te blijven inhuren omdat zij in het verleden ook waren ingehuurd. De ruime vrijheid van de Commissie mocht echter niet zodanig worden uitgeoefend dat inbreuk ontstaat op het beginsel van non-discriminatie, op grond waarvan verschillende situaties niet hetzelfde mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

30. Volgens het Hof van Justitie vormt het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals vastgelegd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht.[18] Op grond van dit beginsel moet de Commissie hulpconferentietolken gelijk behandelen bij de werving, behalve wanneer zij aantoont dat een ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.[19] De Ombudsman wees erop dat het Hof van Justitie met betrekking tot de verplichte pensioenleeftijd waarmee een arbeidscontract automatisch wordt beëindigd, tevens het volgende heeft gesteld:

"de (...) bevordering van de werving [van jongeren] vormt zonder twijfel een legitieme doelstelling van sociaal beleid (...) Daarom moet een [dergelijke] doelstelling (...) in principe worden beschouwd als een objectieve en redelijke rechtvaardiging van (...) een verschillende behandeling op grond van leeftijd (...). Er dient nader te worden vastgesteld of (...) de wijze waarop wordt getracht een dergelijke legitieme doelstelling te bereiken, gepast en noodzakelijk is".[20]

31. Het belang waarnaar de Commissie in haar advies aan de Ombudsman verwees, namelijk de noodzaak om wervingskansen te bieden aan nieuwkomers en hen op te leiden, leek een "legitieme doelstelling". De Ombudsman was er echter niet van overtuigd dat de wijze waarop de Commissie te werk is gegaan, te weten het instellen van een volledig verbod op het inhuren van hulpconferentietolken boven de 65 jaar, "gepast en noodzakelijk" was om die legitieme doelstelling te verwezenlijken. De Commissie zou deze "gepaste en noodzakelijke" wijze voor de verwezenlijking van die doelstelling ten minste moeten aantonen door met specifieke gegevens en bewijzen te staven dat het noodzakelijk was om specifieke tolkopdrachten voor nieuwkomers te reserveren. Dergelijke specifieke gegevens en bewijzen zouden bijvoorbeeld betrekking moeten hebben op het aantal uren dat nodig is om een "programma voor nieuwkomers" uitvoerbaar te maken. Voorts zou de Commissie moeten aantonen dat dezelfde doelstelling niet kan worden bereikt door minder beperkende middelen, zoals de middelen die gevolgen zouden hebben voor opgeleide tolken van alle leeftijden, in plaats van alleen opgeleide tolken boven de 65 jaar.

32. De Ombudsman heeft dan ook vastgehouden aan zijn standpunt dat de Commissie haar verbod op het inhuren van tolken boven de 65 jaar niet adequaat had weten te rechtvaardigen en dat het derhalve een geval van wanbeheer betrof. Op grond hiervan heeft de Ombudsman een ontwerpaanbeveling opgesteld.

33. In zijn ontwerpaanbeveling wees de Ombudsman erop dat hij een financiële schadevergoeding van de betrokken instelling aan een klager die schade heeft ondervonden van wanbeheer, gepast acht, indien een onderzoek leidt tot de constatering dat er inderdaad sprake is van wanbeheer.

34. Klager eiste een totale schadevergoeding van 34 619 EUR. De Ombudsman merkte echter op dat niet kon worden aangenomen dat klager dezelfde hoeveelheid werk aangeboden zou hebben gekregen als hem voorheen was aangeboden. De Ombudsman was van oordeel dat het exacte verlies dat klager had geleden van diverse factoren afhankelijk was, onder meer: de mate waarin de specifieke talencombinaties van klager overeenstemden met de specifieke behoeften van de dienst in de relevante periode; de hoeveelheid tolkwerk die aan hulpconferentietolken werd uitbesteed met dezelfde talencombinaties als klager in de relevante periode; het aantal kandidaten dat voor werk in aanmerking kwam en overeenstemde met de talencombinaties van klager in de relevante periode; en de relatieve kwaliteit van dergelijke kandidaten. De Ombudsman erkende tevens dat de Commissie bij de werving van personeel over een ruime vrijheid beschikt. In bijzonder kon zij niet verplicht worden om specifieke hulpconferentietolken te blijven inhuren omdat zij in het verleden ook waren ingehuurd. De vrijheid van de Commissie mag nochtans niet leiden tot inbreuk op het beginsel van non-discriminatie. Aangezien de Commissie de aangevochten discriminatie van tolken van 65 jaar en ouder niet adequaat had weten te rechtvaardigen, achtte de Ombudsman het gepast dat zij contact zou opnemen met klager om een gepaste schadevergoeding overeen te komen voor het door klager geleden verlies door haar discriminerende beleid.

