Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2825/2004/OV tegen het Europees Parlement

beschikbare talen :  en.nl

Deze klacht werd vertrouwelijk behandeld. Dit document werd bijgevolg geanonimiseerd.

  • Zaak :  2825/2004/OV
    Geopend op 12-okt-2004 - Besluit over 14-mei-2007
  • Betrokken instelling :  Europees Parlement
  • Rechstdomein :  Algemene, institutionele en financiële vraagstukken
  • Vormen van vermeend wanbeheer: (i) niet-naleving van of (ii) niet-nakoming van verplichtingen in verband met :  Wettigheid (incorrecte toepassing van inhoudelijke en/of procedurele regels [Artikel 4 ECGAG],Redelijke termijn voor het nemen van besluiten [Artikel 17 ECGAG]

Straatsburg, 14 mei 2007

Geachte heer X,

Op 18 en 23 september 2004 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht tegen het Europees Parlement ingediend inzake de afwijzing van uw sollicitatie naar de post van hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement in een Lidstaat. Op 24 september 2004 heeft u hierover aanvullende documentatie gefaxed.

Op 12 oktober 2004 heb ik uw klacht naar de Voorzitter van het Parlement doorgezonden. Op 7 februari 2003 heeft het Parlement zijn standpunt bekend gemaakt. Dit standpunt heb ik u opgestuurd met het verzoek er uw commentaar op te geven. Op 12 februari 2005 heeft u ons uw opmerkingen op dit standpunt toegezonden.

Op 15 mei 2005 heeft u ons een mail gestuurd waarin u zich afvroeg hoe ver het met de behandeling van uw klacht stond. Wij hebben hierop op 23 mei 2005 geantwoord. Op 28 augustus 2005 stuurde u opnieuw een mail over de behandeling van uw klacht, waarop wij op 31 augustus 2005 geantwoord hebben.

Op 13 september 2005 heb ik de Voorzitter van het Parlement schriftelijk om nadere informatie verzocht. Op dezelfde dag heb ik u daarvan per brief in kennis gesteld. Het Parlement heeft op 21 oktober 2005 op mijn verzoek gereageerd. Op 26 oktober 2005 stuurde u een nieuwe mail over de behandeling van uw klacht. Ik heb u toen het antwoord van het EP opgestuurd met het verzoek er eventueel opmerkingen bij te plaatsen. Dit heeft u op 10 november 2005 gedaan.

Op 20 juni 2006 heb ik de Voorzitter van het Parlement opnieuw schriftelijk om nadere informatie verzocht. Ik heb u daarvan dezelfde dag per brief in kennis gesteld. Het Parlement heeft op 26 juli 2006 op mijn verzoek gereageerd. Dit antwoord heb ik naar u doorgestuurd met het verzoek er eventueel opmerkingen bij te plaatsen. Dit heeft u op 22 oktober 2006 gedaan.

Op 11 december 2006 heb ik de Voorzitter van het Parlement opnieuw schriftelijk om nadere informatie verzocht. Ik heb u hiervan dezelfde dag per brief in kennis gesteld. Het Parlement beantwoordde mijn verzoek op 8 februari 2007 en stuurde mij op 22 februari 2007 een vertaling in uw moedertaal hiervan. Deze documenten heb ik naar u opgestuurd met het verzoek er eventueel opmerkingen bij te plaatsen. Dit heeft u op 21 maart 2007 gedaan.

Hierbij gaan de bevindingen van het ingestelde onderzoek. Ik verontschuldig mij voor het feit dat de behandeling van uw klacht zoveel tijd in beslag heeft genomen.


DE KLACHT

Volgens klager gaat het in het kort om de volgende relevante feiten:

Klager, een journalist, reageerde op 11 november 2002 op een vacature nr. voor de functie van hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement in een Lidstaat van de EU. Het selectiecomité wees zijn sollicitatie op 7 februari 2003 schriftelijk af en liet hem daarbij weten dat hij niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud waren uitgenodigd. Klager diende per aangetekende brief d.d. 19 februari 2003 een klacht in tegen de afwijzing van zijn sollicitatie en verzocht voor de vacature in aanmerking te worden genomen. Klager ontving op deze klacht geen enkele reactie.

Volgens klager hebben politieke partijen die in het Parlement vertegenwoordigd zijn, zich met de procedure bemoeid en hebben zij getracht de uitkomst ervan te beïnvloeden. Klager vermoedt dat zijn benoeming op politieke weerstand is gestuit, met name van een politieke partij in het bijzonder, te weten de nationale Christen-democratische fractie, opgenomen in de PPE-DE-Fractie.

Op 18 september 2004 diende klager onderhavige klacht bij de Europese Ombudsman in omdat hij meende dat:

(1) Politieke partijen bij de benoeming van het hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement in een Lidstaat betrokken waren, en dat deze betrokkenheid indruist tegen het Statuut.

(2) Het Parlement niet op zijn per aangetekende brief verstuurde klacht van 19 februari 2003 had gereageerd.

HET ONDERZOEK

Het standpunt van het Parlement

In zijn standpunt heeft het Europees Parlement kort samengevat de volgende opmerkingen gemaakt:

Klager heeft op 11 november 2002 gereageerd op een vacature voor de post van hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement in een EU Lidstaat. Voordat deze vacature werd gepubliceerd had klager reeds belangstelling voor deze functie getoond en de Dienst vergelijkende onderzoeken van het Parlement heeft hem naar aanleiding hiervan per brief d.d. 28 oktober 2002 medegedeeld dat de vacature in het Publicatieblad was gepubliceerd. De Dienst vergelijkende onderzoeken van het Parlement heeft 13 andere sollicitanten die ook hun belangstelling voor bovengenoemde vacature hadden getoond, hiervan op dezelfde wijze op de hoogte gesteld.

De voorzitter van het selectiecomité heeft klager bij schrijven van 7 februari 2003 medegedeeld dat hij na een vergelijkend onderzoek van de merites van de sollicitanten niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud werden uitgenodigd.

De door het selectiecomité gehanteerde criteria die op analoge wijze op alle sollicitanten zijn toegepast, waren ontleend aan het gedetailleerde profiel in de aankondiging van aanwerving. De keuze van de sollicitanten geschiedde aan de hand van een vergelijkende analyse van hun merites. Het besluit om de naam van klager niet op de lijst van de zes beste kandidaten op te nemen en dus niet voor een onderhoud uit te nodigen, is geheel in overeenstemming met de in de aankondiging van aanwerving neergelegde eisen.

