Europäischer Bürgerbeauftragter
Ähnliche Dokumente
Samenvatting van het besluit inzake klacht 1051/2010/BEH tegen de Europese Dienst voor extern optreden
De klacht werd ingediend door een Duitse journalist. In 2010 wendde hij zich tot de Europese Commissie en vroeg toegang tot een hoofdstuk over visakwesties, opgenomen in een verslag van bijeenkomsten die in februari 2010 hadden plaatsgevonden met de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (de 'hoge vertegenwoordiger') en afgevaardigden van de Russische Federatie. De Commissie weigerde toegang.
In zijn klacht aan de Ombudsman uitte klager kritiek op het verzuim van de Commissie hem toegang te geven tot het gevraagde document zonder een overtuigende verklaring te geven voor de geweigerde toegang. Hij stelde dat de Commissie toegang zou moeten verschaffen dan wel een overtuigende reden zou moeten geven, waarom die toegang niet kon worden gegeven.
In haar standpunt stelde de Commissie dat openbaarmaking haar inspanningen om de betrekkingen tussen de EU en de Russische Federatie te beschermen, zou ondermijnen. Daarom kon, op grond van artikel 4, lid 1, onder a, van Verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek, geen toegang worden verschaft. Zij lichtte toe dat: (i) openbaarmaking beoordelingen over de visakwestie, die niet waren gedeeld met de Russische delegatie, in het publieke domein terecht zou komen en (ii) deze openbaarmaking de onderhandelingspositie van de EU zou verzwakken.
Voordat de diensten van de Ombudsman aan een inspectie van het betrokken document begonnen, liet de Commissie de Ombudsman weten dat na de instelling van de Europese Dienst voor extern optreden (EEAS), deze dienst nu verantwoordelijk was voor de zaak. Vanaf dat moment richtte de Ombudsman zijn onderzoek aan de EEAS.
Bij de beoordeling van de positie van deze instelling hield de Ombudsman rekening met het feit dat, volgens de jurisprudentie van de rechtscolleges van de Europese Unie, de belangen die beschermd worden door artikel 4, lid 1, onder a, van Verordening nr. 1049/2001, bijzonder gevoelig liggen. Daarom genieten instellingen een grote mate van beoordelingsvrijheid als het gaat om de vraag of openbaarmaking het algemeen belang zou kunnen ondermijnen. De Ombudsman oordeelde dat de mening van de instelling die stelde dat openbaarmaking de onderhandelingspositie van de EU zou verzwakken, werd bevestigd door de resultaten van de inspectie en overtuigend was. Verder oordeelde hij dat het hoofdstuk van het document waartoe klager toegang had gevraagd, betrekking had op lopende onderhandelingen en dat conclusies zouden kunnen worden getrokken over de beoordeling van de EU van de aanpak van de Russische Federatie. Het argument van de instelling dat openbaarmaking van het relevante gedeelte het bestaande onderlinge vertrouwen tussen de Russische Federatie en de EU op het spel zou zetten, was daarom plausibel. Dit in beschouwing nemende concludeerde de Ombudsman dat er geen sprake was van wanbeheer met betrekking tot de beslissing tot weigering van de toegang.