De argumenten die na de ontwerpaanbeveling aan de Ombudsman werden voorgelegd

35. De Commissie was het niet eens met de visie van de Ombudsman dat zij inbreuk had gemaakt op het beginsel van non-discriminatie door geen hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder in te huren. Zij was van mening dat de RAP van toepassing was op hulpconferentietolken. Zij wees op de bepaling in artikel 119 van de RAP[21] dat contracten met tijdelijk personeel worden beëindigd wanneer de functionaris de leeftijd van 65 jaar bereikt. In deze omstandigheden en om louter juridische redenen kon de Commissie haar wervingsbeleid niet wijzigen en kon zij klager geen schadevergoeding aanbieden.

De beoordeling van de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling

36. Krachtens artikel 21 van het Handvest van de grondrechten is elke vorm van discriminatie, bijvoorbeeld op grond van leeftijd, verboden. Bovendien vormt het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals verankerd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, volgens het Hof van Justitie een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht.[22] Op grond van het beginsel van non-discriminatie moet de Commissie burgers gelijk behandelen op grond van hun leeftijd, behalve wanneer zij aantoont dat een ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is en de wijze waarop deze plaatsvindt, gepast en noodzakelijk is.[23] Het Hof van Justitie heeft met betrekking tot de verplichte pensioenleeftijd waarmee een arbeidscontract automatisch wordt beëindigd, tevens het volgende gesteld:

"de (...) bevordering van de werving [van jongeren] vormt zonder twijfel een legitieme doelstelling van sociaal beleid (...) Daarom moet een [dergelijke] doelstelling (...) in principe worden beschouwd als een objectieve en redelijke rechtvaardiging van (...) een verschillende behandeling op grond van leeftijd (...). Er dient nader te worden vastgesteld of (...) de wijze waarop wordt getracht een dergelijke legitieme doelstelling te bereiken, gepast en noodzakelijk is".[24]

37. De Commissie houdt vast aan haar standpunt dat de leeftijdsgrens in de RAP van toepassing is op hulpconferentietolken. Zoals uiteengezet in de ontwerpaanbeveling heeft de Commissie voorts getracht de verschillende behandeling van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder te rechtvaardigen door de noodzaak om wervingskansen te bieden aan nieuwkomers en hen op te leiden. De Ombudsman sloot de mogelijkheid weliswaar niet uit dat een dergelijke doelstelling "legitiem" kon zijn, maar hij betwijfelde of de wijze waarop werd getracht die doelstelling te bereiken, namelijk een volledig verbod op het inhuren van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder, gepast en noodzakelijk was.

38. De Ombudsman is het niet eens met het argument van de Commissie dat zij op juridische gronden geen andere keuze had dan om helemaal geen hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder meer in te huren. Hij is van oordeel dat de Commissie geen hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder inhuurt omdat zij ervoor kiest dit niet te doen.

39. De Ombudsman onderstreept dat hij het arrest van het Hof van Justitie niet aanvecht. Hij benadrukt met klem dat het Hof van Justitie het arrest van het Gerecht van eerste aanleg nietig heeft verklaard[25] op grond van een procedurele kwestie, en niet op grond van de inhoudelijke kant van de zaak Alvarez Moreno/Commissie. De bevindingen van de Ombudsman in onderhavige zaak komen dan ook volledig overeen met de arresten van het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie.

40. Voorts benadrukt de Ombudsman dat hij de door de wetgever goedgekeurde regels (zoals het Statuut en de RAP) niet betwist. Het is niet de taak van de Ombudsman om het recht van de wetgever aan te vechten om een wervingsbeleid op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met leeftijd. In dit verband neemt de Ombudsman nota van het feit dat het Statuut en de RAP bepalingen bevatten op grond waarvan ambtenaren (artikel 52 van het Statuut) en andere personeelsleden (artikelen 47, 74 en 119 van de RAP) op de leeftijd van 65 jaar met pensioen moeten gaan (of 67 jaar in uitzonderlijke gevallen voor ambtenaren). De Ombudsman onderstreept dat artikel 74 van de RAP in onderhavige zaak niet wordt veronachtzaamd. Hij neemt echter het standpunt in dat artikel 74 van de RAP niet geldt voor hulpconferentietolken. Dit standpunt komt ook naar voren in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, waarin de zaak Alvarez Moreno/Commissie inhoudelijk is beoordeeld.