Met betrekking tot de eerste bewering van klager als zouden politieke partijen zich in de benoemingsprocedure hebben gemengd, verklaart het Parlement dat een onafhankelijk selectiecomité is ingesteld om de kandidaten met inachtneming van de in de tekst van de aankondiging genoemde voorwaarden te selecteren. Dit comité was samengesteld uit vier leden met de nationaliteit X, een lid met de nationaliteit Y en geen enkel lid met de nationaliteit van de betrokken Lidstaat. Zes kandidaten werden voor een onderhoud uitgenodigd zonder acht te slaan op hun politieke voorkeur. De selectie heeft plaatsgevonden onder de meest strikte naleving van de aankondiging van aanwerving. Klager is niet voor een onderhoud uitgenodigd omdat hij niet tot de zes beste kandidaten behoorde, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde was.

Met betrekking tot de tweede bewering van klager als zou hij geen antwoord op zijn brief van 19 februari 2003 hebben ontvangen, verklaart het Parlement dat het om technische redenen verzuimd heeft deze brief te beantwoorden. Het Parlement heeft zich daarvoor verontschuldigd. Klager heeft echter op geen enkel moment telefonisch of schriftelijk contact met het Parlement opgenomen om navraag te doen naar het verloop van de procedure en het aan zijn sollicitatie gegeven gevolg. Het wekt dan ook bevreemding dat hij pas in oktober 2004 bij wege van een klacht bij de Ombudsman een antwoord verlangde op een brief die hij in februari 2003 had verzonden.

Opmerkingen van de klager

Klager wijst erop dat het Parlement hem zonder nadere uitleg heeft laten weten dat zijn profiel niet beantwoordde aan dat van de functie. Klager had van verschillende kanten te horen gekregen dat hij precies over het juiste profiel beschikte. Bij aangetekend schrijven d.d. 19 februari 2003 vroeg hij naar de redenen voor de afwijzing van zijn sollicitatie, maar kreeg hierop geen antwoord.

Klager wijst erop dat hij in januari 2003 in de gebouwen van het Parlement in Straatsburg een gesprek heeft gevoerd met het EP-lid, Mevr. X, die op de hoogte leek te zijn van de identiteit van de sollicitanten. Ook wekte zij de indruk dat zij de sollicitatiebrieven en CV's van de kandidaten had ingezien en zij liet merken dat zij een voorkeur voor een of meer kandidaten had.

Klager is van mening dat het commentaar van het Parlement met betrekking tot het feit dat hij over zijn afwijzing geen contact met het EP had opgenomen, storend en onbehoorlijk is, vooral daar hij het Parlement per aangetekende brief om een motivatie had gevraagd. Hij verklaart dat hij toen op aanraden van een EP-lid een klacht bij de Ombudsman heeft ingediend.

Klager benadrukt dat indien niet overtuigend kon worden gemotiveerd waarom hij niet voor een onderhoud was uitgenodigd en indien zou blijken dat niet de juiste procedure zou zijn gevolgd, hij alsnog in aanmerking wenste te komen voor de betrokken functie waarnaar hij op uitnodiging van het Parlement had gesolliciteerd.

Nader onderzoek

Na het standpunt van het Parlement en de opmerkingen van klager zorgvuldig te hebben onderzocht, achtte de Ombudsman het noodzakelijk nadere informatie in te winnen over de volgende punten.

Het eerste verzoek van de Ombudsman om nadere informatie

Na het dossier grondig te hebben bestudeerd bleek dat klager die in zijn aangetekende brief d.d. 19 februari 2003 geklaagd had over de afwijzing van zijn sollicitatie voor de functie van afdelingshoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement, van het Parlement nog steeds geen gedetailleerde uitleg had ontvangen over de vraag waarom hij niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud waren uitgenodigd.

Het standpunt van het Parlement van 7 januari 2005 omvat geen nadere uitleg hierover en geeft meer in het bijzonder ook niet aan aan welke in de aankondiging vermelde criteria (zoals omschreven in punt 5 ervan) klager in vergelijking tot de zes beste kandidaten niet voldeed.

Op basis van bovengenoemde elementen heeft de Ombudsman op 13 september 2005 het Parlement schriftelijk verzocht of het klager kon uitleggen waarom hij niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud waren uitgenodigd.

Antwoord van het Parlement

In zijn antwoord verklaart het Parlement dat het klager op 12 oktober 2005 een antwoord heeft gestuurd waarvan het een kopie had bijgevoegd, alsmede een overzicht van de door klager behaalde punten. Het Parlement wijst erop dat de vergelijkende analyse van de merites van de kandidaten gebaseerd was op de in de aankondiging vermelde criteria.

In zijn brief d.d. 12 oktober 2005 aan klager verstrekte het Parlement de volgende nadere motivering:

Het Parlement heeft klager niet verzocht zich voor de betrokken functie kandidaat te stellen. Zoals de overige 13 sollicitanten die hun belangstelling voor deze functie hadden laten blijken, heeft klager objectieve informatie ontvangen, waarna hij op de aankondiging van aanwerving heeft gereageerd.

Met betrekking tot de selectieprocedure verklaart het Parlement dat het selectiecomité in alle onafhankelijkheid heeft gewerkt en dat het de merites van 130 kandidaten vergeleken heeft op basis van de in de aankondiging vermelde criteria:

- Voltooide universitaire opleiding of gelijkwaardige beroepservaring;

- ten minste tien jaar beroepservaring, opgedaan na het behalen van het diploma dat toegang geeft tot dit vergelijkend onderzoek, met name op bovengenoemde taakgebieden;

- grondige kennis van de structuur en de werking van de Europese Unie en haar instellingen, met name het Parlement, alsmede van de verdragen en de communautaire wetgeving;

- goede kennis van de regelingen die van toepassing zijn op de communautaire instellingen, met name ten aanzien van personeel en financiën, alsmede bekwaamheid in administratief beheer;

- zeer goed organisatietalent en vermogen om de bovengenoemde taken in een team uit te voeren;

- initiatief, redactionele vaardigheid en synthetisch en analytisch vermogen;

- grondige kennis van een der officiële talen (1) en zeer goede kennis van een andere officiële taal van de Europese Unie. Om redenen verband houdend met de functie is grondige kennis van de taal [van de Lidstaat] vereist. Kennis van andere talen wordt in aanmerking genomen.

Voor de beoordeling van de kandidaten heeft het selectiecomité zich uitsluitend gebaseerd op de gegevens die de sollicitanten in hun CV's hadden verstrekt. Het heeft die kandidaten geselecteerd die de hoogste cijfers hadden behaald, geheel overeenkomstig de aankondiging, waarin staat dat alleen de beste zes voor een onderhoud worden uitgenodigd.

Het Parlement wijst erop dat klager niet tot deze zes beste kandidaten behoorde. Uit de puntenwaardering blijkt dat klager voor het onderdeel "kennis van de Europese Unie" een niet erg hoog cijfer heeft behaald. Het totale aantal punten van de zes kandidaten varieerde van 35 tot 43 punten en het totale aantal punten dat klager werd toegekend, lag drie punten lager dan het aantal van de laatste kandidaat.

Het Parlement wijst er tot slot op dat de selectieprocedure werd afgesloten.

Opmerkingen van de klager

In de eerste plaats merkt klager op dat zijn kennis van de Europese Unie en zijn redactionele vaardigheden opvallend laag zijn gewaardeerd te meer daar hij al 20 jaar als journalist werkzaam is en inmiddels vijf boeken heeft gepubliceerd, waaronder een boek over de Europese Unie dat in 2004 verscheen. Klager meent dat zijn kennis over de EU op een schaal van 1 tot 10 zeker meer dan 5 waard is. Indien klager eerder van deze beoordeling in kennis was gesteld, dan zou hij hiertegen bezwaar hebben kunnen aantekenen en kunnen aantonen dat hij op beide gebieden 7 of 8 punten had kunnen behalen, zodat hij boven de 40 punten zou zijn uitgekomen.

In de tweede plaats wijst klager erop dat het Parlement niet ingaat op een ander aspect van zijn klacht, namelijk dat de Christen-democratische Fractie (PPE) in het Parlement zich met de procedure had bemoeid. Klager herhaalt zijn mening dat mevrouw X, lid van het EP, over kennis van de dossiers van de kandidaten bleek te beschikken en hun identiteit bleek te kennen. In de ogen van klager is dit een flagrante schending van het Ambtenarenstatuut.

Klager concludeert dat hoewel zijn klacht betrekking heeft op een procedure uit 2003, het van groot belang is dat bij de aanwerving zorgvuldig wordt gehandeld. Klager verklaart dat bij hem een onbevredigend gevoel is blijven hangen omdat hij geen eerlijke kans heeft gekregen, terwijl hij de functie op grond van zijn capaciteiten en beroepservaring heel goed had kunnen vervullen.

In een mail d.d. 26 oktober 2005 die klager eerder verzond, wijst hij er opnieuw op dat het Parlement niet ingaat op de bewering dat mevrouw X, lid van het EP, zich met de selectieprocedure heeft bemoeid, hoewel het op grond van het Statuut verboden is dat politici zich met de selectieprocedures van het Parlement bemoeien. Klager wil dat de Ombudsman het Parlement vraagt hierop te reageren.

Het tweede verzoek van de Ombudsman om nadere informatie

Na een zorgvuldige bestudering van het antwoord van het Parlement op zijn verzoek om nadere informatie en de opmerkingen van klager bleek dat nadere informatie noodzakelijk was. De Ombudsman heeft het Parlement derhalve op 20 juni 2006 schriftelijk verzocht nadere informatie over de volgende drie punten te verstrekken:

"1. In zijn opmerkingen en aanvullende opmerkingen verklaart klager dat een lid van het Europees Parlement de identiteit van de kandidaten voor de functie bleek te kennen en de sollicitatiebrieven en CV's van de kandidaten bleek te hebben gezien, en dat dit neerkwam op een flagrante schending van het Ambtenarenstatuut. Kan het Parlement aangeven welke maatregelen het heeft genomen om a) de anonimiteit(1) van de kandidaten en hun sollicitaties en b) de onpartijdigheid van de selectieprocedure te garanderen?

2. Uit de brief van het Parlement d.d. 12 oktober 2005 aan klager (derde alinea) blijkt dat er voor de functie van afdelingshoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement 130 sollicitanten waren. Ook blijkt uit de klacht en het standpunt van het Parlement dat het Parlement voor de publicatie van de vacature in het Publicatieblad 13 potentiële kandidaten ervan in kennis heeft gesteld dat deze post gepubliceerd zou worden. Kan het Parlement uitleggen op welke basis zij deze 13 kandidaten heeft geselecteerd?

3. Met betrekking tot de klacht dat klager geen antwoord op zijn brief van 19 februari 2003 heeft ontvangen, verklaart het Parlement in zijn standpunt dat "om technische redenen" was verzuimd deze brief te beantwoorden. Kan het Parlement uitleggen om wat voor "technische redenen" het hier ging?"

Antwoord van het Parlement

(1) Met betrekking tot de eerste vraag van de Ombudsman antwoordt het Parlement dat de selectieprocedure waaraan klager had deelgenomen geen vergelijkend onderzoek maar een procedure volgens artikel 29, lid 2 van het Ambtenarenstatuut was, waarop de voorschriften van bijlage III van het Statuut niet van toepassing zijn. Het Parlement wijst erop dat anonimiteit niet tot de voorwaarden van de procedure behoort zoals vastgesteld in bijlage III van het Statuut. Het Parlement benadrukt echter dat het de anonimiteit wel zoveel mogelijk in acht neemt, vooral bij de beoordeling van schriftelijk examenwerk, door de naam van de kandidaten op hun schriftelijke werk onzichtbaar te maken.

De procedure in kwestie omvatte echter geen schriftelijk gedeelte, maar alleen een onderzoek van de bewijsstukken en een onderhoud met de kandidaten. Het selectiecomité heeft aan de hand van de sollicitaties de zes beste kandidaten gekozen en voor een onderhoud uitgenodigd. Bij een dergelijke procedure heeft het geen zin om de anonimiteit te waarborgen door de naam van de kandidaat voor de beoordelaars van schriftelijk examenwerk te verbergen.