41. De Ombudsman erkent wel degelijk dat de Commissie juridisch niet verplicht is om een nietig verklaarde uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg te volgen. Hij wijst er echter met klem op dat de nietigverklaring van een arrest om een procedurele reden niet inhoudt dat de interpretatie van de Commissie met betrekking tot de inhoud van de zaak automatisch geldig is. Hij merkt op dat de Commissie in het kader van onderhavig onderzoek geen argumenten naar voren heeft gebracht waarin nader wordt ingegaan op de redenering van het Gerecht van eerste aanleg over de inhoud van de zaak.

42. De Ombudsman betreurt het feit dat de Commissie niet op een positieve wijze heeft gereageerd op zijn inspanningen, ook al heeft hij alles in het werk gesteld om het geval van wanbeheer dat met haar huidige beleid is ontstaan, te helpen voorkomen.

43. De Ombudsman is van mening dat dit een dermate belangrijk geval van wanbeheer is, dat een speciaal verslag aan het Parlement gerechtvaardigd is.

44. Tot slot wijst de Ombudsman erop dat hij in een vergelijkbaar onderzoek naar de praktijken van het Europees Parlement voor de werving van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder een soortgelijke ontwerpaanbeveling heeft opgesteld voor het Parlement. Naar aanleiding hiervan heeft het Parlement zich achter dit standpunt geschaard en zijn praktijk met betrekking tot het inhuren van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder aangepast. Het Parlement heeft de toepasselijke regels geïnterpreteerd op een wijze die niet leidt tot een verbod op het inhuren van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder. Er zij op gewezen dat dit dezelfde regels zijn op grond waarvan de Commissie zich gedwongen ziet om geen hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder in te schakelen. Op deze wijze heeft het Parlement het mogelijke geval van wanbeheer voorkomen dat door de Ombudsman is geconstateerd.

B. De aanbeveling van de Ombudsman

Naar aanleiding van zijn onderzoek naar deze klacht doet de Ombudsman opnieuw zijn ontwerpaanbeveling als aanbeveling aan de Commissie.

De Commissie dient haar huidige beleid, waarmee een verbod wordt ingesteld op de werving van hulpconferentietolken van 65 jaar en ouder, te wijzigen en dient klager schadeloos te stellen voor de verliezen die hij door dat beleid heeft geleden.

Het Europees Parlement zou de goedkeuring van een dienovereenkomstige resolutie kunnen overwegen.

P. Nikiforos DIAMANDOUROS

Opgesteld in Straatsburg op 4 december 2008


[1] Besluit van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (94/262/EGKS, EG, Euratom), PB 1994 L 113, blz. 15.

[2] Verordening nr. 628/2000 van de Raad van 20 maart 2000 tot wijziging van Verordening nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, PB 2000 L 76, blz. 1. Artikel 1 van deze verordening luidt als volgt:

"(...) (2) Het is derhalve dienstig dat alle conferentietolken worden aangeworven als hulpfunctionaris in de zin van titel III van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (...)

Aan artikel 78 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, wordt de volgende alinea toegevoegd:

De bepalingen inzake aanstelling en bezoldiging welke gelden voor de door het Europees Parlement aangeworven conferentietolken, zijn van toepassing op de hulpfunctionarissen die door de Commissie als conferentietolk worden aangeworven voor rekening van de instellingen en de organen van de Gemeenschappen."

[3] Artikel 74 van de RAP (in de versie die destijds van toepassing was) luidt als volgt: "Met uitzondering van beëindiging wegens overlijden, wordt de aanstelling van hulpfunctionarissen beëindigd: 1. wanneer het contract voor een vaste periode is afgesloten: (...) (b) aan het einde van de maand waarin de functionaris de leeftijd van 65 jaar bereikt (...)"

[4] Klager was geen partij bij deze rechtszaken.

[5] Gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 Alvarez Moreno/Commissie [2004] ECR-SC I-A-161 en II-719.

[6] Zaak T-275/01 Alvarez Moreno/Parlement [2004] ECR-SC I-A-171 en II-765.

[7] Zaak T-276/01 Garroni/Parlement [2004] ECR-SC I-A-177 en II-795.

[8] Deze zaak is enkel in het Frans openbaar gemaakt. De Nederlandse vertalingen zijn afkomstig van de diensten van de Ombudsman. In de punten 84 t/m 89 van gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 wordt het volgende gesteld in het Frans:

"84. Or, les contrats d'engagement des interprètes de conférence conclus en application du troisième alinéa, comme du premier alinéa, de l'article 78 du RAA se caractérisent par le fait qu'ils sont conclus pour certains jours spécifiques, de sorte que tant la date du début que celle de la fin de l'engagement constituent des éléments indispensables du recrutement des agents auxiliaires en question.