Het selectiecomité heeft bij zijn werkzaamheden natuurlijk wel de plicht van geheimhouding in acht genomen. Deze plicht dient om de onafhankelijkheid en objectiviteit van de jury te waarborgen door elke druk of beïnvloeding van buitenaf te weren. Deze plicht houdt noodzakelijkerwijs in dat de leden van het selectiecomité tot discretie gehouden zijn. Er is geen enkel bewijs dat de leden van het bewuste selectiecomité ook maar enige informatie over de kandidaten aan de buitenwereld zouden hebben doorgegeven.

Bovendien komt het comité in Luxemburg bijeen en de dossiers van de kandidaten zijn onmiddellijk en uitsluitend door de bevoegde dienst behandeld, te weten de Dienst vergelijkend onderzoeken. De dossiers zijn naar geen enkele andere plaats overgebracht en er is geen enkele kopie van gemaakt. Men kan het het Parlement niet kwalijk nemen dat een Parlementslid kennis van de identiteit van de kandidaten en hun CV's gehad zou hebben, zoals klager beweert. Elke kandidaat had de mogelijkheid om de inhoud van zijn dossier en andere informatie mee te delen aan wie hij maar wilde, zonder dat het Parlement daarvoor verantwoordelijk gesteld kan worden.

Met betrekking tot de samenstelling van het selectiecomité is ervoor gekozen de onpartijdigheid ervan te waarborgen. Het comité werd op basis hiervan samengesteld uit vier leden van nationaliteit X en een lid van nationaliteit Y. Geen enkel lid van de nationaliteit van de betrokken Lidstaat maakte er deel van uit.

(2) Met betrekking tot de 13 gegadigden die zich voor de vacante functie kandidaat gesteld hadden vóór de kennisgeving van de vacature en hun "selectie" door het Parlement, verklaart het Parlement in de eerste plaats dat deze 13 personen niet door het Parlement zijn geselecteerd. Deze personen hadden hun belangstelling voor de vacante functie reeds laten blijken voordat de vacature gepubliceerd was.

Deze aanwervingsprocedure was namelijk niet de eerste om in de functie van hoofd van het Voorlichtingsbureau te voorzien. De oorspronkelijke kennisgeving van de vacature en de overplaatsing waren uitgehangen. Gezien het geringe aantal gegadigden heeft het tot aanstelling bevoegd gezag besloten zijn keuzemogelijkheden te verruimen door een nieuwe selectieprocedure te lanceren. Omdat het niet mogelijk was een reservelijst van geschikte kandidaten op te stellen, is het vergelijkend onderzoek geannuleerd. Een gewijzigde kennisgeving van vacature werd dan uitgehangen. Uiteindelijk is de finale kennisgeving van aanwerving in het Publicatieblad verschenen.

De 13 personen in kwestie hadden er blijkbaar kennis van gekregen dat de vorige aanwervingsprocedure op niets was uitgelopen en hebben hun belangstelling voor genoemde functie laten blijken. Al die personen zijn op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om al dan niet op de kennisgeving van aanwerving te reageren. Dit is de gangbare praktijk bij spontane kandidaatstellingen. Als de kennisgeving van vergelijkend onderzoek of aanwerving reeds gepubliceerd is, wordt de gegadigden een kopie van het desbetreffende Publicatieblad toegestuurd.

(3) Met betrekking tot de derde vraag van de Ombudsman wordt erop gewezen dat de brief van 19 februari 2003 van klager onbeantwoord is gebleven omdat hij bij de Dienst vergelijkend onderzoeken is aangekomen op een moment dat die dienst wegens werkzaamheden aan de kantoren op korte termijn meerdere keren heeft moeten verhuizen zodat de brief verloren is geraakt. Het Parlement wijst erop dat het hiervoor reeds zijn verontschuldigingen had aangeboden in zijn standpunt van 7 januari 2005. Hoewel dit verzuim te betreuren is, benadrukt het Parlement dat het uitblijven van antwoord op de aanvraag van klager na het verstrijken van een termijn van vier maanden volgens artikel 90, lid 1 van het Statuut gelijk staat met een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen bezwaar kan worden aangetekend. Het argument van klager dat het uitblijven van antwoord zijn rechtspositie heeft gewijzigd, is dan ook niet juist.

Opmerkingen van de klager

In zijn opmerkingen verklaart klager dat het kardinale punt erin gelegen is dat de ambtelijke diensten zich door de leden van het Europees Parlement hebben laten beïnvloeden. Klager stelt dat mevrouw X, EP-lid van de PPE, tegenover hem heeft verklaard dat haar voorkeur uitging naar bepaalde kandidaten die in haar ogen zeer geschikt waren.

Klager stelt ook dat het hem bekend was dat bepaalde EP-leden rechtstreeks contact met de heer Priestley, secretaris-generaal, hadden opgenomen om invloed op de sollicitatieprocedure uit te oefenen. Dit blijkt uit e-mailcontact van de heer Y en de heer Z, EP-leden van de Liberale resp. Christen-democratische Fractie. Indien de heer Priestley of enige andere betrokkene bij de procedure zich heeft laten beïnvloeden door deze contacten, dan maakt dit de procedure ongeldig omdat dit in strijd is met het Ambtenarenstatuut.

Klager blijft erbij dat moet worden onderzocht of EP-leden de procedure hebben beïnvloed. Als dit wordt aangetoond, dan moet de selectieprocedure ongeldig worden verklaard.

Het derde verzoek van de Ombudsman om nadere informatie

Nadat de Ombudsman het antwoord van het Parlement op zijn tweede verzoek om nadere informatie en de aanvullende opmerkingen van klager zorgvuldig had bestudeerd, achtte hij het noodzakelijk nog eens nadere inlichtingen in te winnen. De Ombudsman schreef het Parlement daarom op 11 december 2006 een brief waarin hij om nadere inlichtingen over het volgende punt verzocht:

"In zijn opmerkingen van 22 oktober 2006 op het antwoord van het Parlement op mijn [van de Ombudsman] verzoek om nadere informatie, wijst klager erop dat bepaalde niet met naam genoemde leden van het EP direct contact met de secretaris-generaal van het EP hebben gezocht om invloed op de sollicitatieprocedure uit te oefenen. Daarnaast wijst klager erop dat er sprake van wanbeheer zou zijn als de administratie van het Parlement zich hierdoor heeft laten beïnvloeden. De Ombudsman constateert dat klager geen concrete bewijzen aandraagt om aan te tonen dat de secretaris-generaal inderdaad benaderd is, en, zo dit al het geval was, de administratie van het Parlement zich hierdoor heeft laten beïnvloeden. Ook zij erop gewezen dat de Ombudsman niet bevoegd is een onderzoek in te stellen naar beweringen die betrekking hebben op leden van het Europees Parlement. Maar aangezien de aantijgingen van klager een ernstige kwestie aan de orde stellen die betrekking heeft op het Parlement als zodanig, is de Ombudsman van oordeel dat het Parlement in de gelegenheid moet worden gesteld hierop te reageren. Kan het Parlement mij derhalve mededelen of de secretaris-generaal inderdaad is benaderd en hoe de administratie hierop heeft gereageerd?"

Antwoord van het Parlement

In zijn antwoord wijst de Voorzitter van het Parlement erop dat de besluiten van jury's voor vergelijkende onderzoeken en selectiecomités op basis van onafhankelijkheid tot stand komen en dat de administratie erop toeziet dat er van buitenaf geen invloed wordt uitgeoefend op of sprake is van inmenging in procedures voor vergelijkende onderzoeken en selectieprocedures.

De administratie van het Parlement heeft op geen enkel moment kennis gehad van welke pogingen dan ook om de secretaris-generaal in het kader van de aanwervingsprocedure in kwestie te beïnvloeden. De Voorzitter van het Parlement wijst er daarnaast op dat hij kan verzekeren dat er geen sprake is geweest van inmenging van de zijde van de secretaris-generaal in het werk van het selectiecomité. Tot slot wijst hij erop dat klager geen bewijzen heeft overlegd ter staving van zijn beweringen volgens welke de procedure niet objectief of onpartijdig zou zijn geweest.

Opmerkingen van de klager

In zijn aanvullende opmerkingen stelt klager dat het hem niet verbaast dat het Parlement iedere vorm van inmenging in de sollicitatieprocedure ontkent. Klager herhaalt dat mevrouw X, EP-lid, in het bijzijn van haar voorlichter klager heeft laten weten dat zij kennis had van de individuele dossiers van sollicitanten, zij de identiteit van de sollicitanten kende en dat zij zich een mening had gevormd over de kwaliteit van de individuele kandidaten. Mevrouw X verklaarde dit ten overstaan van klager in het bijzijn van een getuige. Klager realiseert zich dat het sluitend bewijzen van haar uitlatingen zou betekenen dat bedoelde getuige (namelijk de medewerker van het EP-lid) zou moeten worden gehoord.

Klager wijst er vervolgens op dat er tijdens de sollicitatieprocedure onder bepaalde leden van het Parlement onvrede ontstond en dat hij van een EP-lid vernam dat een bepaald EP-lid contact had gezocht met de secretaris-generaal waarna de kring van geselecteerde kandidaten werd uitgebreid. Klager verklaart dat hierover per mail, telefoon en informeel contact is geweest tussen de EP-leden en ambtenaren van het Parlement.

Klager concludeert dat hij eerlijk gezegd niet weet welke andere bewijzen hij verder zou kunnen aandragen, maar dat de procedure in ieder geval verre van objectief en onpartijdig is geweest.

HET BESLUIT

1 Reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman

1.1 Op 11 november 2002 reageerde klager, een journalist, op een vacaturevoor de functie van hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement in een EU Lidstaat. Zijn sollicitatie werd per brief d.d. 7 februari 2003 door het selectiecomité afgewezen. Hem werd meegedeeld dat hij niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud waren uitgenodigd. Klager vermoedde dat een politieke partij in het bijzonder tegen zijn benoeming gekant was (nl. de nationale Christen-democratische fractie binnen de PPE-Fractie). In zijn klacht aan de Europese Ombudsman stelt klager dat politieke partijen in weerwil van het Ambtenarenstatuut betrokken waren bij de benoeming van het hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement.

1.2 De Ombudsman constateert dat klager in zijn opmerkingen en aanvullende opmerkingen verklaart dat bepaalde leden van het Europees Parlement zich met de selectieprocedure hebben bemoeid en dat dit in strijd is met het Ambtenarenstatuut. De Ombudsman is van mening dat deze verklaringen niet bedoeld zijn als aantijgingen tegen deze EP-leden. De Ombudsman constateert verder dat aantijgingen tegen individuele EP-leden buiten de bevoegdheid van de Ombudsman vallen omdat deze geen betrekking hebben op het optreden van de communautaire instellingen en organen (art. 2, lid 1 van het Statuut van de Ombudsman). Hoewel het Parlement op zichzelf duidelijk een communautaire instelling is (zie art. 7 van het EG-Verdrag), zijn de individuele leden van het Parlement geen communautaire instellingen of organen in de betekenis van artikel 195 van het EG-Verdrag.

1.3 In zijn opmerkingen verklaart klager daarnaast dat hij nog steeds voor de functie in kwestie in aanmerking wenst te komen indien zou blijken dat niet de juiste procedure is gevolgd. In dit verband wijst de Ombudsman erop dat de selectieprocedure voor de betrokken functie is afgesloten, d.w.z. anderhalf jaar voordat klager zijn klacht bij de Ombudsman indiende, en dat het verzoek van klager derhalve niet kan worden ingewilligd.

2 Vermeende tussenkomst van politieke partijen in de selectieprocedure

2.1 Klager stelt dat politieke partijen in weerwil van het Ambtenarenstatuut bij de benoeming van het hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement in een Lidstaat betrokken waren.

2.2 Het Parlement stelt dat na een vergelijkende analyse van de merites van de kandidaten bleek dat klager niet tot de zes beste kandidaten behoorde die voor een onderhoud zouden worden uitgenodigd. De door het selectiecomité gehanteerde criteria die op analoge wijze op alle sollicitanten werden toegepast, waren ontleend aan het gedetailleerde profiel in de aankondiging van aanwerving. Het Parlement stelt tevens dat een onafhankelijk selectiecomité werd ingesteld om de sollicitanten met inachtneming van de in de tekst van de aankondiging genoemde voorwaarden te selecteren. Dit comité bestond uit vier leden van nationaliteit X en een lid van nationaliteit Y. In het selectiecomité bevond zich niemand met de nationaliteit van de betrokken lidstaat. Het comité nodigde zes sollicitanten uit voor een onderhoud zonder acht te slaan op hun politieke voorkeur. De selectie vond plaats onder de meest strikte naleving van de aankondiging van aanwerving.