85. En effet, d'une part, étant donné que le terme du contrat d'engagement est toujours fixé par l'indication dans celui-ci, des jours spécifiques des prestations, aucun recours à l'article 74, paragraphe 1, sous b), du RAA n'est nécessaire pour déterminer la fin de l'engagement. D'autre part, dans le contexte de ce type de contrat, la prescription de cet article constitue une des "conditions de recrutement" visées à l'article 78 du RAA, dès lors que la durée précise de l'engagement est fixée, conformément à l'article 56 du RAA, en tant que condition d'engagement. En d'autres termes, s'agissant d'un contrat limité à des jours spécifiques, la fin de l'engagement constitue une condition caractéristique et indispensable du recrutement de l'interprète, inhérente à celui-ci.

86. Il s'ensuit que l'article 74 du RAA constitue une des dispositions du titre III du RAA auxquelles le Parlement a dérogé lorsqu'il a adopté la réglementation de 1999.

87. Par conséquent, c'est à tort que la Commission a considéré que l'article 74, paragraphe 1, sous b), du RAA était applicable à la requérante et qu'il ne s'agissait pas d'une condition de recrutement au sens de l'article 78 du RAA (...)

89. Il est vrai que l'article 8 de la réglementation de 1999 renvoie aux dispositions du RAA et aux règles applicables à l'ensemble du personnel pour toute question non prévue par ladite réglementation ou par la convention de 1999. Toutefois, étant donné que la raison d'être de la réglementation de 1999 est de permettre au Parlement d'engager les interprètes auxiliaires de session pour des jours spécifiques, la "fin de l'engagement" au sens de l'article 74 ne constitue par une question non prévue par la réglementation de 1999. En outre, au vu du caractère occasionnel de tels engagements et du fait que les institutions n'ont pas l'obligation d'engager un interprète particulier à un moment donné pour une période minimale, l'âge de l'interprète ne saurait constituer un élément pertinent pour ce qui est de l'exécution des services en question. Il s'ensuit que la stipulation d'une limite d'âge ne constitue pas une clause indispensable dans un contrat d'engagement d'un interprète et rend nécessaire le recours à l'article 74 du RAA."

[9] Zaak C-373/04 P Commissie/Alvarez Moreno [2006] ECR I-1.

[10] Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten luidt als volgt: "Elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, is verboden."

[11] Artikel 5, lid 3 van de Europese code van goed administratief gedrag luidt als volgt: "De ambtenaar vermijdt in het bijzonder ongerechtvaardigde discriminatie tussen burgers op grond van nationaliteit, geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of geloofsovertuiging, politieke of andere mening, lidmaatschap van een nationale minderheid, bezit, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid."

[12] Zie voetnoot 3.

[13] Hiertoe heeft het DG Tolken een programma voor nieuwkomers opgezet waarmee gedurende een bepaald aantal opeenvolgende dagen tolkopdrachten werden gegarandeerd aan jonge hulpconferentietolken.

[14] Zie zaak C-144/04 Mangold [2005] ECR I-9981, punt 75.

[15] Dergelijk bewijs had kunnen bestaan uit specifieke informatie over het aantal werkdagen dat beschikbaar was voor toewijzing aan "jonge tolken".

[16] Zaak C-373/04 P Commissie/Alvarez Moreno [2006] ECR I-1.

[17] Gevoegde zaken T-153/01 en T-323/01 Alvarez Moreno/Commissie [2004] ECR-SC I-A-161 en II-719. Punt 105 luidt als volgt (in het Frans): "la Commission n'avait, en tout été de cause, pas l'obligation de faire appel à nouveau à ses services. Il demeure en effet toujours loisible à l'administration de ne pas conclure de nouveau contrat d'agent auxiliaire avec un interprète auquel elle avait précédemment fait appel, et cela quels que soient l'âge de ce dernier et les motifs qui la conduisent à cette décision."

[18] Zie voetnoot 14.

[19] Zaak C-344/04 International Air Transport e.a. [2006] ECR I-403, punt 95.

[20] Zaak C-411/05 Palacios de la Villa [2007] ECR I-8531, punten 64-67.

[21] Versie toepasselijk sinds 1 mei 2004.

[22] Zie voetnoot 14.

[23] Zie voetnoot 20.

[24] Zie voetnoot 20.

[25] Zie bovenstaand punt 27.