2.3 In zijn opmerkingen op het antwoord van het Parlement op het eerste verzoek van de Ombudsman om nadere informatie, wijst klager erop dat het Parlement verzuimd heeft op een van de aspecten van zijn klacht te reageren, namelijk dat Christen-democraten binnen het Europees Parlement (de PPE-DE) zich met de selectieprocedure hebben bemoeid.

2.4 Op 20 juni 2006 verzocht de Ombudsman het Parlement om nadere informatie over de volgende twee punten:

"1. In zijn opmerkingen en aanvullende opmerkingen verklaart klager dat een lid van het Europees Parlement de identiteit van de kandidaten voor de functie bleek te kennen en de sollicitatiebrieven en CV's van de kandidaten bleek te hebben gezien, en dat dit neerkwam op een flagrante schending van het Ambtenarenstatuut. Kan het Parlement aangeven welke maatregelen het heeft genomen om a) de anonimiteit(2) van de kandidaten en hun sollicitaties en b) de onpartijdigheid van de selectieprocedure te garanderen?"

2.5 In zijn antwoord stelt het Parlement dat het selectiecomité bij zijn werkzaamheden de plicht van geheimhouding in acht heeft genomen en dat niet bewezen is dat de leden van het bewuste comité ook maar enige informatie over de kandidaten aan de buitenwereld doorgegeven zouden hebben. Het Parlement verklaart tevens dat het comité in Luxemburg bijeen is gekomen en dat de dossiers van de kandidaten onmiddellijk en uitsluitend door de bevoegde dienst zijn behandeld, namelijk de Dienst vergelijkende onderzoeken. De dossiers zijn naar geen enkele andere plaats overgebracht en er zijn geen kopieën van gemaakt. Het Parlement kon het niet kwalijk worden genomen dat een EP-lid kennis van de identiteit van de kandidaten en hun CV had, aangezien elke kandidaat de inhoud van zijn dossier en alle andere informatie aan wie hij maar wilde kon doorgeven.

2.6 In zijn opmerkingen op het antwoord van het Parlement blijft klager bij zijn klacht en verklaart hij dat het kardinale punt voor hem was dat de diensten van het parlement zich door EP-leden lieten beïnvloeden.

2.7 Op 11 december 2006 verzocht de Ombudsman het Parlement om nadere informatie over de volgende vraag:

"In zijn opmerkingen van 22 oktober 2006 op het antwoord van het Parlement op mijn [van de Ombudsman] verzoek om nadere informatie, wijst klager erop dat bepaalde niet met naam genoemde leden van het EP direct contact met de secretaris-generaal van het EP hebben gezocht om invloed op de sollicitatieprocedure uit te oefenen. Daarnaast wijst klager erop dat er sprake van wanbeheer zou zijn als de administratie van het Parlement zich hierdoor heeft laten beïnvloeden. De Ombudsman constateert dat klager geen concrete bewijzen aandraagt om aan te tonen dat de secretaris-generaal inderdaad benaderd is, en, zo dit al het geval was, de administratie van het Parlement zich hierdoor heeft laten beïnvloeden. Ook zij erop gewezen dat de Ombudsman niet bevoegd is een onderzoek in te stellen naar beweringen die betrekking hebben op leden van het Europees Parlement. Maar aangezien de aantijgingen van klager een ernstige kwestie aan de orde stellen die betrekking heeft op het Parlement als zodanig, is de Ombudsman van oordeel dat het Parlement in de gelegenheid moet worden gesteld hierop te reageren. Kan het Parlement mij derhalve mededelen of de secretaris-generaal inderdaad is benaderd en hoe de administratie hierop heeft gereageerd?"

2.8 In zijn antwoord wijst de Voorzitter van het Parlement erop dat de besluiten van jury's voor vergelijkende onderzoeken en selectiecomités op basis van onafhankelijkheid tot stand komen en dat de administratie erop toeziet dat er van buitenaf geen invloed wordt uitgeoefend op of sprake is van inmenging in procedures voor vergelijkende onderzoeken en selectieprocedures. Daarnaast wijst de Voorzitter van het Parlement erop dat de administratie van het Parlement op geen enkel moment in kennis is gesteld van welke poging dan ook om de secretaris-generaal in het kader van de aanwervingsprocedure in kwestie te beïnvloeden. Daarnaast verklaart de Voorzitter van het Parlement dat hij kan verzekeren dat er geen sprake was geweest van inmenging van de zijde van de secretaris-generaal in het werk van het selectiecomité. Tot slot wijst hij erop dat klager geen bewijzen heeft overlegd ter staving van zijn beweringen volgens welke de procedure niet objectief of onpartijdig zou zijn geweest.

2.9 In zijn opmerkingen op het antwoord van het Parlement wijst klager erop dat hij niet verbaasd is dat het Parlement enige inmenging in de sollicitatieprocedure ontkent. Klager wijst er andermaal op dat mevrouw X, EP-lid, hem in bijzijn van haar medewerker had laten weten dat zij kennis had van de individuele dossiers van de sollicitanten en dat zij de identiteit van de sollicitanten kende en dat zij zich een mening had gevormd over de kwaliteit van de individuele kandidaten. Mevrouw X verklaarde dit ten overstaan van klager in het bijzijn van een getuige. Klager wijst er verder op dat er tijdens de selectieprocedure onder bepaalde leden van het Parlement onvrede was ontstaan en dat hij van een EP-lid te weten was gekomen dat een EP-lid contact had opgenomen met de secretaris-generaal, waarna de kring van geselecteerde kandidaten werd uitgebreid.

2.10 De Ombudsman is van mening dat de bewering van klager, namelijk dat politieke partijen zich bemoeid hebben met de benoeming van het hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement, begrepen kan worden als de suggestie dat ambtenaren van het Parlement die bij de selectieprocedure betrokken waren, zich door EP-leden hebben laten beïnvloeden. Een essentieel onderdeel van het onderzoek bestaat er dan ook uit dat de Ombudsman moet nagaan of dit werkelijk het geval was en of het selectiecomité van het Parlement het uitoefenen van invloed op of inmenging in de selectieprocedure door bemoeienissen van EP-leden "van buitenaf" heeft toegelaten.

2.11 Met betrekking tot deze vraag constateert de Ombudsman dat klager geen tastbaar bewijs hiervoor heeft aangedragen. Aangezien het hier om een ernstige aantijging gaat, heeft de Ombudsman desalniettemin een grondig onderzoek ingesteld waarbij hij het Parlement diverse malen om nadere informatie heeft verzocht. Tijdens dit onderzoek is geen enkel concreet bewijs naar boven gekomen dat de vermoedens van klager kan staven.

2.12 De Ombudsman constateert vervolgens dat het Parlement duidelijk verklaard heeft dat er geen invloed is uitgeoefend door personen die geen deel uitmaakten van het selectiecomité en dat het selectiecomité tijdens zijn werkzaamheden de geheimhoudingsplicht in acht heeft genomen. Met betrekking tot de verwijten aan het adres van de secretaris-generaal constateert de Ombudsman in het bijzonder dat de Voorzitter van het Parlement in zijn antwoord op een specifieke vraag hierover aan het Parlement, erop wijst dat hij op geen enkel moment in kennis is gesteld van welke pogingen dan ook om de secretaris-generaal in het kader van de aanwervingsprocedure in kwestie te beïnvloeden en dat er van de zijde van de secretaris-generaal geen inmenging in het werk van het selectiecomité is geweest. De Ombudsman is tevens van mening dat het argument van het Parlement dat het niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat kandidaten misschien zelf de inhoud van hun dossiers aan andere personen kenbaar hebben gemaakt, redelijk is.

2.13 Klager verklaart dat bepaalde EP-leden of medewerkers van EP-leden zijn beweringen kunnen bevestigen. In dit verband, en met name in verband met de specifieke verwijzing van klager naar de noodzaak om de medewerker van mevrouw X als getuige te horen, wijst de Ombudsman erop dat hij op grond van artikel 3, lid 2 van zijn Statuut alleen getuigen kan horen die ambtenaren of anderszins personeelsleden van de communautaire instellingen zijn. Leden van het EP noch hun medewerkers vallen onder deze categorie. De Ombudsman is derhalve niet bevoegd dergelijke personen als getuige te horen.

2.14 De Ombudsman is van mening dat het feit dat hij ingevolge artikel 3, lid 2 van zijn Statuut alleen ambtenaren en andere personeelsleden van de communautaire instellingen als getuige kan horen, hem niet noodzakelijkerwijs de mogelijkheid ontneemt om andere personen op vrijwillige basis om informatie te verzoeken die hij voor de behandeling van een klacht noodzakelijk kan achten. In onderhavig geval is de Ombudsman evenwel van mening dat dit niet gepast zou zijn omdat het Parlement duidelijk heeft verklaard dat er geen sprake van inmenging was en dat aan dergelijke verklaringen van een communautaire instelling geloof moet worden gehecht tenzij er concrete aanwijzingen van het tegendeel zijn, hetgeen hier niet het geval is. Daarnaast zij erop gewezen dat klager zelf de mogelijkheid had om de betrokken personen te verzoeken de Ombudsman de nodige informatie te verstrekken, hetzij rechtstreeks hetzij via hemzelf. Zoals hierboven reeds is aangegeven heeft klager geen enkel concreet bewijs ter staving van zijn beweringen aangedragen.

2.15 Met betrekking tot het argument van klager dat hij uit verschillende bronnen heeft vernomen dat hij over precies het juiste profiel voor de functie beschikte, is de Ombudsman van mening dat dit argument de persoonlijke mening van klager met betrekking tot zijn sollicitatie weerspiegelt en dat de selectieprocedure gebaseerd was op een vergelijkende analyse van de merites van de sollicitanten.

2.16 Op basis van bovengenoemde overwegingen is de Ombudsman van oordeel dat niet is aangetoond dat de selectieprocedure voor de functie van hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement was blootgesteld aan invloed of inmenging van buitenaf. Met betrekking tot de eerste bewering van klager kan dan ook geen wanbeheer worden geconstateerd.

2.17 Klager staat het evenwel vrij om hierover opnieuw een klacht in te dienen, mits hij concrete bewijzen ter staving van zijn bewering aandraagt.

3 Vermeend verzuim om te antwoorden

3.1 Klager stelt dat het Parlement zijn per aangetekende post verstuurde klacht van 19 februari 2003 niet heeft beantwoord.

3.2 In zijn standpunt wijst het Parlement erop dat het om "technische" redenen verzuimd heeft te reageren, maar dat het hiervoor zijn verontschuldigingen aanbiedt. Het Parlement wijst er bovendien op dat klager op geen enkel moment telefonisch of schriftelijk contact met het Parlement heeft opgenomen om navraag te doen naar het verloop van de procedure en het aan zijn sollicitatie gegeven gevolg. Tevens wekt het bevreemding dat klager pas in oktober 2004 bij wege van een klacht aan de Ombudsman een antwoord op een brief verlangde die hij in februari 2003 had verzonden.

3.3 In zijn opmerkingen herhaalt klager dat hij nog steeds geen antwoord op zijn per aangetekende post verstuurde brief d.d. 19 februari 2003 had ontvangen. Klager is bovendien van mening dat hij het commentaar van het Parlement op het feit dat hij geen contact met het Parlement had opgenomen wegens het uitblijven van zijn antwoord verontrustend en onzorgvuldig vond, vooral aangezien hij zijn brief per aangetekende post had verzonden.

3.4 In zijn aanvullend standpunt naar aanleiding van de brief waarin de Ombudsman om nadere informatie verzocht, stelt het Parlement dat het op 12 oktober 2005 klager een antwoord heeft gestuurd onder bijvoeging van een kopie van dit antwoord en een overzicht van de door klager behaalde punten.

3.5 Op 20 juni 2006 verzocht de Ombudsman het Parlement nadere informatie te verstrekken over de technische redenen op grond waarvan het Parlement verzuimd had de brief van klager d.d. 19 februari 2003 te beantwoorden.

3.6 In zijn antwoord stelt het Parlement dat de brief van klager d.d. 19 februari 2003 onbeantwoord was gebleven omdat de brief bij de Dienst vergelijkende onderzoeken was aangekomen op een moment dat deze dienst wegens herstructurering op korte tijd meerdere keren heeft moeten verhuizen zodat de brief verloren was geraakt. Het Parlement wijst er hierbij op dat het zich hiervoor reeds heeft verontschuldigd in zijn standpunt van 7 januari 2005. Hoewel dit verzuim betreurenswaardig is, benadrukt het Parlement dat het uitblijven van antwoord op het bezwaar van klager na het verstrijken van een termijn van vier maanden volgens artikel 90, lid 1 van het Statuut gelijkstaat met een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen bezwaar kan worden aangetekend.

3.7 Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten de instellingen en organen van de EU binnen redelijke termijn op klachten van burgers antwoorden(3). In onderhavig geval constateert de Ombudsman dat de aangetekende brief van klager d.d. 19 februari 2003 pas op 12 oktober 2005(4) werd beantwoord, d.w.z. meer dan tweeëneenhalf jaar nadat de brief door het Parlement was ontvangen. Het Parlement legt in zijn standpunt uit dat de brief van klager verloren was geraakt. Nu genoemde brief aangetekend was verstuurd, valt het moeilijk te begrijpen hoe dit heeft kunnen gebeuren. Desalniettemin dient erop te worden gewezen dat het Parlement reeds op 12 oktober 2004 erop opmerkzaam is gemaakt dat het had verzuimd te antwoorden. Op die datum namelijk opende de Ombudsman zijn onderzoek en heeft de Ombudsman het Parlement expliciet gevraagd nadere uitleg te verschaffen over het feit dat het zou hebben nagelaten de brief van klager te beantwoorden. Het Parlement beantwoordde de brief van de Ombudsman pas op 12 oktober 2005, d.w.z. een vol jaar later. Dit overschrijdt duidelijk de termijn die gezien de omstandigheden van de zaak als redelijk kan worden beschouwd. Het verzuim van het Parlement binnen redelijke termijn op genoemde brief te antwoorden, is derhalve een geval van wanbeheer.

3.8 De Ombudsman constateert dat het Parlement in zijn standpunt zijn verontschuldigingen heeft aangeboden voor het feit dat het in eerste instantie niet op de brief van klager had geantwoord. Desalniettemin ging deze verontschuldiging niet vergezeld van een antwoord op de brief zelf, hoewel het Parlement deze brief in dat stadium makkelijk had kunnen beantwoorden. De Ombudsman stelt verder vast dat het Parlement in zijn standpunt verbaasd is over het feit dat klager pas in oktober 2004 een antwoord verlangde op zijn brief van februari 2003. Naar de mening van de Ombudsman is dit argument moeilijk te begrijpen. Burgers mogen toch verwachten dat communautaire instellingen en organen binnen een redelijke termijn op hun brieven reageren. Als een dergelijke reactie uitblijft, hebben zij het recht zich tot de Ombudsman te wenden, mits hun klacht is ingediend binnen twee jaar vanaf de datum waarop de relevante feiten aan klager bekend werden. In onderhavig geval is duidelijk aan deze voorwaarden voldaan.

3.9 De Ombudsman stelt verder vast dat het Parlement, in zijn antwoord op zijn verzoek van 20 juni 2006 om nadere informatie, argumenteerde dat het verzuim om binnen een termijn van vier maanden op brief van klager d.d. 19 februari 2003 te reageren, hoe betreurenswaardig ook, op grond van artikel 90, lid 1 van het Ambtenarenstatuut gelijkstaat met een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen bezwaar kan worden aangetekend. De Ombudsman neemt aan dat het Parlement hier doelt op de mogelijkheid om op grond van artikel 90, lid 2 van het Ambtenarenstatuut intern bezwaar aan te tekenen. Er dient echter rekening mee te worden gehouden dat klager geen deel uitmaakt van het personeel van de Europese Gemeenschappen waarop het Ambtenarenstatuut van toepassing is. Daarnaast draagt het Parlement geen enkel ander argument aan op basis waarvan het kon beschouwen dat het de brief van klager d.d. 19 februari 2003 overeenkomstig artikel 90 van het Ambtenarenstatuut kon behandelen.

3.10 Tot slot merkt de Ombudsman op dat het Parlement in zijn standpunt benadrukt dat klager op geen moment hetzij telefonisch hetzij schriftelijk contact met het Parlement heeft opgenomen om navraag te doen naar het verloop van de procedure en het aan zijn sollicitatie gegeven gevolg. Aangezien klager hierover een aangetekende brief heeft verstuurd, is de Ombudsman van mening dat het aan het Parlement was om op deze brief te antwoorden. Klager hoefde dus helemaal niet nog eens contact met het Parlement op te nemen alvorens bij de Ombudsman een klacht in te dienen.

3.11 Gezien deze omstandigheden is de Ombudsman van oordeel dat in weerwil van de verontschuldigingen die het Parlement in zijn standpunt heeft aangeboden een kritische opmerking hier op zijn plaats is.

4 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar het tweede deel van de klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt:

Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten de instellingen en organen van de EU binnen een redelijke termijn op klachten van burgers reageren(5). In onderhavig geval werd de aangetekende brief van klager d.d. 19 februari 2003 pas op 12 oktober 2005 beantwoord, d.w.z. meer dan tweeëneenhalf jaar later en een jaar nadat de Ombudsman het Parlement op zijn verzuim had gewezen. Dit overschrijdt duidelijk een termijn die onder de gegeven omstandigheden als redelijk kan worden beschouwd. Het verzuim van het Parlement om binnen een redelijke termijn op genoemde brief te antwoorden, is derhalve een geval van wanbeheer.

Aangezien dit aspect van de zaak procedureel van aard is en het Parlement uiteindelijk wel geantwoord heeft op de brief van 19 februari 2003, is het niet gepast in deze zaak een minnelijke schikking te vinden. De Ombudsman sluit de zaak daarom af.

De Voorzitter van het Parlement zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Hoogachtend,

 

Prof. P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) De "anonimiteit" in kwestie refereert naar de anonimiteit ten aanzien van personen die geen lid zijn van het selectiecomité.

(2) De "anonimiteit" in kwestie refereert naar de anonimiteit ten aanzien van personen die geen lid zijn van het selectiecomité.

(3) Artikel 17(1) van de Europese Code van Goed Administratief Gedrag.

(4) Hoewel de brief d.d. 12 oktober 2005 van de directeur-generaal van het Parlement niet verwijst naar de brief van klager d.d. 19 februari 2003, maar alleen naar brief van klager d.d. 12 februari 2005 aan de Ombudsman (waarin zijn opmerkingen waren verwerkt), blijkt het dat de brief d.d. 12 oktober 2005 beschouwd moet worden als het antwoord van het Parlement op de brief van klager d.d. 19 februari 2003.

(5) Artikel 17(1) van de Europese Code van Goed Administratief Gedrag.